16-09-14

Alfred Schaffer

 

De Nederlandse dichter Alfred Schaffer werd geboren in Leidschendam op 16 september 1973 als zoon van een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader. Schaffer studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde en Film- en Theaterwetenschappen alvorens in 1996 naar Zuid-Afrika te vertrekken, waar hij als docent verbonden was aan de Universiteit van Kaapstad. Tussen 2007 en 2010 was hij fondsredacteur van De Bezige Bij. In 2011 vertrok hij opnieuw naar Zuid-Afrika, waar hij als docent verbonden is aan de Universiteit van Stellenbosch. Hij debuteerde in 2000 met de dichtbundel “Zijn opkomst in de voorstad”, die werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs en bekroond met de eerste Jo Peters Poëzieprijs. Zijn tweede bundel, “Dwaalgasten” uit werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2003 verscheen de bibliofiele bundel “Definities en hallucinaties”. In het voorjaar van 2004 verscheen zijn eerste bundel bij De Bezige Bij, “Geen hand voor ogen”, die opnieuw werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Eind 2006 verscheen “Schuim”, die door een groep beroepslegers en critici werd verkoren tot de beste poëziebundel van dat jaar en werd bekroond met de de Hugues C. Pernathprijs. In 2008 verscheen “Kooi”, wederom genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Tevens werd deze bundel bekroond met de Jan-Campertprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs. Zie ook alle tags voor Alfred Schaffer op dit blog.

 

Prooi

Ik heb de ruitenwissers aan mijn bruine huid is bruin
van alle zomerdagen. Dorpjes kraters reservaten
alles schuift voorbij, het is alsof ik door een tunnel jaag
met nat cement en aan het einde het beroemd licht
en heldere geluiden. Alleen er is geen tunnel, ik kan het
niet beschrijven. Mij rest ook weinig tijd ik doe alsof ik weet
van niets tot ik verstijf, maar dan is het natuurlijk al te laat -
een plank van vlees ik ril bij de gedachte, precies een rat
mijn staart een vette worm en daar een kater op de loer
vlak op de grens van mijn verstandelijk vermogen.
Kom tevoorschijn roept het beest ik zie je wel. Op dit punt
schrok ik vroeger wakker badend in het zweet, nu kan ik
erom lachen, ik gil het uit van pret alsof ik eeuwig
met vakantie was, zo zit ik hier te gillen.

 

 

En dan stopt het

De afgelopen dagen denk ik meer en meer
aan het eiland van mijn moeder
en het huis van haar vader,
het had blauwe buitenmuren en geen deuren,
zoals de meeste huizen aan de baai.

De zee,
het blauwe huis op het strand,
de boom in de keuken die men uit bijgeloof
niet had willen omkappen, er was zelfs
een gat gemaakt in het dak -
alles komt steeds meer op hetzelfde neer:

daar staat mijn vader,
maar nu zonder zijn vrouw of zijn schoonvader,
de enige blanke man in zee
en hij kan niet zwemmen.
Voetje voor voetje stapt hij, zonnebril op,
met een brede grijns door het ondiepe water.

Deze domme dagen zoek
of bedenk ik maar wat bij elkaar, met stomheid
geslagen.
Zo voorbeeldig, en dan stopt het.

 

 

 
Alfred Schaffer (Leidschendam, 16 september 1973)

19:25 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: alfred schaffer, romenu |  Facebook |

15-09-14

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

Vrede is eten met muziek

Vredig eten is goed eten
Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
Voor een goede spijsvertering is het een vereiste
Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
Daarom eet men met muziek ook beter
Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
En later zelfs de overige dertig meter
Lange darmen in de buik

Vrede is goed eten met goede muziek
Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
Als men dan ook maar vredig loopt
En niet meemarcheert met een troep soldaten
Tegen andere soldaten
Dan is marsmuziek net zo bedorven
Als besmet voedsel

Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten
Want dansen is geen vechten
Wie danst houdt rekening met andere dansers
Zoals men onder het eten niet alle
Lekkere hapjes alleen verorbert maar die deelt
Met overig disgenoten.

 

 
Lucebert, En zij wendden zich af van het kruis, 1985

 

 

Van de econoom

onverschrokken bij braindrain de schoonprater
springt van nest naar vogel en blijft opgetogen
in de spaghetti van glossolalie lepelen

bepaalde aspecten moeten worden meegenomen
als je niet bepaalde effecten voorkomt
maar kunnen ook blijven liggen als vorm van antwoord
zoals de schepping ook is bepaald die met mensen in de supermarkt
al te toevallige offers heeft afgewend daar komen we onszelf tegen
in de ethiek van het economisch leven

zorgvuldig produceren en consumeren
er is een omslag ontstaan in de omgang
een kwestie van gewenning
invulling van verantwoordelijkheden meer vulsel
dat uitspruit tot vullus
toegevoegde waarde
strijkstok van strijkages

 

 
Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)
Lucebert, verkleed als Keizer der Vijftigers, 1954

Lees meer...

