06-05-13

Hélène Gelèns

 

De Nederlandse dichteres Hélène Gelèns werd geboren in Bergschenhoek op 6 mei 1967. Gelèns studeerde sterrenkunde, neerlandistiek, geschiedenis en wijsbegeerte in Leiden en Amsterdam waarvan ze alleen wijsbegeerte in Amsterdam afrondde. Haar debuutbundel “niet beginnen bij het hoofd” verscheen in 2006 en haar tweede bundel “zet af en zweef” in 2010. Voor haar eerste bundel werd ze genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs en in 2010 won ze de Jan Campertprijs met haar tweede bundel. Ze schreef ook het libretto voor het oratorium “Voices”, gecomponeerd door André Arends, dat in 2007 verscheen.

 

stamel de naam!

adem rustig in en uit, adem in
en uit, denk aan de naamdrager, in en uit
in en uit, goed zo, in en spreek de naam uit

hap naar de naam, probeer te happen
naar de naam als naar adem, zo ongeveer:
haphap, happen naar de naam, haphap

niet hoesten, happen haphap, niet hoesten
adem rustig in en uit, adem in
en uit, niet hoesten, adem in adem in

snak naar adem als naar de drager van de naam
hap naar adem, probeer te happen
naar adem, je moet nog stamelen, hap! hap!

 

en nu

verklaar je de dood aan je verraad

hoe? ga je het vermoorden met ware woorden
in braafheid of gebeden smoren
ga je het vergelden met zelfkastijding

of lach je het weg

ga je het verdelgen met ditjes en datjes
onder drukdrukdruk bedelven
ga je

 

 
Hélène Gelèns (Bergschenhoek, 6 mei 1967)

17:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hélène gelèns, romenu |  Facebook |

05-05-13

Frans Pointl, Petra Else Jekel, Miklós Radnóti, Morton Rhue, Christopher Morley, George Albert Aurier

 

Bij Bevrijdingsdag

 

 

Nationaal Canadees Bevrijdingsmonument

door Henk Visch bij Paleis Het Loo



Moeder

 

hoe de doden in haar woelden
’s nachts ijlde ze hun namen af
henriëtte, fanny, vader, mams,
serah, simon, martha, sem!
ik amper dertien beluisterde
angstig ademloos die dodendraf
in haar ontmenselijkte stem
dan stond ze op
lopend dromend
trok de koffer van onder het bed
verwilderd krijsend:razzia, razzia!
dan hield ik haar staande
roepend het is 1946 1946
en voorbij voorbij
in haar bleef het klagend gaande
zoals zij gaande en klagend
blijft in mij

 

 

 

 

Frans Pointl (Amsterdam, 1 augustus 1933)

Lees meer...

Henryk Sienkiewicz, Richard Watson Dixon, Hans Werner Kolben, Christian Friedrich Scherenberg, Wouter Steyaert, Catullus

 

De Poolse schrijver en journalist Henryk Sienkiewicz werd geboren in Wola Okrzejska op 5 mei 1846. Zie ook alle tags voor Henryk Sienkiewicz op dit blog.

 

Uit: Quo Vadis? (Vertaald door Paul Seliger)

 

»Corbulo! Beim Bakchos, er ist der wahre Kriegsgott, der leibhaftige Mars, ein großer Feldherr und dabei aufbrausend, ehrlich und töricht. Ich liebe ihn, wenn auch nur deshalb, weil Nero ihn fürchtet.«

»Corbulo ist durchaus nicht töricht.«

»Vielleicht hast du recht; aber es ist alles eins. Die Torheit ist, wie Pyrrhon sagt, um nichts schlechter als die Weisheit und unterscheidet sich in nichts von ihr.«

Vinicius begann nun vom Kriege zu erzählen; als aber Petronius die Lider von neuem schloß, änderte der Jüngling, der seine müden und etwas eingefallenen Züge bemerkte, den Gegenstand der Unterhaltung und begann ihn mit einiger Besorgnis nach seiner Gesundheit zu fragen.

Petronius schlug wieder die Augen auf.

