18-10-16

Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold

 

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit:Het beslissende boek

“Wat ik te zeggen heb is enigszins ontmoedigend; het is eigenlijk in twee zinnen samen te vatten. De eerste is een uitspraak van de figuur uit een heel bekend verhaal van Carmiggelt. In een niet al te opgewekte bui zegt deze: ‘Een opvoeder is een stakker die in het duister tast.’ Ik vind dat toch nog enigszins positief. Ik zou er deze meer negatieve definitie aan willen toevoegen: ‘Een opvoeder is een brandweerman; hij komt altijd te laat: hij kan hoogstens de belendende percelen nat houden om grotere ongelukken te voorkomen.’ Misschien mag ik hier nog een tweede, eveneens ontleende uitspraak aan toevoegen: ‘Onderwijs is valse paarlen voor echte zwijnen’. Dat is een van de vermoeide levenswijsheden van Marnix Gijsen, die bij mijn weten overigens nooit voor de klas heeft gestaan. Over de glorie van die stakkerigheid, over het eeuwig te laat en over die valse paarlen wil ik hier enkele overwegingen aan u voorleggen.
Ik ben er altijd van overtuigd geweest - maar vooral de laatste jaren ben ik er steeds zekerder van geworden - dat elke lezer in zijn leven vier perioden kent, als hij tenminste tijd van leven krijgt.
Alleen de eerste en de laatste daarvan zijn m.i. voor hemzelf belangrijk. Waarom? Omdat het lezen in die periodes is wat het in wezen is, namelijk een vorm van egotisme. Tussen die eerste en vierde periode in wordt door vele opvoeders, leraren en anderen gepoogd de lezer aan dat egotisme te onttrekken. Met succes? Soms, maar ik geloof dat het in veel opzichten een schijnbaar succes is. Het einde van de eerste periode valt m.i. rond het twaalfde jaar; uiteraard zal dat van kind tot kind verschillen. Die periode zelf is de schijnbare glorietijd van de opvoeder. Voor het kind, dat wij ook geweest zijn, is lezen in de eerste periode iets mooi vinden of niet mooi vinden; het woord ‘goed’, als kwaliteitsaanduiding, bestaat gelukkig niet. Ontdekken dat iets mooi is, is in feite de toeëigening van iets. Je kunt het ook zo zeggen dat je datgene wat je leest eigen herkent en het je daarom ook eigen maakt. Nog weer anders gezegd: mooi is wat (h)erkend wordt, en dat kan iets heel onbekends zijn.
Voor mezelf heb ik wel eens het volgende beeld bedacht: bij het lezen wordt voor de lezer ineens de tweede helft zichtbaar van de cirkel. Die twee helften samen nu vormen de lezer. Het woord ‘vormen’ zou ik dan graag in twee opzichten verstaan zien. Als je het overziet, dan kan je zeggen dat er voor de lezer maar weinig is dat hij echt mooi vindt; en binnen dat mooi wordt die nuancering heel duidelijk aangebracht. Alleseters - of ‘alles lezers’, moet ik eigenlijk zeggen - onder de kinderen zijn doorgaans karakterloos; ze wekken altijd de meeste verwachtingen en die komen dan ook nooit uit. Het zijn eigenlijk een soort potten waar alle deksels op passen; persoonlijk wantrouw ik die.”

 

 
Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008)

Lees meer...

Deutscher Buchpreis 2016 voor Bodo Kirchhoff

 

De Duitse schrijver Bodo Kirchhoff heeft de Deutscher Buchppreis 2016 gewonnen voor zijn novelle “Widerfahrnis”. Kirchhoff beschrijft de gemeenschappelijke spontane autorit naar Sicilië van een gepensioneerde boekhandelaar en een ook al wat oudere schrijfster, die hij toevallig ontmoet. Tijdens de reis leren zij niet alleen leren elkaar beter kennen, maar worden zij ook geconfronteerd met de Europese vluchtelingencrisis, Bodo Kirchhoff werd geboren op 6 juli 1948 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Bodo Kirchhoff op dit blog.