Karl Philipp Moritz

 

De Duitse schrijver, redacteur en essayist Karl Philipp Moritz werd geboren in Hamelin op 15 september 1756. Moritz werd geboren in arme omstandigheden. Na een gebrekkige schoolopleiding ging hij in de leer bij een hoedenmaker. Er volgen wat wanhopige pogingen om in zijn levensonderhoud te voorzien en toen trok hij de aandacht van een pastor in Hannover en kon hij het gymnasium gaan bezoeken. Al spoedig koos hij echter voor een engagement als acteur onder Ekhof in Gotha, wat evenwel geen succes werd en hij ging opnieuw studeren in Erfurt. Ook van deze stadie had hij weer snel genoeg. Hij sloot zich aan bij de Moravische kerk in Barby, en studeerde theologie in Wittenberg. Vervolgens doceerde hij filantropie aan het Potsdammer militaire weeshuis, om daarna snel weer zijn biezen te pakken. Lesgevend in Berlijn maakte hij naam als schrijver, predikant en dichter, en ging naar Engeland. Vervolgens werd hij leraar aan het gymnasium in Berlijn (Köllnisches Gymnasium). Ook probeerde hij van de Vossische Zeitung een proletarische krant te maken, maar dat mislukte. Later reisde hij naar Italië (1786), waar hij Goethe ontmoette, en bij zijn terugkeer naar Duitsland nam hij zijn intrek als gast bij Goethe in Weimar. Hertog Karl August hielp hem aan een positie aan de Berlijnse Academie van Wetenschappen, en in 1789 werd Moritz hoogleraar in de Theorie van de Schone Kunsten aan de Koninklijke Academie voor Kunsten in Berlijn. Onder zijn studenten waren Ludwig Tieck, Wilhelm Heinrich Wackenroder en Alexander von Humboldt. Hij was een fervent bewonderaar van Jean Paul en bevriend met Moses Mendelssohn en Asmus Jakob Carstens. Afgezien van een vier-delige autobiografische roman, “Anton Reiser”, en twee gewone “Andreas Hartknopf” romans schreef hij ook een aantal theoretische geschriften over esthetiek, in het bijzonder "Über die bildende Nachahmung des Schönen". Moritz ‚“ Magazin zur Erfahrungsseelenkunde als ein Lesebuch für Gelehrte und Ungelehrte“ was een van de eerste Duitstalige tijdschriften voor psychologie.

Uit: Anton Reiser

„In Pyrmont, einem Orte, der wegen seines Gesundbrunnens berühmt ist, lebte noch im Jahre 1756 ein Edelmann auf seinem Gute, der das Haupt einer Sekte in Deutschland war, die unter dem Namen der Quietisten oder Separatisten bekannt ist, und deren Lehren vorzüglich in den Schriften der Mad. Guion, einer bekannten Schwärmerin, enthalten sind, die zu Fénelons Zeiten, mit dem sie auch Umgang hatte, in Frankreich lebte.
Der Herr von Fleischbein, so hieß dieser Edelmann, wohnte hier von allen übrigen Einwohnern des Orts und ihrer Religion, Sitten und Gebräuchen ebenso abgesondert, wie sein Haus von den ihrigen durch eine hohe Mauer geschieden war, die es von allen Seiten umgab.
Dies Haus nun machte für sich eine kleine Republik aus, worin gewiß eine ganz andre Verfassung als rund umher im ganzen Lande herrschte. Das ganze Hauswesen bis auf den geringsten Dienstboten bestand aus lauter solchen Personen, deren Bestreben nur dahin ging oder zu gehen schien, in ihr ›Nichts‹ (wie es die Mad. Guion nennt) wieder einzugehen, alle Leidenschaften zu ›ertöten‹ und alle ›Eigenheit‹ auszurotten.
Alle diese Personen mußten sich täglich einmal in einem großen Zimmer des Hauses zu einer Art von Gottesdienst versammlen, den der Herr von Fleischbein selbst eingerichtet hatte, und welcher darin bestand, daß sie sich alle um einen Tisch setzten und mit zugeschloßnen Augen, den Kopf auf den Tisch gelegt, eine halbe Stunde warteten, ob sie etwa die Stimme Gottes oder das ›innre Wort‹ in sich vernehmen würden. Wer dann etwas vernahm, der machte es den übrigen bekannt.
Der Herr von Fleischbein bestimmte auch die Lektüre seiner Leute, und wer von den Knechten oder Mägden eine müßige Viertelstunde hatte, den sahe man nicht anders als mit einer von der Mad. Guion Schriften, vom ›innern Gebet‹ oder dergleichen, in der Hand in einer nachdenkenden Stellung sitzen und lesen.
Alles bis auf die kleinsten häuslichen Beschäftigungen hatte in diesem Hause ein ernstes, strenges und feierliches Ansehn. In allen Mienen glaubte man ›Ertötung‹ und ›Verleugnung‹ und in allen Handlungen ›Ausgehen aus sich selbst‹ und ›Eingehen ins Nichts‹ zu lesen.
Der Herr von Fleischbein hatte sich nach dem Tode seiner ersten Gemahlin nicht wieder verheiratet, sondern lebte mit seiner Schwester, der Frau von Prüschenk, in dieser Eingezogenheit, um sich dem großen Geschäfte, die Lehren der Mad. Guion auszubreiten, ganz und ungestört widmen zu können.”

