27-09-16

Constantijn Huygens-prijs 2016 voor Atte Jongstra

 

Constantijn Huygens-prijs 2016 voor Atte Jongstra

Aan de Nederlandse schrijver Atte Jongstra is de Constantijn Huygens-prijs toegekend. Hij krijgt de prijs voor zijn hele oeuvre, maakte de Jan Campert-Stichting maandag bekend. De Nederlandse schrijver en essayist Atte Jongstra werd geboren in Terwispel op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor Atte Jomgstra op dit blog.

Uit: Klinkende ikken

 “Je zou er na vijftig jaar toch eens aan gewend moeten zijn, maar de naam van mijn familie komt me nog steeds belachelijk voor. Ik krijg een heel vreemd gevoel als ik onder een krantenstuk of op de omslag van een boek de naam Jongstra zie staan. Ik heb geprobeerd eroverheen te komen door de hoofdpersoon van een roman (De tegenhanger, 2003) mijn naam te geven.Het hielp niet. Heette ik maar Van der Linde, Oosterbaan, Roorda van Eysingha of gewoon De Leeuw.
Ik las eens een stuk in een oude krant waarin iemand voorkwam die werd aangeduid met ‘Veldwachter Jongstra’. Natuurlijk, dacht ik. Alle veldwachters heten Jongstra en daarom moeten alle Jongstra’s veldwachters zijn. Wat kunnen mensen met zo’n achterlijke naam anders worden dan veldwachter? Mijn grootvader en zijn broer waren het allebei. Mijn vader was weliswaar onderwijzer, maar in ons dorp was dat tevens een soort hulpagent, een nevenfunctie die hij met verve vervulde.
Ik heb altijd gedacht dat er maar heel weinig mensen Jongstra heten. Dat was in mijn ijdele dagen. Van De Jong, Jongsma, Jongema heb je er heel veel, maar Jongstra – nee.
Ik zat eens op een veiling en had al enkele pakketten boeken gekocht. Bij een ander gewenst lot verloor ik bij het bieden.
‘Welke naam mag ik noteren?’ vroeg de veilingmeester.
‘Jongstra,’ riep de gelukkige koper.
Ik stond verbijsterd op: ‘Dat kan niet, zo heet ik!’
Klaterend applaus.
Zoiets doet je voelen dat je Jongstra heet.
Het is verschrikkelijk een naam als de mijne te moeten dragen, terwijl ik denk dat iemand als Harry Mulisch altijd verrukt is geweest van zijn naam.
Het beeld van een boekwinkel met in de etalage “DeWerken van Atte Jongstra” is eenvoudigweg lachwekkend. “Verzamelde gedichten van Atte Jongstra”? Ondenkbaar. Wie wil zulke gedichten lezen? Met pseudoniemen goochelen heb ik heus gedaan, ik ben echter altijd weer bij Jongstra teruggekomen. Macht der gewoonte? De kracht van dat ene, ellendige feit dat ik Jongstra heet? Ik kon er hoe dan ook niet tegenop.
Deze naam is dus de mijne. Daar komt mijn miserabel uiterlijk nog eens bij. Wat heb ik als jongen in de schooltoiletten vaak voor de spiegel gestaan en bittere tranen gestort. Een rooie kop. Een onaangenaam gezicht, glimmend (niet droog). Mijn haar als in een helm op het hoofd, als een dicht bos veren; ik zou later nog eens het scheldwoord ‘helmcasuaris’ toegeslingerd krijgen. Ik smeerde er vet in, maar het wou zich niet neerleggen. Absurd, nooit zoiets bij anderen gezien. Dan ging ik naar huis om er onmiddellijk in een spiegeltje te kijken.”

 

 
Atte Jongstra (Terwispel, 13 augustus 1956)

26-09-16

Bart Chabot, T. S. Eliot, Thomas van Aalten, Luís Fernando Veríssimo, Mark Haddon, William Self, Jane Smiley

 

De Nederlandse dichter en schrijver Bart Chabot werd geboren in Den Haag op 26 september 1954. Zie ook mijn blog van 26 september 2010 en eveneens alle tags voor Bart Chabot op dit blog.

