24-10-13

Kester Freriks

 

De Nederlandse schrijver (Cornelis Christophel Maria) Kester Freriks werd geboren in Djakarta, Indonesië,  op 24 oktober 1954. Toen hij drie jaar oud was verhuisde het gezin Freriks naar Nederland. Vervolgens woonde Kester Freriks in Zandvoort, Groningen en Almelo waar hij twee middelbare scholen bezocht; eerst het Pius X College en vervolgens het Christelijk Lyceum. Deze omzwervingen in zijn jeugd verklaren mogelijk zijn latere zelfgekozen thematiek van nergens thuis te zijn Freriks studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, Duits, filosofie en theaterwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.Tussen 1975 en 1979 was Freriks verbonden aan het toneelgezelschap Handke/Weiss. Hij trad op als acteur, vertaler en dramaturg. Sinds 1981 is hij verbonden aan de kunstredactie van het NRC Handelsblad en schrijft hij over theater, literatuur, vogels en natuur. In het academische jaar 1985-1986 was hij writer-in-residence aan de University of Minnesota in Minneapolis, USA. Hij debuteerde in 1978 in het tijdschrift Hollands Maandblad; een jaar later verscheen bij Uitgeverij Meulenhoff zijn verhalencyclus “Grand Hotel Lembang”. Behalve in het Hollands Maandblad publiceerde Kester Freriks in tijdschriften als Tirade, De Gids, De Revisor, Maatstaf, De Held, Fodor Maandblad, De Zingende Zaag, Bzzlletin en De Tweede Ronde. Voor de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers vertaalde hij de brieven van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1790-1843). Zijn novelle De Metropool werd in 1990 verfilmd als Sundog. Zijn roman Hölderlins toren werd in 1982 bekroond met de Van der Hoogt-prijs.

 

Uit: De wil der wegen

“Vroeger had ik twee soorten vrienden: zij die, ondanks talloze verhuizingen, heel hun jeugdige leven aan de spoorlijn hadden doorgebracht en zij die telkens weer langs een uitvalsweg of andere roetsjbaan terechtkwamen.

Sommige schoolkameraadjes verhuisden nooit. Hun wereld bestond uit de straat waaraan zij woonden, hun kleine universum eindigde waar de straat doodliep op huizen of met een scherpe bocht uit het gezichtsveld verdween. Het plaveisel bestond uit klinkers, zorgvuldig in de vorm van een visgraat gelegd op rul zand waarin de stratemakers met hun vingers graaiden als ze in de weer waren een nieuwe bestrating aan te leggen. Met tussen stokjes gespannen vliegertouw zetten ze de banen af waarbinnen de klinkerstenen moesten vallen. Ze werkten vanuit het midden naar de zijkanten. Paste een steen niet, dan werd hij met een trefzekere slag van de stratemakershamer - een werktuig met een lange, spits uitlopende klauw als de bek van een reiger - in brokstukken gekliefd. Als je hun verrichtingen gadesloeg dan leek het net of ze een reusachtige wervelkolom in het zand aanlegden: eerst een rechte lijn in het midden, over de as van de weg, en vervolgens naar weerszijden uitwaaierende rijen van klinkerstenen.

Na de regen glommen de keitjes in het zonlicht. In de winter gingen ze vaak schuil onder een laag aanvankelijk witte maar snel vervuilde sneeuw of glinsterend ijs. Net vernis. De natuur beschermde de straat als een kostbaar schilderij.

Van verhuizen konden mijn ouders nooit genoeg krijgen. Nauwelijks was een huis ingericht of ze lichtten alweer het anker, lieten verhuiswagens met dreigend draaiende motoren voorrijden en keken toe, mijn moeder koffie schenkend, vader hier en daar een helpende hand biedend, hoe het in kisten verpakte huisraad door de laaddeur verdween in de duisternis van de vrachtwagens.Meubels, gevangen in smoezelige hoezen, werden op de rug van de verhuizers uit het huis getild. Een schemerlamp kwam rechtop in de wagen te staan, omwikkeld met lappen. De kisten met glaswerk en het servies kregen nauwelijks een voorzichtiger behandeling: de sjouwers gingen er even ruw en tegelijk trefzeker mee om als met de dozen vol boeken.”

