02-09-17

Joseph Roth, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

 

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Joseph Roth op dit blog.

Uit:Die Kapuzinergruft

Wir heißen Trotta. Unser Geschlecht stammt aus Sipolje in Slowenien. Ich sage: Geschlecht; denn wir sind nicht eine Familie. Sipolje besteht nicht mehr, lange nicht mehr. Es bildet heute mit mehreren umliegenden Gemeinden zusammen eine größere Ortschaft. Es ist, wie man weiß, der Wille dieser Zeit. Die Menschen können nicht allein bleiben. Sie schließen sich in sinnlosen Gruppen zusammen, und die Dörfer können auch nicht allein bleiben. Sinnlose Gebilde entstehen also. Die Bauern drängt es zur Stadt, und die Dörfer selbst möchten justament Städte werden.
Ich habe Sipolje noch gekannt, als ich ein Knabe war. Mein Vater hatte mich einmal dorthin mitgenommen, an einem siebzehnten August, dem Vorabend jenes Tages, an dem in allen, auch in den kleinsten Ortschaften der Monarchie der Geburtstag Kaiser Franz Josephs des Ersten gefeiert wurde.
Im heutigen Österreich und in den früheren Kronländern wird es nur noch wenige Menschen geben, in denen der Name unseres Geschlechts irgendeine Erinnerung hervorruft. In den verschollenen Annalen der alten österreichisch-ungarischen Armee aber ist unser Name verzeichnet, und ich gestehe, daß ich stolz darauf bin, gerade deshalb, weil diese Annalen verschollen sind. Ich bin nicht ein Kind dieser Zeit, es fällt mir schwer, mich nicht geradezu ihren Feind zu nennen. Nicht, daß ich sie nicht verstünde, wie ich es so oft behaupte. Dies ist nur eine fromme Ausrede. Ich will einfach, aus Bequemlichkeit, nicht ausfällig oder gehässig werden, und also sage ich, daß ich das nicht verstehe, von dem ich sagen müßte, daß ich es hasse oder verachte. Ich bin feinhörig, aber ich spiele einen Schwerhörigen. Ich halte es für nobler, ein Gebrechen vorzutäuschen als zuzugeben, daß ich vulgäre Geräusche vernommen habe.
Der Bruder meines Großvaters war jener einfache Infanterieleutnant, der dem Kaiser Franz Joseph in der Schlacht bei Solferino das Leben gerettet hat. Der Leutnant wurde geadelt. Eine lange Zeit hieß er in der Armee und in den Lesebüchern der k. u. k. Monarchie: der Held von Solferino, bis sich, seinem eigenen Wunsch gemäß, der Schatten der Vergessenheit über ihn senkte. Er nahm den Abschied. Er liegt in Hietzing begraben. Auf seinem Grabstein stehen die stillen und stolzen Worte: »Hier ruht der Held von Solferino.«

 

 
Joseph Roth (2 september 1894 - 27 mei 1939)
Postzegel ter gelegenheid van zijn 100e geboortedag in 1994

Lees meer...

01-09-17

W. F. Hermans, Hubert Lampo, Blaise Cendrars, Edgar Rice Burroughs, Sabine Scho, Peter Adolphsen, Lenrie Peters, J. J. Cremer

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 1 september 2010 en eveneens alle tags voorW. F. Hermans op dit blog.