Uit:Widerfahrnis

“Diese Geschichte, die ihm noch immer das Herz zerreißt, wie man sagt, auch wenn er es nicht sagen würde, nur hier ausnahmsweise, womit hätte er sie begonnen? Vielleicht mit den Schritten vor seiner Tür und den Zweifeln, ob das überhaupt Schritte waren oder nur wieder etwas aus einer Unruhe in ihm, seit er nicht mehr das Chaos von anderen verbesserte, bis daraus ein Buch wurde. Also: Waren das Schritte, abends nach neun, wenn hier im Tal schon die Lichter ausgingen, oder war da etwas mit ihm? Und dann käme die Zigarette, die er sich angesteckt hatte; wenn nämlich sein ewiges Metallfeuerzeug aufschnappte, beendete das Geräusch jeden Spuk, auch den von innen. Und mit der Zigarette im Mund holte Reither – genau an der Stelle hätte er den Namen eingeführt – eine Flasche von dem apulischen Roten aus einem Karton im Flur, die vorletzte. Der Wein um diese Stunde, das friedliche Laster, das einen entfernt von der Welt, all ihrem Elend, selbst was vor der eigenen Tür geschieht, muss man nicht wissen.
Ja, das waren Schritte. Als würde dort wer, nachdenklich, auf und ab gehen. Reither holte noch seinen Korkenzieher und kniete sich damit im Wohnzimmer auf den Boden, weil dort erstens der Aschenbecher war und zweitens ein Buch lag, das er am frühen Abend entdeckt hatte.
Aber eigentlich folgte er nur der Gewohnheit, Dinge, in die man sich hineinknien sollte, auch im Knien zu tun, wie noch im letzten Jahr in seinem Kleinstverlag, wenn er Entwürfe für neue Umschläge auf dem Parkett ausgebreitet hatte – auf einem Tisch bekam man keinen Blick für
das Ganze, vom Bildschirm gar nicht zu reden. Und auch eins der wenigen Fotos von sich, die er gelten ließ, zeigt ihn kniend und mit Zigarette im Mund, beobachtet von einer Frau, wobei nur ihre Beine zu sehen sind. Alles an ihm ist zielgerichtet, der zu Boden gestreckte Arm, die
im selben Winkel abwärtszeigende Zigarette, das von der Nase diktierte Profil unter noch dichtem Haar, der Blick auf das eigene Tun, mit dem Daumen etwas anzubringen an einem verrotteten Schild, das er als Umschlagmotiv gewählt hat und an das er noch letzte Hand anlegt, wie an jedes seiner Bücher in über dreißig Jahren, bis damit Schluss war.“

 

 
Bodo Kirchhoff (Hamburg, 6 juli 1948)

17-10-16

Simon Vestdijk, Pieter Waterdrinker, Georg Büchner, Mark Gatiss, Arthur Miller, Miguel Delibes, Tom Rachman

 

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

Uit: Terug tot Ina Damman

“De jongens smeekten, beloofden knikkers, - hij zei niets. Maar toen maakte Anton gebruik van een gunstig moment. Juist had hij zich afgevraagd, of Jan Breedevoort, die met zijn donkerroode hanglip in het eerste gelid naast hem stond, altijd Jan Klaassen had geïmiteerd of dat Jan Klaassen nu Jan Breedevoort nadeed, toen achter de poppenkast de acrobate voorbijliep, wiegelend en somber, gevolgd door drie schunnige gasten die het karpet droegen en het centenbakje.
‘Ik ben de dood - van potlood - en ik kom je hale!’
‘Wát, kom je me betale?’ gierde de echte Jan Klaassen, en bluschte meteen zijn eigen overmoed in een schuddende lachbui binnen zijn puntige houten handen. Jan Breedevoort keek beschermend toe.
‘Dat vloekwoord van die meid, hoe was dat nou?’ fluisterde Anton.
Jan Breedevoort loerde om zich heen, zijn mond toeknijpend alsof hij het geheim liever nog een week langer bewaard had, en fluisterde toen terug, met groote, bolle, blauwe schrikoogen:
‘Als je je vreet houdt... Jezus bliksem!’
Maar de jaren gingen voorbij, en Jan Breedevoort, die langzamerhand vond dat het liegen niet genoeg meer opleverde, begon naar een ruimer veld van werkzaamheid uit te zien. Zijn trotsche, pralende onderlip was verdwenen; meer en meer accentueerden zich de strengere lijnen van een gloedvol Romeinsch profiel. En opeens bleek, dat hij zich tot een sportsman aan het ontwikkelen was, hij droeg witte truien! Hij trapte, mepte, sprong, zweefde, kantelde, en, verblijdend gevolg van dit alles: de hoera's van zijn vrienden op kaatsland of voetbalveld stonden hem toe zich eindelijk weer op den bodem der werkelijkheid te plaatsen: geen leugen kwam er meer over zijn lippen. Trouwens, voor zijn heele leven had hij genoeg gelogen. Bij het overgaan op de H.B.S. kwam Kees Vlaming hem te ontvallen, die nog maar in de zesde klas hing, en nu was hij wel genoodzaakt uitsluitend bij de sport steun te zoeken, en bij de oude vleitaal van zijn omarmingen en aanhalige rukjes. Maar ook de Jan Klaassen-imitatie was niet geheel-verloren gegaan: het geoefende oog ontdekte nog steeds een rest van deze pantomime in de wijze waarop Jan Breedevoort niesde. Hij was namelijk de eenige van de heele school (en, wie weet, van heel Lahringen) die dat in zijn zakdoek deed, die hij dan met twee handen vasthield, zijn heele hoofd er indompelend en drie of vier maal op en neer schuddend.”