 

 
Karl Philipp Moritz (15 september 1756 - 26 juni 1793)
Portret door Karl Franz Jacob Heinrich Schumann, 1791

19:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: karl philipp moritz, romenu |  Facebook |

14-09-14

Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty

 

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Hans Faverey op dit blog.

 

De boot, waarin zich

De boot, waarin zich
moet laten schommelen
een man. Een vrouw
aan wie wordt gedacht, door de man,

tot op het laatst misschien.
En dan de ogen te moeten sluiten
om te zien hoe, bij kalme zee
en bij helder zicht, de boot keer

op keer, steeds indringender,
dezelfde rotspunt raakt.

 

 

Zo eenvoudig

Zo eenvoudig als een waterdruppel,
zo helder als een splinter berkenhout,

Omdat het veulen geduldig en voorzichtig
uit het paard valt en kan staan,

De vis als een metalen traan ontluikt
en kan vliegen, de mens after all

Moeizaam leert zwijgen en wegzijn
tussen zijn gewapend steenslag,

Zo eenvoudig, zo helder is het niet
wat ik overhoud wanneer ik
mijn pen heb neergelegd.

 

 

Een witte raaf

op een witte walvis;
een waarnemend subject,
(gepostuleerd); geen water,

laat staan zout water -. Elkaar

voortdurend bijsturend, feed-
back, moeten zij maar zien
hoe zich uit deze tekst

te verwijderen

 

 

 
Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)

Lees meer...

Martyn Burke, Ivan Klima, Mario Benedetti, Eric van der Steen, Eckhard Henscheid, Uli Becker

 

De Canadese schrijver, journalist, regisseur en scenarioschrijver Martyn Burke werd geboren op 14 september 1952 in Toronto. Zie ook alle tags voor Martyn Burke op dit blog.

Uit: The Commissar's Report

“efore the great war, when I was a boy, we used to dream of what life was like in Enemy Number One. It was a time when dreams were precious. Terror hung like a fog in our city, and even though we were very young, we still knew about the midnight arrests and the deportations going on all around us. And what we didn't know, we could sense from the fear-etched faces of our parents, who would talk even to us in heroic and heavy phrases of socialist realism like we heard from the loudspeakers at the May Day military parades. It was as if our parents were afraid that we would turn them in.
Enemy Number One seemed like a distant paradise to us then.
We knew all about it from the pages of smuggled copies of Life magazine. Of course it was dangerous to be caught reading such a foreign magazine. (But how were we to know you could be shot for it?) All we cared about was hurrying home after school, running through the freezing streets where steaming horses wheezed under heavy loads and streetcars clanged and clattered among the grim, ragged throngs.
No one was home in our apartment for at least an hour after school, so my brother Yuri and I spent those precious moments staring into the pages of Life, with its photographs and advertisements of all those sleek people and those big Cadillacs and the skyscrapers in New York and Chicago. My imagination would stampede and before I knew it, I was walking around our high-ceilinged parlor with its overstuffed furniture and peeling plaster, pretending I was in a glittering ballroom in Philadelphia. I danced through the ancient odors of boiled cabbage as the after-school gloom fell away in the light of some distant candelabra.I hated the smell of boiled cabbage. I was sure that Enemy Number One did not smell of boiled cabbage.”

 

 
Martyn Burke (Toronto, 14 september 1952)

Lees meer...

13-09-14

Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl, James Shirley

 

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

 

Quelque part à un tournant du destin

Quelque part à un tournant du destin
les mains de Dieu sont pleines
de tulipes et de narcisses
cireux charnus rebelles
qui se balancent dans le vent du Nord-Ouest.

Mon âme deviendra-t-elle la fumure
sur laquelle poussera quelque chose de neuf
de moins incertain
de moins instable
qui serait comme un arbre à sept branches ?
Ou bien se noiera-t-elle un jour
semblable à aujourd’hui
dans ce lac
où dérive la Terre
dans ce regard là-haut
dans cet œil bleu et froid de prophète ?