 

Shoebaloo

op een zondagavond in maart,
(de lente was voortvarend
uit de startblokken gekomen)
reed ik naar scheveningen
en zagen de zee en ik elkaar terug

we hadden elkaar lang niet gesproken,
te lang: de laatste keer dateerde
van ver voor de winter–
niet dat we daarvan wakker lagen
de zee en ik, wij redden ons wel

de zee lag trouw
voor de kust en scheen niet merkbaar
van plek verschoven
ze leek geen dag ouder geworden
en veel jonger dan ze was;
dat vertelde ik haar ook,
een compliment waar ze zichtbaar
verguld mee was

helaas kon ze hetzelfde niet van mij beweren,
zei ze naar waarheid
want zoete broodjes bakken
deed en doet ze niet, de zee
de noordzee niet, en de andere zeeën
en oceanen evenmin

de zee, wist ik terwijl ik het water tegemoet liep,
zou heel wat langer meegaan dan ik-
een gedachte waar ik goed
mee uit de voeten kon
een meeuw hing aan een draadje in de lucht

we keken elkaar recht in de ogen,
de noordzee en ik, en begrepen elkaar
ik liet het water
over mijn puntschoenen lopen
waste zo het kerkhofzand* van de neuzen
en het kerkhofstof spoelde weg

kort daarop ging ik naar huis
want de lucht betrok
het begon kouder te worden, kil zelfs
en de zee en ik,
we hadden elkaar
weinig meer te vertellen

 


Bart Chabot (Den Haag, 26 september 1954)

Lees meer...

25-09-16

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Anna (Vertaald door Etta Maris)

"Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen t-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.
De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.
Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed.
Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.
De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden.
Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf met open ogen.
Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fl uisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.
De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.
Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.”




Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Lees meer...

Rebecca Gablé, Lu Xun, Maj Sjöwall, August Kühn, Manouchehr Atashi, William Michael Rossetti, Charles Robert Maturin, Herbert Heckmann

 

De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Zie ook mijn blog van 25 september 2010 en eveneens alle tags voor Rebecca Gablé op dit blog.

Uit:Der Palast der Meere

Das Eisen ist heiß“, sagte der Constable, und das Funkeln in den Augen verriet seine freudige Erwartung.
„Hier ist ein Mann, der seine wahre Bestimmung gefunden hat“, murmelte Isaac.
„Halt lieber die Klappe“, warnte die Marktfrau, die in der dicht gedrängten Menge neben ihm stand.
Der Constable legte die Hand um den hölzernen Griff des langen Brandeisens, das in einem Kohlebecken zu seiner Linken lag, hob es hoch und zeigte den Zuschauern das rot glühende „M“. Ein beifälliges Raunen ging durch die Menge.
Die junge Frau am Pranger fing an zu schluchzen. Sie stand in unwürdiger Haltung leicht vorgebeugt, Hals und Handgelenke steckten in den dafür vorgesehenen Löchern.
Ihr ohnehin schmuddeliges Kleid war mit Flecken übersät, wo die Dreckfladen und sonstigen Wurfgeschosse der Umstehenden sie getroffen hatten, die vornehmlich auf ihr schmales Hinterteil gezielt zu haben schienen.
Der Constable trat vor die arme Sünderin und strich ihr mit der linken Hand das Haar zurück; es wirkte geradezu zärtlich. Sie hatte die Augen zugekniffen, und so sah sie nicht, wie er das Eisen hob. Ohne jedes Zögern und zielsicher drückte er es ihr mitten auf die Stirn. Das glühende Eisen zischte auf der Haut, ein dunkler Rauchkringel stieg auf, und die Verurteilte stieß einen
langgezogenen Schrei aus.
Die Schaulustigen applaudierten und johlten – weil der Gerechtigkeit Genüge getan war oder weil sie sich gut unterhalten fühlten, Isaac wusste es nicht.
„Das war’s. Deine zwei Stunden sind um, Mädchen“, sagte der Constable und zwickte sie augenzwinkernd in die linke Brust, ehe er den Bolzen zurückzog und die schwere hölzerne Zwinge aufklappte. „Und jetzt hör schon auf zu flennen. Wir hätten dir auch ein Ohr abschneiden können.
Verdient hättest du’s allemal.“

 


Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

Lees meer...

24-09-16

Joke van Leeuwen, Mark Boog, A.L. Snijders, Alejandro Zambra, F. Scott Fitzgerald, Shamim Sarif

 

De Nederlandse dichteres, schrijfster, illustrator en cabaretière Johanna Rutgera van Leeuwen werd geboren op 24 september 1952 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Joke van Leeuwen op dit blog.