 

 
Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
Simon Vestdijk met zijn ouders in 1915

Lees meer...

16-10-16

Günter Grass, Oscar Wilde, Alma Mathijsen, Guðbergur Bergsson, Eugene O’Neill

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

Uit: Der Butt

„Gegen Ende des dritten Jahrtausends vor der Fleischwerdung des Herrn – oder wie ein Computer es ausrechnete, am 3. Mai 2211 vor unserer Zeitrechnung – es soll ein Freitag gewesen sein – an einem jungsteinzeitlichen Tag, bei Ostwind und unter Wolken in losem Verband geschah, was später aus Gründen patriarchaler Selbstherrlichkeit zum Märchen verfälscht wurde; das kränkt meine Ilsebill immer noch.
Jung war ich, aber schon bärtig. Am späten Nachmittag wollte ich meine dreifach verengte Korbreuse einholen, die ich am frühen Morgen, noch vor der ersten Stillzeit, ausgesetzt hatte. (Etwa dort war mein bevorzugter Fangplatz, wo später der beliebte Badeort Heubude mit der Straßenbahn, Linie 9, bequem zu erreichen war.) Meiner Zeichenkunst wegen wurde ich von Aua fürsorglich durch Nachstillen außer der Reihe bevorzugt. Deswegen sagte mein erster Gedanke, als ich den Butt in der Aalreuse sah: Den bringe ich Aua. Den soll sie, nach ihrer Art, mit feuchten Lattichblättern umlegen und in heißer Asche garen.
Da sprach der Butt.
Ich bin nicht sicher, ob mich seine schiefmäulige Ansprache mehr erstaunt hat als die platte Tatsache, einen breitgelagerten Butt in einer Aalreuse gefangen zu haben. Jedenfalls habe ich auf die Worte »Guten Tag, mein Sohn!« nicht mit der Frage nach seinem erstaunlichen Sprechvermögen geantwortet. Vielmehr wollte ich wissen, was ihn, den Plattfisch, bewegt haben mochte, sich durch alle drei Verengungen in eine Reuse zu zwängen.
Der Butt gab Auskunft. Von Anfang an belehrend, mit allwissender Überlegenheit und deshalb, trotz seiner kategorischen Punktumsätze, geschwätzig näselnd, professoral, wie von der Kanzel herab abkanzelnd oder penetrant väterlich: Er habe mit mir ins Gespräch kommen wollen. Nicht etwa dumme (oder sagte er damals schon) weibliche Neugierde sei sein Antrieb gewesen, sondern ein wohlbedachter Entschluß aus männlichem Willen. Schließlich gebe es einige über den jungsteinzeitlichen Horizont weisende Erkenntnisse, die er, der wissende Butt, mir, dem dumpfen, durch totale Weiberfürsorge kindlich gehaltenen Mann und Fischer vermitteln wollte. Vorsorglich habe er das baltische Küstenplatt zu sprechen gelernt. Viele Worte mache man hierzulande ja nicht. Ein armseliges, nur die Notdurft beendendes Gemaule. In relativ kurzer Zeit habe er sich den alles breitschlagenden Zungenschlag eingeübt. Schon könne er »Pomuchel« und »Ludrichkait« sagen. An Sprachschwierigkeiten werde der Dialog gewiß nicht scheitern. Doch auf Dauer empfinde auch er das Weidengeflecht als eng.“

 

 
Günter Grass (16 oktober 1927 – 13 april 2015)
Het beeld “Butt im Griff“ van Günter Grass in de tuin van het Grass-Haus in Lübeck

Lees meer...

Dino Buzzati, Gerold Späth, Albrecht von Haller, Gottfried Kölwel, Gustaaf Peek

 

De Italiaanse schrijver Dino Buzzati werd geboren op 16 oktober 1906 in San Pellegrino. Zie ook alle tags voor Dino Buzzati op dit blog en ook mijn blog van 16 oktober 2009 en ook mijn blog van 16 oktober 2010

Uit: Die Tatarenwüste (Vertaald door Percy Eckstein en Wendla Lipsius)