 

 

1er SEPTEMBRE 1986

À la radio, on parle du début de la deuxième guerre mondiale. Nous sommes assis autour de la table de la cuisine. Nous nettoyons des groseilles. À Berlin, les cache-fenêtres étaient prêts depuis longtemps. La radio grésille. Aux armes citoyens ! Nous avons voyagé dans le coin d’un wagon de marchandises. À la frontière, on nous a fait sortir. Vraiment, comme il est drôle d’être vivant. Les groseilles rouges brillent à la lumière de la lampe. L’été a été chaud et ensoleillé. Les groseilles sont très sucrées cette année, et celles-ci sont déjà bien mûres. Mais les écraser contre le palais procure un plaisir acide. La Pologne était très fière de sa cavalerie. J’imagine des chevaux blancs, seulement des chevaux blancs. Ça devrait suffire pour le sucre. Tjomnaïa notch, tolko pouli svistjat po stepi. La radio estonienne s’entend mal ici. Je tourne le bouton. Polonais, letton, russe, finnois. L’Estonie, c’est ici. Et aussi à l’est, au delà de la mer. À l’ouest, de l’autre côté, c’est la Suède, et l’île de Farö où habite Ingmar Bergman. Sur l’île d’Åland, il y a des villas où l’on écoute peut-être la même musique en ce moment. Ce craquement me dérange. J’éteins la radio. Les papillons de nuit se cognent contre la vitre. L’ampoule de cent watts dans la cuisine les attire de loin. La nuit est si chaude aujourd’hui, si douce, si paisible. Tout est calme dans les grands arbres. Calme dans les champs obscurs.

 

Vertaald door Antoine Chalvin met hulp van de auteur

 

 
Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees meer...

Eginald Schlattner, Warren Murphy, Johannes Poethen, Francis Yard, Anton Constandse, Muus Jacobse, J. B. Priestley

 

De Duitstalige, Roemeense, schrijver en pastor Eginald Schlattner werd geboren in Arad op 13 september 1933. Zie ook alle tags voor Eginald Schlattnerop dit blog en ook mijn blog van 13 september 2010.

Uit: Das Klavier im Nebel

„Die Gäste durchquerten den Vorraum wie ein Minenfeld. Im venezianischen Salon waren die Perserteppiche mit einer Zellophanfolie geschützt. Schritt man darüber, kräuselte sich das ätherische Gebilde unter den Füßen. „Faites attention! Mon Dieu, mon Dieu! Les tapis, notre seule fortune!“ rief die Tante. Sie schlug die Hände vors Gesicht. Die Rubine an ihren Fingern funkelten. An jedem Finger glänzte ein anderer Ring. Acht Goldringe und einer am Daumen machten die Kollektion aus. Sie selbst schien über den teuren Teppichen zu schweben.
„Er ist zwar der Hausherr. Aber sie ist der Herr im Haus“, flüsterte Clemens Rodica zu. „Der scharlachrote Hausdrache!“
Trotzdem: Clemens war geradezu entzückt, um so mehr ihm Schlimmes geschwant hatte. Ja, sogar eine lange Hose kaufte er, wie doamna Ingrid es wünschte. „Ihr Wunsch ist mir Befehl“, sagte er galant, und sie schlug weit die Augendeckel auf.
Und erläuterte: „Nu poþi face promenadã la Bucureºti, dragã Clemente, în pantaloni scurþi, deasupra din Tirolia.“ Unmöglich, hier in kurzen Tirolerhosen herumzulaufen. Das rufe die Besetzung Bukarests durch die Deutschen 1916 bis 1918 in Erinnerung. Unselig waren im Gedächtnis der Bevölkerung die drakonischen Dekrete der deutschen Militärregierung verwahrt geblieben. „Sogar wie man ein Klosett benützt, wurde vorgeschrieben.“ So galten für die ganze Walachei millimetergenau gezeichnete Pläne von Aborten mit der Innenarchitektur im Detail. „Sogar das Kackloch war angegeben: Durchmesser 240 Millimeter. Die Kinder fielen in die Grube und schrieen jämmerlich, und die dicken Pfarrfrauen und behäbigen Gutsherrinnen schlugen sich mit schlechtem Gewissen in die Büsche. Denn die Deutschen kontrollierten alles mit humorloser Strenge. Seit damals sagt der Rumäne: Sei ein Mensch, kein Deutscher …“

 

 
Eginald Schlattner (Arad, 13 september 1933)

Lees meer...