Gesund! ... Nein, er fühle sich nicht wohl. Soweit sei es allerdings noch nicht mit ihm gekommen wie mit dem jungen Sissena, der so stumpfsinnig geworden sei, daß er, wenn man ihn früh ins Bad bringe, frage: »Sitze ich schon?« Aber er sei nicht gesund. Vinicius habe ihn ja dem Schutze des Asklepios und der Kypris empfohlen. Man wisse aber nicht einmal, wessen Sohn dieser Asklepios sei, ob der Arsinoe oder der Koronis, und wenn die Mutter zweifelhaft sei, was solle man dann erst vom Vater sprechen! Wer könne heutzutage überhaupt dafür bürgen, daß er der Sohn seines Vaters sei!

Hier begann Petronius zu lachen und fuhr dann fort: »Ich schickte wirklich vor zwei Jahren drei Dutzend lebende Hähne und einen goldenen Becher nach Epidauros, aber weißt du auch, warum? Ich sagte mir nämlich: mag es helfen oder nicht, auf keinen Fall schadet es mir. Obgleich die Menschen auf der Erde den Göttern noch immer Opfer darbringen, so glaube ich doch, daß sie alle derselben Meinung sind wie ich. Alle! mit Ausnahme vielleicht der Eseltreiber, die sich den Reisenden an der Porta Capena vermieten. Außer bei Asklepios hatte ich ganz dieselbe Erfahrung bei den Söhnen des Asklepios zu machen, als ich voriges Jahr etwas an der Blase litt. Sie wachten eine Nacht im Tempel für mich. Ich sah, daß es Betrüger waren, aber gleichmütig sagte ich mir: was schadet dies mir? Die Welt will betrogen werden, und das Leben selbst ist eine Täuschung.“

 

 

 

Henryk Sienkiewicz (5 mei 1846 - 15 november 1916)

Lees meer...

04-05-13

Adriaan Roland Holst, Amos Oz, Christiaan Weijts, Monika van Paemel, Graham Swift

 

Bij 4 mei

 

 

 

Monument op de Dam met de tekst van Roland Holst

 

 

"Nimmer, van erts tot arend, was enig schepsel vrij onder de zon, noch de zon zelve, noch de gesternten. Maar geest brak wet en stelde op de geslagen bres de mens. Uit die eersteling daalden de ontelbaren. Duchtend zijn hoge blik deinsden hun zwermen binnen de wet terug en werden volkeren en stonden elkander naar het leven, onder nachtgewolkten verward treurspel, dat wereld heet. Sindsdien werd geen mens vrij dan ontboden van boven zijn dak, geen volk dan beheerst van boven zijn torens. Blijve ons dat bij, verlost als we werden uit het schrikbewind van een onderwereld. Niet onbeheerst, doch enkel beheerst van boven de wereld blijft vrijheid ons deel."

 

 

 

Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976)

Hier met prinses Beatrix en prins Claus bij zijn 80e verjaardag.

Lees meer...

David Guterson, Jan Mulder, Werner Fritsch, Olia Lialina

 

De Amerikaanse schrijver David Guterson werd geboren op 4 mei 1956 in Seattle. Zie ook alle tags voor David Guterson op dit blog.

 

Uit: Snow Falling on Cedars

 

“Ishmael saw something else, too. On the far side of the car, with her own shovel in hand, Hatsue worked without looking up. She was digging through the snow to the black earth of the cedar woods and throwing spadefuls of it underneath the tires.
Fifteen minutes later the three of them walked down the road toward his DeSoto. The Willys station wagon's rear right tire had been perforated by a fallen branch still wedged up under both axles. The rear length of exhaust pipe had been crushed, too. The car wasn't going anywhere--Ishmael could see that--but it took Hisao some time to accept this truth. With his shovel he'd struggled defiantly, as if the tool could indeed change the car's fate. After ten minutes of polite assistance Ishmael wondered aloud if his DeSoto wasn't the answer and persisted in this vein for five minutes more before Hisao yielded to it as an unavoidable evil. He opened his car door, put in his shovel, and came out with a bag of groceries and a gallon of kerosene. Hatsue, for her part, went on with her digging, saying nothing and keeping to the far side of the car, and throwing black earth beneath the tires.
At last her father rounded the Willys and spoke to her once in Japanese. She stopped her work and came into the road then, and Ishmael was granted a good look at her. He had spoken to her only the morning before in the second-floor hallway of the Island County Courthouse, where she'd sat on a bench with her back to an arched window just outside the assessor's office. Her hair had been woven then, as now, into a black knot against the nape of her neck. She'd told him four times to go away.”

