23-06-13

Aart van der Leeuw

 

De Nederlandse dichter en schrijver Aart van der Leeuw in Hof van Delft op 23 juni 1876. Van der Leeuw, kwam uit een koopmansfamilie en volgde een gymnasiumopleiding in Delft, die hij met moeite na herexamens in 1898 wist af te ronden, toen hij al 22 jaar oud was. Van der Leeuw werd geplaagd door woordblindheid en een toenemende doofheid. Beide aandoeningen droegen bij aan de problemen die hij bij zijn studie en werk ondervond. Hij studeerde rechten aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam, niet zozeer omdat hij zich daarvoor interesseerde, maar omdat het een korte studie was met gunstige maatschappelijke vooruitzichten. Na zijn promotie werkte hij korte tijd op het gemeentearchief van Delft, en vanaf 1903 als 'chef de bureau' bij de Levensverzekeringsmaatschappij Dordrecht. In datzelfde jaar trouwde hij met zijn vroegere schoolvriendin Antonia Johanna Kipp. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen voortgekomen. Van der Leeuw had het bij de Dordtse verzekeringmaatschappij niet naar zijn zin. Zijn zwakke gezondheid greep hij uiteindelijk aan om in 1907 ontslag te nemen. Door het overlijden van zijn schoonouders viel hem en zijn vrouw een bescheiden erfenis ten deel, net genoeg om zelfstandig te kunnen leven. Het paar vestigde zich in Voorburg, waar Van der Leeuw zich wijdde aan het vioolspel en aan zijn schrijverschap. In 1928 werd hem de C.W. van der Hoogtprijs toegekend door de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden.Hij schreef niet een zeer omvangrijk oeuvre, maar zijn boeken “Ik en mijn speelman uit 1927” en “De kleine Rudolf” uit 1930 worden gezien als klassiekers van de Nederlandse 20ste-eeuwse letterkunde. Opmerkelijk aan zijn poëzie is dat hij zich toelegde op het prozagedicht.

Uit: Ik en mijn speelman

“Ik houd er van, om in een bloemruiker een distel te steken, of op een fruitschaal tusschen de vruchten een schubbigen sparappel te leggen. Daarom had ik in het huis, waar voor de liefde betaald wordt, den gebochelden muzikant, die zooeven, als uit den hemel gevallen, voor mijn stilhoudenden draagstoel stond, en mij behulpzaam is geweest bij het uitstijgen, mee naar binnen genomen.
In de feestzaal war en alle kaarsen aangestoken, en deden hun lichtjes in het kristal van de spiegels, in de juweelen van kapsels, keurzen en de ge vest en der degens weertintelen. Vijf vrienden, vijf vrouwen. De komst van mijn speelman werd met handgeklap en gejubel begroet. ‘Het is maar gemakkelijk,’ werd er geroepen, ‘om je vioolkist aan je vastgegroeid bij je te dragen, zoodat er geen kans is, dat je hem ooit zult vergeten,’ en een ander vroeg hem, of hij op het hoofd kon staan als de nar van den koning. Lachend zette hij zich op een lage taboeret in een hoek van de kamer, en stemde zijn gitaar.
Ik schudde de kaarten. Ik zou de bank houden. De winst moest ons, den bezoekers, in kussen worden uitgeteld, ons verlies zou betaald worden in gouden dukaten.
Wij lieten den muzikant van den wijn brengen, en wierpen hem, zooals je een hond een brok geeft van den maaltijd, af en toe een geldstuk voor de voeten. Daarvoor zong hij met een heesch geluid de gebruikelijke liedjes, ze op zijn instrument begeleidend. Sommigen neurieden het refrein mee, anderen riepen kwinkslagen, of namen schaterend de bestraffing in ontvangst voor hun vrijpostigheden. Somtijds, plotseling, viel een stilte in, zoo een, die je weemoedig maakt en verlegen, en waarbij vergeten dingen in je herinnering komen: een groene bank onder een linde, kinderen, en het jubelend roepen van je naam in de verte. Wij schertsten dit weg, of we een lastig insect van ons afsloegen.
Het werd warm in de kamer. Wij gaven den speelman een teeken. Hij opende een venster; meteen sprong de deur uit het slot; een vochtige windvlaag voer binnen, en de kaarsen doofden uit. Wij zaten in duister. Uit den nacht werd een klacht over ons gesproken, een kreet van een vogel, een ruischen, een zuchten. Toen zong de man dat lied."