Uit:Nooit meer slapen

— Ze riep: pas op! Maar kinderen geloven andere kinderen niet. Een kind zal eerder zijn vader geloven dan een ander kind. Zo zijn wij altijd eerder geneigd een buitenlander te geloven dan een landgenoot, zelfs als die landgenoot het beter weet. Wanneer een Noor hier met iets nieuws komt aandragen, zeggen de mensen: dat kan niet goed zijn, want dat hebben we nog niet in een Amerikaans boek gelezen. Maar als een Amerikaan iets onzinnigs beweert en een Noor spreekt het tegen, dan zeggen ze: hij is niet op de hoogte! Hij is maar een provinciaal! Hij moest eens een jaartje naar Amerika gaan! In een klein land zijn het altijd napers die het hoogst staan aangeschreven en dat geldt op alle gebieden. Nu Ibsen en Strindberg dood zijn, nu weet iedereen dat zij de grootste schrijvers waren die Skandinavië ooit heeft opgeleverd. Maar toen ze nog leefden! Praktisch elke houthakker kon de Nobelprijs krijgen...Ibsen en Strindberg kregen hem niet!
Arne blijft staan. — Dit huis is het, zegt hij, stap niet op het gras. Gras is op deze hoogte een zeldzame plant, waar de mensen erg zuinig op zijn. Een deur van horregaas valt achter ons dicht met het gezang van een spiraalveer. — De eigenlijke bewoners logeren in Oslo. Ik heb het huis zolang mogen lenen. Arne zet mijn koffer midden op de vloer van een zitkamer. Ik doe mijn rugzak af en probeer op mijn wangen de muggen dood te slaan die met ons mee naar binnen zijn gekomen. Arne pakt een spuitbus van de schoorsteenmantel en een nevel die naar kamfer ruikt, verspreidt zich onder de druk van zijn wijsvinger. Het is goed te zien dat Arne hier maar tijdelijk zijn bivak heeft opgeslagen. Klinkt die uitdrukking te gewoon? Arne heeft ervoor gezorgd dat geen andere combinatie van woorden toepasselijk is. De meubelen heeft hij aan de kant geschoven. Op de grond liggen een tent, tentstokken, een half ingepakte rugzak, pioniersschopje, dozen knkkebrëd, blikjes, een theodoliet en een loodzware driepoot van hout, de poten samengevouwen. Ik buk om iets op te rapen. — Wat is dit? — Een visnet. Om vis te vangen onderweg. Anders krijgen we niet te eten.”

 

 
W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)
Scene uit de film “Beyond Sleep” (Nooit meer slapen) uit 2016

Lees meer...

31-08-17

William Saroyan, Éric Zemmour, Wolfgang Hilbig, Elizabeth von Arnim, Théophile Gautier, Raymond P. Hammond

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2010 en eveneens alle tags voor William Saroyan op dit blog.

Uit: The Daring Young Man on the Flying Trapez

“He (the living) dressed and shaved, grinning at himself in the mirror. Very unhandsome, he said; where is my tie? (He had but one.) Coffee and a gray sky, Pacific Ocean fog, the drone of a passing street car, people going to the city, time again, the day, prose and poetry. He moved swiftly down the stairs to the street and began to walk, thinking suddenly. It is only in sleep that we may know we live. There only, in that living death, do we meet ourselves and the far earth, God and the saints, the names of our fathers, the substance of remote moments: it is there that the centuries merge in the moment, that the vast becomes the tiny, tangible atom of eternity.
He walked into the day as alertly as might be, making a definite noise with his heels, perceiving with his eyes the superficial truth of streets and structures, the trivial truth of reality. Helplessly his mind sang, He flies through the air with the greatest of ease, the daring young man on the flying trapeze, then laughed with all the might of his being. It was really a splendid morning: gray, cold, and cheerless, a morning for inward vigor; ah, Edgar Guest, he said, how I long for your music.
In the gutter he saw a coin which proved to be a penny dated 1923, and placing it in the palm of his hand he examined it closely, remembering that year and thinking of Lincoln, whose profile was stamped upon the coin. There was almost nothing a man could do with a penny. I will purchase a motor-car, he thought. I will dress myself in the fashion of a fop, visit the hotel strumpets, drink and dine, and then return to the quiet. Or I will drop the coin into a slot and weigh myself.
It was good to be poor, and the Communists-but it was dreadful to be hungry. What appetites they had, how fond they were of food! Empty stomachs. He remembered how greatly he needed food. Every meal was bread and coffee and cigarettes, and now he had no more bread. Coffee without bread could never honestly serve as supper, and there were no weeds in the park that could be cooked as spinach is cooked.
If the truth were known, he was half starved, and there was still no end of books he ought to read before he died. He remembered the young Italian in a Brooklyn hospital, a small sick clerk named Mollica, who had said desperately, I would like to see California once before I die. And he thought earnestly, I ought at least to read Hamlet once again; or perhaps Huckleberry Finn.”