Miroslav Holub

 

De Tsjechische dichter en immunoloog Miroslav Holub werd geboren op 13 september 1923 in Pilsen. Holub werkte als wetenschappelijk medewerker aan het biologisch instituut in Praag. Pas tijdens de dooi (van de 'verbanning' van kunst in de USSR) in de tweede helft van de jaren '50 publiceerde hij zijn gedichten. Samen met Milan Kundera en anderen stichtte hij het poëzieschrift 'Kveten' (Mei). Door zijn actieve deelname aan de Praagse lente werd hij na de inval ontslagen aan het onderzoeksinstituut en verdwenen zijn boeken uit de rekken van bibliotheken en winkels. Pas na de publieke schuldbekentenis kreeg hij een nieuwe functie, maar zijn poëzie bleef verbannen tot 1982. Zijn werk is vertaald in meer dan 30 talen en is vooral populair in de Engels-sprekende wereld. Zijn eerste boek in het Tsjechisch was “Denni slu¸ba” (1958). In het Engels werd het voor het eerst gepubliceerd in de Observer in 1962 en vijf jaar later verscheen een keuze uit de gedichten in de Penguin Modern European Poets imprint,, met een inleiding door Al Alvarez en vertalingen door Ian Milner en George Theiner. Holub's werk werd geprezen door velen, waaronder Ted Hughes en Seamus Heaney, en zijn invloed is zichtbaar in Hughes '​​collectie Crow (1970). Naast poëzie schreef Holub vele korte essays over diverse aspecten van de wetenschap, in het bijzonder de biologie en de geneeskunde (met name immunologie).In de jaren 1960, publiceerde hij twee boeken met wat hij noemde 'semi-reportages', over uitgebreide bezoeken aan de Verenigde Staten.

 

Brief reflection on accuracy

Fish
    always accurately know where to move and when,
    and likewise
    birds have an accurate built-in time sense
    and orientation.

Humanity, however,
    lacking such instincts resorts to scientific
    research. Its nature is illustrated by the following
    occurrence.

A certain soldier
    had to fire a cannon at six o’clock sharp every evening.
    Being a soldier he did so. When his accuracy was
    investigated he explained:

I go by
    the absolutely accurate chronometer in the window
    of the clockmaker down in the city. Every day at seventeen
    forty-five I set my watch by it and
    climb the hill where my cannon stands ready.
    At seventeen fifty-nine precisely I step up to the cannon
    and at eighteen hours sharp I fire.

And it was clear
    that this method of firing was absolutely accurate.
    All that was left was to check that chronometer. So
    the clockmaker down in the city was questioned about
    his instrument’s accuracy.

Oh, said the clockmaker,
    this is one of the most accurate instruments ever. Just imagine,
    for many years now a cannon has been fired at six o’clock sharp.
    And every day I look at this chronometer
    and always it shows exactly six.

Chronometers tick and cannon boom.

 

Vertaald door Ewald Osers

 

 

 
Miroslav Holub (13 september 1923 - 14 juli 1998)

14:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: miroslav holub, romenu |  Facebook |

12-09-14

Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt

 

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zieook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog.

Uit: The English Patient

She stands up in the garden where she has been working and looks into the distance. She has sensed a shift in the weather. There is another gust of wind, a buckle of noise in the air, and the tall cypresses sway. She turns and moves uphill toward the house, climbing over a low wall, feeling the first drops of rain on her bare arms. She crosses the loggia and quickly enters the house.
In the kitchen she doesn't pause but goes through it and climbs the stairs which are in darkness and then continues along the long hall, at the end of which is a wedge of light from an open door.
She turns into the room which is another garden--this one made up of trees and bowers painted over its walls and ceiling. The man lies on the bed, his body exposed to the breeze, and he turns his head slowly towards her as she enters.
Every four days she washes his black body, beginning at the destroyed feet. She wets a washcloth and holding it above his ankles squeezes the water onto him, looking up as he murmurs, seeing his smile.
Above the shins the burns are worst. Beyond purple. Bone.
She has nursed him for months and she knows the body well, the penis sleeping like a sea horse, the thin tight hips. Hipbones of Christ, she thinks. He is her despairing saint. He lies flat on his back, no pillow, looking up at the foliage painted onto the ceiling, its canopy of branches, and above that, blue sky.
She pours calamine in stripes across his chest where he is less burned, where she can touch him. She loves the hollow below the lowest rib, its cliff of skin. Reaching his shoulders she blows cool air onto his neck, and he mutters.
What? she asks, coming out of her concentration.
He turns his dark face with its gray eyes towards her. She puts her hand into her pocket. She unskins the plum with her teeth, withdraws the stone and passes the flesh of the fruit into his mouth.
He whispers again, dragging the listening heart of the young nurse beside him to wherever his mind is, into that well of memory he kept plunging into during those months before he died.“

 

 
Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

Lees meer...

