17-09-13

H.H. ter Balkt, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre

 

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor H. H. Ter Balkt  op dit blog.

 

 

Hoe een wijnkelder te beginnen

aan Vuurpijl

Neem vijftig flessenscherven.
Honderd stevige flessenscherven.
Flessenscherven die goed gebouwd zijn.
Vijfhonderd gelukkige flessenscherven.

Het is erg interessant om de scherven
in een jute zak of wijnkist te stoppen,
de groene scherven op de groene of
de witte op de witte te stapelen.

Scherven van wijnkruiken, wijnflessen.
Scherven van frankrijk en duitsland.
Voor het oog van de wijnetiketten
zijn alle flessenscherven gelijk.

Omdat het oog het zijne wil, voeg
aan de kelder aarde toe, zout, sterren.
Mooier nog: de adel van een straatkat
ondergegaan in een goed wijnjaar.

 

 

 

Spreuken van de donder

 

Klopper kleurt zich met 't hout van de deur.
Wie de stad met list bouwt, de burcht met onrecht,
die zal vallen. Wie raaskalt zal verdwalen,
hartenscheurders worden zure regen.

Wie vervoering dooft, van tombe naar tombe
tolt hij. Die 't water teert, zoet DDT
kust vroeger dan hij de engelenveer.
Nog niet eerder snelwandelden veenlijken.

Hinnikten paarden harder voor hun wagen,
zag ik in de straten kinderen banger.
Rogge en haver wilden hondsdraf zijn.

Onbarmhartig werden zelfs de zandwegen
en handenwringend boog de ellendige.
De rivier van vonken, de luchten vuur.

 

 

 

 

De mollen

 

Bij zijn opgedroogde zwarte Styx graaft Charon
de veerman, zijn roeispanen klauwen geworden,
wachter van de ivoren poorten en oogschaduw;
aarde geworden zwijgen de vliegende mythen
onder de zilveren gesp van De Dolfijn en Zwaan
bij de onderaardse Styx, de boot van gebeente.

Zachtzinnige ondermijners in hun bontjassen
van Russische adel uit de tijden van De Mantel
rusten de mollen geworden Charons in hun gangen
nachtzwart uitgestrekt in ondergrondse burchten,
seinend naar t landvolk met signalen van aarde
'Land in zicht' mompelend tussen hun tanden...

 

 

 

H.H. ter Balkt (Usselo, 17 september 1938)

Lees meer...

16-09-13

Breyten Breytenbach, Frans Kusters, James Alan McPherson, Michael Nava, Hans Arp

 

De Zuid-Afrikaanse schrijver en dichter Breyten Breytenbach werd geboren op 16 september 1936 in Bonnievale. Zie ook mijn blog van 16 september 2010 en eveneens alle tags voor Breyten Breytenbach op dit blog.

 

 

onderweg

 

‘somewhere halfway from here

there are half-empty boxes’

 

nu is elke nacht een reis

door onbekende landschappen

van licht en van schaduwen

over barre vlakten

of ineens door ravijnen

met druipende exotische bomen

 

soms is er een dood dorp

een modderglinsterende hond

met gesperde kaken vastgekolkt

in de koplichten

maar nooit een levende ziel

 

en elke nacht is er de bestuurder naast mij

een allang vergeten dode vriend

een dode broer van wie ik niets weet

 

nu is elke nacht een bittere woordenstrijd

want waarheen zijn we onderweg?

ik wil de praatjes niet meer horen

 

nu klim ik er elke ochtend uit de dag in

met een zere keel van stof en schrijven

 

 

Vertaald door Laurens Vancrevel

 

 

 


