15-09-13

Claude McKay


De Jamaicaanse dichter en schrijver Festus Claudius " Claude " McKay werd geboren op 15 september 1890 in Sunny Ville, Clarendon, Jamaica. McKay was het jongste kind uit een groot gezin. Zijn vader was een relatief welvarende landeigenaar, een uitzondering onder donker gekleurde mensen. De familie hechtte waarde aan onderwijs en de literaire ambities van Claude McKay werden ook ondersteund door Walter Jekyll, een Engels kolonist. Hij hielp bij de publicatie van de eerste dichtbundel “Songs of Jamaica” in 1912. Deze vijftig gedichten waren ook de eerste gedrukte gedichten in het Jamaicaanse patois, de taal van de arme bevolking van het eiland . In McKays “Constab Ballads” uit hetzelfde jaar waren zijn ervaringen als politieagen verwerkt. In 1912 verliet hij het ​​eiland om in Charleston, South Carolina, het Tuskegee Institute van Booker T. Washingtonte bezoeken. Later verhuisde hij naar het Kansas State College, waar hij voor het eerst politiek actief werd. In 1914 brak hij zijn studie af. Hij verhuisde naar New York, naar Harlem en opende een restaurant en trouwde met zijn jeugdliefde Eulalie Imelda Lewars. Huwelijk en bedrijf waren geen succes en zijn vrouw ging terug naar Jamaica. McKay publiceerde in 1917 de gedichten “The Harlem Danser” en “Invocation”. Frank Harris, hoofdredacteur van de Amerikaanse editie van Pearson's Magazine en Max Eastman van The Liberator kregen belangstelling voor hem. In 1919-1920 woonde hij in Londen, las Karl Marx en ging al snel werken voor Workers Dreadnought, de socialistische krant van Sylvia Pankhurst. In 1920 verscheen de bundel “Spring in New Hampshire”, in 1922 zijn belangrijkste werk “Harlem Shadows”. In november 1922 gaf hij een toespraak op het Vierde Congres van de Derde Internationale in Moskou. Hij bleef zes maanden in Rusland. In 1925 voltooide hij zijn eerste roman “Color Schem”, maar deze werd niet gepubliceerd. In 1926-1927 woonde hij in Marseille. Zijn roman “Home to Harlem” verscheen in 1928 en werd een bestseller. Vanaf 1930 tot het einde van 1933woonde hij in Marokko . Vroeg in 1934 keerde hij terug naar New York. In 1940 werd hij tot Amerikaan genaturaliseerd. In 1944 stapte hij over naar de Rooms-Katholieke kerk.

 

Harlem Shadows

I hear the halting footsteps of a lass
In Negro Harlem when the night lets fall
Its veil. I see the shapes of girls who pass
To bend and barter at desire's call.
Ah, little dark girls who in slippered feet
Go prowling through the night from street to street!

Through the long night until the silver break
Of day the little gray feet know no rest;
Through the lone night until the last snow-flake
Has dropped from heaven upon the earth's white breast,
The dusky, half-clad girls of tired feet
Are trudging, thinly shod, from street to street.

Ah, stern harsh world, that in the wretched way
Of poverty, dishonor and disgrace,
Has pushed the timid little feet of clay,
The sacred brown feet of my fallen race!
Ah, heart of me, the weary, weary feet
In Harlem wandering from street to street.

 

 

Spring in New Hampshire

Too green the springing April grass,
Too blue the silver-speckled sky,
For me to linger here, alas,
While happy winds go laughing by,
Wasting the golden hours indoors,
Washing windows and scrubbing floors.

Too wonderful the April night,
Too faintly sweet the first May flowers,
The stars too gloriously bright,
For me to spend the evening hours,
When fields are fresh and streams are leaping,
Wearied, exhausted, dully sleeping.

 

 

December, 1919

Last night I heard your voice, mother,
The words you sang to me
When I, a little barefoot boy,
Knelt down against your knee.

And tears gushed from my heart, mother,
And passed beyond its wall,
But though the fountain reached my throat
The drops refused to fall.