„Nach seiner Ernennung zum Offizier verließ Giovanni Drogo an einem Morgen im September die Stadt, um sich nach der Festung Bastiani, seinem ersten Bestimmungsort, zu begeben.
Es war noch finster, als er sich wecken ließ und zum erstenmal seine Leutnantsuniform anlegte. Als er fertig war, betrachtete er sich beim Schein einer Petroleumlampe im Spiegel, doch die erhoffte fröhliche Laune wollte sich nicht einstellen. Im Haus war alles still, nur aus dem Zimmer nebenan drangen leise Geräusche zu ihm herüber: Giovannis Mutter stand soeben auf, um ihn zu verabschieden.
Das also war der Tag, den er seit Jahren herbeisehnte, der Beginn seines wirklichen Lebens! Er gedachte der freudlosen Zeiten auf der Militärakademie. Er erinnerte sich der trübseligen Abende, die er über seinen Büchern verbracht hatte, während unten auf der Straße freie und wohl auch glückliche Menschen vorübergingen, er sah sich von neuem in winterlich-eisigen Schlafsälen erwachen, auf denen der Alpdruck zahlloser Strafen lastete, und er dachte daran, mit welcher Ungeduld er die Tage gezählt hatte, einen nach dem anderen – diese Tage, die nie zu enden schienen.
Jetzt war er endlich Offizier, jetzt brauchte er sich nicht länger mit Büchern abzuquälen, brauchte nicht mehr vor der Stimme des Feldwebels zu zittern. Das alles war vorbei. Jene Tage, die ihm so hassenswert erschienen waren, hatten sich selbst für immer aufgezehrt, waren zu Monaten und Jahren geworden, die niemals wiederkehren würden. Ja, er war jetzt Offizier und würde Geld haben, und vielleicht würden ihm die Blicke schöner Frauen folgen.“

 

 
Dino Buzzati (16 oktober 1906 – 28 januari 1972)
Postzegel n.a.v. de 100e geboortedag in 2006

Lees meer...

15-10-16

A. F.Th. van der Heijden, Heinz Helle, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog en alle tags voor van der Heijden op dt blog.

Uit: Kwaadschiks

“Er is geen geluid bij. Het scherm toont afwisselend een kleine boot met een lijkkist aan boord en een zwarte rouwkoets die zich, getrokken door een vierspan, over het pad langs de rivier beweegt. Het vaartuig wordt gefilmd vanaf de wal, het rijtuig vanaf de scheepsvloer, allebei door een lichte nevel en vervagende rietpluimen heen. Close-up koetsier: hij draagt een zwarte mantel en een driekantige steek omlijst met rafelige franje. Over de paarden zijn lila dekkleden gelegd, die op de ogen en de neusgaten na ook hun hoofden omhullen, als bij een middeleeuws toernooi.
Het camerastandpunt aan boord verandert enigszins, zodat nu de doodskist op de voorgrond in z’n geheel te zien is. Er ligt een Nederlandse vlag overheen, met op de witte baan een bloemstuk van rode rozen en blauwe linten. De lens richt zich weer op, en kijkt dan recht in het binnenste van de lijkkoets: leeg nog.
‘Beetje audio erbij?’ stelt Quispel zijn cliënt voor. ‘Ik mis het klossen van die knollen.’
Over het morsige tafelblad heen reikend steekt de advocaat zijn hand naar de muis uit, maar cliënt, die zich voortdurend al in bochten heeft zitten wringen om niets van het scherm te hoeven zien, schudt heftig het hoofd: ‘Alsjeblieft, Ernst, doe me ’n lol.’
Met zijn onderarmen steunend op de rug van een stoel blijft Quispel het filmverslag volgen. Linksonder in beeld geven witte computercijfers de datum en het tijdstip, tot op rennende tienden van seconden precies, maar hij hoeft zijn Rolex niet te raadplegen om te weten dat de opnames live zijn. Het bootje richt de steven naar de aanlegsteiger, waarbij het een moment dwars op de stroom ligt. Het cameraoog glijdt omhoog langs de open poort, en onthult de naam van de begraafplaats, in gietijzeren krulkapitalen:

commervlugt

Voordat de rechercheurs, De Knegt en Van Baars, de verhoorkamer verlieten, kreeg cliënt na aandringen van zijn advocaat toestemming om een sigaret op te steken. (De Knegt had met heel zijn rossige drift nog geprotesteerd: ‘Sinds begin deze maand geldt er een rookverbod voor de horeca... en dan zullen wij er hier even een doorgepaft hol van laten maken’ – maar de buikige Van Baars, de veronderstelde good cop van de twee, deed het met een sussend gebaar af: ‘Een saffie maakt hem misschien wat spraakzamer.’)”

 

 
A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

Italo Calvino, Tessa de Loo, P.G. Wodehouse, Mario Puzo, Vergilius, Kees Beekmans

 

De Italiaanse schrijver Italo Calvino werd geboren in Santiago de las Vegas op Cuba op 15 oktober 1923. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Italo Calvino op dit blog.