 
Kameel in de stad

Op hoge poten loopt het dorp de stad in
dat het past. Het plant zich voort, het heeft
pantoffels aan en hoort motoren.

Geduld van eeuw, van wie eens geboren uit
wie eens geboren uit wie eens geboren uit
wie door het zand moest van zijn dagen.

En door moet tussen gassen en geschreeuw.
Het snelle laat het trage voor, het blijvende:
de mooie wimpers en de bulten en de last.

 

 

Haar oude ouders

Haar oude ouders zonder oude spullen
die hun beroofde hoofden van nog gekker
weg wilden trekken, zijn op droge benen
hierheen gekomen, hopend op gedogen.
Hun Heer kwam mee, die kan hier ook aanbeden
en hun Maria heeft ook hier die ogen.
Hun tenen schieten wortel in hun schoenen.
Hun woorden durven zich niet te vertonen.
Ze krijgen tweedehandse voor het hullen.
Ze hebben al Tot ziens en Lekker.




Snorkelen

Half in zee, half in de lucht, gedragen
een schoorsteen op en naar beneden kijken
vragende vingers van de waterplanten

Kont in de lucht, rug naar de wolken
voeten met vinnen, hun gelijke lijken
maar hemellichaam blijken in den hoge

voor stille vissen, bezig er een te zijn
glad rond de graten, ogen altijd open
en geen benut van het immense droge.

 



Joke van Leeuwen (Den Haag, 24 september 1952)

Lees meer...

Hendrik Tollens, Fernand Ouellette, Yves Navarre, Alfons Petzold, Charles Ferdinand Ramuz, Szilvia Molnar

 

De Nederlandse dichter Hendrik Tollens werd op 24 september 1780 te Rotterdam geboren. Zie ook mijn blog van 24 september 2010 en eveneens alle tags voor Hendrik Tollens op dit blog.

 

Geluk en deugd (Fragment)

de jongeling
Mijn vader! 't was verblindend schoon,
in welk een tooi gehuld!
Nu droeg het hoofd een lauwerkroon,
van schittrend licht verguld;
dan zwierde een rijke vederpracht,
van gouden loovren zwaar,
een wrongel, met juweel bevracht,
om 't weids gevlochten haar;
dan eindlijk - neen, in voller glans
verscheen mij nooit het beeld! -
Dan was alleen een rozenkrans
door 't golvend haar gespeeld;
de lok hing neer op de open borst,
met enkel gaas beplooid;
En - welk een wens ik smeden dorst...
mijn lippen! zegt het nooit!
Maar had ge als ik het beeld aanschouwd,
mijn vader! in die schijn,
uw bloed, sinds lang verkleumd en koud,
had weer gegloeid als 't mijn.

de grijsaard
Dat was 't Geluk niet, neen, mijn zoon!
Het was niet wat u 't scheen:
Dat droombeeld met die lauwerkroon
was aardse Roem alleen.
Ja, tintlend bruist het jeugdig bloed
begoocheld door zijn lach,
en dorstend staat het hart in gloed,
dat hij vermeestren mag;
begeerlijk boven pracht en schat
is 't lover dat hij vlecht,
en heerlijk staat zijn lauwerblad
om 't waardig hoofd gehecht:
maar 't is 't Geluk niet, jongling! neen!
het schut geen foltring af,
het schept geen zielsrust om u heen
noch strekt een steun aan 't graf.

 


Hendrik Tollens (24 september 1780 -21 oktober 1856)
Rotterdam: Grote markt op marktdag met het huisje 'In Duizend Vreezen' door F.L. van Gulik, ca. 1880

Lees meer...

23-09-16

Peter Drehmanns, Antonio Tabucchi, Tom de Cock, Ellen Warmond, Olga Kirsch, Mary Coleridge, Leni Saris, Jaroslav Seifert

 

De Nederlandse dichter en schrijver Peter Drehmanns werd op 22 september 1960 in Roermond geboren. Zie ook alle tags voor Peter Drehmanns op dit blog.

 

Precisering

Ik ben niet degene
die zijn problemen mee naar huis neemt
ik ben niet de man in de trein
tussen alle anderen
niet degene die zijn bloed
te slapen legt in een kantoortuin
of plotgericht de clou incasseert.
 
Niet uitgediept tot bagger, niet geladen
met betekenis ben ik
niet de as die verstrooid
moet worden, niet een kind
van gescheiden ouders
of de zoon van een verstofte mijnwerker.
 
