18-10-12

Heinrich von Kleist, Rick Moody, Raymond Brulez, Kees Fens, Jan Erik Vold

 

De Duitse dichter en schrijver Heinrich von Kleist werd geboren op 18 oktober 1777 in Frankfurt an der Oder. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Heinrich von Kleist op dit blog.

 

Uit: Michael Kohlhaas

 

“Er ritt einst, mit einer Koppel junger Pferde, wohlgenährt alle und glänzend, ins Ausland, und überschlug eben, wie er den Gewinst, den er auf den Märkten damit zu machen hoffte, anlegen wolle: teils, nach Art guter Wirte, auf neuen Gewinst, teils aber auch auf den Genuß der Gegenwart: als er an die Elbe kam, und bei einer stattlichen Ritterburg, auf sächsischem Gebiete, einen Schlagbaum traf, den er sonst auf diesem Wege nicht gefunden hatte. Er hielt, in einem Augenblick, da eben der Regen heftig stürmte, mit den Pferden still, und rief den Schlagwärter, der auch bald darauf, mit einem grämlichen Gesicht, aus dem Fenster sah. Der Roßhändler sagte, daß er ihm öffnen solle. Was gibts hier Neues? fragte er, da der Zöllner, nach einer geraumen Zeit, aus dem Hause trat. Landesherrliches Privilegium, antwortete dieser, indem er aufschloß: dem Junker Wenzel von Tronka verliehen. – So, sagte Kohlhaas. Wenzel heißt der Junker? und sah sich das Schloß an, das mit glänzenden Zinnen über das Feld blickte. Ist der alte Herr tot? – Am Schlagfluß gestorben, erwiderte der Zöllner, indem er den Baum in die Höhe ließ. – Hm! Schade! versetzte Kohlhaas. Ein würdiger alter Herr, der seine Freude am Verkehr der Menschen hatte, Handel und Wandel, wo er nur vermochte, forthalf, und einen Steindamm einst bauen ließ, weil mir eine Stute, draußen, wo der Weg ins Dorf geht, das Bein gebrochen. Nun! Was bin ich schuldig? – fragte er; und holte die Groschen, die der Zollwärter verlangte, mühselig unter dem im Winde flatternden Mantel hervor. »Ja, Alter«, setzte er noch hinzu, da dieser: hurtig! hurtig! murmelte, und über die Witterung fluchte: »wenn der Baum im Walde stehen geblieben wäre, wärs besser gewesen, für mich und Euch«; und damit gab er ihm das Geld und wollte reiten. Er war aber noch kaum unter den Schlagbaum gekommen, als eine neue Stimme schon: halt dort, der Roßkamm! hinter ihm vom Turm erscholl, und er den Burgvogt ein Fenster zuwerfen und zu ihm herabeilen sah. Nun, was gibts Neues? fragte Kohlhaas bei sich selbst, und hielt mit den Pferden an. Der Burgvogt, indem er sich noch eine Weste über seinen weitläufigen Leib zuknüpfte, kam, und fragte, schief gegen die Witterung gestellt, nach dem Paßschein. – Kohlhaas fragte: der Paßschein? Er sagte ein wenig betreten, daß er, soviel er wisse, keinen habe; daß man ihm aber nur beschreiben möchte, was dies für ein Ding des Herrn sei: so werde er vielleicht zufälligerweise damit versehen sein.”

 

 

Heinrich von Kleist (18 oktober 1777 - 21 november 1811)

Cover

Lees meer...

In Memoriam Inge Lievaart

 

In Memoriam Inge Lievaart

 

 

De Nederlandse dichteres Inge Lievaart is maandag op 95-jarige leeftijd overleden in haar woonplaats Scheveningen. Ze was bekend van haar religieuze en mystieke gedichten. Inge Lievaart werd geboren op 14 april 1917 in Oosterend. Ze was, vanwege de vaak mystieke en religieuze boodschap van haar gedichten, vooral bekend in protestants-christelijke kringen. Zie ook alle tags voor Inge Lievaart op dit blog.

