13-01-14

Edgardo Cozarinsky

 

De Argentijnse schrijver en regisseur Edgardo Cozarinsky werd geboren 13 januari 1939 in Buenos Aires. Cozarinsky komt uit een familie van Russisch- Joodse immigranten uit Odessa en Kiev . Hij groeide op, zoals hij later pleegde te vertellen, met oude Hollywood-films in de theaters van zijn wijk en met de Europese literatuur. Hij studeerde literatuur aan de universiteit van zijn geboortestad en verdiende zijn brood als filmcriticus voor Argentijnse en Spaanse kranten en tijdschriften . Als 20 -jarige ontmoette hij Silvina Ocampo, Adolfo Bioy Casares en leerde via hen Jorge Luis Borges kennen. In 1974 verliet hij als gevolg van de dramatische politieke situatie vóór de dood van Juan Peron Argentinië en vestigde zich in Frankrijk. Hij leeft als schrijver en filmmaker (regisseur, scenarioschrijver en producent) en "als een nomade uit roeping" gedeeltelijk in Parijs en gedeeltelijk in Buenos Aires en refelcteert in zijn literaire en filmische werken over Borges,Tsjechov en Nabokov. Edgardo Cozarinsky schreef romans en korte verhalen en essays . Dankzij de vertalingen van zijn boeken, onder anderen in het Frans, Engels en Duits, is hij een van de bekendste vertegenwoordigers van de Argentijnse literatuur buiten de Spaanstalige wereld. Hij was o.a. te gast op het Internationaal Literatuur Festival Berlijn 2007.

Uit: Die Braut aus Odessa: Erzählungen (Vertaald door Sabine Giersberg)

„An einem Frühlingsnachmittag im Jahre 1890 beobachtete ein junger Mann vom Primorsky Boulevard aus die Bewegung der Schiffe im Hafen von Odessa.
In seinem sonntäglichen Gewand hob er sich von der Alltagslässigkeit oder dem exotischen Aussehen der Passanten ab. Der junge Mann war für ein großes Abenteuer gekleidet: die Lackschuhe hatte ihm seine Mutter geschenkt, den Maßanzug sein Onkel, von Beruf Schneider, er hatte ihn erst am Tag vor seiner Abreise fertiggestellt; und schließlich der Hut, den sein Vater zweiundzwanzig Jahre zuvor am Tag seiner Hochzeit und danach vielleicht noch fünf- oder sechsmal getragen hatte. Es waren noch drei Tage hin bis zu dem großen Abenteuer, aber für ihn waren die vierhundert Werst, die Kiew von Odessa trennten, und dieser erste Anblick eines Hafens und des Schwarzen Meeres (das in das Mittelmeer übergehen würde und dieses in den Atlantik) schon Teil der Reise, die aus ihm einen neuen Menschen machen würde.
Doch über der Begeisterung, mit der er die vielen Eindrücke der großen Stadt und des Hafens verschlang, lag ein Schleier von Traurigkeit. Er hatte seine Education sentimentale noch nicht zu Ende durchlaufen, und sein erstes Liebeserlebnis beschäftigte seine Gedanken derart, dass er die bevorstehende Reise, das kühnste Abenteuer seines Lebens, nicht recht genießen konnte. Um diesen Schmerz zu vertreiben, den er nicht auslöschen konnte, folgte er mit dem Blick jedem Menschen, der vorüberging; an jedem war etwas, das sein Interesse weckte. Eine Kinderfrau in adretter Uniform schob lustlos den Wagen, aus dem aus üppiger Spitze ein quengelndes Baby herausschaute; zwei beleibte Männer, die sich durch die Goldketten unsichtbarer Taschenuhren auszeichneten, schlenderten vorbei und diskutierten über die Preise von Weizen und Sonnenblumen auf verschiedenen europäischen Märkten; ein schwarzer Seemann – es war das erste Mal, dass er jemanden von dieser Hautfarbe sah – beobachtete, ebenso neugierig wie er, alles, was um ihn herum vorging; ein anderer Seemann, der eher wie ein als Seemann verkleideter Schauspieler aussah, hatte einen goldenen Ring im Ohr und einen Papagei auf der Schulter, den er erfolglos zu verkaufen versuchte.“

 

 
Edgardo Cozarinsky (Buenos Aires, 13 januari 1939)

18:46 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: edgardo cozarinsky, romenu |  Facebook |

Mohammad- Ali Jamālzādeh

 