Weet wel: ik zit in mijn stoel
met miskende tepels en afgebrande vleugels
niet doodgeboren maar gewoon
ontoelaatbaar onteerd.

 

 

Grow what you lack now

er waren dagen
dat het beter ging
dat er kabouterhuisjes
op de graven groeiden
en dat het niet
naar bloeddoorlopen mayonaise rook
 
er waren dagen
dat de koek nog een pact
wilde sluiten met het ei
dat de meisjes mij nog begieterden
met oogsproeisel
met hooggistende glimlach
 
maar gegeven de huidige omstandigheden
verkeer ik onontkoombaar
onder de Ludlum lezende luchtreizigers
en wacht op de vertrektijden
wacht op de dooilucht van de waanzin

 


Peter Drehmanns (Roermond, 22 september 1960)

 

Lees meer...

Inge Boulonois

 

De Nederlandse dichteres en schilderes Inge Boulonois werd geboren in Alkmaar op 23 september 1945. Na de middelbare school volgde zij een kunstenaarsopleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Arnhem. In 1988 studeerde ze af als waarnemingspsycholoog aan de Universiteit in Nijmegen. In 2000 begon ze met het schrijven van gedichten. Ze debuteerde in 2004 met de bibliofiele bundel “Ooglijke tijd”. In 2007 volgde de bundel “Haast feestelijk”. Verder bundels zijn “Het geluk van een tafel” (2011), “Heerhugowaardse gedichten” (2014), “Lichte en Bonte Gedichten” (2015) en “Idioom van geluk” (2016). Boulonois schrijft zowel vrije als gebonden verzen, “serieuze” als lichtvoetige gedichten. In haar light verses overheerst humoristische maatschappijkritiek. Haar light verses worden door haar zelf geïllustreerd. Daarnaast maakt ze animaties van gedichten en beeldsonnetten. Sinds 2005 analyseert ze poëzie voor Meander op klassiekegedichten.net. Van 2011 tot 2015 was ze officieel stadsdichter van Heerhugowaard. Ze schrijft wekelijks een actueel snelsonnet voor gedichten.nl. Haar poëzie werd opgenomen in diverse literaire tijdschriften en bloemlezingen. Daarnaast zijn haar gedichten meermalen gelauwerd in Nederland en Vlaanderen: Plantage Poëzieprijs (2005), Concept Poëzieprijs (2006), Guido Wulmsprijs (2006), Culturele Centrale Boontje Poëzieprijs (2008), Poëzieprijs Merendree (2009) en de Nieuwegeinse Poëzieprijs (2009).

 

Kleinood

Hoe het als terloops de eigen plaats vond
in een stenen wereld, niemand in de weg,
net tussen macadam en stoeprand.
Kwetsbaarder dan vlees en bloed

bestaande dankzij minder dan één
vingerhoed bijeen gewaaide aarde.

Uit alle macht de deining van de dag
verdragend, het steeds aanwezige
gevaar van misstappende hakken,
van roekeloos verkerend blik
in de haast van haast te laat.

Door de aardbol net als wij
heel stevig aan zijn boezem
gedrukt terwijl bloot zonlicht
het een grootspraak van jawelste geeft:
Klein Hoefblad, karaatgeel bloeiend –

 


Verpleeghuis

Zo'n plaats waar je liever niet, maar
als het thuis niet meer
omdat er door je hoofd te veel verleden
slingert, dan liever hier dan elders.

Dit huis slaat zijn armen veilig
om je heen. Je mag er tijd verliezen,
door bezoekers wakker worden gekust
en beesten strelen in de patio.

Terwijl je woorden moe van het bedoelen
worden, zinnen zich vergeten
en je lippen een geheimtaal vinden,
waait in je al meer stilte aan, totdat –

En tot die tijd, ook als je dat niet meer beseft,
hangen in je eigen kamer boven het bed
de foto's van alle dierbaren, je kleinkinderen
lachend. Aan jou, hoe dan ook, gehecht –

 

 
Inge Boulonois (Alkmaar, 23 september 1945)

13:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, inge boulonois |  Facebook |

22-09-16

Dannie Abse, Lodewijk van Deyssel, Nick Cave, Fay Weldon, György Faludy, Hans Leip

De Britse dichter en schrijver Dannie Abse werd geboren op 22 september 1923 in Cardiff, Wales. Zie ook mijn blog van 22 september 2010 en eveneens alle tags voor Dannie Abse op dit blog.