 

 
William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)
Standbeeld in Jerevan

Lees meer...

30-08-17

Dolce far niente, James Whitcomb Riley, Charles Reznikoff, François Cheng, Jiř,i Orten, Libu¨e Moníková, Mary Wollstonecraft Shelley

 

Dolce far niente

 

 
Streets in Late August door Daniel Robbins, 2013

 

 

August

A day of torpor in the sullen heat
Of Summer's passion: In the sluggish stream
The panting cattle lave their lazy feet,
With drowsy eyes, and dream.

Long since the winds have died, and in the sky
There lives no cloud to hint of Nature's grief;
The sun glares ever like an evil eye,
And withers flower and leaf.

Upon the gleaming harvest-field remote
The thresher lies deserted, like some old
Dismantled galleon that hangs afloat
Upon a sea of gold.

The yearning cry of some bewildered bird
Above an empty nest, and truant boys
Along the river's shady margin heard--
A harmony of noise--

A melody of wrangling voices blent
With liquid laughter, and with rippling calls
Of piping lips and thrilling echoes sent
To mimic waterfalls.

And through the hazy veil the atmosphere
Has draped about the gleaming face of Day,
The sifted glances of the sun appear
In splinterings of spray.

The dusty highway, like a cloud of dawn,
Trails o'er the hillside, and the passer-by,
A tired ghost in misty shroud, toils on
His journey to the sky.

And down across the valley's drooping sweep,
Withdrawn to farthest limit of the glade,
The forest stands in silence, drinking deep
Its purple wine of shade.

The gossamer floats up on phantom wing;
The sailor-vision voyages the skies
And carries into chaos everything
That freights the weary eyes:

Till, throbbing on and on, the pulse of heat
Increases--reaches--passes fever's height,
And Day sinks into slumber, cool and sweet,
Within the arms of Night.

 

 
James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)
Greenfield, Indiana, de geboorteplaats van James Whitcomb Riley

Lees meer...

29-08-17

Dolce far niente, Jennifer Grotz, Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn

 

Dolce far niente

 

 
Summer in the city (Cityscape 12) door Darren Thompson, 2012

 

 

Late Summer

Before the moths have even appeared
to orbit around them, the streetlamps come on,
a long row of them glowing uselessly

along the ring of garden that circles the city center,
where your steps count down the dulling of daylight.
At your feet, a bee crawls in small circles like a toy unwinding.

Summer specializes in time, slows it down almost to dream.
And the noisy day goes so quiet you can hear
the bedraggled man who visits each trash receptacle

mutter in disbelief: Everything in the world is being thrown away!
Summer lingers, but it’s about ending. It’s about how things
redden and ripen and burst and come down. It’s when

city workers cut down trees, demolishing
one limb at a time, spilling the crumbs
of twigs and leaves all over the tablecloth of street.

Sunglasses! the man softly exclaims
while beside him blooms a large gray rose of pigeons
huddled around a dropped piece of bread.

 

 
Jennifer Grotz (Canyon, 11 juli 1971)
Canyon, Randall County Courthouse. Jennifer Grotz werd geboren in Canyon.

Lees meer...

28-08-17

Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner

 

Dolce far niente

 

 
De rozentuin in Wargemont door Pierre Auguste Renoir, 1879

 

Sommerbild

Ich sah des Sommers letzte Rose stehen,
Sie war, als ob sie bluten könnte, rot
Da sprach ich schaudernd im Vorübergehen:
So weit im Leben, ist zu nah dem Tod!

Es regte sich kein Hauch am heißen Tag,
Nur leise strich ein weißer Schmetterling;
Doch, ob auch kaum die Luft sein Flügelschlag
bewegte, sie empfand es und verging.

 

 
Friedrich Hebbel (18 maart 1813 - 13 december 1863)
Wesselburen, de geboorteplaats van Friedrich Hebbel

Lees meer...