De Iraanse schrijver Mohammad- Ali Jamālzādeh Esfahani werd geboren op 13 januari 1892 in Isfahan. De datum van zijn geboorte is onzeker; jaren tussen 1892-1896 worden genoemd en tegen het eind van zijn leven was zelfs hij zelf niet zeker van het werkelijke jaar. Het jaar 1895 wordt wel van oudsher gezien als het jaar van zijn geboorte. Jamalzadeh 's vader, Sayyed Jamal ad-Din Esfahani, was een progressieve mullah en prediker die revolutionair werd en die woedende preken hield die zijn zoon inspireerden, maar die hem zelf zijn leven kostten: hij werd geëxecuteerd in 1908 op bevel van van Mohammad - Ali Shah Qajar die hem als de meest gevaarlijke van zijn vijanden beschouwde. De jonge Jamalzadeh woonde slechts tot hij twaalf of dertien was in Iran. Daarna woonde hij in Libanon, waar hij de Aintoura Catholic School bezocht (1908 ) in de buurt van Beiroet, in Frankrijk (1910) en in Zwitserland, waar hij rechtenstudeerde aan de Universiteit van Lausanne, later voortgezet aan de Universiteit van Bourgondië in Dijon, Frankrijk. Na de dood van zijn vader nam het leven van Jamalzadeh een tragische wending, maar dankzij steun van vrienden en af en toe betaald werk als leraar, overleefde hij. Tegen de tijd van de Eerste Wereldoorlog werd hij lid van een groep Iraanse nationalisten in Berlijn en, in 1915, richtte hij een krant (Rastakhiz ) op voor deze groep in Bagdad. In deze periode werkte hij ook voor het tijdschrift Kaveh (1916). In 1917 publiceerde hij zijn eerste boek “Ganj -e Shaye-gan (Eng: The Worthy Treasure). In hetzelfde jaar vertegenwoordigde hij de nationalisten op het Wereldcongres van de socialisten in Stockholm. In zijn latere jaren, tot 1931, toen hij zich in Genève vestige en werkte voor de Internationale Arbeidsorganisatie, had hij slechts tijdelijke dienstverbanden, zoals aan de Iraanse ambassade in Berlijn. Gedurende al deze jaren had Jamalzadeh weinig contact met Iran. Maar dat belette hem om op zijn eigen houtje Perzisch te leren. Op basis van zijn karige ervaringen, opgedaan op jonge leeftijd, schreef hij over het leven van de hedendaagse Iraniërs. Zijn preoccupatie met het taalgebruik en zijn Dickensiaanse stijl van schrijven, inclusief herhalingen, het opstapelen van bijvoeglijke naamwoorden, herinnerde de lezer aan Jamalzadehs achtergrond. Jamalzadehs belangrijkste werk "Yeki Bud yeki Nabud" (Eng: Once Upon a Time), gepubliceerd in 1921 in Berlijn bereikte Iran pas een jaar later, en toen het gebeurde werd het niet gunstig ontvangen. Het publiek, vooral de geestelijkheid, verafschuwde Jamalzadehs uitbeelding van het land in die mate dat exemplaren van het boek op de openbare pleinen werden verbrand. Deze vijandige reactie van het publiek beïnvloedde Jamalzadeh zozeer dat hij zich twintig jaar onthield van alle literaire activiteiten. Hij begon in de jaren 1940 opnieuw te schrijven, maar tegen die tijd was de vorm niet meer nieuw, waren zijn ideeën niet meer origineel en had hij zijn bijtende gevoel voor humor verloren. Naast het Perzisch sprak en schreef Jamalzadeh Frans, Duits en Arabisch. Hij vertaalde vele boeken uit deze talen in het Perzisch. Gezien zijn enorme invloed op het Perzische korte verhaal, wordt hij vaak aangeduid als de vader van dit genre in Iran .

Uit: Persian Is Sugar (Vertaald door Iraj Bashiri)

 “In no other place on the face of the earth but in Iran are saints and sinners treated alike. Finally, after five long years of suffering and homelessness, I was returning home. In fact, before actually setting eyes on the sacred land of Iran from high up on the deck, I could hear the Gilaki songs of the Anzali boatmen singing "balamjan, balamjan." Soon after, the ship anchored and we were transferred to the shore in boats. There, each boat was surrounded by those same boatmen as well as many others, in the same manner that a dead locust would be surrounded by an army of ants. Every passenger was hassled by several boatsmen, oarsmen, or porters. My situation was worse than the rest of the passengers because the others were generally businessmen from Baku and Rasht, wearing traditional long robes and short hats. Additionally, they were known to be tightwads whose purse strings were not likely to be loosened up even when threatened by either club wielders or bludgeon holders. They would rather die than allow anyone but themselves to see the color of their money. Wretched me, on the other hand, had not had a chance even to change my derby hat, which I had been wearing since I left Europe. Taking me for a wealthy Haji's son and a spendthrift, chanting "Sahib, Sahib," they surrounded me. Each piece of my luggage became a bone of contention among several mean porters and lowly boatmen.
The commotion that the arrival of the ship had created knew no end. Bewildered and flabbergasted, I viewed the scene, all the while trying to figure out a way by which I could escape the clutches of these marauders. But the worse was yet to come. Two gruff passport inspectors with irascible faces emerged from among the crowd. They were flanked by several morose and stern government agents in red uniforms with hats that carried the sun-and-lion emblem. The one inspecting my passport frowned. Then he acted as if he had just heard the news of the assassination of the king or had received the irreversible decree of the Angel of Death. Taking his eyes off the passport momentarily, he looked me up and down, as if measuring me for a new suit. Finally he said, "What is this? Are you Iranian?"