'Tis ten years since you died, mother,
Just ten dark years of pain,
And oh, I only wish that I
Could weep just once again.

 

 

 
Claude McKay (15 september 1890 - 22 mei 1948)

15:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: claude mckay, romenu |  Facebook |

14-09-13

Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty

 

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Hans Faverey op dit blog.

 

 

Plotseling vliegt er een smak

 

Plotseling vliegt er een smak
water door de kamer; en is
in de zijmuur verdwenen.

Voor mijn ogen voltrekt zich het wonder,
zoals ik mij herinner, opnieuw. Voordat
de kamer wordt volgestort met herte-
geweien, sta ik al op de gang; indachtig
het alarm. Nu het veilig is, kijk ik
het trapgat in, en luister

hoe beneden op de deurmat
de Echo ritselend
en knisperend verpulvert.

 

 

 

Waar ik op heb gewacht

 

Waar ik op heb gewacht
maakt zich van mij meester;

en laat mij kort daarop los

ik ben gehuld in mijzelf

en dezelfde dingen zijn nog
van kracht: het ene doet niet
onder voor het andere.
Nadat ik zo geweest ben

wordt aarzeling betracht.

Het restant doorstaat zich, schijnt
weer terug te willen; wordt ontzet
tenslotte, desondanks, door
vergetelheid. Zo ontbloot zich

het wiel en lokt mij tot zich;
suggereert duur: duren.

 

 

 

 

Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)

Lees meer...

Martyn Burke, Ivan Klima, Eckhard Henscheid, Eric van der Steen, Mario Benedetti, Uli Becker

 

De Canadese schrijver, journalist, regisseur en scenarioschrijver Martyn Burke werd geboren op 14 september 1952 in Toronto. Zie ook alle tags voor Martyn Burke op dit blog.

 

Uit: Laughing War

 

“. . . the band began blasting out an off-key Colonel Bogey March. The audience went wild. But at this point in the evening they usually went wild over almost anything…….
And so Colonel Bogey races across the flatness like a tide seeking shore. It is louder than even the laughter and the strange yelling that comes from the Club and is momentarily lost in the unearthly whine of the F-lOOs as they return from bombing whatever it is that has to be bombed. Colonel Bogey
washes over the lone sentries and rushes on into the darkness that lies beyond the perimeter. The darkness stretches on and on, beyond the wretches lying soaked and bloody in the swamp near Cambodia listening to the metallic voices in the headset that tell them why the F-lOOs cannot come back until dawn, and listening to the noises in the nearby jungle that might be metal grating on metal. The darkness goes on forever. But the nineteen-year-old from Georgia can no longer hear the curling chords of Jimi Hendrix s guitar as the Armed Forces Radio brings him the Best in Rock. The nineteen-year-old from Georgia can hear none of this. A long thin knife protrudes from his chest at the place where his flak jacket should have been buckled. Thin bubbles of blood drip from his mouth. In his
final act as a sentry, he has died with his eyes wide open.”

 

 

 

Martyn Burke (Toronto, 14 september 1952)

Lees meer...

13-09-13

Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl

 

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

 

 

My soul is ready for the journey

 

My soul is ready for the journey,
coat drawn close and girdled as was the command.
For the carriage will not wait or stay long
in this station
before the long and difficult ascent
that may finally lead to the fearsome mountain,
onto the strange empty ridge where the Nameless is waiting,
or perhaps to another valley, different from this one.

My soul is ready for the journey
but it does not know the way
for it leads through soul’s own bare territory
and the day journeys are hidden behind the shadows of night.

My soul is ready for the journey
but yet it is afraid to go.
Could it not rest for a while
under the pavilion of your soul?
Does it not belong to the Possible
that it were allowed a moment of oblivion there?
Or is it really your soul that has asked for permission
to sit at the hearth whose fire does not warm me?
And is it not that when one finds rest for a while
and can loosen the girdle,
the other must keep guard and cannot have a share
of the shade and refreshment that it unknowingly offers?

My soul is ready for the journey
but where it is, it is alone,
and still it is night, the Moon lures, but does not show
under what tent’s cloth the shadows seem to move
and whose shadows they are.
Are they the others, the foreign travellers?
And if morning is still far away.