Uit:Invisible Cities (Vertaald door William Weaver)

"And these innovations do not disturb your city's astral rhythm?" I asked.
"Our city and the sky correspond so perfectly, " they answered, "that any change in Andria involves some novelty among the stars." The astronomers, after each change takes place in Andria, peer into their telescopes and report a nova's explosion, or a remote point in the firmament's change of color from orange to yellow, the expansion of a nebula, the bending of a spiral of the Milky Way. Each change implies a sequence of other changes, in Andria as among the stars: the city and the sky never remain the same.
As for the character of Andria's inhabitants, two virtues are worth mentioning: self-confidence and prudence. Convinced that every innovation in the city influences the sky's pattern, before taking any decision they calculate the risks and advantages for themselves and for the city and for all worlds.
If you choose to believe me, good. Now I will tell how Octavia, the spider-web city, is made. There is a precipice between two steep mountains: the city is over the void, bound to the two crests with ropes and chains and catwalks. You walk on the little wooden ties, careful not to set your foot in the open spaces, or you cling to the hempen strands. Below there is nothing for hundreds and hundreds of feet: a few clouds glide past; farther down you can glimpse the chasm's bed.
This is the foundation of the city: a net which serves as passage and as support. All the rest, instead of rising up, is hung below: rope ladders, hammocks, houses made like sacks, clothes hangers, terraces like gondolas, skins of water, gas jets, spits, baskets on strings, dumb-waiters, showers, trapezes and rings for children's games, cable cars, chandeliers, pots with trailing plants.
Suspended over the abyss, the life of Octavia's inhabitants is less uncertain than in other cities. They know the net will last only so long. "

 

 
Italo Calvino (15 oktober 1923 - 19 november 1985)

Lees meer...

14-10-16

E. E. Cummings, Maarten van der Graaff, Péter Nádas, Katha Pollitt, Daniël Rovers, Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Żeromski

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Edward Estlin Cummings werd geboren in Cambridge, Massachusetts op 14 oktober 1894. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor E. E. Cummings op dit blog.

 

My Love

my love
thy hair is one kingdom
  the king whereof is darkness
thy forehead is a flight of flowers

thy head is a quick forest
  filled with sleeping birds
thy breasts are swarms of white bees
  upon the bough of thy body
thy body to me is April
in whose armpits is the approach of spring

thy thighs are white horses yoked to a chariot
  of kings
they are the striking of a good minstrel
between them is always a pleasant song

my love
thy head is a casket
  of the cool jewel of thy mind
the hair of thy head is one warrior
  innocent of defeat
thy hair upon thy shoulders is an army
  with victory and with trumpets

thy legs are the trees of dreaming
whose fruit is the very eatage of forgetfulness

thy lips are satraps in scarlet
  in whose kiss is the combinings of kings
thy wrists
are holy
  which are the keepers of the keys of thy blood
thy feet upon thy ankles are flowers in vases
  of silver

in thy beauty is the dilemma of flutes

  thy eyes are the betrayal
of bells comprehended through incense

 

 

Who Knows If The Moon’s

who knows if the moon’s
a baloon,coming out of a keen city
in the sky—filled with pretty people?
(and if you and i should

get into it,if they
should take me and take you into their baloon,
why then
we’d go up higher with all the pretty people

than houses and steeples and clouds:
go sailing
away and away sailing into a keen
city which nobody’s ever visited,where

always
            it’s
                   Spring)and everyone’s
in love and flowers pick themselves

 

 
E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962)
Zelfportret 1958 

Lees meer...

Philip Winkler

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver Philip Winkler werd in 1986 geboren in Neustadt am Rübenberge en groeide op in Hagenburg bij Hannover. Winkler studeerde Creatief Schrijven en Culturele Journalistiek aan de Universiteit van Hildesheim. Hij verbleef enige tijd in het buitenland: Kosovo, Albanië, Servië en Japan. Hij publiceerde in verschillende bloemlezingen en Bella Triste en ontving in 2008 de Joseph Heinrich Colbin Prijs voor het korte verhaal “Sommertage” en in 2015 voor fragmenten uit “Hool” de Retzhof Prijs voor jonge literatuur van Literaturhaus Graz. Zijn debuutroman “Hool” werd al voor de publicatie door critici geprezen en belandde op de shortlist voor de Deutsche Buchpreis. Winkler woont tegenwoordig in Leipzig.