 

 

 

Wat steen was

 

Is er een diepere dood: mensen gaan dicht

voor elkaar kunnen geen kier meer open

harten zijn dicht voor God steen, in zichzelf besloten.

 

Is er nog leven dat breekt wel een

hamer zo hard een beitel zo scherp iemand die

iets er op weet?

 

Luister, een woord wekt het oor

Luister, wat steen was beweegt

Hij die aan ons zich

verloor open tot op het eind breekt

als de Levende door roepende tot men Hem kent.

 

 

 

Inge Lievaart (14 april 1917 – 15 oktober 2012)

18:27 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: in memoriam, inge lievaart, romenu |  Facebook |

17-10-12

Simon Vestdijk, Miguel Delibes, Georg Büchner, Arthur Miller, Nel Noordzij

De Nederlandse schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

 

Uit: De kellner en de levenden

 

‘Gezichtsbedrog,’ glimlachte de tandarts, ‘een knappe truc. De moderne techniek staat voor niets. Later stonden ze weer op de gewone plaats, herinnert u zich maar... Misschien heeft u aan de Openbaring gedacht; maar daarin staat wèl geschreven, dat er geen nacht meer zal zijn, maar niets over de tijd. Ik ben natuurlijk geen autoriteit, al beschouw ik mezelf als tamelijk bijbelvast... Dominee, kunt u

ons ook zeggen of er in de Openbaring iets over de tijd staat: dat die er niet meer zijn zal, of stilgezet is, of iets van dien aard?’
‘Maar wat ik zeggen wou; dat-er-geen-tijd-meer-zal-zijn, - waar staat dat beschreven, meneer Veenstra?’
‘In de Bijbel toch zeker?’
‘Mij niets van bekend. We zouden dit aan onze dominee moeten vragen, het is niet mijn bedoeling om eh... Hm... U doelt waarschijnlijk
op Mattheüs 24, maar daarin staat niets over de tijd; wel over de voleinding der wereld, en oorlogen, en verduistering der zon, en de sterren die van de hemel zullen vallen, en een bazuin met groot geluid, en natuurlijk de komst van Christus...’
‘En hebben we die sterren soms niet gezien? In die grote zaal met al die boeken?’
‘Gezichtsbedrog,’ glimlachte de tandarts, ‘een knappe truc. De moderne techniek staat voor niets. Later stonden ze weer op de gewone
plaats, herinnert u zich maar... Misschien heeft u aan de Openbaring gedacht; maar daarin staat wèl geschreven, dat er geen nacht meer zal zijn, maar niets over de tijd. Ik ben natuurlijk geen autoriteit, al beschouw ik mezelf als tamelijk bijbelvast... Dominee, kunt u

ons ook zeggen of er in de Openbaring iets over de tijd staat: dat die er niet meer zijn zal, of stilgezet is, of iets van dien aard?’
Met inspanning van al zijn krachten richtte dominee Van der Woght zich op uit de dodelijke vermoeidheid, die hem nog steeds

gekluisterd hield. Werktuiglijk glimlachte hij zijn mooie oude-mannenglimlach, en wijd sperden zijn fletsblauwe ogen zich open, als om te zien, te weten, zich te herinneren wat hij vroeger geweten had. Voor ieder was het duidelijk, dat op dit moment de Openbaring voor hem een boek was met evenveel zegelen gesloten als het boek, waarvan in de Openbaring wordt gerept”.

 

 

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)

Lees meer...

Booker Prize voor Hilary Mantel

 

Booker Prize voor Hilary Mantel

 

De Britse schrijfster Hilary Mantel heeft dinsdag voor de tweede keer de literaire Booker Prize gewonnen. Zij krijgt de prijs voor Bring Up the Bodies.Hilary Mary Mantel werd op 6 juli 1952 als Hilary Mary Thompson in Glossop, Derbyshire, geboren. Zie ook alle tags voor Hilary Mantel op dit blog.