Is this reddish glow
from the campfire of the Nameless
or is the decampment day already hoisting the flag of light
and the pavilion taken down
before I can even see you face to face?
And where I am lying sleeplessly
it is only an image of your body,
for your soul is travelling too and must not stop.

No, my soul is ready for the journey
and already the changing Moon
burns up in the rising glow of the Day.

And you are nowhere but far,
no, you are nowhere but far
and I am far from you.
And far from me travels my soul.

 

 

 

Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees meer...

In Memoriam Erich Loest

 

In Memoriam Erich Loest

 

De Duitse schrijver Erich Loest is gisteren op 87-jarige leeftijd in Leipzig gestorven. Erich Loest werd geboren op 24 februari 1926 in Mittweida. Zie ook alle tags voor Erich Loest op dit blog.

 

Uit: Durch die Erde ein Riß

 

“Der Teufel naht meist auf leisen Sohlen. Er dachte darüber nach, wie es denn gekommen war, daß er keine Macht wollte, keine von oben verliehene und von unten nicht kontrollierte Macht. Keine Gesellschaft war denkbar, ohne daß Menschen Macht über andere ausübten warum, fragte er sich, ist das für mich ein Problem und für andere nicht? Wer Macht hatte, war allergisch gegen alle, die nicht ein Häppchen von ihr leihen wollten. Trugen die Mächtigen schlechtes Gefühl mit sich herum, suchten sie deshalb Komplizenschaft und haßten die Machtverweigerer, weil die sich nicht zu Mittätern machen ließen? War es eitel, sich das weiße Hemd der Unschuld überzuziehen seht her, was für ein Engel ich bin, ich mach mir die Hände nicht schmutzig? Teilhabe an der Macht, um Informationsbedürfnis, Neugier zu befriedigen? Die Tragik derer, die in der Mitte zerrieben wurden ein endloses Feld.

Vielleicht verschwand er morgen oder nächste Woche in Einzelhaft, vielleicht steckten sie ihn mit einem Lump zusammen, legten ihn in eine Außenzelle, in der es doppelt so kalt war wie in Innenzellen. Kein Kino für drei Monate. Möglichkeiten gab es die Menge, und er kannte fast alle. Schreiberlaubnis bekam er ohnehin nicht. Oder auch: Es blieb alles beim alten.

Jupp begann tief zu atmen und leise zu schnarchen. 23/59 blickte gegen die Decke mit dem Gitterschatten, der Knastmond würde niemals untergehen. Er versuchte, sich an Wendungen zu erinnern, als er mit der Macht kollidiert war.

Dabei überkam ihn Müdigkeit, er drehte sich auf die Seite und zog die Decke über den Kopf, daß nur ein Spalt zum Atmen blieb. So würde er die Kälte überstehen. Der Schlaf kam schnell und spülte alles Grübeln weg. 23/59 wehrte sich nicht gegen ihn. Denn natürlich ist Schlaf das Beste, was es im Knast überhaupt gibt.”

 

 

 

Erich Loest (24 februari 1926 – 12 september 2013)

12-09-13

Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias

 

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zieook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog.

 

 

Notes For The Legend Of Salad Woman

 

Since my wife was born
she must have eaten
the equivalent of two-thirds
of the original garden of Eden.
Not the dripping lush fruit
or the meat in the ribs of animals
but the green salad gardens of that place.
The whole arena of green
would have been eradicated
as if the right filter had been removed
leaving only the skeleton of coarse brightness.

All green ends up eventually
churning in her left cheek.
Her mouth is a laundromat of spinning drowning herbs.
She is never in fields
but is sucking the pith out of grass.
I have noticed the very leaves from flower decorations
grow sparse in their week long performance in our house.
The garden is a dust bowl.

On our last day in Eden as we walked out
she nibbled the leaves at her breasts and crotch.
But there's none to touch
none to equal
the Chlorophyll Kiss

 

 

 

 

Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

Lees meer...

