13-04-14

Nachoem Wijnberg, Saskia Noort, Jean-Marie Gustave Le Clézio, Samuel Beckett

 

De Nederlandse dichter en schrijver Nachoem Mesoelam Wijnberg werd geboren in Amsterdam op 13 april 1961. Zie ook alle tags voor Nachoem Wijnberg op dit blog.

 

Gedicht

Een gedicht maken
dat groter is dan past

tussen wat ik nu zie en wat ik zie
als ik stil ben.

Zeggen: dit is zo,
zonder te zeggen: dit is dit.

Met een gedicht proberen.
Als ik het niet groter kan maken is het af.

 

 

Komedie

Elke keer dat zij de echtgenoot ziet valt zij flauw.
De echtgenoot slaat de minnaar steeds met een slag neer.
's Nachts zit de echtgenoot slapeloos aan een tafel,
in een gestreepte pyjama, met een bijna leeg glas cognac voor zich.
Zij ontmoet de minnaar op hard gras, tegen een heuvel aan,
dicht bij een verwaarloosde dierentuin; apen tussen uitwerpselen
en lege ijsbakjes, beren met hun vel vol met stof,
op hun zij liggende en langzaam ademende herten en wilde paarden.

 

 

Het leger van rechters

Daar lopen de rechters
die alvast alle beslissingen
waarom ze gevraagd zijn
aan het begin van de dag
voorlopig nemen.
Ver genoeg van elkaar
dat zij om kunnen vallen
zonder elkaar te raken.
Het bevel was: probeer maar eens
door een bos te lopen
als over een veld.

 

 

 
Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

Lees meer...

Seamus Heaney, Stephan Hermlin, Orhan Veli, Tim Krabbé

 

De Ierse dichter Seamus Heaney werd op 13 april 1939 te County Derry, Noord-Ierland, geboren. Zie ook alle tags voor Seamus Heaney op dit blog.

 

Digging

Between my finger and my thumb
The squat pen rests; snug as a gun.

Under my window, a clean rasping sound
When the spade sinks into gravelly ground:
My father, digging. I look down

Till his straining rump among the flowerbeds
Bends low, comes up twenty years away
Stooping in rhythm through potato drills
Where he was digging.

The coarse boot nestled on the lug, the shaft
Against the inside knee was levered firmly.
He rooted out tall tops, buried the bright edge deep
To scatter new potatoes that we picked,
Loving their cool hardness in our hands.

By God, the old man could handle a spade.
Just like his old man.

My grandfather cut more turf in a day
Than any other man on Toner's bog.
Once I carried him milk in a bottle
Corked sloppily with paper. He straightened up
To drink it, then fell to right away
Nicking and slicing neatly, heaving sods
Over his shoulder, going down and down
For the good turf. Digging.

The cold smell of potato mould, the squelch and slap
Of soggy peat, the curt cuts of an edge
Through living roots awaken in my head.
But I've no spade to follow men like them.

Between my finger and my thumb
The squat pen rests.
I'll dig with it.

 

 

From Lightenings

I
Shifting brilliancies. Then winter light
In a doorway, and on the stone doorstep
A beggar shivering in silhouette.

So the particular judgement might be set:
Bare wallstead and a cold hearth rained into-
Bright puddle where the soul-free cloud-life roams.

And after the commanded journey, what?
Nothing magnificent, nothing unknown.
A gazing out from far away, alone.

And it is not particular at all,
Just old truth dawning: there is no next-time-round.
Unroofed scope. Knowledge-freshening wind.

 

 
Seamus Heaney (13 april 1939 - 30 augustus 2013)

Lees meer...

12-04-14

Antje Rávic Strubel, Alan Ayckbourn, Scott Turow, Tom Clancy, Agnes Sapper

 

De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.