 

Uit: Bring Up the Bodies

 

“His children are falling from the sky. He watches from horse-back, acres of England stretching behind him; they drop, gilt-winged, each with a blood-filled gaze. Grace Cromwell hovers in thin air. She is silent when she takes her prey, silent as she glides to his fist. But the sounds she makes then, the rustle of feathers and the creak, the sigh and riffle of pinion, the small cluck-cluck from her throat, these are sounds of recognition, intimate, daughterly, almost disapproving. Her breast is gore-streaked and flesh clings to her claws.

Later, Henry will say, 'Your girls flew well today'. The hawk Anne Cromwell bounces on the glove of Rafe Sadler, who rides by the king in easy conversation. They are tired; the sun is declining, and they ride back to Wolf Hall with the reins slack on the necks of their mounts. Tomorrow his wife and two sisters will go out. These dead women, their bones long sunk in London clay, are now transmigrated. Weightless, they glide on the upper currents of the air. They pity no one. They answer to no one.

Their lives are simple. When they look down they see nothing but their prey, and the borrowed plumes of the hunters: they see a flittering, flinching universe, a universe filled with their dinner. All summer has been like this, a riot of dismemberment, fur and feather flying; the beating off and the whipping in of hounds, coddling of tired horses, the nursing, by the gentlemen, of contusions, sprains and blisters. And for a few days at least, the sun has shone on Henry. Sometime before noon, clouds scudded in from the west and rain fell in big scented drops; but the sun re-emerged with a scorching heat, and now the sky is so clear you can see into Heaven and spy on what the saints are doing.”

 

 

Hilary Mantel (Glossop, 6 juli 1952)

16-10-12

85 Jaar Günter Grass, Oscar Wilde, Guðbergur Bergsson, Eugene O’Neill, Gustaaf Peek

 

85 Jaar Günther Grass

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk, Polen) op 16 oktober 1927. Günther Grass viert vandaag zijn 85e verjaardag. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

 

Uit: Die Blechtrommel

 

“Zugegeben: ich bin Insasse einer Heil- und Pflegeanstalt, mein Pfleger beobachtet mich, läßt mich kaum aus dem Auge; denn in der Tür ist ein Guckloch, und meines Pflegers Auge ist von jenem Braun, welches mich, den Blauäugigen, nicht durchschauen kann.

Mein Pfleger kann also gar nicht mein Feind sein. Liebgewonnen habe ich ihn, erzähle dem Gucker hinter der Tür, sobald er mein Zimmer betritt, Begebenheiten aus meinem Leben damit er mich trotz des ihn hindernden Guckloches kennenlernt. Der Gute scheint meine Erzählungen zu schätzen, denn sobald ich ihm etwas vorgelegen habe, zeigt er mir, um sich erkenntlich zu geben, sein neuestes Knotengebilde. Ob er ein Künstler ist, bleibe dahingestellt. Eine Ausstellung seiner Kreationen würde

jedoch von der Presse gut aufgenommen werden, auch einige Käufer herbeilocken. Er knotet ordinäre Bindfäden, die er nach den Besuchsstunden in den Zimmern seiner Patienten sammelt und entwirrt, zu vielschichtig verknorpelten Gespenstern, taucht diese dann in Gips, läßt sie erstarren und spießt

sie mit Stricknadeln, die auf Holzsöckelchen befestigt sind.

Oft spielt er mit dem Gedanken, seine Werke farbig zu gestalten. Ich rate davon ab, weise auf mein weißlackiertes Metallbett hin und bitte ihn, sich dieses vollkommenste Bett bunt bemalt vorzustellen. Entsetzt schlägt er dann seine Pflegerhände über dem Kopf zusammen, versucht in etwas zu starrem Gesicht allen Schrecken gleichzeitig Ausdruck zu geben und nimmt Abstand von seinen farbigen Plänen.

Mein weißlackiertes metallenes Anstaltsbett ist also ein Maßstab. Mir ist es sogar mehr: mein Bett ist das endlich erreichte Ziel, mein Trost ist es und könnte mein Glaube werden, wenn mir die Anstaltsleitung erlaubte, einige Änderungen vorzunehmen: das Bettgitter möchte ich erhöhen lassen,

damit mir niemand mehr zu nahe tritt...”