Jan Willem Schulte Nordholt

 

De Nederlandse dichter en hoogleraar Jan Willem (Wim) Schulte Nordholt werd geboren in Zwolle op 12 september 1920. In 1942 werd hij gearresteerd, waarna hij zowel in Nederland als in Duitsland gevangen zat. In 1943 verscheen clandestien zijn eerste dichtbundel. Na de Tweede Wereldoorlog studeerde hij geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam waar hij in 1951 promoveerde. Tot 1962 was hij leraar; vervolgens lector aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1966 werd hij tot hoogleraar geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika benoemd. Hij werd vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten. Om gezondheidsredenen moest hij in 1983 het ambt verlaten. Schulte Nordholt heeft o.a. de Nederlandse vertaling “U zij de glorie van het kerklied” “À toi la gloire“ gemaakt. Ook heeft hij een fors aantal liederen vertaald die zijn opgenomen in het Liedboek voor de Kerken. Schulte Nordholt was een broer van hoogleraar culturele antropologie Herman Gerrit Schulte Nordholt en kunsthistoricus Henk Schulte Nordholt. Het gezin kende vijf broers en een zusje. Hij was vader van zakenman en sinoloog Henk Schulte Nordholt.

 

Existentie

Hier loopt het ik, het loopt zichzelf te vinden
het ziet verbaasd de regen en het gras.
Het denkt: wat loop ik hier zo in den blinde,
wie laat dit hart slaan, wie bepaalt de pas?
Het luistert naar het stromen van de winden.

Hier loopt het ik, het treft zich aan in straten
die het slechts na lang aarzelen herkent.
Het ziet de huizen, lange, donkre raten
tegen het harde blauwe firmament.
Wat gaat het hier zo eenzaam en verlaten.

Hier loopt het ik, vanwaar is het gekomen
tot dit moment als tot een open plek,
waar het tussen het zwart geheim der bomen
zich in een maanblank watervlak ontdekt
en wakker wordt en toch volloopt met dromen.

Hier loopt het vreemde ik, het richt zijn voeten
naar waar, naar waar? Het kent de wegen niet.
Alleen: het is! Het wil de aarde groeten
met een herkennend nieuw en oeroud lied.
Hier loopt het ik en het wil God ontmoeten. 

 

 

Niet uit de snelle vervoering...

Niet uit de snelle vervoering
van het zonlicht, glinsterend op de rivier
zou ik het water willen putten
voor de woordenstroom van het gedicht,
 
maar uit een diepere ontroering,
zoals van de oude sluiskolk hier,
waar men bezig is om een schip te schutten
dat tot over de oren in 't water ligt.

 

 

 
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 - 16 augustus 1995)

18:47 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jan willem schulte nordholt, romenu |  Facebook |

11-09-13

Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, David van Reybrouck, Barbara Bongartz, Tomas Venclova

 

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

 

Uit: Verloren grond

 

“Mijn moeder ondernam de klim naar het plateau toen ze ongeveer zeven maanden zwanger was van mij. Mijn vader had haar hand vastgepakt en haar eindeloos gesmeekt in het dorp te blijven, omdat het onmogelijk goed kon zijn voor een hoogzwangere vrouw om een zware klim te ondernemen en de ijle lucht op honderden meters hoogte in te ademen. Hij had zelfs toegezegd haar op het warmste moment van de dag, tijdens de verzengende hitte van twee uur ’s middags, koelte toe te wuiven.
‘Lieve Asme, ik zal mijn werk onderbreken en met een waaier naast je bed staan,’ had hij met zachte stem gezegd, ‘tot de zon ondergaat en je rustig in slaap valt.’
Maar mijn vader kon het ook toen niet winnen van haar koppigheid. ‘Waar heb je het over, Selim? Deze hitte wordt nog mijn dood. Mijn kleren plakken aan mijn lijf en ik heb het gevoel dat mijn keel wordt dichtgedrukt. Ik sterf nog liever tijdens de klim dan dat ik een dag langer hier blijf.’
Ik verdenk mijn moeder ervan dat ze niet zozeer de hitte van het dorp ontvluchtte, maar vooral onder geen beding haar jaarlijkse hoogtepunt wilde missen. Ondanks aandringen van mijn vader weigerde ze op de rug van een ezel te gaan zitten en volbracht ze de klim met verrassend gemak. Slechts één keer, halverwege de tocht, nam ze zuchtend plaats op een rots om op adem te komen. Ze dwong door haar volhardendheid zelfs respect af bij de mannen die hen vergezelden en kreunden van de zware spullen en voorraden die ze als pakezels omhoog sjouwden.
De mannen zetten de tenten op, die in sommige gevallen zo groot waren dat er vier gezinnen in pasten en de hoogvlakte het aanzien van een kamp gaven. De vrouwen verbleven tijdens de hete periode zo’n twee maanden in afzondering van de mannen op de yayla en hoefden zich slechts te bekommeren om de kleine kinderen. Het was voor hen de tijd van het jaar waarin ze eindeloos konden roddelen, terwijl ze onafgebroken zonnebloempitten kraakten en bittere thee dronken onder de sterrenhemel.”