Uit: Fremd gehen

„An unserem letzten Abend, der jetzt für immer der letzte sein würde, obwohl es gar nicht so gedacht war, hat Marlies geweint. Ich habe ihr eine meiner Survival-Zellstoffrollen gegeben, die ich von Schweden noch übrig hatte. Bald war der Tisch übersät von zerknülltem Zellstoff. Über den Krimi haben wir an diesem Abend wieder nicht gesprochen, nur über die Männer, die sie nachts in den Bars traf und so selbstverständlich zu sich nahm wie Brot. Ich konnte es nicht mehr hören.
Früher hatten wir oft nächtelang über Daniel und seine Vorlieben geredet, und dabei war der Daniel, den sie sich vorstellte, ein ganz anderer als meiner. Meiner hatte keine Probleme mit Frauen; ihrer schon. Meiner hatte einen amerikanischen Großvater, Peter Stillman, der sich in den siebziger Jahren von der Brooklyn Brigde gestürzt hatte, weil er fand, dass die Sprache sich seit Jahrhunderten nicht verändert hatte und er wegen dieser Sprache seinem Leben hinterherhinkte. (...)
„Quatsch, Großvater!“ sagte Marlies. „Wozu brauchen wir eine Genealogie, das ist altmodischer Quark, wer leistet sich heutzutage schon noch Vergangenheit. Man könnte ja keine vernünftige Armbanduhr mehr tragen, man müsste ja immerzu daran denken, wie sie von irgendwelchen Männern im Arsch durch die Weltkriege transportiert und wieder für die nächste Generation gerettet worden ist. Die Welt ist ein großes Hirngespinst. Pulp Fiction. Guck dich doch an“, sagte sie und lachte. „Und das mit der Sprache, Darling, das ist westliche Propaganda, also vergiss es.
Ich fand, ich hatte eine Vergangenheit, auch eine mit Marlies. Ich bin ihr begegnet, da war es Oktober. Die Blätter waren gelb. Oder ich verwechsle das Gelb mit der Farbe der Knorpelkirschen. Jedenfalls war es nach dem Mauerfall, Marlies redete immerzu von Westgeld. Es spielt keine Rolle, ob erst ein Jahr oder schon fünf Jahre seitdem vergangen waren; der Mauerstreifen war schon frei gegeben, aufgeforstet oder nicht.“

 

 
Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)

Lees meer...

Edward de Vere, José Gautier Benítez, Alexander Ostrovski, Guillaume-Thomas Raynal

 

De Engelse hoveling, dichter en toneelschrijver Edward de Vere, 17e graaf van Oxford, werd geboren op 12 april 1550 in Castle Hedingham. Zie ook alle tags voor Edward de Vere op dit blog.

 

Loss of Good Name

Fram’d in the front of forlorn hope past all recovery,
I stayless stand, to abide the shock of shame and infamy.
My life, through ling’ring long, is lodg’d in lair of loathsome ways;
My death delay’d to keep from life the harm of hapless days.
My sprites, my heart, my wit and force, in deep distress are drown’d;
The only loss of my good name is of these griefs the ground.

And since my mind, my wit, my head, my voice and tongue are weak,
To utter, move, devise, conceive, sound forth, declare and speak,
Such piercing plaints as answer might, or would my woeful case,
Help crave I must, and crave I will, with tears upon my face,
Of all that may in heaven or hell, in earth or air be found,
To wail with me this loss of mine, as of these griefs the ground.

Help Gods, help saints, help sprites and powers that in the heaven do dwell,
Help ye that are aye wont to wail, ye howling hounds of hell;
Help man, help beasts, help birds and worms, that on the earth do toil;
Help fish, help fowl, that flock and feed upon the salt sea soil,
Help echo that in air doth flee, shrill voices to resound,
To wail this loss of my good name, as of these griefs the ground.

 

 
Edward de Vere (12 april 1550 – 24 juni 1604)

Lees meer...

11-04-14

Leonard Nolens, Mark Strand, Walid Soliman, Attila József, Rolf Schilling, Sándor Márai

 

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

 

Liefde didactisch

Zij spannen traag hun winterkleren voor de ramen
En sluiten elkaar en het straatlawaai in hun armen.