27-08-17

Dolce far niente, Rainer Kirsch, Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts, Paul Verhuyck, Jeanette Winterson

 

Dolce far niente

 

 
Beach Figures Looking Up door Grant Drumheller, 2013

 

 

Schwimmen bei Pizunda

Grün ist das Meer bei Pizunda, manchmal
Blau, von Schiffen schwarz, in dieses schwimm
Weit wies dich trägt und dreh dich auf den Rücken: So
Siehst du den Kaukasus mit weißen Gipfeln
Und ruhst in Meer; und dies ist Ruhe. Wiegend
Kaum, und durchs Durchsichtige
Das um dich ist, grenzt dich deutlich die Haut;
Vorne am Steinstrand rutschen die Gesichter
Ab von den Chefs, die blinzeln, um sich bezahlte
Natur, zum Bauch plätschernd im Wasser:
Sie könnens nicht Groß ist der Kaukasus. Mit kleiner Kraft
Liege im Gleichgewicht löse die Arme und
Spür dich oder Meer, wie sonst Mädchen vorm Aufgehn
(Dann kommt, die ineinanderstürzt, die Lust);
Hier aber ist die Mitte. Zwischen Meer, Fels, Schnee, Himmel
Schwarzgrüne Wälder. Dies
War der Augenblick, nun gleit, treib, leicht
In überm Meer—hier
Ist der Triumph des Körpers: Ich, ungemordet
In diesem Jahrhundert! schwimm
Nicht schnell, nicht langsam durch was um mich fließt
An ein besteintes Ufer bei Pizunda.
Ich hab noch vierzig Jahre, oder mehr.

 

 
Rainer Kirsch (17 juli 1934 – 14 september 2015)
Döbeln, de geboorteplaats van Rainer Kirsch

Lees meer...

Lolita Pille, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester, Lernert Engelberts

 

De Franse schrijfster Lolita Pille werd geboren op 27 augustus 1982 in Sèvres. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lolita Pille op dit blog.

Uit: Crépuscule Ville

“Les brumes qui étaient à l'origine du mal semblaient s'être épaissies ce soir-là et leurs strates blanchâtres descendaient à hauteur d'homme comme pour manifester leur sympathie envers le chaos. Malgré sa situation, au cœur de l'ancien centre, épargné par l'urbanisation maladive qui avait frappé partout ailleurs, la Vingtième rue n'en croulait pas moins, d'ordinaire, sous les ornements vains, sous les mille feux bidons dont la ville s'était attifée pour planquer sa misère. Toute en ombres dansantes, sa version noir et blanc donnait la chair de poule. L'immeuble d'en face, soulagé des lueurs qui révélaient la vie au creux des meurtrières, avait tout à fait l'aspect d'un bunker ou d'un colombarium. Syd leva les yeux au ciel pour y trouver l'orage. Les réverbères halogènes avaient rendu l'âme et des écrans-titans qui poinçonnaient les façades, provenaient l'unique éclairage, l'image par défaut des appareils en veille ou en dysfonctionnement.
Comme des bouts de ciel disséminés çà et là pour narguer le désordre, pour narguer le présent. Le logo sempiternel. Le logo de Clair-monde. Au-dessous les hommes couraient le long d'une route qui ne menait nulle part. Au-dessous, de la tôle froissée répandue sur des kilomètres avec le crépitement du feu qui gagnaient les moteurs, promettant aux accidentés, coincés dans les habitacles, un brasier funéraire en bonne et due forme.
Au-dessous, à la faveur des pleins phares survivants, des photographes amateurs shootaient des macchabées en variant les angles. (...) Syd vit la porte vitrée éclater en miettes. (...) Il poursuivit sa course. (...) Une balle troua la ville blindée d'une bijouterie.
Vingt blocs.
Une explosion derrière lui.
Ce qu'il avait sous les yeux, c'était bel et bien l'apocalypse. Une apocalypse modernisée. Remise au goût du jour. Réactualisée aux phobies du moment. Feux de signalisation qui flanchent, clim' externe H.S, écrans en veille, accidents de bagnole, redistribution des biens à main armée, systèmes de sécurité en rade, lignes mortes.
Décidément le monde n'était plus habitable."

 

 
Lolita Pille (Sèvres, 27 augustus 1982)

Lees meer...