 

 
Aart van der Leeuw (23 juni 1876 – 17 april 1931)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: aart van der leeuw, romenu |  Facebook |

22-06-13

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Willie Verhegghe, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

 

Uit: De Uitvreter

 

“Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker, dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.

‘Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje en een kalf. Als je blieft.’ En hij haalde zijn portemonnaie voor den dag. ‘Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis.’

‘Met Bavink?’ vroeg ik. ‘Neen,’ zei Japi, ‘niet met Bavink, alleen. Ik ga naar Friesland.’ ‘Midden in den winter?’ Japi knikte. ‘Wat doen?’ Hij haalde z'n schouders op. ‘Doen? Niks doen. Jelui kerels zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin in heb.’

Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker naar den sneltrein van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een papieren sigarenpijpje met een reclame. ‘Wacht even’, zei i, toen we al beneden waren. ‘Ik heb nog wat vergeten.’ Even daarna kwam i terug met een vischhengel.

Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak voor hem had.”

 

 

 

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Lees meer...

Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Jacques Delille

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Zie ook alle tags voor Tadeusz Konwicki op dit blog.

 

Uit: The Calendar and the Hourglass (Vertaald door Daniel Bourne)

 

“New Year with a Bad Hangover
WHERE TO START? Maybe with the sign of the cross or a magic charm. I'm a superstitious person, and getting more and more so. Only people enjoying prosperity, people on a run of good luck, make fun of superstitions. But the longer one's life, the leaner it becomes. Towards the end it gets more and more necessary to knock on wood, spit three times, to make one's benedictions surreptitiously.
And I'm attempting something here a little absurd. For many years I've stuck to writing a story--that powerful chain that can hold together the most wild and wooly words. Whenever I have been carried away by excessive ambition--and strayed away from stories and started toying around with personal essays or whatever you might call them--each time I've ended up in abject defeat. In light of this, with great superstitious dread, I have continued to latch on to plot, to action and drama. The story leads me like a blind man through the bogs of being a writer.
But it got boring. It's as simple as that. It got boring like a monotonous, automatic action carried out for years, so I thought it might be nice to write something from time to time, from whim to whim and chance to chance. And, as bad luck would have it, my little case of boredom came at a time when fellow novelists and other drudges in this toilsome profession--when hacks everywhere had started to abandon stories on the sly as if they were pushing out ballast no longer of use to anyone, though carried along to who knows where just in case.”

 

 

 

Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

Lees meer...

21-06-13

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Ian McEwan, Alon Hilu

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

 

 

Hij is prins

 

Hij is prins, hij wil geen onderdanen,
want zij zullen allen in elk geval prinsen zijn:
prins verkoper, prins bloemist,
prins huisvrouw en prins dode.

Zijn wenkbrouw spreekt,
zijn ogen vragen en op
zijn tafel staan de staatsgeheimen
van de dagen.

Kwetsbare prinsen onder elkaar
- met moeders als een tv-serie
zo benauwend vasthoudend -
iedereen wordt een wezen.

Er is geen vrouwlijkheid in deze klas,
er is slechts hoffelijkheid en hoogheid
en hevigheid van schrijven en van lezen.
Wie 's morgens binnenkomt is
een vereerde gast.

 

 

 

 

Botlopen

 

We zetten zwinnen in de zandplaat af
met warnetten en joegen stapvoets bot
en schol op, vingen emmers vol.

De kotter op de drooggevallen vlakte
hing scheef, de eerste stilte scheen
te dalen uit de zon, een oever was
er niet.

Uit water waren wij getild, samen
met gesloten schelpen, om tenminste
één keer haast te weten hoe het is: te
zijn gestrand en toch te overleven.