 

 

 

Kester Freriks (Djakarta, 24 oktober 1954)

18:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kester freriks, romenu |  Facebook |

23-10-13

Michel van der Plas, Masiela Lusha, Augusten Burroughs, Robert Bridges, Adalbert Stifter

 

De Nederlandse dichter en schrijver Michel van der Plas werd geboren op 23 oktober 1927 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 23 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Michel van der Plas op dit blog.

 

 

Engelbewaarder

 

1

Je hebt, denk ik, een overvol bestaan:

alle dagen meezingen in het koor

voor de almachtige, en ertussendoor

hier op de aarde mijn gangen nagaan,

 

mijn onverbeterlijke eigenwaan

en levensangst gedurig op het spoor,

volgend als zijn getrouwe oog en oor

en tussenbeide komend met vermaan.

 

Ik overweeg aan 't eind van elke dag,

jouw zorgenkind, huiverend van ontzag,

dat dansen tussen tijd en eeuwigheid,

dat dubbelleven dat je vlakbij leidt

en dat ik toch niet met je delen mag,

engel van God die mijn bewaarder zijt.

 

 

2

Vannacht was ik je kwijt, want opgenomen

in reuzenwolken, op en neer spiralend

en met miljoenen 't zelfde lied herhalend,

rondom een licht te fel voor mensendromen,

gezang dat een oneindig aantal malen

uiteen viel en weer als een zee ging stromen,

en jij daarin, voorgoed, leek het, ontkomen:

wat zou je nu nog naar mijn leven talen.

 

Kom terug, kom terug, riep ik je na.

Kon ik jou uit mijn duister nog bezweren?

Maar uit de zwermen hoorde ik geen ja,

alleen het ruisen van de atmosferen

rondom het zwijgen van de Heer der heren

ver in den hoge, in jouw gloria.

 

 

 

De rijke jongeling 2

 

Ik zou zo graag geloven dat hij later

naar hem teruggekeerd is: in die nacht

dat Jezus in de tuin werd opgebracht.

Een jonge man wilde hem volgen, staat er.

 

Dat hij toen echt alles had weggegeven.

Want hij ging enkel in een linnen doek

om zijn lichaam naar de meester op zoek.

Het was zijn schuld niet dat ze hem verdreven.

 

Het laatste wat hij had viel hun in handen.

Naakt sloeg hij op de vlucht. Verder dan daar

kon hij niet volgen. Als een bedelaar.

Ik zie de tranen in zijn ogen branden

terwijl hij rent, tussen de struiken door:

En sinds die nacht ontbreekt van hem elk spoor.

 

 

 

 

Michel van der Plas (23 oktober 1927 -21 juli 2013)

Lees meer...

22-10-13

Lévi Weemoedt, Doris Lessing, Arjen Lubach, Alfred Douglas, A. L. Kennedy

 

De Nederlandse dichter en schrijver Lévi Weemoedt werd geboren in Geldrop op 22 oktober 1948. Zie ook mijn blog van 22 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Lévi Weemoedt op dit blog.

 

 

Weemoedt's Herfstcantate

Ik was niet altijd zo alleen,
integendeel: rondom mij heen
danste een bonte meisjesschaar
en ik kuste maar, ik kuste maar.

Maar van zo menig lief gezicht
bleef steeds alleen een triest gedicht
en 'k dacht wel eens: ik vind geen rust
vóór ik de Dood-Zelf heb gekust.

Ik woon alleen nu. Heb een hond.
Verlang ik naar een meisjesmond,

dan trek ik, als het broeit en stooft,
een oud condoom over mijn hoofd

en luister naar een Requiem-Mis
en denk dan stil: "the best there is"!

 

 

 

Asyl

 

Veel honden hebben baasjes,

veel mannen wel een vrouw.

Ik heb alleen maar niemand

waar ik zoveel van hou.

 

 

 

Dakkapel

 

’k Zie zo vaak verliefde paartjes

even stilstaan voor mijn huis:

‘Daar woont Weemoedt’, wijst de jongen.

En het meisje slaat een kruis.

 

 

 

 

Lévi Weemoedt (Geldrop, 22 oktober 1948)

Lees meer...