Zij gaan vanmiddag bloot een groot horloge binnen.
De wijzers zijn zijzelf. Zij maken plaats en tijd.

Een simpele duim op haar tepel verandert de wereld
Van deze volksbuurt in een kamer zonder pijn,

Een bed waaronder twee paar tranen samen slapen
Met afgelopen schoenen. Geluk heeft geen contour.

Langzaam vrijen is ook dat ronde kruispunt beneden.
Daar lopen mensen zoals wij van hen te dromen.

 

 

Zonder mij

Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden.
Met die muziek heb ik ons huis gebouwd, mijn leven
Vernield om toe te zien of dood de moeite waard is,
Of ik daar weg mee kan zonder te moeten sterven.

Wat kan ik voor je doen, ik moet toch van je blijven.
Ik heb je toch op mij genomen zonder je te nemen,
Zonder me te geven want ik ben alleen maar jij.
Ik ben alleen maar jij geweest om niet te moeten zijn.

Ik ben alleen maar jij geworden om niet ik te zijn.
Dat is een laffe liefde, Zoet, vergeef het mij.
Wat kan ik voor je doen, ik ben alleen maar woorden,
Wou je worden, wou ons worden zonder mij.

 

 

Laat

Vertraag.
Vertraag.
Vertraag je stap.
Stap trager dan je hartslag vraagt.
Verlangzaam.
Verlangzaam.
Verlangzaam je verlangen
En verdwijn met mate.
Neem niet je tijd
En laat de tijd je nemen -
Laat.

 

 
Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

Lees meer...

Silvia Avallone

 

De Italiaanse schrijfster Silvia Avallone werd geboren in Biella op 11 april 1984. Zij studeerde in Bologna filosofie en literatuur. In 2007 publiceerde zij haar eerste dichtbundel, Il libro dei vent'anni ". Korte verhalen van haar werden gepubliceerd in littéraire tijdschriften als “Granta Italia” e “Nuovi Argomenti”. Ook schreef zij voor de "Corriere della Sera" en "Vanity Fair". Voor haar debuutroman “Acciaio“ (Staal ) uit 2010 ontving zij o.a. de Premio Campiello Opera Prima, de Premio Flaiano en de Premio Fregene. De roman is vertaald in 23 talen. Ook werd hij verfilmd onder dezelfde naam, geregisseerd door Stefano Mordini. De roman "Marina Bellezza" verscheen in 2013 en verscheen in vertaling in Duitsland, Frankrijk, Nederland, Zweden en Noorwegen.

Uit:Marina Bellezza (Vertaald door Manon Smits)

“Een vaag schijnsel flakkerde ergens midden in de bossen, op een kilometer of tien van de provinciale weg sp100, die ligt ingeklemd tussen twee gigantische zwarte bergen. Het was het enige teken dat er nog wel een vorm van leven bestond in deze vallei aan de woeste, vergeten grens van de provincie.
Door de voorruit zagen ze het opdoemen, als knipperend lokaas in de diepte. Toen, bij de volgende bocht, verloren ze het uit het oog.
Ze minderden vaart voor een kruising omringd door het niets, bij wat er over was van een restaurant. Twee getraliede ramen en een bord waarop een vervaagd vast menu en andere inmiddels onleesbare woorden stonden. Een van hen herinnerde zich dat hij daar zijn eerste communie had gevierd. Twintig jaar later restten voornamelijk nog het dak en de tralies. Twintig jaar later was alles voorbij.
Ze reden door, nu weer sneller. Er waren geen straatlantaarns langs deze weg, er was geen stalen net om hen te beschermen tegen de dreigend uitstekende rotspunten. De koplampen beschenen stukken steile rots begroeid met doornstruiken, af en toe een vervallen boerderij. Zelfs de bewegwijzering ging verloren daarboven, in de lege avond.
Ze waren de enigen die onderweg waren op de sp100, tussen het dal en de verlatenheid. In een oude Volvo stationcar slingerden ze omhoog langs de afgronden, over die haarspeldbochten die ze hun leven al als hun broekzak kenden. Naarmate ze hoger kwamen werden de breedbladige bomen steeds spookachtiger. De wanden van de vallei daalden loodrecht af naar het riviertje, en door de geopende raampjes klonk alleen het monotoon schurende water.
Daar verscheen het schijnsel weer, zwak, half verscholen achter een bergrug. Ze keken er opnieuw naar, maar zeiden niets.
Ze kwamen in Andorno aan. De oranje verkeerslichten knipperden met regelmatige tussenpozen, en de Volvo scheurde met negentig per uur door zonder acht te slaan op stopborden of voorrangsregels.”