Uit: Hool

“Ich wärme meinen neuen Zahnschutz in der Hand an. Wende ihn mit den Fingern und presse ihn etwas zusammen. So mache ich es vor jedem Kampf. Das Gelmaterial bleibt stabil, gibt nur wenig nach. Das ist ein Top-Ding.
Was Besseres kann man nicht bekommen. Individuell vom Zahntechniker hergestellt. Keines dieser Billoteile aus Massenproduktion, die man nach zwei Wochen gleich wieder in die Tonne kloppen kann, weil dir die Kanten ins Zahnfleisch schneiden. Oder weil man wegen der beschissenen Passform und dem chemischen Kunststoffgeruch andauernd einen Würgreiz kriegt. Bis auf Jojo mit seinem mageren
Hausmeistergehalt haben wir inzwischen fast alle so einen Zahnschutz. Kai, der immer den feinsten Shit haben muss.
Ulf. Der kann das mal locker aus der Portokasse zahlen. Tomek, Töller. Und einige unserer Jungs, die entsprechende Jobs haben. Onkel Axel sowieso. Der hat den Zahntechniker vor ein paar Jahren aufgetan. Hat sich auf Kontaktsportarten spezialisiert und versorgt Kampfsportler in ganz Deutschland. Wie man hört, sollen auch welche von den Frankfurtern zu dem gehen und einige Jungs aus dem Osten. Aus Dresden und Halle, die Zwickauer. Müssen bestimmt ihren Monatssatz Hartz IV dafür hinblättern, denke ich und fahre die durchgestanzten Atemlöcher mit der Fingerspitze ab.
»Ey, Heiko!« Kai stößt mich in die Seite. »Handy klingelt.« Das Discounterhandy brummt zwischen uns auf dem Sitz. Mit zittrigen Fingern greife ich danach. Mein Onkel beobachtet mich im Seitenspiegel. Ich drücke auf die Taste mit dem grünen Hörer.
»Wo seid ihr? Wir warten«, kommt die Stimme von dem Kölner, mit dem ich das Match vereinbart habe, aus der Muschel. Ich kurble die Scheibe runter, um besser rausschauen zu können, suche nach irgendwelchen Anhaltspunkten.
»Sind bei Olpe von der B 55 ab. Müssten gleich da sein.«
»In der Wüste lang. Zweiten Kreisel rechts raus. Am Bratzkopf durch bis kurz hinterm Ortsausgang. Links kommt der Wald. Könnt ihr nich’ verfehlen.«
Bevor er auflegt, erinnere ich ihn noch mal an die Abmachung. Fünfzehn Mann auf jeder Seite. Dann lege ich auf.”

 

 
Philip Winkler (Neustadt am Rübenberge, 1986)

18:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: philip winkler, romenu |  Facebook |

13-10-16

Colin Channer, Herman Franke, Sebastian Fitzek, Richard Howard, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter, Edwina Currie, Frank Witzel

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Colin Channer op dit blog.

Uit: The Girl with the Golden Shoes

“So while the others ran, she hid behind the almond tree and watched in fearful fascination as the creature loomed.
It wasn’t until the mask had been removed that Estrella, who’d never been to school or traveled much on her tiny island, understood that what she thought had been a monster was a human being—a scuba diver in a rubber suit.
She stepped out from behind the tree and walked toward him in her old blue frock with eyelet lace around the hem, hips moving widely underneath the faded fabric, giving insight to the marvel of her shape. She was tall and big-boned with mannish shoulders and a long face with sharp cheeks. Her eyes were bright and slanted, and although her skin was darker than a Coke, she had a length of wavy hair.
“What are you wearing?” she asked in English, which she rarely had the need to use, since everyone around her spoke Sancoche.
“It lets me breathe beneath the water.”
They talked for several minutes, during which he explained some of his duties; then he disappeared below the surf.
In Sancoche, her native dialect, Estrella kept repeating as the ripples disappeared, “I never even thought to dream of seeing a thing like that.”

 

 
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

Lees meer...

Nobelprijs voor Literatuur 2016 voor Bob Dylan

 

Nobelprijs voor Literatuur 2016 voor Bob Dylan

 

De Nobelprijs voor de Literatuur is dit jaar toegekend aan de Amerikaanse zanger, songwriter en dichter Bob Dylan. Bob Dylan werd geboren als Robert Allen Zimmerman op 24 mei 1941 in Duluth, Minnesota. Zie ook alle tags voor Bob Dylan op dit blog

 

Mr. Tambourine Man

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey !
Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.
Though I know that evenin's empire has returned into sand
Vanished from my hand
Left me blindly here to stand but still not sleeping
My weariness amazes me, I'm branded on my feet
I have no one to meet
And the ancient empty street's too dead for dreaming.

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.

Take me on a trip upon your magic swirlin' ship
My senses have been stripped, my hands can't feel to grip
My toes too numb to step, wait only for my boot heels
To be wanderin'
I'm ready to go anywhere, I'm ready for to fade
Into my own parade, cast your dancing spell my way
I promise to go under it.