 

The Old Gods - Poem by Dannie Abse

The gods, old as night, don't trouble us.
Poor weeping Venus! Her pubic hairs are grey,
and her magic love girdle has lost its spring.
Neptune wonders where he put his trident.
Mars is gaga - illusory vultures on the wing.

Pluto exhumed, blinks. My kind of world, he thinks.
Kidnapping and rape, like my Front Page exploits
adroitly brutal - but he looks out of sorts when
other unmanned gods shake their heads tut tut,
respond boastingly, boringly anecdotal.

Diana has done a bunk, fearing astronauts.
Saturn, Time on his hands, stares at nothing and
nothing stares back. Glum Bacchus talks ad nauseam
of cirrhosis and small bald Cupid, fiddling
with arrows, can't recall which side the heart is.

All the old gods have become enfeebled,
mere playthings for poets. Few, doze or daft,
frolic on Parnassian clover. True, sometimes
summer light dies in a room - but only
a bearded profile in a cloud floats over.




Dannie Abse (Cardiff, 22 september 1923 – 28 september 2014)

 

Lees meer...

Nathan Hill

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse schrijver Nathan Hill werd geboren in Cedar Rapids, Iowa, in 1976 en groeide op in het Middenwesten, waar zijn grootouders als maïs-, soja- en veeboeren hadden gewerkt. Zijn familie verhuisde voortdurend toen hij opgroeide – naar Illinois, Missouri, Oklahoma en Kansas – terwijl zijn vader zich omhoog werkte naar het management bij Kmart. Boeken waren schaars bij hem thuis, maar zijn ouders verwenden hem met de Choose Your Own Adventure series. Vanaf de lagere school wilde Hill schrijver worden. In de tweede klas, schreef hij een verhaal over een dappere ridder proberen om een ​​prinses te redden uit een spookkasteel: "The Castle of No Return" en hij illustreerde het zelf. Hij studeerde Engels en journalistiek aan de Universiteit van Iowa, waar hij studeerde bij de schrijfster Sara Levine. Hill probeerde de journalistiek voor een tijdje door te schrijven voor The Cedar Rapids Gazette, toen ging terug naar de University of Massachusetts, Amherst voor zijn M.F.A. aan. Hij publiceerde verhalen in een handvol bekende tijdschriften als The Iowa Review, Agni en The Gettysburg Review. Maar doorbreken in de New Yorkse literaire wereld was zwaarder dan hij had verwacht. Zijn verhalenbundel werd afgewezen door 38 literaire agenten. Toen de afwijzingen zich opstapelden begon Hill te wanhopen. Om zichzelf af te leiden, begon hij met het spelen van World of Warcraft, die al snel een obsessie werd. Hij stopte na een paar jaar met spelen en begon zich meer te richten op het schrijven en onderzoek doen voor "The Nix", een rommelig proces dat hij beschreef als “drie jaar van schrijven, zes jaar van onderzoek en ploeteren" Tegenwoordig werkt Hill als Associate Professor Engels aan de Universiteit van St. Thomas in St. Paul, Minnesota, waar hij creatief schrijven doceert en literatuurcursussen geeft.

Uit: The Nix

“Late Summer 1988
 If Samuel had known his mother was leaving, he might have paid more attention. He might have listened more carefully to her, observed her more closely, written certain crucial things down. Maybe he could have acted differently, spoken differently, been a different person.
 Maybe he could have been a child worth sticking around for.
 But Samuel did not know his mother was leaving. He did not know she had been leaving for many months now—in secret, and in pieces. She had been removing items from the house one by one. A single dress from her closet. Then a lone photo from the album. A fork from the silverware drawer. A quilt from under the bed. Every week, she took something new.
A sweater. A pair of shoes. A Christmas ornament. A book. Slowly, her presence in the house grew thinner.
 She’d been at it almost a year when Samuel and his father began to sense something, a sort of instability, a puzzling and disturbing and some-times even sinister feeling of depletion. It struck them at odd moments. They looked at the bookshelf and thought: Don’t we own more books than that? They walked by the china cabinet and felt sure something was missing. But what? They could not give it a name—this impression that life’s details were being reorganized. They didn’t understand that the reason they were no longer eating Crock-­Pot meals was that the Crock-Pot was no longer in the house. If the bookshelf seemed bare, it was because she had pruned it of its poetry. If the china cabinet seemed a little vacant, it was because two plates, two bowls, and a teapot had been lifted from the collection.
 They were being burglarized at a very slow pace.
 “Didn’t there used to be more photos on that wall?” Samuel’s father said, standing at the foot of the stairs, squinting. “Didn’t we have that picture from the Grand Canyon up there?”
 “No,” Samuel’s mother said. “We put that picture away.”
 “We did? I don’t remember that.”
 “It was your decision.”