 

 

Günter Grass (Danzig, 16 oktober 1927)

Lees meer...

15-10-12

A. F.Th. van der Heijden, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: Tonio

 

“Er was die keer dat hii voor me uit de trap afdaalde, terwijl hij lachend iets over zijn schouder zei. Halverwege stond hij opeens stil, zodat ik tegen hem op botste.

'Dat ik dat toch ooit geweest ben.'

Op ooghoogte hing tegen de muur van de overloop zrjn portret als kaalhoofdige zuigeling, in een gestreept rompertje dwars in

zijn ledikant liggend, met boven zich kleurige houten ringen waaraan hij zich nog moest leren optrekken. Hij keek schuins in

de camera, happend in het dons.

Tonio schudde zijn hoofcl, alsof het een onbezonnen keuze betrof 'dat daar ooit te zqn geweest'. Jaren eerder had ik in mijn dagboek

genoteerd dat hij, net zo ongelovig zijn hoofd schuddend, had gezegd: 'Dat ik toch ooit dood zaI gaan.'

(…)

 

Soms wil ik hem heel dicht tegen me aan houden. De gedachte doet zich meestal voor als ik in bed lig te lezen, en zomaar opeens mijn boek ter zijde leg. Kom maar, zeg ik dan geluidloos. Kom maar, Tonio, onder het dek. Ik zal je warm houden.
Zijn lichaam is willoos, slap, maar niet koud. Het is de Tonio die na de aanrijding op het plaveisel heeft gelegen, een half etmaal voor zijn dood. De inzittenden van de rode Suzuki Swift staan buiten de auto, en durven niet naar het verderop neergekwakte lijf te kijken. De sirenes van politie en ambulance zijn nog niet hoorbaar. Het blauwe geflakker van de zwaailichten moet nog komen. Het is dan dat ik hem opraap en naar mijn bed draag, waarvan ik het dek opensla.
Kom maar. Dicht tegen me aan. Dat zal je warm houden. Ze komen zo om je beter te maken.”

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

Michail Lermontov, Italo Calvino, Tessa de Loo

 

De Russische dichter en schrijver Michail Joerjevitsj Lermontov werd geboren op 15 oktober 1814 in Moskou. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michail Lermontov op dit blog.

 

 

The Cross On the Rock

 

I know a rock in a highland's ravine,

On which only eagles might ever be seen,

But a black wooden cross o'er a precipice reigns,

It rots and it ages from tempests and rains.

 

And many years have gone without any hints,

From times when it was seen from faraway hills.

And its every arm is raised up to the sky,

As if catching clouds or going to fly.

 

Oh, if I were able to rise there and stay,

Then how I'd cry there and how I'd pray;

And then I would throw off real life's chains

And live as a brother of tempests and rains!

 

 

 

Requiem

1831

 

There is a blest place: by the trace

In wilderness, in a little glade’s middle,

Where in the eve, mists twine and bristle

In moony silver’s easy lace…

My friend! You know that glade, fair;

There dig a pit and let me rest,

When I will cease to breathe in air.

 

Give to that grave a good regard --

Let all be legally there settled

Raise on the grave a cross of maple,

And place a stone, wild and hard.

When thunderstorms will shake the forest,

The traveler will see my cross;

Maybe, the stone and the moss

Will give to him a rest at most.

 

 

 

Vertaald door Yevgeny Bomver

 

 

 



Michail Lermontov (15 oktober 1814 - 27 juli 1841)

Zelfportret, 1837

Lees meer...

14-10-12

E. E. Cummings, Péter Nádas, Katha Pollitt, Daniël Rovers

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Edward Estlin Cummings werd geboren in Cambridge, Massachusetts op 14 oktober 1894. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor E. E. Cummings op dit blog.

 

 

if you like my poems let them

 

if you like my poems let them
walk in the evening,a little behind you

then people will say
"Along this road i saw a princess pass
on her way to meet her lover(it was
toward nightfall)with tall and ignorant servants."