11-09-14

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova

 

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

Uit: Congo

“Het is nog steeds de zee, uiteraard, maar je ziet dat er iets is veranderd, iets aan de kleur. De brede, lage golven deinen nog steeds even vriendelijk, er is nog steeds alleen maar oceaan, maar het blauw raakt gaandeweg bezoedeld met geel. En dat levert geen groen op, zoals je van de kleurentheorie nog weet, maar troebelheid. Het schitterende azuur is verdwenen. De turkooizen rimpeling onder de middagzon is weg. Het peilloze kobalt waaruit de zon opsteeg, het ultramarijn van de schemering, het loodgrijs van de nacht: voorbij.
Vanaf hier is alles sop.
Gelig, oker, roestig sop. Je bent nog honderden zeemijlen van de kust verwijderd, maar je weet: dit is het begin van land. De kracht waarmee de Congo-rivier in de Atlantische Oceaan uitmondt, is zo groot dat het zeewater over vele honderden kilometers anders kleurt.
Wie vroeger voor het eerst met de pakketboot naar Congo voer, dacht bij die verkleuring dat hij er bijna was. Maar bemanning en oudgedienden van de kolonie maakten de nieuweling snel duidelijk dat het vanaf hier nog twee etmalen varen was, etmalen waarop de nieuweling kon zien hoe het water steeds bruiner werd, steeds vuiler. Staande aan de reling van de achtersteven zag hij het groeiende contrast met het blauwe oceaanwater dat de schroef uit diepere lagen bleef ophalen. Na verloop van tijd dreven dikke pollen gras voorbij, zoden, eilandjes die de rivier had uitgespuwd en die nu verdwaasd ronddobberden op de oceaan. Door de patrijspoort van zijn kajuit ontwaarde hij naargeestige vormen in het water, ‘brokken hout en ontwortelde boomen, die lang geleden uit donkere oerwouden waren afgerukt, want de zwarte stammen waren bladloos en de kale stompen van dikke takken wentelden soms even aan het oppervlak en doken dan weer neer’.
Op satellietbeelden zie je het duidelijk: een bruinige vlek die zich tijdens de piek van het moessonseizoen uitstrekt tot achthonderd kilometer westwaarts. Het lijkt wel een lek van het vasteland. Oceanografen spreken van de ‘Congo-waaier’ of de ‘Congo-rookpluim’. Toen ik er voor het eerst luchtfoto’s van zag, moest ik denken aan iemand die zich de polsen had doorgesneden en ze onder water hield – maar dan eeuwig.”

 

 
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)

Lees meer...

Merill Moore

 

De Amerikaanse dichter en psychiater Merill Moore werd geboren op 11 september 1903 in Columbia, Tennessee. Moore bezocht de Nashville Vanderbilt University, waar hij lid was van “The Fugitives”, een groep van toen nog onbekende dichters die elkaar ontmoetten om elkaars gedichten te lezen en te bekritiseren. Hij droeg veel bij aan de vergaderingen van de groep en, vanaf 1922, aan het gelijknamige tijdschrift, waarin zijn vroegste bijdragen werden gepubliceerd onder het pseudoniem "Dendric" naast het werk van John Crowe Ransom, Donald Davidson, Allen Tate en Robert Penn Warren en anderen. Moore behaalde een medische graad aan de Vanderbilt universiteit in 1928. Na de dood van zijn vader in 1929 verhuise hij naar Boston en, behalve voor militaire dienst tijden WO II, bracht hij de rest van zijn carrière daar door. Moore was nauw bevriend met de families van Robert Frost en Robert Lowell die hij ook een paar keer als psychiater bij stond. Na WO II speelde Moore een belangrijke achter de schermen rol in de controverse rond Ezra Pound als lid van een groep van letterkundigen die ervoor zorgde dat het dichter ontsnapte aan een rechtzaak wegens verraad i.v.m. zijn radio-propaganda ter ondersteuning van Mussolini. Gedurende zijn carrière schreef Moore een groot aantal sonnetten. Schattingen lopen uiteen, maar in 1935 had Louis Untermeyer 25.000 geteld, iets meer dan twee jaar later, een 1938 kwam de New Yorker op een totale productie van 50.000. Hoewel hij vooral bekend werd als dichter stond Merrill Moore hoog aangeschreven als een scherp en effectief psychiater en een beoefenaar van een progressieve gerichte psychiatrische interventie.

 

How She Resolved to Act

I shall be careful to say nothing at all
About myself or what I know of him
Or the vaguest thought I have - no matter how dim,
Tonight if it so happen that he call."

And not ten minutes later the door-bell rang,
And into the hall he stepped as he always did,
With a face and a bearing that quite poorly hid
His brain that burned and his heart that fairly sang,
 
And his tongue that wanted to be rid of the truth.
As well as she could, for she was very loath
To signify how she felt, she kept very still,
But soon her heart cracked loud as a coffee mill,
And her brain swung like a comet in the dark,
And her tongue raced Eke a squirrel in the park.