 

 
Nathan Hill (Cedar Rapids, 1976)

19:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nathan hill, romenu |  Facebook |

21-09-16

Leonard Cohen, Stephen King, Frédéric Beigbeder, Xavier Roelens, Fannie Flag, H.G. Wells, Johann Peter Eckermann

 

De Canadese dichter, folk singer-songwriter en schrijver Leonard Cohen werd geboren op 21 september 1934 te Montréal. Zie ook mijn blog van 21 september 2010 en eveneens alle tags voor Leonard Cohen op dit blog.

Uit: The favorite game

“He began his tour through the heart streets of Montreal. The streets were changing. The Victorian gingerbread was going down everywhere, and on every second corner was the half-covered skeleton of a new, flat office building. The city seemed fierce to go modern, as though it had suddenly been converted to some new theory of hygiene and had learned with horror that it was impossible to scarpe the dirt out of gargoyle crevices and carved grapevines, and therefore was determined to cauterize the whole landscape.
But they were beautiful. They were the only beauty, the last magic. Breavman knew what he knew, that their bodies never died. Everything else was fiction. It was the beauty they carried. He remembered them all, there was nothing lost. To serve them. His mind sang praise as he climbed a street to the mountain.
For the body of Heather, which slept and slept.
For the body of Bertha, which fell with apples and a flute.
For the body of Lisa, early and late, which smelled of speed and forests.
For the body of Tamara, whose thighs made him a fetishist of thighs.
For the body of Norma, goosefleshed, wet.
For the body of Patricia, which he had still to tame.
(…)

The jukebox wailed. He believed he understood the longing of the cheap tunes better than anyone there. The Wurlitzer was a great beast, blinking in pain. It was everybody's neon wound. A suffering ventriloquist. It was the kind of pet people wanted. An eternal bear for baiting, with electric blood. Breavman had a quarter to spare. It was fat, it loved its chains, it gobbled and was ready to fester all night.
Breavman thought he'd just sit back and sip his Orange Crush. A memory hit him urgently and he asked a waitress for her pencil. On a napkin he scribbled:
Jesus! I just remembered what Lisa's favorite game was. After a heavy snow we would go into a back yard with a few of our friends. The expanse of snow would be white and unbroken. Bertha was the spinner. You held her hands while she turned on her heels, you circled her until your feet left the ground. Then she let go and you flew over the snow. You remained still in whatever position you landed. When everyone had been flung in this fashion into the fresh snow, the beautiful part of the game began. You stood up carefully, taking great pains not to disturb the impression you had made. Now the comparisons. Of course you would have done your best to land in some crazy position, arms and legs sticking out. Then we walked away, leaving a lovely white field of blossom-like shapes with footprint stems.”

 


Leonard Cohen (Montréal, 21 september 1934)
In 1988

Lees meer...

My Computer Ate My Homework, Dolce far niente, Kenn Nesbitt


Dolce far niente

 


"Chateau on the Lake" Computer Graphic Painting, door Alexander Peverett, 2011.

 

 

My Computer Ate My Homework

My computer ate my homework.
Yes, it’s troublesome, but true.
Though it didn’t gnaw or nibble
and it didn’t chomp or chew.
It digested it completely.
It consumed my homework whole,
when I pressed the Shift and Enter keys
instead of Shift-Control.

It devoured my hours of typing,
every picture, chart and graph,
and it left me most unsettled
when I thought I heard it laugh.

I would guess it was a virus,
or it could have been a worm,
that deleted every bit
but didn’t prompt me to confirm.

I suppose I might have pressed Escape
instead of pressing Save,
but, regardless, my computer
now will never misbehave.

For I found a good solution
and I smiled to hear the crash,
when I chucked it out the window
and it landed in the trash.

 


Kenn Nesbitt (Berkeley, 20 februarie 1962)
Berkeley. Alexander Peverett werd geboren in Berkeley.