21-10-13

In Memoriam Thomas Blondeau

 

De Vlaamse dichter, schrijver en journalist Thomas Blondeau is afgelopen zondag op 35-jarige leeftijd overleden. Thomas Blondeau werd geboren in Poperinge op 21 juni 1978. Zie ook alle tags voor Thomas Blondeau op dit blog.

 

Uit: eX

 

“Steek een goudvis in een kom en zolang hij lucht en voedsel heeft, zal zijn belevingswereld niet veel anders zijn dan die van een goudvis in een meer. Plaats een olifant alleen op een omwald stukje veld en na verloop van tijd gaat hij met zijn hoofd zachtjes heen en weer slingeren. Zijn slurf trekt strepen in het zand. Die schudbewegingen maken endomorfine aan. Ze schudden zich langzaam naar een high om dat godvergeten stukje veld bestrooid met gigantische knikkers stront aan te kunnen.

Om een mens in diezelfde toestand te krijgen zijn er sterkere maatregelen nodig. Neem hem zijn besef van tijd en ruimte af, hul hem in duisternis en geef hem onzekerheid over zijn lot. Een naamloos leven in een niet al te grote gemeenschap bereikt aardig die omstandigheden. Omdat hoop het laatste is wat sterft, gaat de mens radeloos op zoek naar methodes om de gekte op een afstand te houden. Daarom gaan gijzelaars schaken, besteden ze dagelijks meer uren aan hun zelfgekauwde pionnen en lopers dan wat voor grootmeester dan ook. Of ze gaan opdrukken en doen buikspieroefeningen met een zelfdiscipline die ze in vrijheid nooit zouden kunnen opbrengen. Herlezen die slecht geschreven detective in een taal die ze amper machtig zijn totdat ze als korangeleerden het hele ding kunnen reciteren. Desnoods achterstevoren.
Davids rituelen tegen de waanzin die gestaag op zijn hoofd druppelde, waren de impromptu scenario’s waarin hij de hoofdrol speelde. Zag hij de getraliede ramen van een geldtransportwagen, dan vertraagde zijn stap. Haalde zijn zonnebril boven, deed alsof hij een mobiele telefoon naar zijn oor bracht en ging bedachtzaam een sigaret roken, hopend dat een beveiligingsbeambte hem opmerkte. Wat nooit gebeurde.
Als hij een gloeiende sigarettenpeuk in het rioolgat mikte, hoopte hij stiekem op een steekvlam of een ontploffing. Ging hij naar een winkel, dan keek hij recht de beveiligingscamera’s aan. En in zijn borst altijd die onuitgesproken hoop dat er iets zou gebeuren. Dat hij opgemerkt zou worden, per abuis gearresteerd, dit is schandalig, sorry meneer, een gerechtelijke dwaling, een gerechtelijke dwaling zegt u, dat was een jaar van mijn leven, als u maar weet dat ik het hier niet bij laat. Hij was de uitgelezen ramptoerist bij zijn eigen catastrofe.”

 

 

 

Thomas Blondeau (21 juni 1978 – 20 oktober 2013)

 

Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge

 

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin Bril op dit blog.

 

Uit: Rokjesdag

 

“Het luistert nauw met deze dag
Van alle kanten bereikt mij de vraag wanneer het rokjesdag is. Televisieprogramma’s, tijdschriften, radioshows, passanten op straat. Iedereen heeft het erover. Sommigen noemen het overigens bloesjesdag.

Ik niet.

Rokjesdag is die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag ineens een rok dragen, met daaronder blote benen. Tot zover de definitie waarop ongetwijfeld het een en ander valt af te dingen, maar daar heb ik geen zin in, sterker nog; het is een prachtige definitie.

De Van Dale noteert onder rokjesdag zie bloesjesdag. Zo kan ik het ook. Snel naar bloesjesdag en daar treffen we deze: eerste warme lentedag (waarop de vrouwen voor het eerst in hun bloesje op straat lopen).

Tja.

Ik vind mijn eigen definitie beter. En ik ben niet eens een billenman. Ook geen tietenman trouwens. Dus dat heeft er niets mee te maken. Wat mijn definitie zo mooi maakt is de toverslag.

Hoe weten alle vrouwen dat het rokjesdag wordt? Er is geen tamtam, en het wordt niet op radio en televisie aangekondigd. Het gaat dus om een voorgevoel dat duizenden vrouwen op hetzelfde moment bezoekt.