 

 
Mohammad- Ali Jamālzādeh (13 januari 1892 - 8 november 1997)

18:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: mohammad- ali jamālzādeh, romenu |  Facebook |

12-01-14

Cees van der Pluijm, Jacques Hamelink, Kamiel Verwer, Haruki Murakami, Alain Teister, Jakob Lenz


De Nederlandse dichter, schrijver en columnist Cees van der Pluijm werd geboren op 12 januari 1954 te Radio Kootwijk (Gld.). Zie ook alle tags voor Cees van der Pluijm op dit blog.

 

Sonnet voor Elisabeth Eybers

Er klinken kinderstemmen in 't portiek
Hun schel geluid weerkaatst aan alle kanten

Geen oude dromen meer; ik ben weer thuis
Bepaalde bomen kan men niet verplanten

Melancholie: herinneringen aan stilte
Voorafgaand aan een storm voorbije vreugd

Verdriet: besef dat elke dag je heugt
Hoe liefde langzaam overging in kilte

En Heimwee: willen ruiken aan het zilte
Van zeewind die je aanwaait uit je jeugd

Ik lees verdoofd de verse ochtendkranten
Met al het vale nieuws, de dood incluis

En zie hem staan, als één dier emigranten
En weet opeens. Mijn droom had geen abuis.

 

 

Exodus

Er was een droom van duizend mooie jongens
Op witte paarden rijdend door de nacht
Met wapperende zachtfluwelen kleren

Ze hadden heel het leven in hun macht
De aarde draaide door hun galopperen
En waar zij reden, werd het nooit meer licht

Hun schoonheid was alleen nog te bezweren
Door 't magisch ritueel van een gedicht:
Er was een droom van duizend mooie jongens

Maar niemand kreeg die woorden uit zijn mond
Want wie hen zag, versteende waar hij stond

 

 

Kennelijk

Hij heeft de mooiste ogen die ik ken
Van diep en prachtig glanzend donkerbruin
Als hij me aankijkt, raakt ik zo bewogen
Dat ik het eerste uur van slag af ben

Soms stoeien wij een beetje in de tuin
Dan komt hij los en wordt hij opgetogen
Vooral als ik hem kietel en hem jen
(Zo rolden wij het rozenperk in puin!)

Wij hebben een apart soort dialogen
Waarvan nog nooit een derde iets verstond:
Verliefden kunnen praten met hun ogen

Mijn moeder vindt de omgang ongezond
(Als het aan haar lag had het niet gemogen)
Maar ja, ik houd nu eenmaal van mijn hond.

 

 
Cees van der Pluijm (Radio Kootwijk, 12 januari 1954)

Lees meer...

Fatos Kongoli, William Nicholson, Florian Havemann, Jack London, Ferenc Molnár, Charles Perrault


De Albanese schrijver Fatos Kongoli werd geboren op 12 januari 1944 in Elbasan. Zie ook alle tags voor Fatos Kongoli op dit blog.

Uit: The Loser (Vertaald door Robert Elsie en Janice Mathie-Heck)

“There comes a day when you get the impression that you’ve paid your dues to the world, the cycle is complete and there’s no more reason to ruminate on the past, in particular when your life has nothing of value to offer.
“What now?” you might ask.
Nothing. Just a confession.
One morning a couple of months ago, a friend of mine, Dorian Kamberi, a mechanical engineer and the father of two children, boarded a freighter called the Partisan and sailed across the Adriatic with his family. If I hadn’t had second thoughts at the last minute, I might be living in some refugee camp in that dreamland called Italy too, or somewhere else in Europe, together with a horde of my countrymen. But at the last minute, as we were sitting on deck squashed like sardines, I told Dori that I was getting off. It’s possible that he didn’t even hear what I’d said. After the trials and tribulations of our journey – a veritable Odyssey – from town to the ship, my words must have sounded absurd. If anyone other than my friend had been beside me, he’d have chucked me into the sea. Dori said nothing and just gave me a blank stare. The whole time, I could feel the warm pee of his little son, who I was still carrying on my shoulders, trickling down the back of my neck.
My hesitation must have been obvious to everyone. I’m sure that my voice and my face expressed exactly the opposite of what I was saying. Even a small attempt on Dori’s part to dissaude me would have been enough to cause me to abandon the decision I’d just taken, not really even knowing why. It wasn’t a question of homesickness. I didn’t feel anything at all, and my mind was as blank as the expression on Dori’s face. He made no move to stop me, and I disembarked,my neck still moist from his son’s soggy nappy. I sat down on the edge of the wharf and looked back at the last groups of refugees scrambling to get on board.”