Twee of drie uur zou de eb ons hier
nog dulden. Dan niet meer.
Genoeg om te onthouden dat wij het
onbetwiste midden waren van de ruimte,
die wij opgelucht en nietsontziend
bevisten.

 

 

 

 

Duinen

 

Zoals altijd is er een dierenspoor.
Er staan gewone brem, slangenkruid,
ossetong en koekoeksbloemen. Sommige
konijnen begonnen een hol, maar
groeven niet door.

In de spaarbekkens hangt het water;
je zou er munten in kunnen gooien
als in het bassin van een fontein.

Bast is van jonge bomen afgeknaagd.
Zie toch hoe de dag werkelijk wentelt
en er van alles uit de tijd valt, ritselend,
hoe schelpen gaan, knerpend, hoe niemand
meer opraapt, hoe niemand meer ergens
naar vraagt, hoe de wind heengaat:
zonder geest te zijn wat hij afrukt
verwerpend.

 

 

 

 

Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Lees meer...

20-06-13

Vikram Seth, Paul Muldoon, Kurt Schwitters, Jean-Claude Izzo, Silke Andrea Schuemmer

 

De Indische schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

 

Uit: A Suitable Boy

 

“Lata reflected that of the four brothers and sisters, the only one who hadn't complained of the match had been the sweet-tempered, fair-complexioned, beautiful Savita herself.

'He is a little thin, Ma,' said Lata a bit thoughtlessly. This was putting it mildly. Pran Kapoor, soon to be her brother-in-law, was lank, dark, gangly, and asthmatic.

'Thin? What is thin? Everyone is trying to become thin these days. Even I have had to fast the whole day and it is not good for my diabetes. And if Savita is not complaining, everyone should be happy with him. Arun and Varun are always complaining: why didn't they choose a boy for their sister then? Pran is a good, decent, cultured khatri boy.'

There was no denying that Pran, at thirty, was a good boy, a decent boy, and belonged to the right caste. And, indeed, Lata did like Pran. Oddly enough, she knew him better than her sister did--or, at least, had seen him for longer than her sister had. Lata was studying English at Brahmpur University, and Pran Kapoor was a popular lecturer there. Lata had attended his class on the Elizabethans, while Savita, the bride, had met him for only an hour, and that too in her mother's company.

'And Savita will fatten him up,' added Mrs Rupa Mehra. 'Why are you trying to annoy me when I am so happy? And Pran and Savita will be happy, you will see. They will be happy,' she continued emphatically. 'Thank you, thank you,' she now beamed at those who were coming up to greet her. 'It is so wonderful--the boy of my dreams, and such a good family. The Minister Sahib has been very kind to us. And Savita is so happy. Please eat something, please eat: they have made such delicious gulabjamuns, but owing to my diabetes I cannot eat them even after the ceremonies. I am not even allowed gajak, which is so difficult to resist in winter. But please eat, please eat. I must go in to check what is happening: the time that the pandits have given is coming up, and there is no sign of either bride or groom!' She looked at Lata, frowning. Her younger daughter was going to prove more difficult than her elder, she decided.

'Don't forget what I told you,' she said in an admonitory voice.

'Hmm,' said Lata. 'Ma, your handkerchief's sticking out of your blouse.'

'Oh!' said Mrs Rupa Mehra, worriedly tucking it in. 'And tell Arun to please take his duties seriously. He is just standing there in a corner talking to that Meenakshi and his silly friend from Calcutta. He should see that everyone is drinking and eating properly and having a gala time.'

 

 

 

Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)

Lees meer...

19-06-13

Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab

 

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

 

Uit: The Satanic Verses

 

“When Baal proceeded to lay out the plan for the madam, she responded: "It is very dangerous, but it could be damn good for business." While I do not wholly subscribe to the theory that authors tend to write self-fulfilling novels, it seems quite clear to me that "they" did hear and that they are indeed mad enough to "boil his balls in butter." The Ayyatollah Khomeni, who issued the fatwa for Rushdie's death, in fact stated that what Rushdie wrote about the Prophet literally made his blood boil (quoted in Appignanesi and Maitland 1990:73). The whole thing has been very dangerous, and there is little doubt but that the controversy has been "damn good for business."