Dein Brief

Dein Brief ist glänzender und größer
als der Gedanke an eine Blume, wenn der Traum
ein Garten ist –

als sich dein Brief öffnet:
ein Auffalten von Himmel, Wort von außen
weite Räume

ich schlief in grünen Weiden
während der letzten Nachtwache
lag ich auf der Schwelle zum Tal der Schatten
und hörte wie man die zum Tod Verdammten
durch Tunnel in die Erde führte

wie sie singen
ihr Atem an den Lippen
ein Bewohner, der eben fortgehen will
eine Stadt in Flammen, wie sie singen
ihr Atem aus Fesseln

wie sie singen –
sie, die aus dem Licht ins Dunkel springen
sie, die man ohne Ziel verschickt –
schrecklich spür ich diese Schändung

der Tisch vor mir im Beisein meiner Feinde
ist blank, Asche bedeckt meinen Kopf
mein Krug ist leer  

ich floh in deinen Brief und wollte lesen
vom Orangenbaum, geschmückt mit weißen Blüten
die sich in der Sonne öffnen

ich konnte sie riechen, auf dem Balkon –
ich kann dich riechen
lieblicher und lichter als der Gedanke an eine Blume
in dieser düsteren Nacht

bald werde ich am Himmel deiner Worte hängen –
gib dass ich deinen Brief
mein Leben lang bewohnen kann

Envoi
dein Brief ist herrlich, glänzender und größer
als der Gedanke an eine Blume, wenn der Traum
die Erde eines Gartens ist –

als sich dein Brief öffnet:
ein Auffalten von Himmel, Wort von außen,
Erinnerung

 

 

Vertaald door Uljana Wolf

 

 

 

 

Breyten Breytenbach (Bonnievale, 16 september 1936)

Lees meer...

15-09-13

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie

 

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

 

Over schilders IV

 

het atelier staat wijd open
maar eerst worden van licht de tere benen
gebroken voordat de bezoeker zo kan staan
als de schilder zijn bezoeker droomt

maar vaak is de bezoeker in het atelier
een haan met haar en veel
zitvlees met stemverheffing
geen schilderij kan hem aan

soms ook komt als op kousevoeten
de beschouwende bezoeker die diep in gedachten
wat mee- nee wat napenseelt
omdat juist die kompositie die kleur niet past
bij zijn kiekeboe-museumcarrière of kamer
bij zijn kiekeboe-ega of zijn kiekeboe-kantoor

al die gasten waren toch gewaarschuwd
op het palet blijft het eeuwig een smeerboel
parasieten beulen zelfs de koddebeier van 't heelal
alles roert in de verf fervent en met verve

et la belle peinture o la la dat is het móóie schilderen
dat is uit de knieën van geknielde spuiten tranen
omdat zij zich schamen voor het bloed dat niet is te stuiten

 

 

 

 

Lucebert, Orpheus en de dieren, 1952

 

 

 

kleine strateeg

 

de kleine zonnetafel was immens
waaraan ik als kind mijn dromen speelde
de bergen hier de dalen daar
en het gevaar daartussen met zijn woeste baard

alles was toen geel onder gelukkige ogen
geen schaduw werd er ingedeeld
zelfs de despoot bleef onbewogen en in stilte
aan de altijd zingende slaven uitgespeeld

 

 

 

Slaap

 

De oude wind beweent met as de gouden zee
daarop traag en treurend drijft de dag weg
het sterft het streng en trouw gesprek en een zucht
verheft zich tussen de donkere doornen
wit schichtig de tred van de maan

In de diepte en onder zwijgzaamheid
trekken toekomstige handen naar
het werk aan waters en aan de wortel.

In wolken echter rusten
nu overbodige ogen uit
hun ijle vleugels sluiten alom
in het sterstijve licht.

 

 

 

 

Lucebert (15 september 1924 - 10 mei 1994)

Lees meer...

Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, Jim Curtiss, Ina Seidel

 

De Turkse schrijver Orhan Kemal (eig. Mehmet Raşit Öğütçü) werd geboren op 15 september 1914 in Ceyhan. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Orhan Kemal op dit blog.