 

 
Silvia Avallone (Biella, 11 april 1984)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: silvia avallone, romenu |  Facebook |

10-04-14

Leo Vroman, Paul Theroux, Claudio Magris, Bella Akhmadulina, Stefan Heym, Richard Wagner, Marcel van Maele

 

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

Verschiet

Droevig is het mateloos verschiet.
Op vele bedden liggen jonge mensen,
in ademloos verdriet, en staren
zonder wensen, door de ramen, in het niet.

Eeuwen wisselen hun klederen en namen,
eeuwig wachten tranenbad en duister,
zij sparen dromen, en hun moegespaard gefluister
verteert haar tederheden als de nachten
gekomen zijn en het zijn de juiste niet.

Wind, waai de luiken toe voor het lichte raam,
de jonge mensen zijn te zoet geschapen,
laat ze vervloeien of hun lot verslapen,
ze zijn tot sterven nog zo onbekwaam.

 

 

In tederheid

Brood of honingraat wil mij
de slapen niet meer verwarmen;
enkel de zachte binnenzij
in de witte knik van je armen.

Jouw glimlachen deden het zachte
van de vacht van een wezentje,
vaag, maar niet weg te vagen;
en trippelend als je lachte.

Bij de oogleden, wier dichte zoemen
onder de muizen van mijn handen
tranen tot sterren deden verbranden
waren de rozen haast niet meer bloemen.

Ach hoe wilden wij verwelken,
hoe droevig waren wij beiden -
alsof de dood reeds ‘tik’ zeide
tegen de bladerval der kelken.

Doch wat moesten zij zo levend?
Onze rompen, elk het eigen
sterven toegestevend
verkregen iets varends, maar mist
had het water uitgewist.

Mistig was mij te meer
deze kruisvaart van lijven
door de roep van boot naar boot:
eenmaal, – dan niet weer.

 

 

Die boom

Er groeit nog in ons Paradijs
een vreselijke boom.
Zijn stam is grauw, zijn bladgroen grijs:
de boom der kennis van het atoom.

Zijn loverwolk van stof en gas
verduistert onze lucht.
Wij allen ademen de vrucht
van dit verdoemd gewas.

O hadden wij geweten wat
er binnen onze schedel zat
men kroop te elfder stonde

terug over dit levenspad
naar toen de slang nog poten had
en bijbels niet bestonden.

 

 
Leo Vroman (10 april 1915 - 22 februari 2014)

Lees meer...

Jan van Mersbergen

 

De Nederlandse schrijver Jan van Mersbergen werd geboren in Gorinchem 10 april 1971. Hij studeerde HBO Cultuur en Beleid en Cultuursociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte onder andere als stratenmaker, als opperman in de bouw, als proefdierverzorger, als postbode, maar voornamelijk in het theater; als producent, productieleider, decorbouwer, fondsenwerver en administrateur. Sinds 2000 houdt hij zich serieus bezig met schrijven. In 2001 debuteerde van Mersbergen met de roman De grasbijter, die genomineerd werd voor de jaarlijkse Debutantenprijs. In 2003 verscheen zijn tweede roman De macht over het stuur, in 2005 gevolgd De hemelrat en Morgen zijn we in Pamplona in 2007. Zijn vijfde roman, Zo begint het, verscheen in 2009. Zie ook alle tags voor Jan van Mersbergen op dit blog.