The question that remains for me is why Rushdie -- being brought up as a Muslim, even a backsliding one -- did not realize what the reaction of his fellow Muslims would be (Baal was certainly not naive about how Mahound would respond to knowing whores were pretending to be his wives), or why Rushdie realized it but went ahead and did it anyway. To a certain extent Rushdie's public presentation of his private doubt came at the wrong time -- it was a convenient lightning rod at a time when anger against the West -- understandable anger at that -- needed to go somewhere.

But the key I think is found in the same passage (p. 380), where Rushdie comments: "Where there is no belief, there is no blasphemy." In an interview ironically broadcast the same day in 1989 as Khomeini's death warrant, Rushdie added: "Doubt, it seems to me, is the central condition of a human being in the 20th century" (quoted in Appignanesi and Maitland 1990:24). Here I think is the crux of the problem. We can readily identify with Rushdie on doubt as the norm in the secular as well as much of the sacred thinking of our West. We can read The Satanic Verses as an exercise in dealing with that doubt, one that Rushdie as an immigrant author in our backyard vigorously defends as viable even though it may be seen as blatant unbelief by his critics. But the problem is that Rushdie, at least up until a recent interview with

David Frost, has never claimed not to have belief. He has simply admitted to doubt.”

 

 

 

Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

Lees meer...

18-06-13

Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Karin Fellner

 

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

 

Uit: The Echo Maker

 

“They converge on the river at winter’s end as they have for eons, carpeting the wetlands. In this light, something saurian still clings to them: the oldest flying things on earth, one stutter-step away from pterodactyls. As darkness falls for real, it’s a beginner’s world again, the same evening as that day sixty million years ago when this migration began.
Half a million birds—four-fifths of all the sandhill cranes on earth—home in on this river. They trace the Central Flyway, an hourglass laid over the continent. They push up from New Mexico, Texas, and Mexico, hundreds of miles each day, with thousands more ahead before they reach their remembered nests. For a few weeks, this stretch of river shelters the miles-long flock. Then, by the start of spring, they’ll rise and head away, feeling their way up to Sas-katchewan, Alaska, or beyond.
This year’s flight has always been. Something in the birds retraces a route laid down centuries before their parents showed it to them. And each crane recalls the route still to come.
Tonight’s cranes mill again on the braided water. For another hour, their massed calls carry on the emptying air. The birds flap and fidget, edgy with migration. Some tear up frosty twigs and toss them in the air. Their jitters spill over into combat. At last the sandhills settle down into wary, stilt-legged sleep, most standing in the water, a few farther up in the stubbled fields.
A squeal of brakes, the crunch of metal on asphalt, one broken scream and then another rouse the flock. The truck arcs through the air, corkscrewing into the field. A plume shoots through the birds. They lurch off the ground, wings beating. The panicked carpet lifts, circles, and falls again. Calls that seem to come from creatures twice their size carry miles before fading.”

 

 

 

Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

Lees meer...

17-06-13

Peter Rosei, Gail Jones, Ward Ruyslinck, Max Dendermonde, James Weldon Johnson

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 juni 2009 en eveneens alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

 

Uit: Wien Metropolis

 