 

 
Fatos Kongoli (Elbasan, 12 januari 1944)

Lees meer...

11-01-14

Jasper Fforde, Katharina Hacker, Marc Acito, Nikos Kavvadias, Mart Smeets, Oswald de Andrade, Helmut Zenker


De Britse schrijver en cameraman Jasper Fforde werd geboren op 11 januari 1961 in Londen. Zie ook alle tags voor Jasper Fforde op dit blog.

Uit: Shades of Grey 

“So that’s why we’re back here, four days earlier, in the town of Vermillion, the regional hub of Red Sector West. My father and I had arrived by train the day before and overnighted at the Green Dragon. We had attended Morning Chant and were now seated for breakfast, disheartened but not surprised that the early Greys had already taken the bacon, and it remained only in exquisite odor. We had a few hours before our train and had decided to squeeze in some sightseeing.
“We could always go and see the Last Rabbit,” I suggested. “I’m told it’s unmissable.”
But Dad was not to be easily swayed by the rabbit’s uniqueness. He said we’d never see the Badly Drawn Map, the Oz Memorial, the color garden and the rabbit before our train departed. He also pointed out that not only did Vermillion’s museum have the best collection of Vimto bottles anywhere in the Collective, but on Mondays and Thursdays they demonstrated a gramophone.
“A fourteen- second clip of ‘Something Got Me Started,’ ” he said, as if something vaguely Red- related would swing it.
But I wasn’t quite ready to concede my choice.
“The rabbit’s getting pretty old,” I persisted, having read the safety briefing in the “How Best to Enjoy Your Rabbit Experience” leaflet, “and petting is no longer mandatory.”
“It’s not the petting,” said Dad with a shudder, “it’s the ears. In any event,” he continued with an air of finality, “I can have a productive and fulfilling life having never seen a rabbit.”
This was true, and so could I. It was just that I’d promised my best friend, Fenton, and five others that I would log the lonely bun’s Taxa number on their behalf and thus allow them to note it as “proxy seen” in their animal- spotter books. I’d even charged them twenty- five cents each for the privilege— then blew the lot on licorice for Constance and a new pair of synthetic red shoelaces for me.”

 

 
Jasper Fforde (Londen, 11 januari 1961)

Lees meer...

Eduardo Mendoza, Diana Gabaldon, Slavko Janevski, Ilse Weber, Alan Stewart Paton, Bayard Taylor


De Spaanse schrijver Eduardo Mendoza werd geboren in Barcelona op 11 januari 1943. Zie ook alle tags voor Eduardo de Mendoza op dit blog.

Uit: An Englishman in Madrid (Vertaald door Nick Caistor)

“March 4, 1936
Dear Catherine,
Shortly after crossing the border and completing the tire­some customs formalities, I fell asleep, lulled by the rattle of the train wheels. Until then I had spent a sleepless night, tormented by the weight of the problems, alarms and crises our stormy relationship has created. All I could see through the carriage window was the dark night and my own reflection in the glass: the image of a man haunted by anguish. Dawn did not offer the relief often brought by the arrival of a new day. Clouds still filled the sky, and the pale, weak sun only served to render the scenery and my own internal landscape all the more desolate. In this state, on the verge of tears, I finally fell asleep. When I next opened my eyes, everything had changed. A radiant sun was shining in an endless, deep blue sky dotted with a few small, whiter than white clouds. The train was crossing the barren high plains of Castille. Spain at last!
Oh, Catherine, my beloved Catherine, if only you could see this magnificent spectacle you would understand my state of mind as I write these lines! Because it is not simply a geograph­ical phenomenon or a change of scene, but something more, something sublime. In England and the north of France I have just travelled through, the countryside is green, the fields are fertile, the trees tall; and yet the sky is low, grey and damp, the atmosphere mournful. Here, on the other hand, the land is arid, the fields are dry and cracked and only seem to produce withered bushes, and yet the sky is boundless, the light heroic. In our country we always go around with our heads down, staring at the ground, feeling crushed; here, where the land offers nothing, people hold their heads high, and gaze at the horizon. It is a land of violence, passion, of grandiose individ­ual gestures. Not like us, constrained by our petty morality and trivial social conventions.”

 

 
Eduardo Mendoza (Barcelona, 11 januari 1943)

Lees meer...