Uit: De hemelrat

“De jongen trok zijn schoenen en shirt uit, legde de spullen in zijn kast, nam een groen jasje uit de kast en trok het over zijn hoofd. Zijn sloffen stonden onder in de kast. In de hal klonk gerammel van een kar en even later stak Moses zijn gezicht om de deurpost. Hij groette hen met zijn zware stem en ging naast Wilson op het bankje zitten.
Even later kwam Fong in de deuropening staan. Hij sloeg zijn ene been voor het andere en liet zijn slof aan zijn tenen bungelen. Hij zei: Boven is iemand ziek.
Het was geen mededeling en het was ook geen vraag waar iemand een antwoord op kon geven, toch begrepen ze wat hij wilde. Ze zwegen. De Chinees liet zijn blik over Wilson, Moses en Edward gaan. Wilson zat met zijn rug tegen de muur. Hij keek naar zijn knieën, legde zijn handen erop. Fong nam een laatste slok thee en schudde het bekertje leeg in de vuilnisbak. Het spetteren van de druppels tegen het plastic was het enige geluid in de kleedkamer.
Boven? rekte Wilson.
Ze vroegen me of ik een van jullie kon missen.
Hij liet het bekertje vallen. Uiteindelijk zei Wilson: Van mij hoeft het niet.
Van mij ook niet, zei Moses.
Fong keek naar Edward.
Heb jij daar al een keer gewerkt?
Edward schudde zijn hoofd. Toen zei hij: Betaalt het beter?
Dat maakt geen verschil.
Dan blijf ik net zo lief hier.
Ik zal ze zeggen dat ik het gevraagd heb, zei Fong. Hij liep de gang weer op. De deur van de kleedkamer viel achter hem dicht.
Ze liepen de wasserij in, een grote ruimte die door een glaswand in tweeën verdeeld werd. Moses bleef in het schone gedeelte. Wilson en hij gingen door de sluis naar de vieze kant.”

 

 
Jan van Mersbergen (Gorinchem, 10 april 1971)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jan van mersbergen, romenu |  Facebook |

09-04-14

Charles Baudelaire, Joolz Denby, Albert von Schirnding, Johannes Bobrowski, Bernard-Marie Koltès

De Franse dichter Charles Baudelaire werd geboren in Parijs op 9 april 1821. Zie ook alle tags voor Charles Baudelaire op dit blog.

 

In het voorbijgaan

De straat omgaf mij met haar daverend kabaal en
Lang, slank, in diepe rouw ging mij een vrouw voorbij,
Verheven in haar smart; met fraaie hand liet zij
De zoom van haar gewaad opzweven en weer dalen,

Op snelle benen en met statueske grootheid.
En uit haar ogen, loden lucht waar storm ontspringt,
Dronk ik verkrampt, bevangen als een zonderling,
Zoetheid die fascineert, genot dat tot de dood leidt.

Een bliksemflits... en toen de nacht! ­ Vluchtige schone
Wier blik mij één moment met levenskracht beloonde,
Zal ik je in het eeuwig leven pas weer zien?

Elders, ver weg van hier! Te laat! Of nooit misschien!
Ik weet niet waar jij vlucht, jij niet waar ik zal gaan,
Vrouw die ik had bemind, vrouw die dat hebt verstaan!

 

Vertaald door Peter Verstegen

 

 

Katten

Hevig verliefden en gestrenge hooggeleerden
beminnen allen in hun rijpe tijd de kat,
de trots des huizes, krachtig, zacht, en net als zij
bij voorkeur binnen zittend, en op warme plekjes.