„Es war auf dem Rückzug der deutschen Armeen in der Gegend von Allenstein in Masuren in Polen, also eher schon dem Ende der Schlachtereien des Großen Krieges zu – die kommenden Monate sollten allerdings besonders blutig werden –, daß im Wohntrakt eines Herrengutes, erst kurz zuvor war es von seinen Bewohnern geräumt worden, sich folgendes zutrug: Die Soldaten einer in Auflösung befindlichen deutschen Kompanie entdeckten ein erleuchtetes Fenster in der Nacht. In der Eile der Flucht hatten die Gutsleute wohl vergessen, gerade diese eine und letzte Lampe zu löschen. Die Soldaten brachen mit ein paar Kolbenschlägen das Hoftor auf und drangen ins Haus ein. Im Kamin im großen Salon fanden sich unter einer dünnblättrigen, brüchigen Schicht von grauer Asche – man hatte wohl Papiere verbrannt – noch Knollen von roter, wärmespendender Glut. Bald hatte einer der Männer die Treppe, die zum Vorratskeller hinunterführte, entdeckt. – Als endlich die Nachhut eintraf, angeführt von keinem anderen als dem Oberleutnant Oberkofler, der Pandura, seines Zeichens Stabswachtmeister, war bereits bei der ersten Gruppe dabeigewesen, da fand der Oberkofler seine Leute und also auch den Stabswachtmeister Pandura schon beim Plündern. Zwar hatte der Pandura alle vorgefundenen Fässer durch gezielte Pistolenschüsse zuschanden geschossen, er hatte aber im Durcheinander nicht verhindern können, daß der eine oder andere sein Kochgeschirr oder sonst ein Gefäß unter den kalt und dunkel herauspritschelnden Weinstrahl gehalten hatte. Der Oberkofler machte auch gar kein Aufhebens von der sich anbahnenden Sauferei, er sagte nur in Richtung Pandura, aber so laut, daß alle es hören konnten: »Wer morgen liegen bleibt, wird eben vom Russen erschossen.« Dann warf er seine Handschuhe auf einen Tisch, setzte sich und streckte die Beine breit aus.“

 

 

 

Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

Lees meer...

16-06-13

Father (Edgar Guest)

 

Bij Vaderdag

 

 

 

 

Zelfportret met mijn zoon door Otto Dix, 1930

 

 

 

 

Father

 

My father knows the proper way   

The nation should be run;

He tells us children every day   

Just what should now be done.

He knows the way to fix the trusts,   

He has a simple plan;

But if the furnace needs repairs,  

We have to hire a man.

 

My father, in a day or two   

Could land big thieves in jail;

There's nothing that he cannot do,   

He knows no word like "fail."

"Our confidence" he would restore,   

Of that there is no doubt;

But if there is a chair to mend,   

We have to send it out.

 

All public questions that arise,   

He settles on the spot;

He waits not till the tumult dies,   

But grabs it while it's hot.

In matters of finance he can   

Tell Congress what to do;

But, O, he finds it hard to meet   

His bills as they fall due.

 

It almost makes him sick to read   

The things law-makers say;

Why, father's just the man they need,   

He never goes astray.

All wars he'd very quickly end,   

As fast as I can write it;

But when a neighbor starts a fuss,   

'Tis mother has to fight it.

 

In conversation father can   

Do many wondrous things;

He's built upon a wiser plan   

Than presidents or kings.

He knows the ins and outs of each   

And every deep transaction;

We look to him for theories,   

But look to ma for action.

 

 

 

 

Edgar Guest (20 augustus 1881 – 5 augustus 1959)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van de 16e juni ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

17:11 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: edgar guest, vaderdag, romenu |  Facebook |

August Willemsen, Joyce Carol Oates, Derek R. Audette, Casper Fioole, -minu, Frans Roumen

 

De Nederlandse schrijver essayist en vertaler August Willemsen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1936. Zie ook alle tags voor August Willemsen op dit blog.

 

Uit: Braziliaanse brieven

 