 

 

David Guterson (Seattle, 4 mei 1956)

Lees meer...

Jacques Lanzmann, Ishita Bhaduri, Gerlind Reinshagen, Maxence Van der Meersch, Wilhelm Lehmann

 

De Franse schrijver, journalist en tekstschrijver Jacques Lanzmann werd geboren op 4 mei 1927 in Bois-Colombes. Zie ook alle tags voor Jacques Lanzmann op dit blog.

 

Uit: Le têtard

 

“J'avais quinze ans et je ne voulais pas mourir sans avoir fait l'amour et la Résistance, mais c'était bien plus facile de tuer un soldat allemand qu'une obses­sion sexuelle.
Il y avait soixante camions et je ne sais combien de bagnoles à gazogène pleins à ras bord de gars et de matériel.
Les camions étaient poussifs, mais les poitrines cognaient si fort et les gorges sous les drapeaux chantaient tellement que les moteurs semblaient marcher à l'enthousiasme.
En traversant Vieille-Brioude réveillée par l'événe­ment, j'ai aperçu les grands-parents qui se tenaient sur le pas de la porte. Anna et Léon, nés l'un en Lettonie, l'autre en Biélorussie, applaudissaient en Auvergnats cette longue colonne de maquisards motorisés qui transportaient leurs fils et leurs petits-fils, sang pogromisé et chair de victime, vers l'ultime étape de la francisation.
Moi, je m'étais toujours senti plus français que juif, mais aussi bien plus rouquin que français et juif. J'étais un rouquin-français-juif de parents divorcés-citadins transplanté-analphabète-et-paysan ; un vrai poil de carotte sans vraie famille, mais avec des fami­liers. Et, parmi les plus familiers, il y avait mon frère Claude, ma soeur Evelyne, le René et le Père Tavernier, la Mère Yvonne, le gars Bébette et la soeur de René Raymond. Dans le temps, il y avait eu ma mère : dans le présent, il y avait mon père. Mais, comme ils étaient séparés par les sentiments et l'Occupation, ça ne faisait pas une famille.
À Groutel, j'avais souffert de mes cheveux rouges, j'étais un dépigmenté, un poil de brique, un maudit petit rouquin qui avait pris le soleil à travers une passoire. À Melun, j'eus à faire face à ceux qui me reprochaient - et c'étaient généralement les mêmes -ma rouquinerie et ma juiverie. Chez les Bongrand, le poil avait de nouveau primé ; eux, ils ne savaient pas que j'étais juif, mais ils voyaient que j'étais rouge. Et, quand le Marcel ou l'Albert rentrant des champs s'atta­blaient en disant : «Dis donc, la mère, on se taperait bien un coup de rouquin», je me sentais visé et je l'étais.”

 

 


Jacques Lanzmann (4 mei 1927 – 21 juni 2006)

Lees meer...

03-05-13

Jehuda Amichai, Erik Lindner, Ben Elton, Johan de Boose, Jens Wonneberger

 

De Duits-Israëlische dichter en schrijver Jehuda Amichai werd op 3 mei 1924 geboren in Würzburg. Zie ook alle tags voor Jehuda Amichai op dit blog.

 

 

Der Ort, an dem wir recht haben

 

An dem Ort, an dem wir recht haben,

werden niemals Blumen wachsen

im Frühjahr.

Der Ort, an dem wir recht haben,

ist zertrampelt und hart

wie ein Hof.

Zweifel und Liebe aber

lockern die Welt auf

wie ein Maulwurf, wie ein Pflug.