26-08-17

Christopher Isherwood, Laura van der Haar, C. B. Vaandrager, Paula Hawkins, Joachim Helfer, Guillaume Apollinaire, Rashid Al-Daif

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Christopher Isherwood werd geboren op 26 augustus 1904 in Disley in het graafschap Cheshire in Engeland. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Christopher Isherwood op dit blog.

Uit: Christopher and His Kind

« The train moved on again. For the first time in his life, he found himself entering a foreign country without official permission. If Heinz had been with him, what could the lawyer have done but accept the accomplished fact and somehow arrange for Heinz to remain in Belgium?
Next morning, the lawyer left Brussels by car for Trier, as he had promised. That night he returned, alone. He told Christopher that he had duly met Heinz at the hotel. Heinz had assured him that he hadn't been questioned, hadn't aroused anybody's curiosity. They had gone to the consulate and got the visa. Then, just as they were about to start on their return journey, some Gestapo agents had appeared. They had asked to see Heinz's papers and had then taken him away with them. They had told the lawyer that Heinz was under arrest as a draft evader. Before leaving Trier, the lawyer had consulted a German lawyer and engaged him to defend Heinz at his forthcoming trial.
A day or two after the arrest, the German lawyer came from Trier to Brussels to discuss the tactics of Heinz's defense. He was a Nazi Party member in good standing and had the boundless cynicism of one who is determined to survive under any conceivable political conditions. Christopher, in his present hyper-emotional state, found a strange relief in talking to him, because he seemed utterly incapable of sympathy. Heinz was now in four kinds of potential trouble: He had attempted to change his nationality. (This could almost certainly be concealed from the prosecution.) He had consorted with a number of prominent anti-Nazis, most of them Jews. (This could probably be concealed or, at worst, excused as having been Christopher's fault.) He had been guilty of homosexual acts. (This couldn’t be co-directors that what they need is the spirit of the merchant-adventurers. He hates the banks. He hates public companies, because they aren't allowed to take risks. He particularly enjoys ragging the pompous U.S.A. businessmen. Somebody once cabled him from New York: 'Believe market has touched bottom.' Potter cabled back: `Whose?' At board meetings he lies on a sofa—ostensibly because he once had a bad leg; actually because this position gives him a moral advantage. He and his colleagues tell each other dirty limericks and the very serious-minded secretary takes them all down in shorthand—because, as he once explained, he thought they might be in code.
Much less willingly, Wystan and Christopher also became the captive audience of a young man with whom they had to share their table in the second-class dining room. He was a rubber planter, returning from leave in England to a plantation near Singapore. I will call him White.“

 

 
Christopher Isherwood (26 augustus 1904 – 4 januari 1986)
Scene uit de gelijknamige tv-film uit 2011

Lees meer...

Jules Romains, Julio Cortázar, Walter Helmut Fritz, Joachim Zelter, Jürgen Kross, Ludwig Aurbacher, Boris Pahor

 

De Franse schrijver Jules Romains, pseudoniem van Louis Henri Farigoule, werd geboren op 26 augustus 1885 in La Chapuze in het kanton Saint-Julien-Chapteuil. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Jules Romain op dit blog.

 

Une vapeur d’égout

 Je suis très triste. Moi qui ne pleure jamais,
Une larme s’épuise à sortir de mes yeux ;
Et penché sur mon cœur comme sur une cuve
D’où montent lentement des gaz irrespirables,
J’ai besoin que la mort me pince les narines.

Puis je rage. Mes dents grincent. Je voudrais tordre
Du fer, casser un meuble ou fendre des mâchoires.
Je souffre ; on me torture. À quoi me sert d’avoir
Des poings et d’être fort ?

Il y a des sanglots dans le fond de ma gorge ;
Afin que je consente à leur livrer passage
Ils se déguisent en hurlements de fureur.

Le passé me fait mal ; l’avenir me fait peur.
Oh ! les sales fourmis, les minutes futures
Me grimpent à la jambe et me piquent la peau ;
Je voudrais les écrabouiller sous mes chaussures !

Le camion traîné par les chevaux tranquilles,
Les bicyclettes glissant commes des aiguilles
Dans de l’étoffe,
les grelots,
Les coups de fouet, les cris des marchands de journaux
Ont vite anéanti mon âme douloureuse.