 

Uit: The Idle Years (Vertaald door Cengiz Lugal)

 

“Off we went. We eventually found the docks and walked around all the tobacco warehouses there. And, sure enough, by lunchtime, there was Nejip, standing in front of us, covered in a filthy brown layer of muck. He stank of tobacco. He could not believe his eyes. He hugged me, hugged Gazi, then hugged me again. Then he went inside a warehouse and asked for a short break. He shoved us into the restaurant next door and told us to have ourselves a good meal.
   ‘I’ve got to get back now,’ he said, ‘but when you’re finished here you can wait for me at the café. I’ll have a word, so don’t you pay for anything!’
   Gazi had already sat down. ‘Don’t just stand there,’ he said to me. ‘Sit down, and let’s tuck in!’ He impatiently tapped his fork on his plate.
   ‘Let’s not get too carried away,’ I warned, ‘because…’
   ‘Leave me alone. I’m so hungry I can’t see straight. Waiter, excuse me, over here…. These waiters are a bit dozy… Hey, waiter, over here’
   The waiter came over.
   ‘First,’ said Gazi, ‘bring me some cold dolma… Or, no, wait. I’ll have hot dolma, but make sure the chef gives me some big ones!’
   The waiter chuckled as he went off.
   ‘What are you staring at?’ Gazi asked me. ‘I’m going to eat a week’s worth. What’s it to you? But how did Nejip know we were hungry? Do we look that starved, I wonder? That’s what you call a friend. One look at us, and he could tell we were hungry. Good on him!’

 

 

 

Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970)
Cover

Lees meer...

Claude McKay


De Jamaicaanse dichter en schrijver Festus Claudius " Claude " McKay werd geboren op 15 september 1890 in Sunny Ville, Clarendon, Jamaica. McKay was het jongste kind uit een groot gezin. Zijn vader was een relatief welvarende landeigenaar, een uitzondering onder donker gekleurde mensen. De familie hechtte waarde aan onderwijs en de literaire ambities van Claude McKay werden ook ondersteund door Walter Jekyll, een Engels kolonist. Hij hielp bij de publicatie van de eerste dichtbundel “Songs of Jamaica” in 1912. Deze vijftig gedichten waren ook de eerste gedrukte gedichten in het Jamaicaanse patois, de taal van de arme bevolking van het eiland . In McKays “Constab Ballads” uit hetzelfde jaar waren zijn ervaringen als politieagen verwerkt. In 1912 verliet hij het ​​eiland om in Charleston, South Carolina, het Tuskegee Institute van Booker T. Washingtonte bezoeken. Later verhuisde hij naar het Kansas State College, waar hij voor het eerst politiek actief werd. In 1914 brak hij zijn studie af. Hij verhuisde naar New York, naar Harlem en opende een restaurant en trouwde met zijn jeugdliefde Eulalie Imelda Lewars. Huwelijk en bedrijf waren geen succes en zijn vrouw ging terug naar Jamaica. McKay publiceerde in 1917 de gedichten “The Harlem Danser” en “Invocation”. Frank Harris, hoofdredacteur van de Amerikaanse editie van Pearson's Magazine en Max Eastman van The Liberator kregen belangstelling voor hem. In 1919-1920 woonde hij in Londen, las Karl Marx en ging al snel werken voor Workers Dreadnought, de socialistische krant van Sylvia Pankhurst. In 1920 verscheen de bundel “Spring in New Hampshire”, in 1922 zijn belangrijkste werk “Harlem Shadows”. In november 1922 gaf hij een toespraak op het Vierde Congres van de Derde Internationale in Moskou. Hij bleef zes maanden in Rusland. In 1925 voltooide hij zijn eerste roman “Color Schem”, maar deze werd niet gepubliceerd. In 1926-1927 woonde hij in Marseille. Zijn roman “Home to Harlem” verscheen in 1928 en werd een bestseller. Vanaf 1930 tot het einde van 1933woonde hij in Marokko . Vroeg in 1934 keerde hij terug naar New York. In 1940 werd hij tot Amerikaan genaturaliseerd. In 1944 stapte hij over naar de Rooms-Katholieke kerk.

 

Harlem Shadows

I hear the halting footsteps of a lass
In Negro Harlem when the night lets fall
Its veil. I see the shapes of girls who pass
To bend and barter at desire's call.
Ah, little dark girls who in slippered feet
Go prowling through the night from street to street!

Through the long night until the silver break
Of day the little gray feet know no rest;
Through the lone night until the last snow-flake
Has dropped from heaven upon the earth's white breast,
The dusky, half-clad girls of tired feet
Are trudging, thinly shod, from street to street.