 

 

 

Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

Lees meer...

Andre Dubus III

 

De Amerikaanse schrijver Andre Dubus III werd geboren op 11 september 1959 in Oceanside, California als zoon van de schrijver Andre Dubus, Andre Dubus III groeide op in molen steden in de vallei van de Merrimack rivier langs de grens van Massachusetts-New Hampshire met zijn drie broers en zussen:. Suzanne, Jeb en Nicole. Hij begon met het schrijven van fictie op de leeftijd van 22 jaar, een paar maanden na zijn afstuderen aan de Universiteit van Texas in Austin met een Bachelors Degree in de sociologie. Om in zijn levensonderhoud te voorzien werkte hij als timmerman, barman, schoonmaker, en als een soort reclasseringswerker. Zijn eerste gepubliceerde short story, "Forky," werd gepubliceerd door Playboy toen Dubus 23 jaar oud was. Dubus’ roman “House of Sand and Fog” (1999) was finalist voor de National Book Award vormde de basis voor een voor de Academy award genomineerde film met dezelfde naam. Zijn in 2011 verschenen memoires “Townie” vertelt over het opgroeien in armoede in Haverhill nadat zijn ouders waren gescheiden,over straatgevechten, en uiteindelijk boksen, en gaat uitgebreid in op zijn relatie met zijn vader. Zijn essay 'Bloed, Root, Knit, Purl" verscheen in de bloemlezing “Knitting Yarns: Writers on Knitting” in 2013. Als lid van het PEN American Center was Dubus panellid voor de National Book Foundation en de National Endowment for the Arts. Hij doceerde schrijven aan de Harvard University, Tufts University, Emerson College en de Universiteit van Massachusetts Lowell, waar hij full-time verbonden is met de faculteit. Dubus 'werk is opgenomen in The Best American Essays 1994, The Best Spiritual Writing 1999 en The Best of Hope Magazine. Hij ontving o.a. een Guggenheim Fellowship, de National Magazine Award voor fictie, en de Handkar Prize.

Uit:Townie

"On the other side of the river was Bradford. It's where a lot of Jocks at the high school lived, the kids who wore corduroys and sweaters and looked clean. It's where houses had big green lawns. It's where the college was where pop taught. It's where he lived in an apartment building with Theo Metrakos and his friend Dave Supple, a writer too.
Since leaving our mother, Pop had lived in a few places, but we rarely saw them and never slept there. Years later I would hear my father say the divorce had left him dating his children. That still meant picking us up every Sunday for a matinee and, if he had the money, an early dinner somewhere. For a few years now he was taking us to church too. He'd pull up in his rusted-out Lancer and drive us to Mass at Sacred Hearts in Bradford Square. The five of us would walk down the aisle between the crowded pews, Jeb and I with our long hair, Suzanne in her tight hip- huggers, Nicole in her brace she now wore for scoliosis, Pop one of the only men in church not wearing a jacket or tie. He refused to put money in the collection basket, too. Many times I'd hear him say, "You think Jesus ever wore a [expletive] tie? Did Jesus spend money on buildings?"
One night, when we were still living at the doctor's house, I heard Mom on the phone trying to convince Pop that he should start taking out each of us one at a time, that he was never going to know us as individual people if he didn't.
I don't know if I cared then about that or not, but a cool sweat broke out on my forehead just thinking about being alone with Pop. I'd never been alone with him. What would I say? What would we talk about? What would we do?
When Mom got off the phone, she said, "I can't believe it. Your father says he'll be too shy with each of you. He's scared of his own kids!"
This made me feel better and worse, but every Wednesday night he'd drive up to the house and take one of us back to his apartment across the river. It was on the third floor of an old brick building covered with ivy.”