Het is vandaag 2 april en als het goed is schijnt de zon. In de loop van de dag zal de temperatuur oplopen tot zo’n17, 18 graden. Dat is in principe genoeg voor rokjesdag, ware het niet dat de ochtend aan de koude kant is, 4 graden, en dat is een obstakel. Halverwege de dag iets anders aantrekken mag niet, en is in veel gevallen ook onmogelijk. Je gaat je op je werk niet verkleden.

Dat brengt ons bij vrijdag.”

 

 

 

Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 - 22 april 2009)

Lees meer...

20-10-13

Hans Warren, Arthur Rimbaud, Marnix Gijsen, Oskar Pastior, Elfriede Jelinek

 

De Nederlandse dichter, schrijver en criticus Hans Warren werd op 20 oktober 1921 geboren in Borssele. Zie ook mijn blog van 20 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Hans Warren op dit blog.

 

Uit: Geheim dagboek (Deel 20, 1996-1998)

 

“27 nov. — 14.15 (…) Inmiddels waren ook de sapeur-pompiers er, een hele groep. Iedereen was uiterst aardig en hulpvaardig, er was een ventje bij, nog zo jong dat het me ontroerde, telkens vroeg hij of het toch ging. Ik werd op de voor mij te korte brancard gehesen, naar buiten gedragen en in de ambulance geschoven. Wat een marteling! Het sidderen van de motor, het ongelijke plaveisel in het hartje van Parijs, m’n hoofd dat geen steun had, de bochten. M’n angst in het ziekenhuis: ik wil naar huis, hoe kom ik nu toch nog thuis, arme Mario, hoe regel jij alles, hij kan niet zonder eten en het is al zo laat.

De dokter begon met vast te stellen: ‘Vous travaillez encore?’ Het eindigde ermee dat hij hoogstpersoonlijk m’n sokken weer aantrok. Ik moest allerlei komische oefeningen doen, onder andere met m’n armen zwaaien en dan met de wijsvinger m’n neuspunt raken, eerst met open, vervolgens met gesloten ogen. En je bent enorm trots als het je lukt en zo blij als een kind, want: ‘Cher docteur, je ne dois pas être hospitalisé?’ ‘Non, m.Warren, vous pouvez rentrer à la maison.’ Hij zal niet geweten hebben dat het minstens vier uur rijden was.
De ruzie, het is zo pijnlijk. Pas nu besef ik hoe diep M. is geschokt, hoe een traumatische ervaring het voor hem is geweest. Hij bleef maar vragen hoe het toch kwam dat ik viel. Ik zei dat het aan de al te drukke dag lag, dat daardoor m’n aandacht was verslapt. M. leidde eruit af dat ik hém de schuld gaf. Ik zei dat het onzin was, maar dat hij in m’n dagboek zou kunnen lezen hoe ik tegen zulke dagen opzag. Hij zei dat ik moest beloven niet meer te vallen. De verwijten begonnen te verscherpen, ik sloeg door, vloekte en schold: ‘Gooi me er maar uit.’ Het eindigde in een huilbui op een parkeerplaats, 400 kilometer van huis. En ik hield van hem, ik voelde hoe hij van mij hield. Bij Seclin probeerden we een sandwich te eten, het smaakte ons geen van beiden, maar M. kan nu eenmaal niet zonder brandstof.
Het gaat goed, maar als ik mezelf in de spiegel bekijk, schrik ik. En zo ziet M. me natuurlijk. Hij raakt me telkens bezorgd aan en liefkoost me: ‘Dit mag nooit meer gebeuren, beloof me toch dat je nooit meer zult vallen.’ Hij heeft het honderden keren gesmeekt, maar hoe kan ik dit beloven? Ik kan alleen zo goed mogelijk oppassen, en dat deed ik altijd al.”

 

 

 

Ik lieg

 

Ik heb je lief, ik lieg.
Je geur bedwelmt me.
Kom niet nog nader,
je geur stoot me straks af.
Nu heet je zo, morgen heet je anders.
Ik vlucht omdat je bent
wie je bent, lijfelijk, lawaaierig, te jong.
Ik heb je niet lief, ik lieg.