Ah, stern harsh world, that in the wretched way
Of poverty, dishonor and disgrace,
Has pushed the timid little feet of clay,
The sacred brown feet of my fallen race!
Ah, heart of me, the weary, weary feet
In Harlem wandering from street to street.

 

 

Spring in New Hampshire

Too green the springing April grass,
Too blue the silver-speckled sky,
For me to linger here, alas,
While happy winds go laughing by,
Wasting the golden hours indoors,
Washing windows and scrubbing floors.

Too wonderful the April night,
Too faintly sweet the first May flowers,
The stars too gloriously bright,
For me to spend the evening hours,
When fields are fresh and streams are leaping,
Wearied, exhausted, dully sleeping.

 

 

December, 1919

Last night I heard your voice, mother,
The words you sang to me
When I, a little barefoot boy,
Knelt down against your knee.

And tears gushed from my heart, mother,
And passed beyond its wall,
But though the fountain reached my throat
The drops refused to fall.

'Tis ten years since you died, mother,
Just ten dark years of pain,
And oh, I only wish that I
Could weep just once again.

 

 

 
Claude McKay (15 september 1890 - 22 mei 1948)

15:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: claude mckay, romenu |  Facebook |

14-09-13

Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty

 

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Hans Faverey op dit blog.

 

 

Plotseling vliegt er een smak

 

Plotseling vliegt er een smak
water door de kamer; en is
in de zijmuur verdwenen.

Voor mijn ogen voltrekt zich het wonder,
zoals ik mij herinner, opnieuw. Voordat
de kamer wordt volgestort met herte-
geweien, sta ik al op de gang; indachtig
het alarm. Nu het veilig is, kijk ik
het trapgat in, en luister

hoe beneden op de deurmat
de Echo ritselend
en knisperend verpulvert.

 

 

 

Waar ik op heb gewacht

 

Waar ik op heb gewacht
maakt zich van mij meester;

en laat mij kort daarop los

ik ben gehuld in mijzelf

en dezelfde dingen zijn nog
van kracht: het ene doet niet
onder voor het andere.
Nadat ik zo geweest ben

wordt aarzeling betracht.

Het restant doorstaat zich, schijnt
weer terug te willen; wordt ontzet
tenslotte, desondanks, door
vergetelheid. Zo ontbloot zich

het wiel en lokt mij tot zich;
suggereert duur: duren.

 

 

 

 

Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)

Lees meer...

Martyn Burke, Ivan Klima, Eckhard Henscheid, Eric van der Steen, Mario Benedetti, Uli Becker

 

De Canadese schrijver, journalist, regisseur en scenarioschrijver Martyn Burke werd geboren op 14 september 1952 in Toronto. Zie ook alle tags voor Martyn Burke op dit blog.

 

Uit: Laughing War

 

“. . . the band began blasting out an off-key Colonel Bogey March. The audience went wild. But at this point in the evening they usually went wild over almost anything…….
And so Colonel Bogey races across the flatness like a tide seeking shore. It is louder than even the laughter and the strange yelling that comes from the Club and is momentarily lost in the unearthly whine of the F-lOOs as they return from bombing whatever it is that has to be bombed. Colonel Bogey
washes over the lone sentries and rushes on into the darkness that lies beyond the perimeter. The darkness stretches on and on, beyond the wretches lying soaked and bloody in the swamp near Cambodia listening to the metallic voices in the headset that tell them why the F-lOOs cannot come back until dawn, and listening to the noises in the nearby jungle that might be metal grating on metal. The darkness goes on forever. But the nineteen-year-old from Georgia can no longer hear the curling chords of Jimi Hendrix s guitar as the Armed Forces Radio brings him the Best in Rock. The nineteen-year-old from Georgia can hear none of this. A long thin knife protrudes from his chest at the place where his flak jacket should have been buckled. Thin bubbles of blood drip from his mouth. In his
final act as a sentry, he has died with his eyes wide open.”

 

 

 

Martyn Burke (Toronto, 14 september 1952)

Lees meer...