“Een alleraardigste man, eigenaar van de onbenulligste Portugese naam die er bestaat, José Maria da Silva, en tot nu toe de enige mens op aarde die mijn leeftijd juist wist te schatten. ‘Je krijgt er kijk op, in dit bedrijf’, was zijn verklaring. Hij bood me ten afscheid ettelijke bellen cachaça aan, zodat er niets kwam van mijn voornemen zaterdagochtend vroeg naar Rio te gaan. Achteraf viel het nog mee dat ik de bus van elf uur haalde. Aankomst zes uur. Met een taxi naar wat ik omschreef als ‘fatsoenlijk hotel met redelijke prijs’. De prijs was redelijk, maar de ambiance was van een goedkope liederlijkheid en verloedering die werkelijk tot braken noodde. Het is me intussen duidelijk geworden dat vrijwel elk hotel dat niet zéér duur is, in het centrum, een hoerenkast is. Hoererij is trouwens niet tot bepaalde straten beperkt, maar lijkt zo'n beetje in het hele centrum de gewoonte te zijn. Die kast waar ik in '73 met Noor zat was heel rustig vergeleken met het kot waar ik de eerste avond in Rio belandde. Daar komt bij dat tegenwoordig zelf de meest nederige van deze etablissementen radio op de kamers hebben met voorgeprogrammeerde popmuziek, en vaak ook nog televisie met porno en geweld, wat tot gevolg heeft dat de keet nog groter is en langer duurt dan wanneer er alleen maar wordt geneukt. Rekening houden met een ander is de mensen werkelijk volkomen vreemd. Om drie, vier, tot vijf uur in de nacht gelach en gegil, dreunende muziek, gesla met deuren - en toen ik, vroeg in de ochtend, eindelijk een beetje slaap vatte, droomde ik dat ik thuis was gekomen. Maar ik was niet alleen. Er waren vreemde mensen bij, met wie ik een opera aan het instuderen was.”

 

 

 

August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007)

Lees meer...

Theo Thijssen, Ferdinand Laholli, Elfriede Gerstl, Giovanni Boccaccio

 

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1879. Zie ook alle tags voor Theo Thijssen op dit blog.

 

Uit: Jongensdagen

 

“Ko scharrelde even in zijn zakken. ‘Hier!’ zei hij toen ineens, en hij gaf den ander een cent. Henk aarzelde héél even; toen pakte hij gretig aan. ‘Laat mij nou de mand maar verder dragen!’ zei hij toen in zijn dankbaarheid. Ko liet hem begaan, en maakte een paar bokkesprongen en vloog een stoep op en af.

Zoo trokken ze verder naar huis; en Henk liep te denken over z'n broer, die een ‘fijne’ jongen was. En hij ging in gedachten na: alle jongens die hij kende. Wie het hardst kon loopen, waar je 't lekkerst mee spelen kon, en wie op school de beste was, en op gymnastiek. En misschien kwam het een beetje van die cent, maar Ko was de fijnste jongen dien ie wist.

Daar waren ze al thuis.

‘Net vier uur,’ zei Ko, ‘Ay is tot vijf uur op 't zand. Ga mee nog even.’

‘Goed,’ antwoordde Henk. Ze stapten den winkel weer in.

Moe was achter. ‘Jongen, jongen, da's gauw terug,’ zei ze.

Ko legde uit, hoe 't kwam; en terwijl hij 't geld voortelde, verhaalde hij het geval van de postzegels. ‘Vindt u 't niet gemeen?’ vroeg hij. Nou, Moe vònd het gemeen; en zonde van 't geld óók.

‘Die drie centen is nìks,’ beweerde Ko, ‘maar de gemeene streek!’ En hij ging wat water drinken.

 ‘Moe, hoe laat eten we?’ vroeg Henk, die Miep was gaan begroeten.

Moe keek even op de klok. ‘Met een goed uur. Heb je al honger?’

‘Nee, maar we wouen nog even naar 't zand, naar Ay.’

‘Dat 's de moeite niet meer,’ vond Moe, ‘blijf nou liever dat uurtje hier bij de deur, bij Miep. Dat 's véél aardiger.’

‘Ga mee dan,’ zei de kleine Miep al.

Daar kwam Ko weer binnen.”

 

           

 

Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943)

Lees meer...

Torgny Lindgren, Erich Segal, Jean d'Ormesson, Anna Wimschneider, John Cleveland

 

De Zweedse dichter en schrijver Torgny Lindgren werd geboren op 16 juni 1938 in Raggsjö. Zie ook alle tags voor Torgny Lindgren op dit blog.