 

 

The Book of How

After the stars were all hung separately out
For mortal eyes to see that care to look,
The one who did it sat down and wrote a book
On how he did it. It took him about
As long to write the book as to do the deed,
But he said, "It's things like this we mostly need."
And the angels approved but the devils screamed with laughter,
For they knew exactly what would follow after.

For somehow he managed entirely to omit
The most important facts in accomplishing it:
Where he got the ladder to reach the stars;
And how he lighted them, especially Mars;
And what he hung them on when he got them there,
Eternally distant and luminous in the air.

 

 

Compulsive scholar, extraordinary latinist

He was always very careful about his dative.
He was careful about his ablative absolute.
He spoke in Latin more carefully than a native.
He said very little that anyone could refute.

He was in fact a very careful man
Or had been so at least since we had known him.
He was careful when he walked and when he ran.
He gave us little reason to disown him.

He was so careful, careful about what he ate.
He was so careful about everything he wore.
He was so careful in argument and debate.
He tried so carefully not to be a bore.
He was so careful about everything he did.
He never told us what his caution hid.

 

 

 
Merill Moore (11 september 1903 – 20 september 1957)

18:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: merill moore, romenu |  Facebook |

10-09-14

Andreï Makine, Franz Werfel, Paweł Huelle, Mary Oliver, Eddy Pinas, Jeppe Aakjær

 

De Franse schrijver van Russische afkomst Andreï Makine werd geboren in Krasnojarsk op 10 september 1957. Zie ook mijn blog van 10 september 2010. en eveneens alle tags voor Andreï Makine op dit blog.

Uit: Dreams of My Russian Summers (Le Testament français, vertaald door Geoffrey Strachan)

„Throughout this parade of expressions and faces there recurred here and there that of a woman with fine, regular features and large gray eyes. Young at first, in the earliest of the albums, her smile was suffused with the secret charm of the "petite pomme." Then, with age, in the more recent albums, closer to our time, this expression became muted and overlaid with a veil of melancholy and simplicity.
It was this woman, this Frenchwoman, lost in the snowy immensity of Russia, who had taught the others the words that bestowed beauty. My maternal grandmother... She was born in France at the beginning of the century in the family of Norbert and Albertine Lemonnier. The mystery of the "petite pomme" was probably the first of the legends that enchanted our childhood. And these were also among the first words we heard in that language that my mother used, jokingly, to call "your grandmaternal tongue."
One day I came upon a photo I should not have seen.... I was spending my holidays with my grandmother in the town at the edge of the Russian steppe where she had been stranded after the war. A warm, slow summer dusk was drawing in and flooding the rooms with a mauve glow. This somewhat unearthly light fell upon the photos that I was examining before an open window, the oldest snapshots in our albums. The pictures spanned the historic watershed of the 1917 revolution; brought to life the era of the tsars; and, moreover, pierced the iron curtain, which was then almost impenetrable, transporting me at one moment to the precinct of a gothic cathedral and the next into the pathways of a garden where the precise geometry of the plants left me perplexed. I was plunging into our family prehistory.
Then suddenly this photo!
I saw it when, out of pure curiosity, I opened a large envelope that had been slipped between the last page and the cover. It was that inevitable batch of snapshots that have not been judged worthy to appear on the rough cardboard of the pages, landscapes that can no longer be identified, faces that evoke neither affection nor memories. One of those batches you always tell yourself you must sort through one day, to decide the fate of all these souls in torment.... “

 

 
Andreï Makine (Krasnojarsk, 10 september 1957)

Lees meer...

09-09-14

C. O. Jellema, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez, Cesare Pavese

 

De Nederlandse dichter, essayist en germanist C. O, Jellema werd geboren op 9 september 1936 in Groningen. Zie ook mijn blog van 9 september 2010 en eveneens alle tags voor C. O. Jellema op dit blog.

 

't Huis Tijdverblijf

Honden van buxus die de stoep bewaken.
Het is geen kunst. Want niemand wordt er bang
van. Wat zou moeten. 't Duurt immers niet lang
- hoe lang hangt van mijn zorg af - of zij raken

vanuit de wortel uit hun vorm: kunstzaken
waarvan de groei, geleid door draad en tang,
gedacht is tot gedaante. Ik ontvang
tussen hen door. Gasten. Die zij vermaken.

En zij zijn twee: natuur en onnatuur.
of drie: plant, dier en geest. Zij weten
niet wat zij doen. Zij zien mij niet als derde.

Dat moet ik doen. Mijn hand. En hoe zij werden
bewaar ik. ik moet zijn wat zij vergeten.
Toch herder. Wat het ook bang maakt op den duur.