 

 

 

 

Adieu

 

Je leek een Florentijnse doodspage
met je sluike, halflange haar,
je matte, sombere gelaat,
je engsluitende zwarte tuniek
zelfs je ogen schenen git.
Je zong met een metalen alt.
Ik kon mijn ogen niet van je afhouden
en jij keek telkens terug tot ik bloosde.

Na het concert bleek je een banale
Engelse jongen van een jaar of zeventien
met grijze ogen en een diepe spreekstem.
Je was gewillig en je stonk een beetje.
Je hebt tegen me geglimlacht
toen we elkaar de volgende dag herkenden
en in Dordrecht, tijdens een maartse bui
zijn we voorgoed uit elkaar geregend.

 

 

 

 

Hans Warren (20 oktober 1921 – 19 december 2001)

Lees meer...

Robert Pinsky, John von Düffel, Theresia Walser, O. P. Zier, Belle van Zuylen, Lewis Grizzard

 

De Amerikaanse dichter, vertaler en essayist Robert Pinsky werd geboren op 20 oktober 1940 in Long Branch, New Jersey. Zie ook alle tags voor Robert Pinsky op dit blog en ook mijn blog van 20 oktober 2010

 

 

Samurai Song

 

When I had no roof I made
Audacity my roof. When I had
No supper my eyes dined.

When I had no eyes I listened.
When I had no ears I thought.
When I had no thought I waited.

When I had no father I made
Care my father. When I had
No mother I embraced order.

When I had no friend I made
Quiet my friend. When I had no
Enemy I opposed my body.

When I had no temple I made
My voice my temple. I have
No priest, my tongue is my choir.

When I have no means fortune
Is my means. When I have
Nothing, death will be my fortune.

 

 

 

BIOGRAPHY

 

Stone wheel that sharpens the blade that mows the grain,
Wheel of the sunflower turning, wheel that turns
The spiral press that squeezes the oil expressed
From shale or olives. Particles that turn to mud
On the potter's wheel that spins to form the vessel
That holds the oil that drips to cool the blade.

My mother's dreadful fall. Her mother's dread
Of all things: death, life, birth. My brother's birth
Just before the fall, his birth again in Jesus.
Wobble and blur of my soul, born only once,
That cleaves to circles. The moon, the eye, the year,
Circle of causes or chaos or turns of chance.

The line of a tune as it cycles back to the root,
Arc of the changes. The line from there to here
Of Ellen speaking, thread of my circle of friends,
The art of lines, chord of the circle of work.
Radius. Lives of children growing away,
The plant radiant in air, its root in dark.

 

 

 

 

Robert Pinsky (Long Branch, 20 oktober 1940)

Lees meer...

19-10-13

David Vann, Philip Pullman, Miguel Ángel Asturias, Fannie Hurst, Leigh Hunt

 

De Amerikaanse schrijver David Vann werd geboren op 19 oktober 1966 op Adak Island,  Alaska. Zie ook alle tags voor David Vann op dit blog.

 

Uit: Caribou Island

 

„My mother was not real. She was an early dream, a hope. She  was a place. Snowy, like here, and cold. A wooden house on a  hill above a river. An overcast day, the old white paint of the buildings made brighter somehow by the trapped light, and I  was coming home from school. Ten years old, walking by myself,  walking through dirty patches of snow in the yard, walking up to  the narrow porch. I can't remember how my thoughts went then,  can't remember who I was or what I felt like. All of that is gone,  erased. I opened our front door and found my mother hanging  from the rafters. I'm sorry, I said, and I stepped back and closed  the door. I was outside on the porch again.
You said that? Rhoda asked. You said you were sorry?
Yes.
Oh, Mom.
It was long ago, Irene said. And it was something I couldn't  see even at the time, so I can't see it now. I don't know what she  looked like hanging there. I don't remember any of it, only that it was.
Rhoda scooted closer on the couch and put her arm around  her mother, pulled her close. They both looked at the fire. A  metal screen in front, small hexagons, and the longer Rhoda  looked, the more these hexagons seemed like the back wall of  the fireplace, made golden by flame. As if the back wall, black  with soot, could be revealed or transmuted by fire. Then her eyes  would shift and it would be only a screen again. I wish I had  known her, Rhoda said.
Me too, Irene said. She patted Rhoda's knee. I need to get to  sleep. Busy day tomorrow.
I'll miss this place.
It was a good home. But your father wants to leave me, and the  first step is to make us move out to that island. To make it seem  he gave it a try.
That's not true, Mom.
We all have rules, Rhoda. And your father's main rule is that  he can never seem like the bad guy.
He loves you, Mom.
Irene stood and hugged her daughter. Goodnight, Rhoda.”