Je m’abandonne tout au rythme des passants,
L’unanime frémit autour de ma cervelle.
Comment savoir si j’ai un cœur qui a aimé.
Quand la foule remue et que je suis en elle ?

Ardent comme un vivant, mais serein comme un mort,
Je n’ai plus de passé, d’avenir ni de sort,
J’ai de la joie et du bon néant dans la gorge.

 

 

L’essieu d’un tombereau

L’essieu d’un tombereau grince et le cheval bute.
Au coin du mur un enfant pleure. Il s’est perdu.
Il croit que c’est fini pour toujours ; que son père
Meurt englué parmi les grouillements épais
De la foule.
Beaucoup de femmes ont des crêpes.
Le ciel est du charbon broyé sur de la craie.

L’entonnoir de la rue est mousseux de bruits âcres.
L’univers marche ayant la tête dans un sac.

Je cherche.
L’enfant pleure.
Le tombereau grince.

 

 
Jules Romains (26 augustus 1885 – 14 augustus 1972)

Lees meer...

25-08-17

Martin Amis, Kees Stip, Howard Jacobson, Charles Wright, Maxim Biller, Frederick Forsyth, Jògvan Isaksen, Johann Gottfried von Herder, Thea Astley

 

De Engelse schrijver Martin Amis werd geboren op 25 augustus 1949 in Cardiff, South Wales. Zie ook alle tags voor Martin Amis op dit blog en ook mijn blog van 25 augustus 2010.

Uit: Het interessegebied (Vertaald door Janneke van der Meulen)

“Ik was niet onbekend met de bliksemflits; ik was niet onbekend met de donderslag. Benijdenswaardig ervaren in deze zaken, was ik niet onbekend met de wolkbreuk – de wolkbreuk, en daarna de zonneschijn en de regenboog.
Ze kwam terug uit de oude stad met haar twee dochters, en ze bevonden zich al een flink eind binnen het Interessegebied. Een lange laan – haast wel een zuilengang – strekte zich uitnodigend voor hen uit, omzoomd door esdoorns, waarvan de takken en het gelobde loof zich hoog in de lucht met elkaar verstrengelden. Een namiddag hartje zomer, met miniem glinsterende muggen... Mijn notitieboekje lag opengeslagen op een boomstronk, en een lichte bries neusde nieuwsgierig door de bladzijden.
Lang, breedgebouwd, welgevuld en toch lichtvoetig, in een geschulpte, enkellange witte jurk, met een zachtgele strohoed met een zwart lint op en zwaaiend met een strooien tas (de meisjes, eveneens in het wit, droegen ook een strohoed en een strooien tas), bewoog ze zich in en uit vlagen donzige, geelbruine, leeuwachtige warmte. Ze lachte – hoofd in de nek, gespannen hals. Parallel aan haar hield ik gelijke tred, in mijn sobere tweed jasje en gekeperde pantalon, met mijn klembord en vulpen.
Nu stak het drietal de oprit van de manege over. Terwijl haar kinderen plagerig om haar heen dartelden, passeerde ze de decoratieve windmolen, de meiboom, de galg met drie wielen, het trekpaard dat losjes was vastgemaakt aan de ijzeren waterpomp, en liep toen verder.
Het Ka Zet in, Ka Zet I in.
Er gebeurde iets bij die eerste aanblik. Bliksem, donder, wolkbreuk, zonneschijn, regenboog – de meteorologie van de eerste aanblik.
Haar naam was Hannah – mevrouw Hannah Doll.
In de officiersclub, gezeten op een paardenharen sofa, omringd door bronzen paardentuig en paardenprenten en onder het genot van ersatzkoffie (koffie voor paarden) zei ik tegen Boris Eltz, met wie ik al mijn leven lang bevriend was: ‘Heel even was ik weer jong. Het leek wel liefde.’

 

 
Martin Amis (Cardiff, 25 augustus 1949)

Lees meer...