Und ein Flüstern wird hörbar

an dem Ort, wo das Haus stand,

das zerstört wurde.

 

 

 

Als ich Kind war

 

Als ich Kind war,
standen Gräser und Masten am Strand,
und ich, wenn ich dort lag,
unterschied nicht zwischen ihnen,
weil sie alle in den Himmel über mir stiegen.
Nur die Worte meiner Mutter waren bei mir
wie eine Brotscheibe, eingepackt in raschelndes Papier,
und ich wußte nicht, wann mein Vater zurückkehren würde,
da ein anderer Wald hinter der Waldlichtung war.

Alle Dinge reichten mir die Hand,
ein Bulle stieß die Sonne mit seinen Hörnern,
und in den Nächten streichelte das Licht der Straße
meine Wange mit den Wänden,
und der Mond, wie eine große Kanne,
neigte sich und begoß meinen durstigen Schlaf.

 

 

 

Ein Jahav

 

Eine Nachtfahrt nach Ein Jahav in der Arava-Wüste
Eine Fahrt im Regen. Ja, im Regen.
Dort traf ich Menschen, die Datteln anbauen
Dort sah ich Tamariskenbäume und Illusionen von Bäumen*
Dort sah ich Hoffnung, so stachelig wie Stacheldraht.
Und ich sagte zu mir: Natürlich, Hoffnung muss so sein
wie Stacheldraht, um Verzweiflung fern zu halten.
Die Hoffnung muss ein Minenfeld sein.

 

 

 

 

Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000)

 

Lees meer...

02-05-13

Gottfried Benn, Esther Freud, Novalis, James Holmes, Georges-Arthur Goldschmidt

 

De Duitse dichter en schrijver Gottfried Benn werd geboren in Mansfeld op 2 mei 1886. Zie ook alle tags voor Gottfried Benn op dit blog.

 

 

Gedicht

 

Und was bedeuten diese Zwänge,
Halb Bild, halb Wort und halb Kalkül,
Was ist in dir, woher die Dränge
Aus stillem trauernden Gefühl?

 

Es strömt dir aus dem Nichts zusammen,
Aus einzelnem, aus Potpourri,
Dort nimmst Du Asche, dort die Flammen,
Du streust und löschst und hütest sie.

 

Du weißt, du kannst nicht alles fassen,
Umgrenze es, den grünen Zaun
Um dies und das, du bleibst gelassen,
Doch auch gebannt in Mißvertraun.

 

So Tag und Nacht bist du am Zuge,
Auch sonntags meißelst du dich ein
Und klopfst das Silber in die Fuge
Dann läßt du es - es ist: das Sein.

 

 

 

Auf Deine Lider senk ich Schlummer

 

Auf deine Lider senk ich Schlummer,
auf deine Lippen send ich Kuß,
indessen ich die Nacht, den Kummer,
den Traum alleine tragen muß.

Um deine Züge leg ich Trauer,
um deine Züge leg ich Lust,
indes die Nacht, die Todesschauer
weben allein durch meine Brust.

Du, die zu schwach, um tief zu geben,
du, die nicht trüge, wie ich bin -
drum muß ich abends mich erheben
und sende Kuß und Schlummer hin.

 

 

 

Zwei Träume

 

Zwei Träume. Der erste fragte,
wie ist nun dein Gesicht:
was deine Lippe sagte
oder das schluchzend Gewagte
bei verdämmerndem Licht?

Der zweite sah dich klarer:
eine Rose oder Klee,
zart, süß - ein wunderbarer
uralter Weltenbewahrer
der Muschelformen der See.

Wird noch ein dritter kommen?
Der wäre von Trauer schwer:
ein Traum der Muschel erglommen,
die Muschel von Fluten genommen
hin in ein anderes Meer.

 

 

 

 

Gottfried Benn (2 mei 1886 - 7 juli 1956)

Lees meer...

Tilman Rammstedt

 

De Duitse schrijver Tilman Rammstedt werd geboren op 2 mei 1975 in Bielefeld. Zie ook alle tags voor Tilman Rammstedt op dit blog.