 

Uit: Bathsheba  (Vertaald door Tom Geddes)

“And Abishag from Shunem went to the King’s bed. She crept in beneath the pile of sheepskins, and those who stood nearest said they heard her whisper Tamar’s name. When her fingers brushed against a fig cake that had been laid on one of the festering sores on the King’s neck, there sprang forth from the cake a fig branch with magnificent leaves.
She remained there for twenty-eigth days, the length of time she was clean.
But not once did he have carnal knowledge of her. No , when he felt her with his withered hands he could not even distinguish the parts of her body one from another. He no longer knew for sure what was breast and stomach and pudenda, and he no longer remembered how the various parts of the body were to be used – the frost had turned his fingers blinds.
And when Abishag the Shunammite rose from the bed on the twenty-eighth day, King David had still not ceased shaking with cold. But the skin on the side of Abishag’s body that had lain against the King had become wrinkeld and dried up.
Then Bathsheba commanded them all to leave the King’s room. And she took off her cloak and slipped into his bed.
Quite soon his trembling abated, the terrible iciness retreated from his body. She lay at his left side, and he pressed himself against her like a new-born lamb against a ewe: he nestled into her warmth as if he were a little babe.
As if this warmth were the one truly godly experience of his entire life.
She could feel how shrivelled he was: his knees and pelvic bones and elbows cut into her flesh as if they were deer antlers. She lifted his head carefullly on to her arm, and she felt his breath on the lobe of her ear.
And for the first time in a very long while she heard his voice.”

 

 

 

Torgny Lindgren (Raggsjö, 16 juni 1938)

Lees meer...

Joël Dicker

 

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève als zoon van een boekhandelaar en een lerares Frans. Hij is zowel van Franse als avn Russische afkomst. Tijdens zijn jeugd speelde hij drums en richtte hij op de leeftijd van tien jaar met “La Gazette des animaux’ een eigen magazine op dat gedurende zeven jaar bleef verschijnen. Voor zijn inzet voor het milieu ontving hij de Prix Cunéo pour la protection de la nature. In Genève volgde hij het ​​Collège Madame de Staël . Op zijn 18e verhuisde hij naar Parijs, waar hij een jaar lang een toneelopleiding volgde aan de Cours Florent. Na zijn terugkeer begon hij rechten te studeren aan de Universiteit van Genève. In 2010 rondde hij deze studie succesvol af. De novelle “Le Tigre”werd in 2005 Dickers literaire debuut. In 2012 verscheen zijn tweede roman “La Vérité sur l'affaire Harry Quebert“. Het verhaal gaat over een Amerikaanse schrijver die zijn oude professor bezoekt vanwege een writer's block en vervolgens een moord oplost. De roman werd bekroond met de Prix Goncourt des lycéens, de Grand Prix du Roman en de Prix litteraire de la Vocation. Met de verkoop van de rechten in 32 talen werd het boek gepubliceerd in 45 landen.

Uit: De waarheid over de zaak Harry Quebert (Vertaald door Manik Sarkar)

“Begin 2008, dat wil dus zeggen ongeveer anderhalf jaar nadat ik met mijn eerste roman de nieuwe publiekslieveling van de Amerikaanse letteren was geworden, kreeg ik last van een heel zware aanval van writer’s block, een syndroom dat wel vaker schijnt voor te komen bij schrijvers die in één klap overweldigend succesvol zijn. De ziekte sloeg niet in één keer toe, maar kreeg langzaam vat op me. Alsof mijn hersenen besmet waren geraakt en langzaam maar zeker versteenden. Toen de eerste symptomen zich aandienden, wilde ik er geen aandacht aan besteden. Ik zei tegen mezelf dat de inspiratie vanzelf wel terug zou komen: morgen, overmorgen of de dag daarna. Maar de dagen, weken en maanden verstreken en de inspiratie bleef weg.
Mijn afdaling naar de hel verliep in drie fases. De eerste is essentieel voor iedere val van grote hoogte, namelijk een bliksemsnelle opgang: van mijn eerste roman waren twee miljoen exemplaren verkocht, en daarmee was ik op achtentwintigjarige leeftijd al een bestsellerauteur. Dat was in de herfst van 2006, toen mijn naam in een paar weken tijd een begrip werd. Ik was overal te vinden: op televisie, in de krant, op tijdschriftcovers… In metrostations hingen enorme reclameborden waarop mijn gezicht stond afgebeeld. Zelfs de meest kritische recensenten van de grote dagbladen van de Oostkust waren het met elkaar eens dat de jonge Marcus Goldman een heel groot schrijver zou worden.
Eén boek. Een enkel boek en ik zag de deuren naar een nieuw leven voor me opengaan: ik werd een jonge, rijke ster. Ik verliet mijn ouderlijk huis in Montclair, New Jersey, en betrok een luxueus appartement in de Village; ik ruilde mijn derdehands Ford in voor een gloednieuwe zwarte Range Rover met getint glas, ik at in chique restaurants en ik verzekerde me van de diensten van een literair agent die mijn agenda beheerde en baseball met me keek op het reusachtige televisiescherm in mijn nieuwe optrekje. Ik huurde een kantoor vlak bij Central Park waar een secretaresse genaamd Denise die een beetje verliefd op me was mijn post sorteerde, koffiezette en mijn papieren ordende.”