24-08-17

John Green, Drs. P, Marion Bloem, Pepijn Lanen, Stephen Fry, Jorge Luis Borges, A. S. Byatt, Sascha Anderson, Johan Fabricius

 

De Amerikaanse schrijver John Green werd geboren in Indianapolis, Indiana, op 24 augustus 1977. Zie ook alle tags voor John Green op dit blog.

Uit:The Fault in Our Stars

“Late in the winter of my seventeenth year, my mother decided I was depressed, presumably because I rarely left the house, spent quite a lot of time in bed, read the same book over and over, ate infrequently, and devoted quite a bit of my abundant free time to thinking about death.
Whenever you read a cancer booklet or website or whatever, they always list depression among the side effects of cancer. But, in fact, depression is not a side effect of cancer. Depression is a side effect of dying. (Cancer is also a side effect of dying. Almost everything is, really.) But my mom believed I required treatment, so she took me to see my Regular Doctor Jim, who agreed that I was veritably swimming in a paralyzing and totally clinical depression, and that therefore my meds should be adjusted and also I should attend a weekly Support Group.
This Support Group featured a rotating cast of characters in various states of tumor-driven unwellness. Why did the cast rotate? A side effect of dying.
The Support Group, of course, was depressing as hell. It met every Wednesday in the basement of a stone-walled Episcopal church shaped like a cross. We all sat in a circle right in the middle of the cross, where the two boards would have met, where the heart of Jesus would have been.
I noticed this because Patrick, the Support Group Leader and only person over eighteen in the room, talked about the heart of Jesus every freaking meeting, all about how we, as young cancer survivors, were sitting right in Christ’s very sacred heart and whatever.
So here’s how it went in God’s heart: The six or seven or ten of us walked/wheeled in, grazed at a decrepit selection of cookies and lemonade, sat down in the Circle of Trust, and listened to Patrick recount for the thousandth time his depressingly miserable life story—how he had cancer in his balls and they thought he was going to die but he didn’t die and now here he is, a full-grown adult in a church basement in the 137th nicest city in America, divorced, addicted to video games, mostly friendless, eking out a meager living by exploiting his cancertastic past, slowly working his way toward a master’s degree that will not improve his career prospects, waiting, as we all do, for the sword of Damocles to give him the relief that he escaped lo those many years ago when cancer took both of his nuts but spared what only the most generous soul would call his life.
AND YOU TOO MIGHT BE SO LUCKY!
Then we introduced ourselves: Name. Age. Diagnosis. And how we’re doing today. I’m Hazel, I’d say when they’d get to me. Sixteen. Thyroid originally but with an impressive and long-settled satellite colony in my lungs. And I’m doing okay.”

 

 
John Green (Indianapolis, 24 augustus 1977)

Lees meer...

23-08-17

Dolce far niente, Victor Vroomkoning, Charles Busch, Curtis Sittenfeld, Koos Dijksterhuis, Albert Alberts, Ilija Trojanow

 

Dolce far niente

 

 
Nijmegen, winkelcentrum Dukenburg

 

 

Dukenburglied

Ik ben zeven harten rijk en heb een Staddijk van een long.
Lucht en water zijn mijn lust, voor vogels ben ik dagverblijf.
Kikkers springen, reigers vissen, eenden duiken in mijn lijf.
In mijn ingewanden draag ik dassen sinds ik hier ontsprong.

Grand Canal - De Buurman - Douglassparrenbosje -
Dukendam - Ontmoetingskerk - Verlengde Kippenpad -
Dassenburcht - Triavium - Gerrit-Schultepad -
Klimhal - Teersdijk - Schapenweide - Uilenbosje -

Licht ben ik en ruim van geest, mijn vertes zijn voor iedereen
want mijn blik is fris en open. In mijn aders huist mijn kracht:
mengelmoes van geuren, kleuren, klanken, allerhande dracht.
Van geen wijken weten talen en geloven erdoorheen.

Fakkel - Wielewaal Allee - De Turf - De Doekenborg -
De Lindenberg - Streekweg - ’t Hert - Valckenaerpad -
De Meiboom - Geologenstrook - Sportfondsenbad -
Tolhuisje - Sportpark - Maisonnettes - Thuiszorg -

Wie beweegt wil ik van dienst zijn ongeacht het jaargetij.
Actief leven kan ik bieden maar ook pauzes zijn mij lief.
Wie om míj geeft zal genieten productief en creatief
in mijn bedding, warme schoot, een nieuwe Gelderse Vallei.