 

 


David Vann (Adak Island, 19 oktober 1966)

Lees meer...

Nardo Aluman, Andrew Vachss, John le Carré, Adam Lindsay Gordon

 

De Surinaamse schrijver Nardo Aluman (eig. Ronald Renardo Aloema) werd geboren in Christiaankondre op 19 oktober 1946. Zie ook alle tags voor Nardo Aluman op dit blog en eveneens mijn blog van 19 oktober 2010

 

Uit: Epakano Jakonombo/Tijdens de opstanding

 

“Heel, heel lang voor de witte man kwam, bestond er een welvarend en vreugdevol dorpje aan de bovenloop van de Amana-rivier in het huidige Frans-Guyana. De naam Amana (Mana) is ontleend aan een soort klei. Het is een roodgele klei en komt veel voor aan de oevers van deze rivier. Van deze klei vervaardigen de Caraïbische vrouwen van de dorpen Awara en Galibi nog altijd hun aardewerk. Het dorp was gevestigd bij een grote Ulemari-boom en heette daarom Ulemari-undy (de stam van de Ulemari).

De rivier Amana leverde tal van middelen van bestaan. Aan vis en vlees had men in het dorp dan ook nooit gebrek. De bevolking van Ulemari-undy deed ook aan landbouw en het dorp was volbeplant met allerlei soorten vruchtbomen. De bewoners vormden een grote familie die onder leiding stond van een pyjai. Deze man was één van de grootste pyjai's in de Guyana's. Iedereen in de Guyana's kende hem en men had veel eerbied voor hem. Zijn onderdanen durfden hem niet bij zijn naam te noemen en daarom wist niemand hoe hij heette. Zijn aanspreektitel was ‘Byjai’, dat betekent leermeester. Zoals het overal in de wereld toegaat, had deze Byjai ook tegenstanders in de andere dorpen; mensen die niet van hem hielden, omdat zij jaloers op hem waren. Maar waarom was men eigenlijk jaloers op hem? Wel, deze man bezat een aantal bijzondere gaven. Zo kon hij zich op bepaalde momenten één maken met de natuur. De vogels en andere dieren, dus ook de wilde poema, gehoorzaamden hem. Hij kon met ze spelen en hun opdrachten geven. Hij alleen kon met de totale natuur communiceren, zelfs met het kleinste levende wezen, zoals de krekel. Soms, als hij zin had, ging hij met de vogels op pad. Geen wonder dat deze man nooit problemen had met het vergaren van voedsel voor zijn gezin. Natuurlijk waren er mannen in het dorp die erachter wilden komen hoe hij dat allemaal deed.”

 

 

 

Nardo Aluman (Christiaankondre, 19 oktober 1946)

Lees meer...

18-10-13

Ntozake Shange , Kees Fens, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Ntozake Shange werd geboren als Paulette Williams op 18 oktober 1948 in Trenton, New Jersey. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2008 ook mijn blog van 18 oktober 2009.

 

 

People of Watts

 

where we come from, sometimes, beauty
floats around us like clouds
the way leaves rustle in the breeze
and cornbread and barbecue swing out the backdoor
and tease all our senses as the sun goes down.

dreams and memories rest by fences
Texas accents rev up like our engines
customized sparkling powerful as the arms
that hold us tightly black n fragrant
reminding us that once we slept and loved
to the scents of magnolia and frangipani
once when we looked toward the skies
we could see something as lovely as our children's
smiles white n glistenin' clear of fear or shame
young girls in braids as precious as gold
find out that sex is not just bein' touched
but in the swing of their hips the light fallin cross
a softbrown cheek or the movement of a mere finger
to a lip many lips inviting kisses southern
and hip as any one lanky brother in the heat
of a laid back sunday rich as a big mama still
in love with the idea of love how we play at lovin'
even riskin' all common sense cause we are as fantastical
as any chimera or magical flowers where breasts entice
and disguise the racing pounding of our hearts
as the music that we are
hard core blues low bass voices crooning
straight outta Compton melodies so pretty
they nasty cruising the Harbor Freeway
blowin' kisses to strangers who won't be for long
singing ourselves to ourselves Mamie Khalid Sharita
Bessie Jock Tookie MaiMai Cosmic Man Mr. Man
Keemah and all the rest seriously courtin'
rappin' a English we make up as we go along
turnin' nouns into verbs braids into crowns
and always fetchin' dreams from a horizon
strewn with bones and flesh of those of us
who didn't make it whose smiles and deep
dark eyes help us to continue to see
there's so much life here.