 

 
Andre Dubus III (Oceanside, 11 september 1959)

08:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: andre dubus iii, romenu |  Facebook |

10-09-13

Andreï Makine, Franz Werfel, Paweł Huelle, Mary Oliver, Eddy Pinas

 

De Franse schrijver van Russische afkomst Andreï Makine werd geboren in Krasnojarsk op 10 september 1957. Zie ook mijn blog van 10 september 2010. en eveneens alle tags voor Andreï Makine op dit blog.

 

Uit: The Life of an Unknown Man (Vertaald door Geoffrey Strachan)

 

“This happiness rendered absurd men's desire to dominate, to kill, to possess, thought Volsky. For neither Mila nor he possessed anything. Their joy came from the things one does not possess, from what other people had abandoned or scorned. But, above all, this sunset, this scent of warm bark, these clouds above the young trees in the graveyard, these belonged to everybody!”

(…)

 

“All of this seemed equally trifling to him now. And when he thought again about the world of free people, the difference between it and the miseries and joys of this place seemed minimal. If three tiny fragments of tea leaf chanced to fall into a prisoner's battered cup, he relished them. In Leningrad during the interval at the opera a woman sipped champagne with the same pleasure. Their sufferings were also comparable. Both the prisoner and the woman had painful shoes. Hers were narrow evening shoes which she took off during the performance. The prisoner suffered from what they wore in the camp, section of tyres into which you thrust your foot wrapped in rags and fastened with string. The woman at the opera knew that somewhere in the world there were millions of beings transformed into gaunt animals, their faces blackened by the polar winds. But this did not stop her drinking her glass of wine amid the glittering of the great mirrors. The prisoner knew that a warm and brilliant life was lived elsewhere in tranquility but this did not spoil his pleasure as he chewed those fragments of tea leaf....”

 

 

 

Andreï Makine (Krasnojarsk, 10 september 1957)

Lees meer...

09-09-13

C. O. Jellema, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Cesare Pavese

 

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

 

Zomernacht

 

Doe nu eens even die gedachten dicht van je.
Denk nu eens liever niet na over morgen.
Kijk niet steeds weer die bosrand van gisteren
na. Bramenplukker die je bent zoals vroeger
maar nu. Maak even geen onderscheid tussen
een wie en hoezo en de kans op anders.

Doe in je hoofd uit de lamp, hoor wat er is,
ademt en ritselt, kwaakt in de kikkers.
Leef met je lichaam van nachtwind de koelte.
Geeuw je een gat in het hart en proef het
zo rood als het sap van de bramen. Wees langzaam
door vogels gezonden het wordende licht.

 

 

 

 

De verborgen wegen zijn het mooist

(H.N.Werkman)

De wegen waarlangs de gedachten komen
met het beeld dat je draagt van jezelf in de dingen,
de wegen waarlangs het herinnerde opdaagt,
waarlangs je herkent wie er niet meer zijn;
de wegen waarlangs de uren voorbijgaan,
die van niemand de uren, je werkt aan de wens
wat uit woorden te maken, in de slaap van de woorden
ontwaak je: zo heet het geluk;

de wegen waarlangs je nog 's winters het koolzaad
ziet bloeien, de bijen hoort gonzen, de zon
op je huid voelt, een lentedag leeftocht -
in het blijvend verbeelde ben je hier;

de wegen waarlangs je de wereld ontvluchten kunt
met je wetende hand op het witte papier,
je raadt wat er staat, maar hoe het te maken
dat het er staan zal, zelf zo ver te komen

daarginds waar het waar is, naar het woord: dat in 't hart
der kunstvaardigen wijsheid gelegd werd te maken
alles in opdracht -

kijk, mooi hoe een weg in zijn bocht wordt verborgen,
dan ruik in de berm van vers maaigras de geur.