 

 

Landschap met dode muis

Zo'n dood gebeurt - neem onvergetelijke
zonsondergangen in het dunste blauw
van winter, voor een ogenblik aanschouw
hun roden, violetten, die bezwijken

als uit geboomte duisternis, een uil
zichtbaar onhoorbaar neerglijdt en zich spreiden
vleugels tot vrees waaraan een prooi zal lijden:
noem onverzettelijk mooi klauw en kuil.

Een dood geschiedt, geschiedenis wil sterven;
geeft dat ons zijn afzienbaar is een zin? -
onvoorzien derven van de lust te leven,

zonder besef van schoonheid, weet van scherven,
zonder geluk gerust: een dier gaat in
vertrouwen heen, het sterft, hier ergens, even.

 

 

Bladval

De boom heeft uitgestrooid waarmee hij groende
toen 't jaar aan een verwachting ging voldoen
en voorjaar werd, verzadigder dan toen
men, jong, zonder verleden, zelf nog doende

gedachten te ontvouwen, zo'n seizoen
in zich als iets oneindigs opens voelde
en, onbewust nog, wist wat het bedoelde
te zijn: meer dan alleen ontluikend groen.

Bladval, sermoen van herfst. En in verzet
tegen het sneller draaien van de jaren
wier kringloop al in aanvang was voltooid,

harkt men gehaast, van hoger doel berooid,
tuinpaden schoon – want tussen al die blaren
ziet men zijn hand, de rest ervan, 't skelet.

 

 
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

Lees meer...

Wim Huijser

 

De Nederlandse publicist, schrijver en biograaf Wim Huijser werd geboren op 9 september 1960 in Ridderkerk. Hij volgde een HBO opleiding in Rotterdam en werkte vervolgens als docent aan de Scholengemeenschap Rijnmond, Katwijk, waarna hij projectmanager werd bij VNU Tijdschriftengroep. Er volgden diverse functies in het bladenvak. In 1995 publiceerde hij over dat vak: 'Bladenmakers en makers van bladen'. Sinds 2003 is hij actief als de biograaf van de Dordtse schrijver, dichter, vertaler, essayist C. Buddingh’ (1918-1985). Naast publicaties over Buddingh’ stelde hij in 2003 voor De Bezige Bij de bundel “Alle gorgelrijmen” samen. In 2010 bezorgde hij Buddingh’s verzamelde gedichten onder de titel “Buddingh’ Gebundeld” voor uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Voor het Dordrechts Museum stelde hij in 2012 de tentoonstelling “Kastjes Kijken” samen, over het beeldend werk van Buddingh’. Daarvan verscheen ook het gelijknamige boek.

Uit: Dichter bij Dordt. Biografie van C. Buddingh'

“Voor iedereen die aanwezig is wordt Poëzie in Carré een legendarische avond. Bijna tweeduizend poëzieliefhebbers komen maandag 28 februari 1966 op het dichtersfeest af. Men is totaal niet gewend aan dichters die een podium beklimmen. Als het doek opengaat, zitten daar vijfentwintig dichters aan een rijkgevulde tafel, met Adriaan Roland Holst als oudste dichter van het gezelschap in het midden. Na de jonge dichter K. Schippers is hij als tweede aan de beurt. Begroet met een roff elend donderend applaus draagt hij zijn gedicht voor: ‘Eens zullen allen/ die tussen ons kwamen / zijn weggevallen...’ Het vers oogst een storm van bijval en een staande ovatie, die door de dichters aan de tafel wordt overgenomen. De ‘Prins der dichters’ mag dan hees zijn, hij is beslist nog niet ouderwets. Na hem volgen onder anderen Hans Verhagen, Louis Th. Lehmann en Jules Deelder. Elk van hen krijgt precies zeven minuten toegewezen. Als tiende in de rij treedt de Dordtse dichter C. Buddingh’ aan. Ietwat schuchter zet hij zijn eerste vers in. Ofschoon zijn stem aanvankelijk nog iel en voorzichtig klinkt, zullen zijn woorden nog lang nagalmen in de Nederlandse poëzie. Na slechts enkele regels heeft de 48-jarige Buddingh’ de zaal in zijn ban. Dan begint hij aan zijn gedicht ‘Pluk de dag’:

vanochtend na het ontbijt
ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,
dat het deksel van een middelgroot potje marmite
(het 4 oz net formaat)
precies past op een klein potje heinz sandwich-spread

Het publiek barst los in gelach en applaus. De ietwat verlegen dichter lacht nerveus en maant met vlakke hand het publiek tot stilte; hij is nog niet klaar.”

 

 
Wim Huijser (Ridderkerk, 9 september 1960)

19:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wim huijser, c. buddingh', romenu |  Facebook |