 

 

 

my father moved through dooms of love


my father moved through dooms of love
through sames of am through haves of give,
singing each morning out of each night
my father moved through depths of height

this motionless forgetful where
turned at his glance to shining here;
that if(so timid air is firm)
under his eyes would stir and squirm

newly as from unburied which
floats the first who,his april touch
drove sleeping selves to swarm their fates
woke dreamers to their ghostly roots

and should some why completely weep
my father's fingers brought her sleep:
vainly no smallest voice might cry
for he could feel the mountains grow.

Lifting the valleys of the sea
my father moved through griefs of joy;
praising a forehead called the moon
singing desire into begin

joy was his song and joy so pure
a heart of star by him could steer
and pure so now and now so yes
the wrists of twilight would rejoice

keen as midsummer's keen beyond
conceiving mind of sun will stand,
so strictly(over utmost him
so hugely) stood my father's dream

his flesh was flesh his blood was blood:
no hungry man but wished him food;
no cripple wouldn't creep one mile
uphill to only see him smile.

Scorning the Pomp of must and shall
my father moved through dooms of feel;
his anger was as right as rain
his pity was as green as grain

septembering arms of year extend
yes humbly wealth to foe and friend
than he to foolish and to wise
offered immeasurable is

proudly and(by octobering flame
beckoned)as earth will downward climb,
so naked for immortal work
his shoulders marched against the dark

his sorrow was as true as bread:
no liar looked him in the head;
if every friend became his foe
he'd laugh and build a world with snow.

My father moved through theys of we,
singing each new leaf out of each tree
(and every child was sure that spring
danced when she heard my father sing)

then let men kill which cannot share,
let blood and flesh be mud and mire,
scheming imagine,passion willed,
freedom a drug that's bought and sold

giving to steal and cruel kind,
a heart to fear,to doubt a mind,
to differ a disease of same,
conform the pinnacle of am

though dull were all we taste as bright,
bitter all utterly things sweet,
maggoty minus and dumb death
all we inherit,all bequeath

and nothing quite so least as truth
--i say though hate were why men breathe--
because my Father lived his soul
love is the whole and more than all

 

 

 

E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962)

Self-portrait with sketchpad, 1939

Lees meer...

Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Żeromski

 

De Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield werd geboren op 14 oktober 1888 in Wellington. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Katherine Mansfield op dit blog.

 

Uit: Bliss (The Man Without A Temperament)

 

“He stood at the hall door turning the ring, turning the heavy signet ring upon his little finger while his glance travelled coolly, deliberately, over the round tables and basket chairs scattered about the glassed-in veranda. He pursed his lips–he might have been going to whistle–but he did not whistle–only turned the ring–turned the ring on his pink, freshly washed hands.

Over in the corner sat The Two Topknots, drinking a decoction they always drank at this hour–something whitish, greyish, in glasses, with little husks floating on the top–and rooting in a tin full of paper shavings for pieces of speckled biscuit, which they broke, dropped into the glasses and fished for with spoons. Their two coils of knitting, like two snakes, slumbered beside the tray.

The American Woman sat where she always sat against the glass wall, in the shadow of a great creeping thing with wide open purple eyes that pressed–that flattened itself against the glass, hungrily watching her. And she knoo it was there–she knoo it was looking at her just that way. She played up to it; she gave herself little airs. Sometimes she even pointed at it, crying: "Isn't that the most terrible thing you've ever seen! Isn't that ghoulish!" It was on the other side of the veranda, after all . . . and besides it couldn't touch her, could it, Klaymongso? She was an American Woman, wasn't she, Klaymongso, and she'd just go right away to her Consul. Klaymongso, curled in her lap, with her torn antique brocade bag, a grubby handkerchief, and a pile of letters from home on top of him, sneezed for reply.

The other tables were empty. A glance passed between the American and the Topknots. She gave a foreign little shrug; they waved an understanding biscuit. But he saw nothing. Now he was still, now from his eyes you saw he listened. "Hoo-e-zip-zoo-oo!" sounded the lift. The iron cage clanged open. Light dragging steps sounded across the hall, coming towards him. A hand, like a leaf, fell on his shoulder. A soft voice said: "Let's go and sit over there–where we can see the drive. The trees are so lovely." And he moved forward with the hand still on his shoulder, and the light, dragging steps beside his. He pulled out a chair and she sank into it, slowly, leaning her head against the back, her arms falling along the sides.”