 

 

 

 

Thomas, genaamd Didymus

4. 

 

Dit is ons brood. Die dood. Daarvan bestaan.

Neem. Eet. Van dag tot dag. Wat ik vergat

wanneer je naast me lag. Beeldspraak is dat.

Ik droeg je immers en je blijft voortaan

 

als ik het gras opschrijf, schaduw bewaar

voor lettergrepen. Ieder ding bevat

een woord voor taal. Je ging wel maar ik had

verdwijning al tot voorraad opgespaard:

 

herinnering, je bent er weer, een late

namiddag en de zon schijnt, het is zomer,

de blaren leggen schaduw op het gras -

 

ik slaap nog net niet, denk, er vallen gaten -

dan lichaamloos door beelden weggenomen:

die eeuwigheid duurt voort in wat ooit was.

 

 

 

 

C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

Lees meer...

08-09-13

Clemens Brentano, Wilhelm Raabe, Siegfried Sassoon, Eduard Mörike

 

De Duitse dichter en schrijver Clemens Brentano werd geboren op 8 september 1778 in Ehrenbreitstein. Zie ook mijn blog van 8 september 2010 en eveneens alle tags voor Clemens Brentano op dit blog.

 

 

An dem Feuer saß das Kind

 

An dem Feuer saß das Kind,

  Amor, Amor,

  Und war blind;

Mit dem kleinen Flügel fächelt

In die Flamme er und lächelt,

Fächle, lächle, schlaues Kind!

 

Ach, der Flügel brennt dem Kind,

  Amor, Amor

  Läuft geschwind!

»O, wie mich die Glut durchpeinet!«

Flügelschlagend laut er weinet,

In der Hirtin Schoß entrinnt

Hülfeschreind das schlaue Kind.

 

Und die Hirtin hilft dem Kind

  Amor, Amor,

  Bös und blind.

Hirtin, sieh, dein Herz entbrennet,

Hast den Schelm du nicht gekennet?

Sieh, die Flamme wächst geschwind,

Hüt dich vor dem schlauen Kind!

 

 

 

 

Juni 1834. Aus einem Briefe nach Karlsbad

 

Was heiß aus meiner Seele fleht,

Und bang in diesen Zeilen steht

Das soll dich nicht betrüben

Die Liebe hat es ausgesäet

Die Liebe hat hindurchgeweht,

Die Liebe hat’s getrieben

 

Und ist dies Feld einst abgemäht,

Arm Lindi durch die Stoppeln geht,

Sucht Ähren, die geblieben,

Sucht Lieb, die mit ihr untergeht,

Sucht Lieb, die mit ihr aufersteht,

Sucht Lieb, die ich mußt lieben!

 

 

 

 

Annonciatens Bild

 

Am Hügel sitzt sie, wo von kühlen Reben

Ein Dach sich wölbt durchrankt von bunter Wicke,

Im Abendhimmel ruhen ihre Blicke,

Wo goldne Pfeile durch die Dämmrung schweben.

 

Orangen sind ihr in den Schoß gegeben

Zu zeigen, wie die Glut sie nur entzücke,

Und länger weilt die Sonne, sieht zurücke

Zum stillen Kinde in das dunkle Leben.

 

Der freien Stirne schwarze Locken kränzet

Ihr goldner Pomeranzen süße Blüte,

Zur Seite sitzt ein Pfau, der in den Strahlen

 

Der Sonne, der er sehnend ruft, erglänzet.

Mit solchen Farben wollte das Gemüte

Von Annonciata fromm ein Künstler malen.

 

 

 

 

Clemens Brentano (8 september 1778 – 28 juli 1842)

Lees meer...