 

Uit: Der Kaiser von China

 

„Dass mein Großvater zu dem Zeitpunkt, als mich seine vorletzte Postkarte erreichte, bereits tot war, konnte ich nicht wissen. Ich hatte sie ungelesen beiseitegelegt, so wie ich auch die vorangegangenen Postkarten ungelesen beiseitegelegt hatte. Gemeinsam mit den Rechnungen und Wurfsendungen, zwischen denen sie fast täglich lauerten, bildeten sie unter dem Schreibtisch einen immer waghalsigeren Stapel, den ich mit einer alten Zeitung abdeckte, auch wenn das wenig half, ich wusste schließlich, was sich darunter verbarg.

Seit zehn Tagen spielte sich fast alles unter dem Schreibtisch ab. Auf Händen und Füßen kroch ich herum und bewegte mich nur noch in den von außen nicht sichtbaren Bereichen des Zimmers, die Knie mit Spülschwämmen gepolstert. Ich schlief unterm Schreibtisch, ich schmierte mir Brote dort, ich zeichnete einen Sternenhimmel auf die Unterseite der Tischplatte und wartete darauf, dass die zwei Wochen vorbei waren, dass ich glaubhaft aus China zurück sein konnte, um das, was es zu erklären gab, irgendwie zu erklären, eine Erklärung für meinen Großvater, eine für Franziska, eine für meine Geschwister, wenn sie mich bis dahin nicht entdeckt hatten. So schnell wie möglich musste ich mir etwas einfallen lassen, für Postkarten war da keine Zeit, die konnten so lange warten, und auch mein Großvater, so glaubte ich zu wissen, konnte so lange warten, und dann kam der Anruf, und das mit dem Warten hatte sich erübrigt.

Selbstverständlich war ich nicht ans Telefon gegangen, seit zehn Tagen schon war ich nicht mehr ans Telefon gegangen, auf dem Anrufbeantworter hörte ich eine Frau, die mich um einen Rückruf bat. «Es ist dringend», sagte sie, aber ich ahnte schon, dass das nicht stimmte, dass ich es mit dem Undringlichsten  der Welt zu tun hatte, trotzdem rief ich zurück, und aus meinem Großvater wurde ein toter Großvater, aus seiner Postkarte wurde seine vorletzte Postkarte und aus mir etwas sehr Verwirrtes und sehr Einsilbiges."

 

 

 

Tilman Rammstedt (Bielefeld, 2 mei 1975)

20:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tilman rammstedt, romenu |  Facebook |

Wytske Versteeg


De Nederlandse schrijfster Wytske Versteeg werd geboren op 2 mei 1983. Zij studeerde in 2005 cum laude af in de politicologie aan de UvA, en werkt momenteel aan een promotieonderzoek op het gebied van wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Twente. In het voorjaar van 2012 verscheen haar zeer goed ontvangen romandebuut De Wezenlozen bij uitgeverij Prometheus.
Eerder publiceerde Versteeg bij uitgeverij Lemniscaat het non-fictie boek Dit is geen dakloze, dat onder andere gebaseerd was op haar ervaringen als vrijwilliger in een crisisopvang. Dit is geen dakloze (2008) mengde filosofische literatuur met journalistieke observaties en de ervaringen van daklozen zelf, en werd genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs Groot.
Wytske Versteeg werkt momenteel aan een nieuwe roman. In het verleden won ze onder andere de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Wytske Versteeg schrijft niet alleen essays, maar ook verhalen, gedichten en toneelteksten die verschenen in internationale bladen als De Ware Tijd, Streven, de Brakke Hond en Freitag. Naast politicologie studeerde ze ook sociale geografie aan de UvA en drama aan de Hogeschool Gent.