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.

Though you might hear laughin', spinnin' swingin' madly across the sun
It's not aimed at anyone, it's just escapin' on the run
And but for the sky there are no fences facin'
And if you hear vague traces of skippin' reels of rhyme
To your tambourine in time, it's just a ragged clown behind
I wouldn't pay it any mind, it's just a shadow you're
Seein' that he's chasing.

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.

Then take me disappearin' through the smoke rings of my mind
Down the foggy ruins of time, far past the frozen leaves
The haunted, frightened trees, out to the windy beach
Far from the twisted reach of crazy sorrow
Yes, to dance beneath the diamond sky with one hand waving free
Silhouetted by the sea, circled by the circus sands
With all memory and fate driven deep beneath the waves
Let me forget about today until tomorrow.

Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
I'm not sleepy and there is no place I'm going to
Hey ! Mr Tambourine Man, play a song for me
In the jingle jangle morning I'll come followin' you.

 

 
Bob Dylan (Duluth, 24 mei 1941)

 

 

Jeet Thayil

 

De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala als zoon van de auteur en redacteur TJS George, die op verschillende plaatsen in India, in Hong Kong en New York heeft gewerkt. Thayil werd vooral in het buitenland opgeleid. Hij behaalde een Master in Fine Arts aan het Sarah Lawrence College (New York), en hij heeft beurzen prijzen gekregen van o.a. de New York Foundation for the Arts, de Zwitserse Raad voor de Kunsten, de British Council en de Rockefeller Foundation. Zijn eerste roman, Narcopolis (2011) speelt grotendeels in Bombay in de jaren '70 en '80, en vertelt de geheime geschiedenis van de stad, toen opium plaats maakte voor de nieuwe goedkope heroïne. Thayil is redacteur van het “Bloodaxe Book of Contemporary Indian Poets” (2008), “60 Indian Poets”, (2008) en een verzameling van essays “Divided Time: India and the End of Diaspora” (2006) en van een bloemlezing van Indische poëzie (2015). Ook schreef hij het libretto voor de opera “Babur in Londen”, in opdracht van de Britse Opera Group met muziek van de in Zurich gevestigde Britse componist Edward Rushton. De wereldpremière van de opera vond plaats in Zwitserland in 2012, gevolgd door reizen naar het Verenigd Koninkrijk (Londen en Oxford) en India. De kern van het werk is een verkenning van de complexiteit van geloof en multiculturalisme in het hedendaagse Groot-Brittannië. Thayil is ook bekend als een performance dichter en alsmuzikant. Als songwriter en gitarist is hij de ene helft van het hedendaagse muziek project Sridhar / Thayil. In 2012 kreeg hij voor de dichtbundel “These Errors are Correct” de Sahitya Akademi Award voor Engels. Zijn roman stond op de short list voor de Man Booker Prize 2012 en de Hindu Literary Prize (2013).

 

The Penitent

I'm back where my life and I parted ways.
I'm talking to the coffeemaker, to the face
towels folded by the sink, to the air
conditioner that conspires with my enemies. Even now,
in the midst of my extremity my eyes are dry,
and if I jump repeatedly against the window
I can tell myself I'm being lifted by a great joy -
until the glass smites my face and I cry out
your old name. The room is empty, lonely
as a still life, but the water stains speak
with your voice, Honor me, honor everything.

 

 

To Baudelaire

I am over you at last, in Mexico City,
in a white space high above the street,
my hands steady, the walls unmoving.
It's warm here, and safe, and even in winter
the rain is benign. Some mornings I let
the sounds of the plaza - a fruit seller,
a boy acrobat, a woman selling
impossible fictions - pile up in a corner
of the room. I'm not saying I'm happy
but I am healthy and my money's my own.
Sometimes when I walk in the market
past the chickens and the pig smoke,
I think of you - your big talk and wolf's heart,
your Bonaparte hair and eyes of Poe.
I don't miss you. I don't miss you when
I open a window and light fills the room
like water pouring into a paper cup,
or when I see a woman's white dress shine
like new coins and I know I could follow
my feet to the river and let my life go
away from me. At times like this,
if I catch myself talking to you,
I'm always surprised at the words I hear
of regret and dumb boyish devotion.

 

 

 
Jeet Thayil (Kerala, 13 oktober 1959)

16:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jeet thayil, romenu |  Facebook |

In Memoriam Dario Fo

 

In Memoriam Dario Fo

De Italiaanse schrijver, regisseur en acteur Dario Fo die in 1997 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg, is op 90-jarige leeftijd overleden. Dat meldt de Italiaanse regering. Dario Fo werd geboren in Leggiuno-Sangiamo op 24 maart 1926. Zie ook alle tags voor Dario Fo op dit blog.