De Dageraad - Nieuwe Wetering - Steve-Bikoplein -
Koninkrijkszaal - Ketelhuis - De Boerderij -
Nachtegaalpad - De Orangerie - Wollewei -
Hobbywerkplaats - Hippe Hoogbouw - Skateplein

(refrein:)
Tussen Vogelzang, Maas-Waalkanaal en spoorweg ingebed
oogsten zeven groene oorden allerwegen lof:
Aldenhof en Lankforst, Malvert, Meijhorst, Tolhuis, Weezenhof,
Zwanenveld. In één woord samen: Dukenburg van A tot Z.

 

 
Victor Vroomkoning (Boxtel, 6 oktober 1938)
Boxtel.

 

Lees meer...

22-08-17

Dolce far niente, Jacob Israël de Haan, Griet Op de Beeck, Jeroen Theunissen, Annie Proulx, Krijn Peter Hesselink, Willem Arondeus

 

Dolce far niente

 

 
Amsterdam, Marnixstraat

 

Uit: Pijpelijntjes

“Geen mensch op straat, de witte lichten flatterden wild in de wind en wuifden hun lichtbossen door de donkere waterplassen heen en weer.
‘Wat krijg je d'rop?’
‘Een daalder... of misschien vijf en dertig stuivers, dat hangt d'r van af.’
‘Zoo, nou moet je d'res hooren wat ik doe. Laten we nou rekenen, dat je op 't ringetje 'n daalder krijgt, ik heb nog 'n stuiver of vijftien en jij zeven, dan lossen we mijn klok; daar staat 'n rikspop op, en dan brengen we die naar de Marnixstraat, daar krijg ik d'r drie gulden op’....
‘'t Regent zoo, laten we dat nou niet doen, ik ben zoo koud, we komen d'r nou immers toch wel.’
‘Nee, laten we dat nou wel doen, die tien stuivers zijn gauw verdiend, zoo ver is dat nou ook niet, en die regen, nou ja, die regen... ik ga immers mee.’
Z'n fijne vleiing maakte mij flauw en van binnen streelde zijn stem in mij.
‘Goed, laten we dan maar.’
Op 't ringetje kregen we één vijf en zeventig en Sam brutaal in eens opdriestend, nou die wat inloste, eischte de klok terug.
Toen, door de regenPijp marcheerden we samen, de donkere Stadhouderskade dan.
Tegen de zwarte regenlucht geelde het pleklicht van de stad, bleek-goud, maar verder alles nat en zwart. En de kade leeggewaaid, en zwarter, waar geen tram meer liep te lichten.
‘Sam.’...
‘Ja, boy.’...
‘Dàg... 'n eind hè?’
Mijn koudgeregende hand nam hij beet en hield hem vast, warm in de zijne, omdat hij z'n handen altijd in z'n zak had. Dicht naast mekaar liepen we voort, gebogen tegen de wind in.
Het Leidscheplein, mal-licht, schater-licht, de drukke tintellichtlachjes van de gloeilampjes en de witte kousjes en de kalme bleekblauwe doodslach van de boogbollen, die wit blauw-grijnzend schommelden op de wind.
De menschen vlug-an uit de zwarte pleinhoeken 't licht in, en weg weer in een andere donkerte. Op 't plein liet Sam m'n hand los en we liepen gauw schuin over, 't zwarte straatgat tusschen het witte Américainhotel en de roode stadsschouwburg in. De Marnixstraat zwart met wat geel, stilte na 't pleingeluid, de kale boomen druipend van dichtebij; brandde druk de lichte muur van de suikerfabriek, het zwarte stuk er achter, spokig.
‘Jezes, wat is zoo'n stad toch een beroerd beest’....”

 

 
Jacob Israël de Haan (31 december 1881 - 30 juni 1924)
Smilde, de Hoofdvaart. Jacob Israël de Haan werd geboren in Smilde.

Lees meer...