13-09-13

Tõnu Õnnepalu, Janusz Glowacki, Julian Tuwim, Nicolaas Beets, Roald Dahl

 

De Estische dichter, schrijver en vertaler Tõnu Õnnepalu werd geboren op 13 september 1962 in Tallin. Zie ook mijn blog van 13 september 2010 en eveneens alle tags voor Tõnu Õnnepalu op dit blog.

 

 

My soul is ready for the journey

 

My soul is ready for the journey,
coat drawn close and girdled as was the command.
For the carriage will not wait or stay long
in this station
before the long and difficult ascent
that may finally lead to the fearsome mountain,
onto the strange empty ridge where the Nameless is waiting,
or perhaps to another valley, different from this one.

My soul is ready for the journey
but it does not know the way
for it leads through soul’s own bare territory
and the day journeys are hidden behind the shadows of night.

My soul is ready for the journey
but yet it is afraid to go.
Could it not rest for a while
under the pavilion of your soul?
Does it not belong to the Possible
that it were allowed a moment of oblivion there?
Or is it really your soul that has asked for permission
to sit at the hearth whose fire does not warm me?
And is it not that when one finds rest for a while
and can loosen the girdle,
the other must keep guard and cannot have a share
of the shade and refreshment that it unknowingly offers?

My soul is ready for the journey
but where it is, it is alone,
and still it is night, the Moon lures, but does not show
under what tent’s cloth the shadows seem to move
and whose shadows they are.
Are they the others, the foreign travellers?
And if morning is still far away.

Is this reddish glow
from the campfire of the Nameless
or is the decampment day already hoisting the flag of light
and the pavilion taken down
before I can even see you face to face?
And where I am lying sleeplessly
it is only an image of your body,
for your soul is travelling too and must not stop.

No, my soul is ready for the journey
and already the changing Moon
burns up in the rising glow of the Day.

And you are nowhere but far,
no, you are nowhere but far
and I am far from you.
And far from me travels my soul.

 

 

 

Tõnu Õnnepalu (Tallin, 13 september 1962)

Lees meer...

In Memoriam Erich Loest

 

In Memoriam Erich Loest

 

De Duitse schrijver Erich Loest is gisteren op 87-jarige leeftijd in Leipzig gestorven. Erich Loest werd geboren op 24 februari 1926 in Mittweida. Zie ook alle tags voor Erich Loest op dit blog.

 

Uit: Durch die Erde ein Riß

 

“Der Teufel naht meist auf leisen Sohlen. Er dachte darüber nach, wie es denn gekommen war, daß er keine Macht wollte, keine von oben verliehene und von unten nicht kontrollierte Macht. Keine Gesellschaft war denkbar, ohne daß Menschen Macht über andere ausübten warum, fragte er sich, ist das für mich ein Problem und für andere nicht? Wer Macht hatte, war allergisch gegen alle, die nicht ein Häppchen von ihr leihen wollten. Trugen die Mächtigen schlechtes Gefühl mit sich herum, suchten sie deshalb Komplizenschaft und haßten die Machtverweigerer, weil die sich nicht zu Mittätern machen ließen? War es eitel, sich das weiße Hemd der Unschuld überzuziehen seht her, was für ein Engel ich bin, ich mach mir die Hände nicht schmutzig? Teilhabe an der Macht, um Informationsbedürfnis, Neugier zu befriedigen? Die Tragik derer, die in der Mitte zerrieben wurden ein endloses Feld.

Vielleicht verschwand er morgen oder nächste Woche in Einzelhaft, vielleicht steckten sie ihn mit einem Lump zusammen, legten ihn in eine Außenzelle, in der es doppelt so kalt war wie in Innenzellen. Kein Kino für drei Monate. Möglichkeiten gab es die Menge, und er kannte fast alle. Schreiberlaubnis bekam er ohnehin nicht. Oder auch: Es blieb alles beim alten.

Jupp begann tief zu atmen und leise zu schnarchen. 23/59 blickte gegen die Decke mit dem Gitterschatten, der Knastmond würde niemals untergehen. Er versuchte, sich an Wendungen zu erinnern, als er mit der Macht kollidiert war.