10-01-14

Antonio Muñoz Molina, Annette von Droste-Hülshoff, Dennis Cooper, Adrian Kasnitz, Mies Bouhuys, Harrie Geelen


De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook alle tags voor Antonio Muñoz Molina op dit blog

Uit: Maanstorm (Vertaald door Adri Boon)

“Tijdens het aftellen wacht je vol ongeduld en spanning op een explosie die iets van een ramp zal hebben, maar na de nul gebeurt er niets. Je ligt op je rug, stijf, de knieën in een rechte hoek, de blik recht vooruit, naar boven, in de richting van de hemel, als je die zou kunnen zien door de transparante bolling van de ruimtehelm, die je na bevestiging aan de stijve kraag van het drukpak onderdompelde in net zo'n absolute stilte als op de zeebodem heerst. Opeens bewogen de monden van degenen die het dichtstbij waren zonder dat ze geluid voortbrachten en het was alsof je je al heel ver weg bevond terwijl de reis nog moest beginnen. Je handen op je dijen, je voeten tegen elkaar in de grote witte laarzen met een gele rand en een enorm dikke zool die voor de lancering met titanium klemmen zijn gefixeerd, je ogen wijdopen. Je hoort niets, zelfs niet het suizen van het bloed in je oren of je hartslag, waargenomen en doorgegeven door een paar sensors die vastzitten aan je borst, een diep, regelmatig geluid als van een trommel maar met een puls die veel minder exact is dan het tikken van de chronometers. Alles zal worden geregistreerd, het aantal hartslagen per minuut, van jou, van je twee mede-astronauten, allebei net zo bewegingloos en gespannen als jij, drie harten die kloppen in een verschillend ritme, als drie trommels die dwars door elkaar heen klinken. Je zult je ogen dichtdoen en wachten. Je oogleden zijn praktisch het enige lichaamsdeel dat je willekeurig kunt bewegen en dat doet je je fysieke broosheid beseffen, je naaktheid verhuld door de drie pakken over elkaar, gemaakt van nylon, plastic, katoen en geïmpregneerd met brandwerende materialen. Elk pak is op zichzelf al een ruimtevehikel.
Een paar jaar geleden zweefde je meer dan een uur in de ruimte op tweehonderd kilometer van de aarde, verbonden met het vaartuig door slechts een lange slang waardoor je kon ademen; je herinnert je geen angst of duizeligheid, slechts de gewaarwording van volmaakte stilte terwijl je met uitgestrekte armen en benen gewichtloos bewoog in het niets, onmerkbaar getroffen door deeltjes van de zonnewind.”

 

 
Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)

Lees meer...

09-01-14

Bas Heijne, Benjamin Lebert, Simone de Beauvoir, Theodor Holman, Danny Morrison, Kurt Tucholsky, Anne Rivers Siddons


De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Hollandse Mandela's (Hollandse toestanden)

“Botte macho's leren door het wufte gedrag van hun voetbalidool Beckham hun vrouwelijke kant ontdekken. Door het optreden van Ayaan rukken islamitische meisjes eindelijk die vervloekte sluier af.
Voor de pleitbezorgers van de sterrencultuur was Fortuyn geen hopeloze ontsporing maar een nieuwe dageraad. Dit nieuwe soort politicus moet het niet langer van een verouderde partijpolitiek hebben, hij opereert per definitie buiten de enge marges van de traditionele Haagse cultuur. IJdel en narcistisch? Doet er niet toe - dat zijn we immers allemaal. Wie niets te vertellen heeft, valt vanzelf wel door de mand.
Het klinkt goed, maar het is onzin. Keer op keer wordt nu vastgesteld dat de media en de rest van Nederland zich de afgelopen jaren steeds weer druk hebben gemaakt over niets. Talloos zijn de affaires die op het moment zelf vol betekenis leken - en toen ineens helemaal niet meer. De affaire-Margarita, de affaire-Lubbers, de affaire-Oudkerk, de ontelbare affaires van de lpf; het ging nergens over en gaat nergens over, maar op het moment zelf loopt iedereen te hoop. Waarom? Omdat het om persoonlijke affaires gaat met de schijn van een publiek belang, en dat zijn de enige affaires waar men zich in Nederland nog druk over kan maken. Daarom zijn we zo gek op parlementaire enquêtes; de enige manier waarop van abstract wanbestuur op televisie nog wat persoonlijk drama gemaakt kan worden.
Het effect van die verslaving aan het persoonlijke is dat over de zaak zelf nooit meer wordt gesproken. Die dient alleen als excuus voor roddelzucht. Wat is eigenlijk het verschil tussen de gestolen tas van Margarita, waaraan nova een halve uitzending besteedde, het filmpje van Ayaan en het tienpuntenplan van Wilders? Volgens de overtuiging van de sociologen zou onze belangstelling voor deze fenomenen vanzelf naar de achterliggende kwesties moeten leiden; via het persoonlijke naar het publieke.”
       

 

 
Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

Lees meer...