Uit: Boy

“Het lichaam komt altijd naar boven, zo zei die vrouw het.
‘Mensen denken dat het eenvoudig is, om te verdwijnen.’
Ze heette Joke en droeg donkerpaarse tentjurken. Ik had haar in de afgelopen tijd al te vaak in mijn huis gezien; politiemensen wijs je niet de deur, je biedt ze koffie aan. Wanneer ze vaker komen dan je hen zou willen zien verberg je dat ook als het moeite kost – ze zijn immers de enigen die je nog kunnen helpen. Dus haal je appeltaart, alsof dat uitmaakt, alsof ze door zo’n stukje taart nog verder, beter zullen zoeken, ontvang je hen met goed gespeelde hartelijkheid. Daarvoor was het nu te laat, ik zag het al aan hun gezichten toen ik de deur opendeed, maar toch liet ik hen binnen. Er was een protocol voor dit soort dingen, deze situaties moesten ze geoefend hebben.
Haar stem had de verkeerde toon.
Ze waren hier om die zin uit te spreken die ik niet wilde horen. Ik zou mijn handen tegen mijn oren moeten klemmen, heel hard moeten gaan zingen. Een geluid maken, wat voor geluid dan ook, als het maar luid genoeg was om haar boodschap te overstemmen, ongedaan te maken.
‘Ze denken, ik houd ermee op en het is klaar. Maar het lichaam komt altijd weer terug.’
‘Het spijt ons heel erg, mevrouw,’ onderbrak haar partner haar. Hij heette Walter. Hij had de gewoonte om zijn duimen achter de rand van zijn spijkerbroek te steken, zoals cowboys in slechte films dat doen. Ik vroeg me af of hij veel naar detectives keek en daaruit afleidde hoe hij zich moest gedragen, want hij had iets verbitterds dat niet helemaal van hem leek.
Ik bood hun iets te drinken aan, zij weigerden beleefd. Toch stond ik op en maakte thee voor hen, en ze bedankten me, maar raakten hun beker niet aan.”

 

 
Wytske Versteeg (Amsterdam (?), 2 mei 1983)

20:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wytske versteeg, romenu |  Facebook |

Rob Waumans

 

De Nederlandse schrijver Rob Waumans werd geboren in Alkmaar op 2 mei 1977. In februari 2011 verscheen zijn debuutroman "Als je de stad binnenrijdt", over parkeerwachter Gert Verhulst. Daarnaast publiceerde hij korte verhalen in onder andere verhalenbundel Het Beste van Nightwriters, De Brakke Hond en De Revisor. Zijn tweede roman "De nacht van Lolita" verscheen in oktober 2013 bij uitgeverij Atlas Contact. Rob Waumans maakt en presenteert samen met Ivo Victoria de rondreizende literaire voorstelling Waumans' en Victoria's Groot Internationaal Literair Variété Spektakel.

Uit: Als je de stad binnenrijdt

“Mijn moeder ligt in kamer D 2.20. Op het prikbord boven haar hoofdeinde hangen drie kaarten. Op een van de kaarten staat een beer met een grote glimlach. De beer ligt in een bed en daarnaast staat ook een beer, gekleed als een verpleegster. ‘Beterschap!’ staat eronder. Die kaart is van mij. Een andere kaart is van de buurvrouw en die kleine is van mijn broer. Zo is hij dan ook wel weer. Oom Don heeft nooit een kaart gestuurd want hij komt elke dag, net als ik. Hij koopt om de vijf dagen een bos bloemen. In totaal heeft hij al zes bossen bloemen gekocht. Meestal tulpen of rozen, maar zo nu en dan koos hij voor een gemengd boeket. Ik stuurde mijn kaart pas nadat die van mijn broer was bezorgd.
Op de dag dat moeder in het ziekenhuis werd opgenomen, hebben oom Don en ik haar tas gepakt. Als laatst pakte ik het fotolijstje met mijn foto. Die van mijn broer liet ik staan, maar toen ze de volgende dag vroeg of ik die ook wilde neerzetten, heb ik hem alsnog gehaald.
De verpleegster zegt dat moeder bijna de hele dag haar ogen niet heeft geopend. Ik vraag of ze een glas water wil halen. Oom Don zegt dat hij zijn ogen ook niet zou openen als die verpleegster aan zijn bed zou staan. Hij pakt de vaas bloemen van het kastje.
‘Deze hebben het niet lang volgehouden,’ zegt hij. Hij loopt ermee naar het keukentje. Als hij terugkomt, zet hij de lege vaas neer. Het is de eerste keer sinds moeder hier ligt dat er geen bloemen naast haar bed staan. De verpleegster komt terug met een glas water. Ik vraag haar of moeder vandaag goed heeft gegeten.
‘Mwoah,’ zegt ze.
De verpleegsters dragen bijna allemaal dezelfde schoenen. Modellen van een rubberachtig spul in bonte kleuren. Vroeger droeg ik in de zomer waterschoenen. Die van mij hadden een riempje dat vaak irriteerde. Deze niet. Ze dragen ze allemaal, dus onder het ziekenhuispersoneel lijkt er een soort van mode te bestaan.”