Dabei überkam ihn Müdigkeit, er drehte sich auf die Seite und zog die Decke über den Kopf, daß nur ein Spalt zum Atmen blieb. So würde er die Kälte überstehen. Der Schlaf kam schnell und spülte alles Grübeln weg. 23/59 wehrte sich nicht gegen ihn. Denn natürlich ist Schlaf das Beste, was es im Knast überhaupt gibt.”

 

 

 

Erich Loest (24 februari 1926 – 12 september 2013)

12-09-13

Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias

 

De Canadese dichter en schrijver Philip Michael Ondaatje werd op 12 september 1943 geboren in Colombo, Ceylon (nu Sri Lanka). Zieook mijn blog van 12 september 2010 en eveneens alle tags voor Michael Ondaantje op dit blog.

 

 

Notes For The Legend Of Salad Woman

 

Since my wife was born
she must have eaten
the equivalent of two-thirds
of the original garden of Eden.
Not the dripping lush fruit
or the meat in the ribs of animals
but the green salad gardens of that place.
The whole arena of green
would have been eradicated
as if the right filter had been removed
leaving only the skeleton of coarse brightness.

All green ends up eventually
churning in her left cheek.
Her mouth is a laundromat of spinning drowning herbs.
She is never in fields
but is sucking the pith out of grass.
I have noticed the very leaves from flower decorations
grow sparse in their week long performance in our house.
The garden is a dust bowl.

On our last day in Eden as we walked out
she nibbled the leaves at her breasts and crotch.
But there's none to touch
none to equal
the Chlorophyll Kiss

 

 

 

 

Michael Ondaatje (Colombo, 12 september 1943)

Lees meer...

Jan Willem Schulte Nordholt

 

De Nederlandse dichter en hoogleraar Jan Willem (Wim) Schulte Nordholt werd geboren in Zwolle op 12 september 1920. In 1942 werd hij gearresteerd, waarna hij zowel in Nederland als in Duitsland gevangen zat. In 1943 verscheen clandestien zijn eerste dichtbundel. Na de Tweede Wereldoorlog studeerde hij geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam waar hij in 1951 promoveerde. Tot 1962 was hij leraar; vervolgens lector aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1966 werd hij tot hoogleraar geschiedenis en cultuur van Noord-Amerika benoemd. Hij werd vooral bekend om zijn publicaties over de Verenigde Staten. Om gezondheidsredenen moest hij in 1983 het ambt verlaten. Schulte Nordholt heeft o.a. de Nederlandse vertaling “U zij de glorie van het kerklied” “À toi la gloire“ gemaakt. Ook heeft hij een fors aantal liederen vertaald die zijn opgenomen in het Liedboek voor de Kerken. Schulte Nordholt was een broer van hoogleraar culturele antropologie Herman Gerrit Schulte Nordholt en kunsthistoricus Henk Schulte Nordholt. Het gezin kende vijf broers en een zusje. Hij was vader van zakenman en sinoloog Henk Schulte Nordholt.

 

Existentie

Hier loopt het ik, het loopt zichzelf te vinden
het ziet verbaasd de regen en het gras.
Het denkt: wat loop ik hier zo in den blinde,
wie laat dit hart slaan, wie bepaalt de pas?
Het luistert naar het stromen van de winden.

Hier loopt het ik, het treft zich aan in straten
die het slechts na lang aarzelen herkent.
Het ziet de huizen, lange, donkre raten
tegen het harde blauwe firmament.
Wat gaat het hier zo eenzaam en verlaten.

Hier loopt het ik, vanwaar is het gekomen
tot dit moment als tot een open plek,
waar het tussen het zwart geheim der bomen
zich in een maanblank watervlak ontdekt
en wakker wordt en toch volloopt met dromen.

Hier loopt het vreemde ik, het richt zijn voeten
naar waar, naar waar? Het kent de wegen niet.
Alleen: het is! Het wil de aarde groeten
met een herkennend nieuw en oeroud lied.
Hier loopt het ik en het wil God ontmoeten. 

 

 

Niet uit de snelle vervoering...

Niet uit de snelle vervoering
van het zonlicht, glinsterend op de rivier
zou ik het water willen putten
voor de woordenstroom van het gedicht,
 
maar uit een diepere ontroering,
zoals van de oude sluiskolk hier,
waar men bezig is om een schip te schutten
dat tot over de oren in 't water ligt.