Als vrienden van de wellust en de wetenschap
verlangen ze naar stilte en schrikwekkend duister.
Erebus had ze graag als lijkkoetspaard gezien,
maar fierheid liet zich niet door dienstbaarheid vervangen.

Nadenkend nemen zij nobele poses aan
van grote sfinxen die, diep in de eenzaamheid
en dromend zonder eind in slaap lijken te vallen.

Hun flank is vruchtbaar en vervuld van tovervonken,
zwak pinkelen er gouden, flinterdunne puntjes
in hun mystieke oogbol, als een fijn soort zand.

 

Vertaald door Jan Pieter van der Sterre

 

 

Bezinning

Wees zoet, o mijn Verdriet, probeer tot rust te komen.
Je riep om Duisternis; zij daalt neer, zij is daar:
Een donker waas heeft van de stad bezit genomen,
Dat sommigen de slaap brengt, anderen bezwaar.

Terwijl in slaafs vertier de vuige mensenstromen
Gegeseld door ’t Genot, die wrede folteraar,
De wroeging tegemoet gaan die hen zal betomen,
Kom mee, geef mij je hand, Verdriet, en volg mij maar,

Van hen weg. Zie hoe aan de hemelbalustraden
De dode Jaren staan in oude lijfgewaden;
Hoe uit de diepten rijst de glimlachende Spijt;

Hoe de zon kwijnend inslaapt, door een boog omkaderd,
En hoor, mijn lieve, hoor hoe in het Oosten glijdt,
Een lang doodskleed gelijk, de zachte Nacht die nadert.

 

Vertaald door Martin de Haan

 

 
Charles Baudelaire (9 april 1821 – 31 augustus 1867)
Portret door Felix Vallotton , 1902

Lees meer...

Karel Jonckheere

 

De Vlaamse dichter en schrijver Karel Jonckheere werd geboren in Oostende op 9 april 1906. Jonckheere schreef poëtisch, later vol ironie, novellen en reisverhalen, maar ook gedichten, essays en kritieken. Karel Jonckheere werd tweemaal bekroond met de Staatsprijs voor Poëzie: in 1947 met de bundel " Spiegel der Zee" en in 1956 met de dichtbundel "Van Zee tot Schelp". Hij was als literair adviseur van het Ministerie van Cultuur dé ambassadeur van de Nederlandstalige letteren in het buitenland en hij was lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Het werk van Jonckheere is ten dele autobiografisch en heeft als thema voornamelijk de zee (hij is geboren in het visserskwartier). Tijdens zijn jeugd maakte hij kennis met Karel van de Woestijne. Volgens Jonckheere was Oostende een surrealistische stad met de Oostendenaars als ras apart die hij dan ook als dusdanig beschrijft in zijn novellen en aforismen (bijvoorbeeld: Oostende vertelt). Jonckheere werd in Nederland vooral bekend als de voorzitter van het satirisch televisieforum "Hou je aan je woord" (1961-1963) met Godfried Bomans, Hella Haasse en Dr. Victor E. van Vriesland.

 

Fabel van de bloedtransfusie

Ik word overreden riep de oude vrouw
de schokbreker wist van toeten noch blazen
ze liep in de weg zei de man achter 't stuur
ze heeft rood bloed zei het zwarte asfalt
haar bloed is weg zei de witte chirurg
ze is voor mij zei grijs de dood.

Hier is mijn bloed zei de man in de deur
ik ben haar zoon zei het bloed in de man.

Ben ik al koud vroeg de vrouw aan haar droom
waar is de hemel de hel met goud vuur ?

De chirurg tot de spuit tot de huid tot de prik tot het bloed.

Blijft dat zo tot in der eeuwigheid
ze bederven mijn stiel zei de dood tot de tijd.

Ik ben het zei de zoon tot de moeder
ik ben het zei het bloed van de zoon tot de moeder

d.w.z. tot het bloed van de koelende moeder.