Uit: Mistero Buffo (Mary at the Cross, vertaald door Ed Emery)

“SOLDIER: I told you before, lady! there is only one way to make him happy: kill him at once. If you want to hurry it up and take that lance leaning over there, we soldiers will pretend not to see, and you must run up under the cross and stick the point into him with all your strength, stick the lance right into his belly, right in, and then, in a moment, you will see Christ die. [The Madonna faints] What's the matter? Why did she faint? I never even touched her!
MAN: Lay her out... do it gently... and give her room to breathe...
WOMAN: Let's have something to cover her with... she's shivering with the cold...
OTHER MAN: I left my cloak at home...
MAN: Move aside there... Help me to lay her out...
OTHER MAN: And now be quiet and let her recover.
MARY: [As if in a dream] Who are you, up there, young man, I sem to know you. What is it that you want from me?
WOMAN: She's talking in her sleep, she's confused... she's having visions...
GABRIEL: I am Gabriel, the Anel of the Lord. I am he, oh Virgin, the herald of your solitary and delicate love.
MARY: Go spread your wings, Gabriel. return to the radiant joys of Heaven, for there is nothing for you on this vile earth, in this tormented world. Go, so that you do not soil your wings, with their feathers coloured in gentle colours... Don't you see the mud... and the blood... dung and filth...? It's like a sewer... Go, so that your delicate ears are not burst asunder with this desperate crying, the pleading and weeping that arises on all sides. Go, so that you do not sear your bright eyes looking at sores and scabs and boils and flies and worms creeping forth from torn bodies of the dead.
You are not used to this, because in Paradise you have no wailing and lamentation, or wars, or prisons, or men hanged, or women raped. In Paradise there is no hunger, no starvation, nobody sweating with work, wearing themselves to the bone, no children without smiles, no women out of their mids with grief, nobody who suffers to pay the price of original sin. Go, Gabriel, go, Gabriel.
GABRIEL: Grief-stricken woman, whom suffering has struck even in her belly, now I understand clearly... Now that this torment has seized you, seeing the young Lord God nailed up... at this moment, I too understand, just like you...
MARY: You understand, just like me, just lik me? Gabriel, did you bear my son in your swelling belly? Did you bite you lip so as not to scream with pain while giving birth to him? Did you feed him? Did you give him the milk from your breast, Gabriel? Did ou suffer when he was sick with fever, when he was down with measles, and did you stay up all night comforting him when he was crying with his first teeth? No, Gabriel? Well, if you didn't go through all that, then you cannot speak of sharing my grief at this moment...
GABRIEL: You're right, Mary... Forgive my presumption. I said it because my heart is breaking within me. I who thought that I was above all suffering. But I come to remind you that it is just this, your song, this lament without a voice, this plaint without sobs, this, your sacrifice, and the sacrifice of your son, which will tear apart the heavens, and which will enable men for the first time to enter Paradise!”

 

 
Dario Fo (24 maart 1926 – 13 oktober 2016)

12-10-16

Stefaan van den Bremt, Eugenio Montale, Robert Fitzgerald, Paul Engle, Ann Petry, Louis Hemon, Paula von Preradović

 

De Vlaamse dichter en essayist Stefaan van den Bremt werd geboren in Aalst op 12 oktober 1941. Zie ook mijn blog van 12 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Stefaan van den Bremt op dit blog.

 

In Newtons boomgaard

Ik wacht tot de appel niet ver
van de boom valt of de zwaarte
ontstijgt. De appel is rood
en hardstelig; hij hecht aan
zijn tak, zwelt welbehaaglijk.

Ik heb tijd zat. De appel
weet niet dat de zwaarte
kracht, wet is, dat de tak
zijn dracht moe wordt.
Het is herfst: appeltijd.

De appel doet of ik ver
van de boom of lucht ben
voor hem. De appel bloost
van opwinding. Zou hij
vallen? Wordt het dit keer

zweven?

 

 

Schaduw en licht

1
Wat avondjapons onthulden
deed kroonluchters lachen of huilen.
Wat ochtendjurken verrieden
was wat vroeg daglicht verdroeg.
Maar al wat op bloesjesdag
rakelings aan je voorbijging!
Nee, niet aan je voorbij, het bleef
een lente lang als een schaduw
van bloeiende meisjes bij.


2
Een lente lang als een schaduw
van breekbare benen die lengen
en rakelings blijven opdagen.
Wat ochtend koeltjes onthulde
als straatlantarens uithuilen.
Wat avond luchtig verried –
al wat geen daglicht kan velen
en in de schaduw wil schuilen
en één schaduw wil strelen

 

 
Stefaan van den Bremt (Aalst, 12 oktober 1941)

Lees meer...