 

 

 
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 - 16 augustus 1995)

18:47 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jan willem schulte nordholt, romenu |  Facebook |

11-09-13

Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, David van Reybrouck, Barbara Bongartz, Tomas Venclova

 

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

 

Uit: Verloren grond

 

“Mijn moeder ondernam de klim naar het plateau toen ze ongeveer zeven maanden zwanger was van mij. Mijn vader had haar hand vastgepakt en haar eindeloos gesmeekt in het dorp te blijven, omdat het onmogelijk goed kon zijn voor een hoogzwangere vrouw om een zware klim te ondernemen en de ijle lucht op honderden meters hoogte in te ademen. Hij had zelfs toegezegd haar op het warmste moment van de dag, tijdens de verzengende hitte van twee uur ’s middags, koelte toe te wuiven.
‘Lieve Asme, ik zal mijn werk onderbreken en met een waaier naast je bed staan,’ had hij met zachte stem gezegd, ‘tot de zon ondergaat en je rustig in slaap valt.’
Maar mijn vader kon het ook toen niet winnen van haar koppigheid. ‘Waar heb je het over, Selim? Deze hitte wordt nog mijn dood. Mijn kleren plakken aan mijn lijf en ik heb het gevoel dat mijn keel wordt dichtgedrukt. Ik sterf nog liever tijdens de klim dan dat ik een dag langer hier blijf.’
Ik verdenk mijn moeder ervan dat ze niet zozeer de hitte van het dorp ontvluchtte, maar vooral onder geen beding haar jaarlijkse hoogtepunt wilde missen. Ondanks aandringen van mijn vader weigerde ze op de rug van een ezel te gaan zitten en volbracht ze de klim met verrassend gemak. Slechts één keer, halverwege de tocht, nam ze zuchtend plaats op een rots om op adem te komen. Ze dwong door haar volhardendheid zelfs respect af bij de mannen die hen vergezelden en kreunden van de zware spullen en voorraden die ze als pakezels omhoog sjouwden.
De mannen zetten de tenten op, die in sommige gevallen zo groot waren dat er vier gezinnen in pasten en de hoogvlakte het aanzien van een kamp gaven. De vrouwen verbleven tijdens de hete periode zo’n twee maanden in afzondering van de mannen op de yayla en hoefden zich slechts te bekommeren om de kleine kinderen. Het was voor hen de tijd van het jaar waarin ze eindeloos konden roddelen, terwijl ze onafgebroken zonnebloempitten kraakten en bittere thee dronken onder de sterrenhemel.”

 

 

 

Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

Lees meer...

Andre Dubus III

 

De Amerikaanse schrijver Andre Dubus III werd geboren op 11 september 1959 in Oceanside, California als zoon van de schrijver Andre Dubus, Andre Dubus III groeide op in molen steden in de vallei van de Merrimack rivier langs de grens van Massachusetts-New Hampshire met zijn drie broers en zussen:. Suzanne, Jeb en Nicole. Hij begon met het schrijven van fictie op de leeftijd van 22 jaar, een paar maanden na zijn afstuderen aan de Universiteit van Texas in Austin met een Bachelors Degree in de sociologie. Om in zijn levensonderhoud te voorzien werkte hij als timmerman, barman, schoonmaker, en als een soort reclasseringswerker. Zijn eerste gepubliceerde short story, "Forky," werd gepubliceerd door Playboy toen Dubus 23 jaar oud was. Dubus’ roman “House of Sand and Fog” (1999) was finalist voor de National Book Award vormde de basis voor een voor de Academy award genomineerde film met dezelfde naam. Zijn in 2011 verschenen memoires “Townie” vertelt over het opgroeien in armoede in Haverhill nadat zijn ouders waren gescheiden,over straatgevechten, en uiteindelijk boksen, en gaat uitgebreid in op zijn relatie met zijn vader. Zijn essay 'Bloed, Root, Knit, Purl" verscheen in de bloemlezing “Knitting Yarns: Writers on Knitting” in 2013. Als lid van het PEN American Center was Dubus panellid voor de National Book Foundation en de National Endowment for the Arts. Hij doceerde schrijven aan de Harvard University, Tufts University, Emerson College en de Universiteit van Massachusetts Lowell, waar hij full-time verbonden is met de faculteit. Dubus 'werk is opgenomen in The Best American Essays 1994, The Best Spiritual Writing 1999 en The Best of Hope Magazine. Hij ontving o.a. een Guggenheim Fellowship, de National Magazine Award voor fictie, en de Handkar Prize.