Perikles Monioudis, Frederic Mistral, Ludovico Ariosto, Grace Metalious

 

De Zwitserse schrijver Perikles Monioudis werd geboren op 8 september 1966 in Glarus. Zie ook mijn blog van 8 september 2010.

 

Uit: Freulers Rückkehr

 

"Ich komme stets um sechs rein, Herr Freuler.«

»Um sechs? Sie sind ein Held.« Freuler schaltete die neue Espressomaschine ein und löffelte Kaffeepulver in den Kolben.

»Ist Ihnen ein gewisser Moser bekannt, Herr Doktor? Heinrich Moser, der Industrielle aus Schwanden?« Freuler überlegte. Seit er wieder im Glarnerland lebte, seit ein paar Tagen also, war es ihm bereits mehrmals begegnet, dass er Menschen aus einer vergangenen Zeit wiedersah, ohne dass er sich an ihren Namen oder an den Zusammenhang zu erinnern vermocht hätte, aus dem sie ihm bekannt waren.

Vorgestern hatte er umgekehrt einen alten Schulfreund beim Namen begrüßt, ohne sich dessen Namen, nachdem er in der Bankstraße vorbeigegangen war, erneut vergegenwärtigen zu können.

Wenn wir wüssten, was wir alles wissen, dachte er wie- der. Das war der Lieblingssatz seiner Frau. Sie hatte Freuler oft unerbittlich genannt, sogar streng. Auch wenn sie ihn für sein heiteres Gemüt geliebt hatte.

»Heinrich Moser? Der war zu meiner Zeit noch nicht hier.«

»Er wurde heute früh in seiner Villa tot aufgefunden.«

So schnell hatte Freuler seinen ersten Einsatz nicht erwartet. Er schaltete die Kaffeemaschine aus.“

 

 

 

Perikles Monioudis (Glarus, 8 september 1966)

 

Lees meer...

07-09-13

Anton Haakman, Edith Sitwell, Willem Bilderdijk, Jenny Aloni, Michael Guttenbrunner, Margaret Landon, Henry Morton Robinson

 

De Nederlandse schrijver Anton Haakman werd geboren op 7 september 1933 in Bussum. Zie ook mijn blog van 7 september 2010 en eveneens alle tags voor Anton Haakman op dit blog.

 

Uit: Herfsttaferelen

 

“Het seizoen is geopend. Sint Maarten hebben we gehad, Sint Nicolaas werpt dreigend zijn schaduw vooruit, en dan krijgen we ook nog het kerstfeest en Oud en Nieuw, dagen van Jamin en wild en gevogelte en bezinning.

Het jachtseizoen is open. De man die in de altijd gure Sint Maartensavond eerst bijna onhoorbaar gezang heeft gehoord en ver weg wiebelende lichtjes heeft gezien, betreedt een huiskamer vol kinderen en hoort het kraken onder zijn lompe, nu al winterse laarzen. Met een schok komt hij tot het besef dat hij op een kinderziel trapt. Pepernoten zijn het die daar kraken - nu al, en een koetjesreep, een bounty. Want de kinderen hebben op kranten op de vloer tableau gemaakt, na de grote jacht op snoep.

Tableau: gerangschikte groep van het op een jachtpartij geschoten wild. Tableau maken, het is altijd een schilderachtige gebeurtenis geweest waarvan het resultaat doorgaans niet werd geschilderd en ook niet noodzakelijk hoeft te worden gefotografeerd.

Het schouwspel heeft iets van een tableau vivant: een groep mensen beeldt, onbeweeglijk als een wassenbeeldengroep, een historisch tafereel uit. Napoleon zet zichzelf de keizerskroon op het hoofd. Yje Wijkstra schiet vier veldwachters neer; roerloos, en toch niet voor de eeuwigheid bedoeld. Wanneer het doek valt maken de spelers snel een paar kniebuigingen om uit hun verstijving te geraken.

Het tableau is een ongeschilderd stilleven, en tegelijk een groepsfoto waar geen camera aan te pas komt. Nature morte, tableau vivant. Leven en dood te zamen niet-vereeuwigd. Herfst. “

 

 

 

Anton Haakman (Bussum, 7 september 1933)

Lees meer...