 

 

Katherine Mansfield (14 oktober 1888 – 9 januari 1923)

Portret door Shoshana Kertesz

Lees meer...

13-10-12

Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Herman Franke op dit blog.

 

Uit: Traag licht

 

De vrouwen in mijn leven hielden mij ieder op hun eigen manier een spiegel voor. Mannen deden dat niet, zelfs mijn beste vrienden niet. Mannen bevechten elkaar of steunen elkaar onvoorwaardelijk. Ze houden elkaar een masker voor, wat op zijn tijd veel prettiger is dan een spiegel. Hoe het met vrouwen zit, weet ik niet zeker, maar ik denk dat vrouwen tegenover elkaar juist hun masker afleggen. Ik had wel een vrouw willen zijn.'

(…)

 

'Dat deze vrouw dood was, fascineerde me. Dood zijn en toch lust weten aan te wakkeren van de man die naar die naaktfoto van je kijkt, daarin schuilt een mysterieuze biologische tegenstrijdigheid die mijn zinnen extra prikkelde. […] Misschien komt het doordat seks zich op deze foto's dwars door de dood heen manifesteert, lak heeft aan de voortplanting en daardoor zelfs meer aan botte levensdrift appelleert dan de aanblik van een blote prachtvrouw in levende lijve. Het kan ook zijn dat die oude naaktfoto's je laten voelen dat al die maatschappelijke veranderingen er niet zo veel toe doen. De mens blijft zichzelf gelijk, nu en toen, hier en daar, in weer en wind, door de eeuwen heen. Je waant je een ogenblik een met alle mensen die er zijn en waren. Dus als seks een verlangen naar eenwording is, wordt door de vrouwen op die oude foto's niet alleen die eenwording maar ook het verlangen daarnaar tot de zoveelste macht verheven.'

 

 

Herman Franke (13 oktober 1946 – 14 augustus 2010)

In 1990

Lees meer...

12-10-12

Stefaan van den Bremt, Eugenio Montale, Robert Fitzgerald

 

De Vlaamse dichter en essayist Stefaan van den Bremt werd geboren in Aalst op 12 oktober 1941. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2010en eveneens alle tags voor Stefaan van den Bremt op dit blog.

 

 

Naastenliefde

 

Wie heeft de pad het pad zien oversteken?
De boer op zijn tractor niet: hij heeft
al honderd padden overreden. Het pad
is smal, en de pad traag. Hij is een
pelgrim, onderweg (misschien mist hij
een kenteken?). Hij sleept zich naar
de plas, de poel waarin herboren wordt
zijn groene paradijs. Hij wil dwars
door het stenen huis, hij volhardt in
zijn heimwee, zwijgend, laat zich
met geen klem van drempels overreden.
En als wij in het donker de deur dicht-
slaan brengt hij geen klacht uit, geeft
geen kik. Pas maanden later vindt men
tussen deur en drempel, geplet, gedroogd,
zijn bijna gewichtloos, haast onstoffelijk
omhulsel. Gelukkige pad, nog steeds
op pad, pelgrim zonder reisgoed.

 

 

 

Lijflied

 

Het is van mijn leven nog niet geschreven,
nog nooit van m'n leven.
Het staat om de dood nog niet te boek,
om de dooie dood niet.

Het voelt nog zo iel aan,
of het mijn tong nog niet kan roeren;
ik voel me beroerd. Hoor hoe
het zou willen schreien.

Ik wil het ooit nog eens op
kunnen schrijven, al is het te weinig
om van te leven, het is om dood te gaan
te veel.

Een wijs is het, een onbepaalde
ruimte, die nog niet weet van tijd.
Een mond waarin bestorven ligt
wat nog geboren moet worden.

 

 

 

Stefaan van den Bremt (Aalst, 12 oktober 1941)

Lees meer...