 

 

 

Ntozake Shange (Trenton, 18 oktober 1948)

Lees meer...

17-10-13

200 Jaar Georg Büchner, Simon Vestdijk, Miguel Delibes, Arthur Miller, Nel Noordzij

 

200 Jaar Georg Büchner

 

De Duitse schrijver Georg Büchner werd geboren op 17 oktober 1813 in Goddelau. Dat is vandaag precies 200 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 17 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Georg Büchner op dit blog.

                                                                                                            

Uit: Woyzeck

 

„Hauptmann: Woyzeck, Er hat keine Tugend! Er ist kein tugendhafter Mensch! Fleisch und Blut? Wenn ich am Fenster lieg', wenn's geregnet hat, und den weißen Strümpfen nachseh', wie sie über die Gassen springen – verdammt, Woyzeck, da kommt mir die Liebe! Ich hab' auch Fleisch und Blut. Aber, Woyzeck, die Tugend! Die Tugend! Wie sollte ich dann die Zeit rumbringen? Ich sag' mir immer: du bist ein tugendhafter Mensch – gerührt: –, ein guter Mensch, ein guter Mensch.

Woyzeck: Ja, Herr Hauptmann, die Tugend – ich hab's noch nit so aus. Sehn Sie: wir gemeine Leut, das hat keine Tugend, es kommt nur so die Natur; aber wenn ich ein Herr wär und hätt' ein' Hut und eine Uhr und eine Anglaise und könnt' vornehm rede, ich wollt' schon tugendhaft sein. Es muß was Schönes sein um die Tugend, Herr Hauptmann. Aber ich bin ein armer Kerl!

Hauptmann: Gut, Woyzeck. Du bist ein guter Mensch, ein guter Mensch. Aber du denkst zuviel, das zehrt; du siehst immer so verhetzt aus. – Der Diskurs hat mich ganz angegriffen. Geh jetzt, und renn nicht so; langsam, hübsch langsam die Straße hinunter!

 

 


Scene uit de film van Werner Herog met Klaus Kinski als Woyzeck, 1979.

 

 

Freies Feld, die Stadt in der Ferne

Woyzeck und Andres schneiden Stecken im Gebüsch. Andres pfeift.

Woyzeck: Ja, Andres, der Platz ist verflucht. Siehst Du den lichten Streif da über das Gras hin, wo die Schwämme so nachwachsen? Da rollt abends der Kopf. Es hob ihn einmal einer auf, er meint', es wär ein Igel: drei Tag und drei Nächt, er lag auf den Hobelspänen. – Leise:Andres, das waren die Freimaurer! Ich hab's, die Freimaurer!

Andres singt:
Saßen dort zwei Hasen,
fraßen ab das grüne, grüne Gras...

Woyzeck: Still: Hörst du's, Andres? Hörst du's? Es geht was!

Andres:
Fraßen ab das grüne, grüne Gras...
bis auf den grünen Rasen.

Woyzeck: Es geht hinter mir, unter mir. – Stampft auf den Boden: Hohl, hörst Du? Alles hohl da unten! Die Freimaurer!

Andres: Ich fürcht' mich.

Woyzeck: 's ist so kurios still. Man möcht' den Atem halten. – Andres!

Andres: Was?

Woyzeck: Red was! – Starrt in die Gegend. – Andres, wie hell! Über der Stadt is alles Glut! Ein Feuer fährt um den Himmel und ein Getös herunter wie Posaunen. Wie's heraufzieht! – Fort! Sieh nicht hinter dich! – Reißt ihn ins Gebüsch.

Andres nach einer Pause: Woyzeck, hörst du's noch?