Dag bloed zei dit bloed 't is lang geleden
om u weer te zien zou men geld besteden.
'k Zou haar hart willen zien zei het bloed van de zoon.
Kom dan mee, jong bloed, zei het bloed van de moeder
wacht op het tij en verschuw haar niet
de tropen de meisjes zijt gij niet ziek?

Benauwd heb ik het zei het bloed van de zoon
benauwd en koud in deze oude woon.
Houd mij maar vast zei het bloed van de moeder.

Kent gij de weg ik ken hem wel.
Door het rechter hart dat hem herkende
door de twee longen die hem herkenden
door het linker hart dat hem herkende
door het hoofd dat hem niet herkende.

ik heb mijn tijd, zei de dood tot de tijd.

Ten tweeden male door hart en longen
en weer naar het hoofd
en weer door het hoofd.

Ik voel me al beter zei 't bloed van de zoon
ik heb u verwarmd zei 't bloed van de moeder.

Ze tracht te spreken zei de chirurg tot de zoon
leg uw oor aan haar mond haar leven zal spreken.

Toen heeft de mond van de moeder gezegd
en alleen het oor van de zoon kon het horen:
ik droomde dat mijn zoon werd geboren.

 

 

 
Karel Jonckheere (9 april 1906 - 13 december 1993)

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: karel jonckheere, romenu |  Facebook |

08-04-14

Herinnering aan Gerard Reve, Hanz Mirck, Christoph Hein, Judith Koelemeijer, Nnedi Okorafor, Barbara Kingsolver, John Fante

 

Herinnering aan Gerard Reve

Vandaag is het precies 8 jaar geleden dat de Nederlandse dichter en schrijver Gerard Reve overleed. Zie ook alle tags voor Gerard Reve op dit blog en eveneens mijn blog van 14 december 2006. en mijn blog van 9 april 2006.

 

Credo

Niets te verwachten, niets te hopen:
er rest mij niets dan duisternis en Dood.
Ik zie het, maar ik wankel niet: wie Gij ook zijt,
U heb ik lief, met heel mijn hart, met al mijn Bloed.

 

 
Gerard Reve (14 december 1923 - 8 april 2006)
Cover

Lees meer...

07-04-14

William Wordsworth, Gabriela Mistral, Quinsy Gario, Henk Fedder, Victoria Ocampo, Donald Barthelme

 

De Engelse dichter William Wordsworth werd geboren op 7 april 1770 in Cumberland. Zie ook alle tags voor William Wordsworth op dit blog.

 

It was an April morning: fresh and clear

It was an April morning: fresh and clear
The Rivulet, delighting in its strength,
Ran with a young man's speed; and yet the voice
Of waters which the winter had supplied
Was softened down into a vernal tone.
The spirit of enjoyment and desire,
And hopes and wishes, from all living things
Went circling, like a multitude of sounds.
The budding groves seemed eager to urge on
The steps of June; as if their various hues
Were only hindrances that stood between
Them and their object: but, meanwhile, prevailed
Such an entire contentment in the air
That every naked ash, and tardy tree
Yet leafless, showed as if the countenance
With which it looked on this delightful day
Were native to the summer.--Up the brook
I roamed in the confusion of my heart,
Alive to all things and forgetting all.
At length I to a sudden turning came
In this continuous glen, where down a rock
The Stream, so ardent in its course before,
Sent forth such sallies of glad sound, that all
Which I till then had heard, appeared the voice
Of common pleasure: beast and bird, the lamb,
The shepherd's dog, the linnet and the thrush
Vied with this waterfall, and made a song,
Which, while I listened, seemed like the wild growth
Or like some natural produce of the air,
That could not cease to be. Green leaves were here;
But 'twas the foliage of the rocks--the birch,
The yew, the holly, and the bright green thorn,
With hanging islands of resplendent furze:
And, on a summit, distant a short space,
By any who should look beyond the dell,
A single mountain-cottage might be seen.
I gazed and gazed, and to myself I said,
'Our thoughts at least are ours; and this wild nook,
My EMMA, I will dedicate to thee.'
----Soon did the spot become my other home,
My dwelling, and my out-of-doors abode.
And, of the Shepherds who have seen me there,
To whom I sometimes in our idle talk
Have told this fancy, two or three, perhaps,
Years after we are gone and in our graves,
When they have cause to speak of this wild place,
May call it by the name of EMMA'S DELL.