Nobelprijs voor de Literatuur voor Mo Yan

 

Nobelprijs voor de Literatuur voor Mo Yan

 

 

De Nobelprijs voor de Literatuur is toegekend aan Chinese schrijver Mo Yan. Dat heeft het Nobelcomité in Stockholm bekendgemaakt. Mo Yan werd geboren op 17 februari 1955 in Gaomi in de provincie Shandong. Aan de Nobelprijs is een bedrag van ongeveer € 930.000 verbonden. Het Nobelcomité roemt Mo Yan voor het "hallucinerend realisme" waarmee hij volksverhalen, geschiedenis en het hedendaagse combineert. Mo Yan, een pseudoniem voor 'spreek niet', krijgt de prijs op 10 december uitgereikt. Zie ook alle tags voor Mo Yan op dit blog.

 

Uit: The Garlic Ballads (Vertaald door Howard Goldblatt)

 

“Gao Yang touched the drop of nectar with his tongue, and his taste buds were treated to a cool, sweet taste that relaxed him. He surveyed his three acres of garlic field. It was a good crop, the white tips large and plump, some at a jaunty angle, others straight as a board. The garlic was moist and juicy, with downy sprouts beginning to appear. His pregnant wife was on her hands and knees beside him, yanking garlic out of the ground. Her face was darker than usual, and there were fine lines around her eyes, like veins of spreading rust on a sheet of iron. As she knelt, knees coated with mud, her childhood deformity — a stunted left arm that inconvenienced her in everything she did — made the job harder than it ought to have been. He watched her reach down and pinch the stalks with a pair of new bamboo chopsticks; the effort made her bite her lip each time, and he felt sorry for her. But he needed her help, for he’d heard that the co-op was setting up shop in the county town to buy the garlic crop at slightly over fifty fen a pound, higher than last year’s peak price of forty-five. He knew the county had expanded the amount of acreage given over to garlic this year; and with a bumper crop, the earlier you harvested yours, the sooner you could sell it. That was why everyone in the Village, women and children included, was out in the fields. But as he looked at his pitiable pregnant wife, he said, “Why not rest awhile?”

“What for?” She raised her sweaty face. “I’m not tired. I just worry the baby might come.”

“Already?” he asked anxiously.

“I figure some time in the next couple of days. I hope it waits till the harvest is in, at least.”

“Do they always come when they’re due?”

“Not always. Xinghua was ten days late.”

They turned to look behind them, where their daughter sat obediently at the edge of the field, her sightless eyes opened wide. She was holding a stalk of garlic in one hand and stroking it with the other.

“Careful with that garlic, Xinghua,” he said. “Each stalk is worth several fen.”

 

 

 

Mo Yan (Gaomi, 17 februari 1955)

 

 

09:16 Gepost door Romenu in Actualiteit, Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nobelprijs, mo yan, romenu |  Facebook |

11-10-12

Gertrud von Le Fort, François Mauriac, Conrad Ferdinand Meyer

 

De Duitse dichteres en schrijfster Gertrud von Le Fort werd geboren in Minden op 11 oktober 1876. Zie ook mijn blog van 11 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Gertrud von Le Fort op dit blog.

 

 

Stille

 

Mich ruft zuweilen eine Stille,
die alles Tönen überschweigt
bis ein geheimnisvoller Wille
sich über meine Seele neigt.

Der sprengt im Zittern von Sekunden
dies enge Haus - die Welt ist Traum,
in ferne Täler sanken Stunden
und flüsternah ward jeder Baum.

 

 

 

Die Heimatlosen

 

Wir sind von einem edlen Stamm genommen,
Der Schuld vermählt,
Wir sind auf dunklen Wegen hergekommen
Wund und gequält.

Wir hielten einst ein Vaterland umfangen -
Gott riß uns los -
Wir sind durch Feuer und durch Blut gegangen
Verfolgt und bloß.

Des Abgrunds Engel hat uns überflogen -
Wer bannt sein Heer?
Wir sind am Rand der Hölle hingezogen -
Uns graust nicht mehr.