 

11:07 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: dolce far niente, kenn nesbitt |  Facebook |

20-09-16

Donald Hall, Javier Marías, Cyriel Buysse, Upton Sinclair, Joseph Breitbach, Adolf Endler, Henry Arthur Jones, Stevie Smith, Hanns Cibulka

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Donald Hall werd geboren in Hamden, New Haven County, Connecticut op 20 september 1928. Zie ook mijn blog van 20 september 2010 en eveneens alle tags voor Donald Hall op dit blog.

 

Name Of Horses

All winter your brute shoulders strained against collars, padding
and steerhide over the ash hames, to haul
sledges of cordwood for drying through spring and summer,
for the Glenwood stove next winter, and for the simmering range.

In April you pulled cartloads of manure to spread on the fields,
dark manure of Holsteins, and knobs of your own clustered with oats.
All summer you mowed the grass in meadow and hayfield, the mowing machine
clacketing beside you, while the sun walked high in the morning;

and after noon's heat, you pulled a clawed rake through the same acres,
gathering stacks, and dragged the wagon from stack to stack,
and the built hayrack back, uphill to the chaffy barn,
three loads of hay a day from standing grass in the morning.

Sundays you trotted the two miles to church with the light load
a leather quartertop buggy, and grazed in the sound of hymns.
Generation on generation, your neck rubbed the windowsill
of the stall, smoothing the wood as the sea smooths glass.

When you were old and lame, when your shoulders hurt bending to graze,
one October the man, who fed you and kept you, and harnessed you every morning,
led you through corn stubble to sandy ground above Eagle Pond,
and dug a hole beside you where you stood shuddering in your skin,

and lay the shotgun's muzzle in the boneless hollow behind your ear,
and fired the slug into your brain, and felled you into your grave,
shoveling sand to cover you, setting goldenrod upright above you,
where by next summer a dent in the ground made your monument.

For a hundred and fifty years, in the Pasture of dead horses,
roots of pine trees pushed through the pale curves of your ribs,
yellow blossoms flourished above you in autumn, and in winter
frost heaved your bones in the ground - old toilers, soil makers:

O Roger, Mackerel, Riley, Ned, Nellie, Chester, Lady Ghost.

 

 
Donald Hall (Hamden, 20 september 1928)

Lees meer...

19-09-16

Crauss, Patrick Marber, William Golding, Ingrid Jonker, Orlando Emanuels, Jean-Claude Carrière

 

De Duitse dichter en schrijver Crauss werd geboren in Siegen op 19 september 1971. Zie ook mijn blog van 19 september 2010 en eveneens alle tags voor Crauss op dit blog.

 

Uit: Schönheit des Wassers

 

I
gefürchtetes wasser: die alten Stehen
bereit im korrodierenden bild. firnis;
vedute. ein wehr ophelischen sehnens.
natur und ermüdung, gischtkragen

an faltigen hälsen; die freude am schönen.
ertrinken. die STRANDUNG wird que" sein.

 

II
der fluss ist verschwiegen. kein stein,
kein froé'tiges gurgeln; die mädchen
sterben woanders, hier ruhen sie. nur:
trügt diese TRANCE nicht? wir haben
erfahren, wasser kann mehr. und einsam
bereits wird das warten den burschen.
auf brechen die wege und reissen. da!

 


de angst in eigen persoon
is een vrouw met krullend haar en een man
langs de straat, de wind zwiept regen
tussen de wissers, de auto glijdt
veel te langzaam richting afscheid, het licht
is een kegel, de keel is een knoop, de ogen zijn schrik
en de mond te verkrampt om te schreeuwen –
de stem is kwijt, dat is het begin.

de angst in eigen persoon
is een stadsautoweg, geheel dichtgesneeuwd en een jongen
met heimwee, de auto glijdt langzamer nu, want de
afrit versperd, blijft liggen en achter de mast
wordt de knaap overvallen door een ijskoude rilling.
wensen vervliegen, bevriezen, het beeld is heel groen,
de lust eraan rood en de jongen spoedig

weer thuis, is de angst een huwelijk, een minnaar op
de openbare weg en een wachtende vader, met weinig woorden
verstijft de toestand zoals regen verandert in sneeuw.
verklaringen liegen, worden ontmaskerd, zodra men ze gelooft
en verstoffen in een kastje vol waarheid.

de angst is een film, een vraatzuchtig wezen, waarvoor
een stad ’s nachts bang is, de angst is een oeroude
draad, die zich door het leven heen weeft.


Vertaald door Frans Roumen

 

 
Crauss (Siegen, 19 september 1971)

Lees meer...