Wessel te Gussinklo

 

De Nederlandse schrijver Wessel te Gussinklo werd geboren in Utrecht op 9 januari 1941. Hij studeerde psychologie in Utrecht. Te Gussinklo werkte eerst psychotherapeut. In 1986 verscheen zijn eerste roman “De verboden tuin”, die bekroond werd met de Anton Wachterprijs. Zijn tweede roman, “De opdracht” (1995), ontving de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de ECI-prijs en de F. Bordewijkprijs, en werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. Kenmerkend voor zijn romans zijn de sociaal geïsoleerde personages, die zich proberen te handhaven in de wereld door onopvallendheid en ondergeschiktheid, maar tegelijkertijd zichzelf superieur achten in hun eigen belevingswereld vanwege hun unieke inzicht in de werkelijkheid. Zijn voorliefde voor bepaalde auteurs (met name Harry Mulisch met wie hij zich vereenzelvigt) komt naar voren in zijn essaybundel” Aangeraakt door goden” (2003), waarin hij ook getuigt van zijn voorliefde voor muziek (met name Mahler).

Uit: De opdracht

“Boomgordels en de onverhoeds uitwaaierende diepten van door bos omsloten weiland wisselden elkaar met eentonige regelmaat af, voortschuivend in zijn ooghoeken en in hun hypnotiserende herhaling, detailloos, gereduceerd tot weinig meer dan geometrische vormen. Niet het bos, het laaggroeiende eikenonderhout en daar bovenuit dennen, maar de gewaarwording van verzadiging - volheid, een rond en mollig opdringen - of juist van droge warme stoffigheid, ijl en doorschoten met banen zonlicht, als de weg langs laag struikgewas voerde.
En dichterbij, vlak naast hem het langsschieten van bomen en takken, een streepachtig bewegen van vele kleine dingen. En dan, haast schokkend abrupt, de plotselinge vertraging die zijn voortgang leek te ondergaan als wei- en akkerland zich uit de nauwte van de bosweg voor zijn ogen ontvouwden. Een muur van ruimte die hij beklom, traag als een insect op een groot vel glanzend wit papier.
Het gevoel bijna stil te staan door de tegenwind van licht die hem uit de blinkende velden tegemoet woei. Of later die middag, toen nevels de zon bedekten, de stroeve hindering die hij ondervond van het glasachtig bleke iets, dat - niet echt zichtbaar, maar toch aanwezig - onbeweeglijk de open ruimte vulde tot waar de weg met een kleine zwenking weer in het bos verdween.
Het was dan of hij haast sprongsgewijs, van stilstand tot stilstand, de ruimte overwon, en toch steeds ergens in het midden bleef, daar vastgehouden werd, hoezeer hij zich ook voortspoedde over het streperige grijs van het wegdek. Een wegdek met af en toe een boomwortel die daar gedeeltelijk in vergroeid was, of een plaats waar het asfalt opgedrukt was, gebarsten en brokkelig, en hij dacht dan: oppassen, zonder zijn snelheid te verminderen. En hij zag de zwarte, inktachtige afgeronde vlekken van recente reparaties aan het asfalt, en hier en daar stukjes onregelmatige bestrating. Fijn met stof gemengd grind markeerde de zijkant van de tunnelachtig smalle bosweg, soms opgehoopt in de bochten, alsof het daar naar toe geveegd was, of half weggezonken in gras en berm als de weg door wei en akkerland voerde.”

 

 
Wessel te Gussinklo (Utrecht, 9 januari 1941)

17:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wessel te gussinklo, romenu |  Facebook |

08-01-14

Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Gaston Miron, Ko Un, Leonardo Sciascia


De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit: L'amant bilingue (Vertaald door Jean-Marie Saint-Lu)

“Le châssis rouillé de la Lincoln Continental 1941, sans roues ni moteur, gît au milieu du terrain vague, entouré d’herbes hautes que peigne le vent. C’est le squelette calciné d’un rêve. Personne dans le quartier ne se rappelle comment ni quand la fantastique automobile est arrivée jusque sur ces hauteurs, qui l’a abandonnée sur cette petite colline au nord-ouest de la ville, la condamnant ainsi à mourir à l’état de ferraille. Elle est toujours échouée dans ma mémoire au milieu d’une mer d’herbe et de boue noire, et entourée de tout un tas de choses mortes : des morceaux de poêles en fer, un fauteuil défoncé, des enfants au crâne tondu qui fument à croupetons, des piles de vieux pneus, ma mère, ivre, qui marche contre le vent, des sommiers oxydés et des petits matelas crasseux et tout déchirés.
J’écris ici ces souvenirs pour qu’ils soient sauvés de l’oubli. Ma vie a été une vraie merde, mais je n’en ai pas d’autre.
J’habite avec ma mère en haut de la rue Verdi, dans un vieux pavillon délabré avec un jardin, sur un versant contigu au parc Güell. Je vois la rue en pente, estompée par la bruine, comme un merveilleux toboggan au-dessus de la ville. Au coin; on peut voir la figure d’un jeune garçon, masquée d’un loup noir. C’est moi, douze ans, crâne tondu, brassard de deuil. L’enfant masqué regarde d’un côté et de l’autre, furtivement, puis traverse la rue. Je revois le quartier gris et apeuré, les chats faméliques, les petites terrasses, les draps blancs que fouette le vent. Au coin de l’autre rue, je rejoins trois garçons, Faneca, David et Jaime. Faneca mange une patate cuite, il a été faire une course pour madame Lola et il est passé par la cuisine de la pension Ynès, il y récupère toujours quelque chose à manger. Les rues sont si raides qu’elles ont des marches.
Mon quartier est si haut, si près des nuages, que la pluies’y arrête avant de tomber."