Durch jede Schmach sind wir hindurchgebrochen
Bis ins Gericht:
Wir hörten Worte, die ihr nicht gesprochen -
O, redet nicht!

Uns winkt hier niemals Heimat mehr wie andern,
Uns hält kein Band,
Gott riss uns los, wir müssen wandern, wandern -
Wüst liegt das Land,

Wüst liegt die Stadt, wüst liegen Hof und Hallen,
Die Hand ward leer,
Wir sahen eine Welt in Trümmer fallen -
Uns trifft nichts mehr.

Ziel eines Hasses oder Spottes,
Was liegt daran?
Wir sind die Heimatlosen uns'res Gottes -
Er nimmt uns an.

Die Schuld ist ausgeweint, wir sind entronnen
Ins letzte Weh:
Die ew'ge Gnade öffnet ihre Bronnen -
Blut wird zu Schnee.

 

 

 

Gertrud von Le Fort (11 oktober 1876 - 1 november 1971)

Lees meer...

10-10-12

Ferdinand Bordewijk, Menno Wigman, Jonathan Littell, Harold Pinter, Boeli van Leeuwen

 

De Nederlandse schrijver Ferdinand Bordewijk werd geboren op 10 oktober 1884 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ferdinand Bordewijk op dit blog.

 

Uit: Karaker

 

„Hij keerde zich om naar de tafel met de resten van het middagmaal. Hij stond even stil, nadenkend, een breedgeschouderd man, zwaar zonder buikigheid, een keiharde kop op een korten breeden hals, op den kop een zwarte flambard. Dat draait wel weer bij, dacht hij, desondanks twijfelend. Dan ging hij laconiek zelf het vaatwerk wasschen in de keuken.

Het meisje Joba Katadreuffe liet niets meer van zich hooren. Daar zij van haar toestand niet den minsten hinder had bleef zij aan den arbeid. Zij verhuurde zich als werkster, toen haar zwangerschap niet meer was te verbergen zei ze eenvoudig dat ze door haar man was verlaten. In dezen tijd had zij het in het geheel niet slecht, altijd volop eten en behoorlijk logies. Tot het laatst toe was zij voldoende van werkhuizen voorzien. Ze hoefde niet naar de arbeidsbeurs te gaan, waar men onderzocht zou hebben, haar ongehuwden staat hebben ontdekt. Zij kon heel flink werken, ze had een gestel van ijzer, ze werd door den een aan den ander aanbevolen. De laatste maanden werkte ze alleen bij menschen zonder kinderen thuis, ze voorkwam zelf de pijnlijkheid van een situatie in gezinnen met kinderen, van de kinderlooze werkhuizen alleen kon ze blijven bestaan.

Ze had tijdig tevoren een plaats in de kraamzaal besproken, ze was wel heel jong maar geenszins onwetend, een natuurlijke voorzienigheid was haar eigen. Ook had zij het goede moment gekozen toen ze zich te bed legde, en ze kon nog eenigen tijd uitrusten. Een verstandig meisje, zonder verwanten en vrienden, een meisje dat niets had behoeven te leeren, dat alles wist. Deze Joba.

Ze voelde zich tot het laatst bizonder wel. Het frissche gezicht met de harde tanden en sprekende oogen nam de zusters die toch zooveel gewend waren geheel in. En dit ondanks haar ernst, haar zwijgen, de stroefheid van haar taal. Men had gevraagd hoe het kind zou heeten. Jacob Willem. Als het een meisje was dan enkel Jacoba.

Men wees haar er op dat de vader verplicht was tot levensonderhoud. Ze antwoordde prompt en pathetisch:

– Het kind zal nooit een vader hebben.

– Ja, maar we bedoelen geen vaderrèchten, we bedoelen alleen maar dat de vader moet opbrengen voor je kind.

– Nee.

– Hoe nee?

– Ik wil niet.

Men wees haar er op dat zij na haar ontslag zich om steun kon wenden tot Moederzorg, tot Kinderzorg.”

 

 

Ferdinand Bordewijk (10 oktober 1884 – 28 april 1965)

Lees meer...