 

 
William Wordsworth (7 april 1770 – 23 april 1850)
Borstbeeld door Sir Francis Chantrey, rond 1820

Lees meer...

Özcan Akyol

 

De Nederlandse schrijver en columnist Özcan Akyol werd geboren in Deventer op 7 april 1984. Zie ook alle tags voor Özcan Akyol op dit blog.

Uit: Eus

“Kosta duwde de bagage omzichtig vooruit, tot aan het station, waar een paar reizigers ons laatdunkend aankeken, omdat ze waarschijnlijk nooit eerder iemand zes koffers en een teevee hadden zien vervoeren op een winkelwagentje van de Gamma.
Het stationsgebouw rook naar pies. Buiten vocht de zon tegen dikke stapelwolken, af en toe brak er een zielloos straaltje doorheen, maar nooit langer dan een paar minuten. Eindelijk gingen we naar het betere weer.
Turis en ik liepen naar het loket, het was er druk, mensen staarden ongeduldig naar de klok.
‘Fünf tiekiets for shithol.’
De man, een blonde veertiger, keek ons schokschouderend aan. Hij begreep er niks van.
‘Gotvertomme, jij toof? Fünf tiekiets!
‘Hij wil vijf kaartjes naar Schiphol, mijnheer,’ tolkte ik.
Na wat getik op het toetsenbord rolden onze vervoersbewijzen uit de printer, intussen hield vader voortdurend een boze blik op de medewerker gericht.
‘Vieze vuile racist,’ prevelde hij in het Turks.
Het geld voor de kaartjes haalde Turis uit het buideltje om zijn buik. De bijnaam Turis (toerist) had hij van zijn werkvrienden gekregen, omdat-ie eerst twaalf Europese landen was afgestruind, in sommige woonde hij ook een paar maanden, voor hij daadwerkelijk voor anker ging in Nederland.
Nadat we al onze koffers en de teevee in de trein hadden geflikkerd, lieten we de winkelwagen op het perron staan, tot woede van een betrokken burgermannetje, dat hevig gesticulerend zijn ongenoegen liet blijken. Tijdens de rit waakten we om de beurt in het tussencompartiment over de bagage. De
teevee had zevenhonderd gulden gekost. Vader zou gek worden als iemand hem beschadigde of meenam.
Op de luchthaven moesten we eerst drie uur wachten voor de gate openging.”

 

 
Özcan Akyol (Deventer, 7 april 1984)

18:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: Özcan akyol, romenu |  Facebook |

06-04-14

Kazim Ali, Jakob Ejersbo, John Pepper Clark, Günter Herburger, Uljana Wolf

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

 

Autobiography

we didn’t really speak
my summer wants to answer

the architecture doesn’t matter
this is not my real life

when I am here I want to know
why do I believe what I was taught

a storm is on the way
close all the windows

begin at the earliest hour
is there a self

 

 

Rain

With thick strokes of ink the sky fills with rain.
Pretending to run for cover but secretly praying for more rain.

Over the echo of the water, I hear a voice saying my name.
No one in the city moves under the quick sightless rain.

The pages of my notebook soak, then curl. I’ve written:
“Yogis opened their mouths for hours to drink the rain.”

The sky is a bowl of dark water, rinsing your face.
The window trembles; liquid glass could shatter into rain.

I am a dark bowl, waiting to be filled.
If I open my mouth now, I could drown in the rain.

I hurry home as though someone is there waiting for me.
The night collapses into your skin. I am the rain.

 

 

 
Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

Lees meer...