 

 
Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

Lees meer...

07-01-14

Frans Kellendonk, Dionne Brand, Sofi Oksanen, Henk van Zuiden, Shobhaa Dé, Marie Desplechin

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: De Nietsnut

“Ik vulde de schrale contouren van mijn herinnering met stukjes en beetjes van mezelf. [...] Het werd, al met al, volstrekt onduidelijk waar hij ophield en ikzelf begon. Het probleem was niet zozeer dat hij mijn creatuur werd - dat zou bovendien een heel goede manier zijn geweest om me van hem te ontdoen -, maar dat hij in dezelfde mate waarin ik bezit nam van hem, bezit van mij nam.
(…)

‘Alles wat ik van mijn vader weet is even belangrijk of onbelangrijk. Ik moet een vorm vinden voor zijn leven, ik moet er een verhaal van maken. Zoals het nu is verdwijnt het tussen de omstandigheden.’
(…)

“Mijn speurtocht had geen enkel nieuw gezichtspunt opgeleverd. Weliswaar bungelde dat charivari van voor- en toevallen nu aan een deugdelijke causale ketting, maar een bewijsstuk of redenering om in te brengen tegen de visies van Willem Kieft en mijn oom Richard had ik niet kunnen ontdekken. Over wat mijn vader had bezield had ik alleen wat kunnen fantaseren, of liever projecteren. Ik had wat rondgestruind in zijn schoenen, met als enig gevolg dat hij, wat mij betrof, nu even onwerkelijk was als het monster van Loch Ness of de Verschrikkelijke Sneeuwman. Alsof ik hem zelf had uitgevonden. En heus niet bij gebrek aan feiten. Feiten te over! Stille en kletsgrage getuigen, sporen, een vuilnisbelt vol sporen. [...] Een beetje detective zou daaruit allang een meedogenloos sluitende reconstructie hebben gewrocht, die geen enkele vraag onbeantwoord liet. Zo niet Frits Goudvis. Die zag alleen maar rommel en chaos, het gat in de hand van de werkelijkheid.”

 

 
Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)

Lees meer...

06-01-14

The Three Kings (Henry Longfellow)


Bij het feest van Driekoningen

 

 

 
De aanbidding van de Drie Koningen door Corregio, rond 1518

 

 

The Three Kings
 
Three Kings came riding from far away,
Melchior and Gaspar and Baltasar;
Three Wise Men out of the East were they,
And they travelled by night and they slept by day,
For their guide was a beautiful, wonderful star.

The star was so beautiful, large and clear,
That all the other stars of the sky
Became a white mist in the atmosphere,
And by this they knew that the coming was near
Of the Prince foretold in the prophecy.

Three caskets they bore on their saddle-bows,
Three caskets of gold with golden keys;
Their robes were of crimson silk with rows
Of bells and pomegranates and furbelows,
Their turbans like blossoming almond-trees.

And so the Three Kings rode into the West,
Through the dusk of the night, over hill and dell,
And sometimes they nodded with beard on breast,
And sometimes talked, as they paused to rest,
With the people they met at some wayside well.

"Of the child that is born," said Baltasar,
"Good people, I pray you, tell us the news;
For we in the East have seen his star,
And have ridden fast, and have ridden far,
To find and worship the King of the Jews."

And the people answered, "You ask in vain;
We know of no King but Herod the Great!"
They thought the Wise Men were men insane,
As they spurred their horses across the plain,
Like riders in haste, who cannot wait.

And when they came to Jerusalem,
Herod the Great, who had heard this thing,
Sent for the Wise Men and questioned them;
And said, "Go down unto Bethlehem,
And bring me tidings of this new king."

So they rode away; and the star stood still,
The only one in the grey of morn;
Yes, it stopped --it stood still of its own free will,
Right over Bethlehem on the hill,
The city of David, where Christ was born.

And the Three Kings rode through the gate and the guard,
Through the silent street, till their horses turned
And neighed as they entered the great inn-yard;
But the windows were closed, and the doors were barred,
And only a light in the stable burned.

And cradled there in the scented hay,
In the air made sweet by the breath of kine,
The little child in the manger lay,
The child, that would be king one day
Of a kingdom not human, but divine.