 

 
Rob Waumans (Alkmaar, 2 mei 1977)

20:25 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: rob waumans, romenu |  Facebook |

01-05-13

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder de tags voor Guido Gezelle.

 

 

Weldadig zonneweer

 

Weldadig zonneweer,
hoe lang heeft ons verlangen
gewacht naar uwe troost,
geveterd en gevangen
in ‘s winters lastigheid!
Zal ‘t zomer zijn voortaan,
of zult ge, wederher
al, zonne, u duiken gaan?

De mensen danken u
volmondig, en de hoven,
in ‘t eerst aanschouwde groen,
u dankbaarheid beloven;
de vogels vliegen los
en blij; het kwekenoot,
ontdonkerd hier en daar,
de staldeure openstoot.

Daar davert iet dwersdeur
elk wezen; daar zijn stralen
van louter levendheid,
die uit de hemel dalen:
of wat, ontdekt het mij,
wat is die geile stroom,
die alles blij zijn doet,
‘t zij mense, dier of boom?

‘t Is zonneweer; het is...
‘t is zomer; al ‘t geleden,
al ‘t uitgedoogde kwaad
is weg, uit lijf en leden;
de zonne lacht en laaft
het herte los en vrij
van kommer, of het ook
geen dag nog zonne en zij.

Wie zal de goedheid dan,
wie de eeuwig onbegonnen
mildadigheid van Hem,
de dageraad aller zonnen,
verstaande, ootmoediglijk
genoeg, op beide knie'n
aanbidden? wie de naam
vollovend zijn van Dien?

Door de eeuwige eeuwen heen,
geloofd zij ‘t eeuwig Wezen;
zij ‘t eeuwig Licht geloofd,
zo nu zo ooit nadezen:
zij ‘t eeuwig Liefdevier,
het leven van ‘t heelal,
geloofd, zo lange iet is,
of ooit iet wezen zal!

 




‘k Zal mij van te dichten zwichten

 

‘k Zal mij van te dichten zwichten,
zo ‘t mijn hart niet wel en gaat:
wie kan rijpe bezen lezen
van een tak die droge staat?

Laat de lieve wonnenbronne,
laat het leutig zonnenvier,
laat de verse blommen kommen,
laat weerom de lente, alhier!

Dan ja, zal ‘k genezen wezen,
opstaan en, gespannen fel,
of ‘t een klare snare ware,
dichten ende deunen wel!

 

 

 

 

Oneigene

 

Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten tot schande ?
Mijn herte en mijn tale, mijn
rede en mijn zin,
't is al zo van buiten, 't is
al zo van bin'
't ligt alles daar bloot op mijn handen !

Dan, weg met de oneigene
tale en de schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw, dat en
wille ik niet zijn ;
dat in mij en aan mij is,
dàt hete ik mijn
oneigene, ik late u, . . . . gaat reizen !

 

 

 

 

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

Portret door  H. De Graer, 1905

Lees meer...

30-04-13

Bij de inhuldiging van koning Willem-Alexander


 

Bij de inhuldiging van koning Willem-Alexander

 

 

 

 

Willem I van Nassau, portret door Antonio Moro

 

 


WILLEM DE EERSTE.

                                     Unus, qui restituit rem.