 

 
Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)

16:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: joël dicker, romenu |  Facebook |

Frank Norbert Rieter

 

De Nederlandse schrijver Frank Norbert Rieter werd geboren op 16 juni 1973 in Nijmegen. Hij begon na zijn middelbare school aan een studie Algemene Literatuurwetenschap, maar voltooide deze niet omdat hij liever wilde schrijven dan studeren. Zijn debuutroman ´Het lichte hart van de mastodont´ gaf hij in 2013 uit bij zijn eigen uitgeverij ´Leviathan´. Daarnaast publiceerde hij een non-fictie reisverhaal en een verkiezingsnovelle “De tweede man”. Rieter schreef ook een tiental theaterstukken voor diverse gezelschappen en opleidingen. Naast zijn schrijfactiviteiten werkte hij twaalf jaar in het bedrijfsleven.

Uit: Het lichte hart van de mastodont

“Er werd lang en nadrukkelijk aangebeld en het lukte Gordon niet om daar doorheen te slapen. Even vreesde hij dat de buurman weer bozig voor de deur zou staan omdat de over spannen keffer van oma zijn ochtendrust verstoorde. Maar dat kon niet, want het beest had Gordon vannacht gebeten en in een reflex had hij het over de balkonrand gegooid. Zes hoog, weg ermee.
De tanden van het ondier hadden in zijn hand minuscule gaatjes achtergelaten waar een eindeloze hoeveelheid bloed uit had gestroomd. Gordon had de wondjes direct met wodka uitgewassen en met een schone theedoek verbonden.
Na het verbinden was er tijd geweest voor schrik en wroeging. Het restje wodka dat in de fles overschoot was net genoeg geweest om zichzelf mee in slaap te grienen. Stom onnozel beest. Het had nadat oma was verhuisd zijn zindelijkheid verloren en schier onophoudelijk gekeft. Het was een tragisch stukje leven, zeker omdat aan Gordon geen groot hondenfluisteraar verloren was gegaan. Het dier leefde op het balkon en kreeg dagelijks water en brokken. Gordon had zich afgevraagd wie zich hulpelozer voelde bij de situatie: het keffende beest of hijzelf. Maar dat was nu voorbij: exit Fifi.
Terwijl Gordon overeind kwam bonkte zijn hoofd. Hij had gisteravond wederom een poging gedaan zijn volwassen leven op liederlijke wijze in te luiden. Hij bekeek zijn gehavende hand: de wondjes waren inmiddels dicht. De theedoek was in zijn slaap losgeraakt. Vele donkere vegen en vlekken op zijn slaapshirt getuigden ervan dat het bloeden maar langzaam was gestelpt.
Opnieuw werd er lang en nadrukkelijk aangebeld. Gordon zocht met toegeknepen ogen zijn weg door de hal van het appartement en nam de hoorn van de intercom. ‘Wat?’ vroeg hij met een gebroken basstem.”

 

 
Frank Norbert Rieter (Nijmegen, 16 juni 1973)

16:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: frank norbert rieter, romenu |  Facebook |