His mother Mary of Nazareth
Sat watching beside his place of rest,
Watching the even flow of his breath,
For the joy of life and the terror of death
Were mingled together in her breast.

They laid their offerings at his feet:
The gold was their tribute to a King,
The frankincense, with its odor sweet,
Was for the Priest, the Paraclete,
The myrrh for the body's burying.

And the mother wondered and bowed her head,
And sat as still as a statue of stone,
Her heart was troubled yet comforted,
Remembering what the Angel had said
Of an endless reign and of David's throne.

Then the Kings rode out of the city gate,
With a clatter of hoofs in proud array;
But they went not back to Herod the Great,
For they knew his malice and feared his hate,
And returned to their homes by another way.

 

 

 
Henry Longfellow (27 februari 1807 - 24 maart 1882)
Portland in Kersttijd. Henry Longfellow werd geboren in Portland.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 6e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

10:54 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: driekoningen, henry longfellow, romenu |  Facebook |

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, E. L. Doctorow


De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

 

Over Vriendschap

En een jongeling zei: Spreek tot ons over vriendschap.
En hij antwoordde, zeggende:
Je vriend is een antwoord op je verlangen.
Hij is je akker die je met liefde bezaait en vol dankzegging oogst.
En hij is je tafel en haardvuur.
Want je komt tot hem met je honger en bij hem zoekt ge rust.

Wanneer je vriend je zijn eigen geest ontsluit, ben je niet bang voor het 'neen' in je eigen geest, noch onthou je hem het 'ja'.
En wanneer hij zwijgt, blijft je hart luisteren naar zijn hart;
want zonder woorden worden in vriendschap alle gedachten, alle verlangens, alle verwachtigen geboren en gedeeld, vol ongevraagde vreugde.
Wanneer je afscheid neemt van je vriend, treur je niet;
want wat je het diepst in hem bemint, kan klaarder voor je zjin bij zijn afwezigheid, zoals een bergbeklimmer de berg duidelijker ziet vanuit de vlakte.
En laat je vriendschap geen andere bedoeling hebben dan een verdieping van de geest.
Want de liefde die iets anders zoekt dan de openbaring van haar eigen mysterie is geen liefde, maar een net dat uitgeworpen wordt; en alleen het waardeloze wordt gevangen.

En laat het beste voor je vriend zijn.
Zo hij de eb van je getij moet ervaren, doe hem ook de vloed kennen.
Want wat is je vriend dat je hem enkel zoeken zou om de tijd te doden.
Zoek hem steeds om de tijd te leven.
Want hij moet je tekort vullen, maar niet je ledigheid.
En laat er een lach zijn in de zoetheid der vriendschap en een samen beleven van genoegens.
Want in de dauw der kleine dingen vindt het hart zijn morgen en wordt verfrist.

 

 
Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)

Lees meer...

05-01-14

Umberto Eco, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong'o, László Krasznahorkai, Friedrich Dürrenmatt

 

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: The Prague Cemetery (Vertaald door Richard Dixon)

“A passerby on that gray morning in March 1897, crossing, at his own risk and peril, Place Maubert, or the Maub, as it was known in criminal circles (formerly a center of university life in the Middle Ages, when students flocked there from the Faculty of Arts in Vicus Stramineus, or Rue du Fouarre, and later a place of execution for apostles of free thought such as Étienne Dolet), would have found himself in one of the few spots in Paris spared from Baron Haussmann’s devastations, amid a tangle of malodorous alleys, sliced in two by the course of the Bièvre, which still emerged here, flowing out from the bowels of the metropolis, where it had long been confined, before emptying feverish, gasping, and verminous into the nearby Seine. From Place Maubert, already scarred by Boulevard Saint-Germain, a web of narrow lanes still branched off, such as Rue Maître-Albert, Rue Saint-Séverin, Rue Galande, Rue de la Bûcherie, Rue Saint-Julien-le-Pauvre, as far as Rue de la Huchette, littered with filthy hotels generally run by Auvergnat hoteliers of legendary cupidity, who demanded one franc for the first night and 40 centimes thereafter (plus 20 sous if you wanted a sheet).
If he were to turn into what was later to become Rue Sauton but was then still Rue d’Amboise, about halfway along the street, between a brothel masquerading as a brasserie and a tavern that served dinner with foul wine for two sous (cheap even then, but all that was affordable to students from the nearby Sorbonne), he would have found an impasse, or blind alley, which by that time was called Impasse Maubert, but up to 1865 had been called Cul-de-sac d’Amboise, and years earlier had housed a tapis-franc (in underworld slang, a tavern, a hostelry of ill fame, usually run by an ex-convict, and the haunt of felons just released from jail), and was also notorious because in the 18th century there had stood here the laboratory of three celebrated women poisoners, found one day asphyxiated by the deadly substances they were distilling on their stoves.”

 

 
Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

Lees meer...