Der Middeneeuwen Zon ging in Euroop verdwijnen,
   en Staatskunst trad in ’t Recht van Ridderoorlogsmoed,
toen ’t Willem van Oranje, ontzagvol, zag verschijnen,
   in staat- en oorlogskunst door Karel opgevoed;
die by de heldenkracht van Ridderlijke Vaderen
   de Wijsheid schittren deed van een verlichten tijd,
en, op de stem van ’t bloed in de onverbasterde aderen,
   aan des Gewetens recht die beiden had gewijd.
Standvastig, moedig, vroom, doordringend, ondoordringbaar,
   beleidvol in den raad, beleidvol in het veld,
door list, noch nood, noch ramp in zijn besluit verwringbaar,
   tot wijken onbekwaam voor de almacht van ’t geweld,
het oog met kalme hoop tot God den Heer geslagen,
   met de eene hand aan ’t zwaard, met de andre aan ’t roer van Staat,
dorst hy den stoutsten kamp, dien ooit Euroop zag, wagen,
   en temde uitheemsch geweld en binnenlandschen haat.
Wat drijfveêr deed die reeks van deugden samenwerken
   tot een zoo grootsch bestaan, tot een zoo heerlijk doel?
Was ’t roemzucht? zucht naar macht, ontspattend aan haar perken?
   Neen! Godsdienst was ’t alleen, en heilig plichtgevoel!
Wie twijfle, de Almacht zelf verklaarde hier haar oordeel!
   Toen Hollands vrije Maagd, beveiligd door zijn hand,
min uit erkentenis dan tot haar eigen voordeel,
   zijn kruin ging sieren met den Vorstelijken band;
toen was het einde daar van dat doorluchtig leven,
   waarnaar zoo menige arm tot dien dag vruchtloos dong.
De kogel des verraads deed grooten Willem sneven —
   hem was een martelkroon bestemd, geen Gravenwrong.

 

Lees meer...

29-04-13

Konstantínos Petros Kaváfis, Bernhard Setzwein, Alejandra Pizarnik, Walter Kempowski, Bjarne Reuter

 

De Griekse dichter Konstantínos Petros Kaváfis werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863. Zie ook alle tags voor Konstantínos Petros Kaváfis op dit blog.

 

 

MORGENZEE

 

Laat ik hier gaan staan. En laat ook ik even

de natuur aanschouwen. Het vonkende azuur

van morgenzee en wolkeloze hemel, een gele kust:

alles overgoten door een groot, mooi licht.

 

Laat ik hier gaan staan. En me wijsmaken dat ik dit zie

Ik zag het werkelijk het eerste moment toen ik bleef staan)

en niet ook hier mijn fantasieën,

mijn herinneringen, de droombeelden van de wellust.

 

 

 

Vertaald door Hans Warren en Mario Molengraaf

 

 

 

One Night

 

The room was cheap and sordid,

hidden above the suspect taverna.

From the window you could see the alley,

dirty and narrow. From below

came the voices of workmen

playing cards, enjoying themselves.

 

And there on that common, humble bed

I had love’s body, had those intoxicating lips,

red and sensual,

red lips of such intoxication

that now as I write, after so many years,

in my lonely house, I’m drunk with passion again.

 

 

 

Days of 1896   

 

He became completely degraded. His erotic tendency,

condemned and strictly forbidden

(but innate for all that), was the cause of it:

society was totally prudish.

He gradually lost what little money he had,

then his social standing, then his reputation.

Nearly thirty, he had never worked a full year—

at least not at a legitimate job.

Sometimes he earned enough to get by

acting the go-between in deals considered shameful.

He ended up the type likely to compromise you thoroughly

if you were seen around with him often.

 

But this isn’t the whole story—that would not be fair.

The memory of his beauty deserves better.

There is another angle; seen from that

he appears attractive, appears

a simple, genuine child of love,

without hesitation putting,

above his honor and reputation,

the pure sensuality of his pure flesh.

 

Above his reputation? But society,

prudish and stupid, had it wrong.

 

 

 

Vertaald door Edmund Keeley en Philip Sherrard

 

 

 


K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)

Lees meer...