Uit:Townie

"On the other side of the river was Bradford. It's where a lot of Jocks at the high school lived, the kids who wore corduroys and sweaters and looked clean. It's where houses had big green lawns. It's where the college was where pop taught. It's where he lived in an apartment building with Theo Metrakos and his friend Dave Supple, a writer too.
Since leaving our mother, Pop had lived in a few places, but we rarely saw them and never slept there. Years later I would hear my father say the divorce had left him dating his children. That still meant picking us up every Sunday for a matinee and, if he had the money, an early dinner somewhere. For a few years now he was taking us to church too. He'd pull up in his rusted-out Lancer and drive us to Mass at Sacred Hearts in Bradford Square. The five of us would walk down the aisle between the crowded pews, Jeb and I with our long hair, Suzanne in her tight hip- huggers, Nicole in her brace she now wore for scoliosis, Pop one of the only men in church not wearing a jacket or tie. He refused to put money in the collection basket, too. Many times I'd hear him say, "You think Jesus ever wore a [expletive] tie? Did Jesus spend money on buildings?"
One night, when we were still living at the doctor's house, I heard Mom on the phone trying to convince Pop that he should start taking out each of us one at a time, that he was never going to know us as individual people if he didn't.
I don't know if I cared then about that or not, but a cool sweat broke out on my forehead just thinking about being alone with Pop. I'd never been alone with him. What would I say? What would we talk about? What would we do?
When Mom got off the phone, she said, "I can't believe it. Your father says he'll be too shy with each of you. He's scared of his own kids!"
This made me feel better and worse, but every Wednesday night he'd drive up to the house and take one of us back to his apartment across the river. It was on the third floor of an old brick building covered with ivy.”

 

 
Andre Dubus III (Oceanside, 11 september 1959)

08:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: andre dubus iii, romenu |  Facebook |

10-09-13

Andreï Makine, Franz Werfel, Paweł Huelle, Mary Oliver, Eddy Pinas

 

De Franse schrijver van Russische afkomst Andreï Makine werd geboren in Krasnojarsk op 10 september 1957. Zie ook mijn blog van 10 september 2010. en eveneens alle tags voor Andreï Makine op dit blog.

 

Uit: The Life of an Unknown Man (Vertaald door Geoffrey Strachan)

 

“This happiness rendered absurd men's desire to dominate, to kill, to possess, thought Volsky. For neither Mila nor he possessed anything. Their joy came from the things one does not possess, from what other people had abandoned or scorned. But, above all, this sunset, this scent of warm bark, these clouds above the young trees in the graveyard, these belonged to everybody!”

(…)

 

“All of this seemed equally trifling to him now. And when he thought again about the world of free people, the difference between it and the miseries and joys of this place seemed minimal. If three tiny fragments of tea leaf chanced to fall into a prisoner's battered cup, he relished them. In Leningrad during the interval at the opera a woman sipped champagne with the same pleasure. Their sufferings were also comparable. Both the prisoner and the woman had painful shoes. Hers were narrow evening shoes which she took off during the performance. The prisoner suffered from what they wore in the camp, section of tyres into which you thrust your foot wrapped in rags and fastened with string. The woman at the opera knew that somewhere in the world there were millions of beings transformed into gaunt animals, their faces blackened by the polar winds. But this did not stop her drinking her glass of wine amid the glittering of the great mirrors. The prisoner knew that a warm and brilliant life was lived elsewhere in tranquility but this did not spoil his pleasure as he chewed those fragments of tea leaf....”

 

 

 

Andreï Makine (Krasnojarsk, 10 september 1957)

Lees meer...