Woyzeck: Still, alles still, als wär' die Welt tot.

Andres: Hörst du? Sie trommeln drin. Wir müssen fort!”

 

 

 

Georg Büchner (17 oktober 1813 - 19 februari 1837)

Anoniem portret, rond 1836

Lees meer...

16-10-13

Günter Grass, Oscar Wilde, Guðbergur Bergsson, Eugene O’Neill, Gustaaf Peek

 

De Duitse dichter en schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

 

Uit:  Katz und Maus

 

“... und einmal, als Mahlke schon schwimmen konnte, lagen wir neben dem Schlagballfeld im Gras. Ich hätte zum Zahnarzt gehen sollen, aber sie ließen mich nicht, weil ich als Tickspieler schwer zu ersetzen war. Mein Zahn lärmte. Eine Katze strich diagonal durch die Wiese und wurde nicht beworfen. Einige kauten oder zupften Halme. Die Katze gehörte dem Platzverwalter und war schwarz. Hotten Sonntag rieb sein Schlagholz mit einem Wollstrumpf. Mein Zahn trat auf der Stelle. Das Turnier dauerte schon zwei Stunden. Wir hatten hoch verloren und warteten nun auf das Gegenspiel. Jung war die Katze, aber kein Kätzchen. Im Stadion wurden oft und wechselseitig Handballtore geworfen. Mein Zahn wiederholte ein einziges Wort. Auf der Aschenbahn übten Hundertmeterläufer das Starten oder waren nervös. Die Katze machte Umwege. Über den Himmel kroch langsam und laut ein dreimotoriges Flugzeug, konnte aber meinen Zahn nicht übertönen. Die schwarze Katze des Platzverwalters zeigte hinter Grashalmen ein weißes Lätzchen. Mahlke schlief. Das Krematorium zwischen den Vereinigten Friedhöfen und der Technischen Hochschule arbeitete bei Ostwind. Studienrat Mallenbrandt pfiff: Wechsel Fangball Übergetreten. Die Katze übte. Mahlke schlief oder sah so aus. Neben ihm hatte ich Zahnschmerzen. Die Katze kam übend näher. Mahlkes Adamsapfel fiel auf, weil er groß war, immer in Bewegung und einen Schatten warf. Des Platzverwalters schwarze Katze spannte sich zwischen mir und Mahlke zum Sprung. Wir bildeten ein Dreieck. Mein Zahn schwieg, trat nicht mehr auf der Stelle: denn Mahlkes Adamsapfel wurde der Katze zur Maus. So jung war die Katze, so beweglich Mahlkes Artikel – jedenfalls sprang sie Mahlke an die Gurgel; oder einer von uns griff die Katze und setzte sie Mahlke an den Hals; oder ich, mit wie ohne Zahnschmerz, packte die Katze, zeigte ihr Mahlkes Maus: und Joachim Mahlke schrie, trug aber nur unbedeutende Kratzer davon.“

 

 

 

Günter Grass (Danzig, 16 oktober 1927)

Lees meer...

15-10-13

A. F.Th. van der Heijden, Boualem Sansal, Friedrich Nietzsche, Michail Lermontov, Italo Calvino, Tessa de Loo

 

De Nederlandse schrijver A. F. Th. van der Heijden werd geboren in Geldrop op 15 oktober 1951. Zie ook mijn blog van 15 oktober 2010 en eveneens alle tags voor A. F.Th. van der Heijden op dit blog.

 

Uit: De helleveeg

 

“Ze ontving me in een crèmekleurige deux-pièces, die de duurdere kledingwinkel verried, en perfect om haar heen sloot: op haar achtendertigste had ze nog net zo'n mooi figuur als vijftien jaar eerder op haar trouwdag. Hoe kon het dat mijn moeder, die sterk op haar leek, al voor haar dertigste grijs begon te worden, en dat Tiny haar eigen donkerbruine haarkleur had behouden, zonder een enkel zilveren draadje? En dat de oudste van de twee zussen al tien jaar een rimpelig oudevrouwtjesgezicht had, terwijl dat van de jongste nog knap en strak was, met grote bruine ogen, waarvan de leden niet door permanente vermoeidheid waren gaan hangen? Tiny had zich bescheiden opgemaakt, precies genoeg om het bijzondere aan haar trekken te accentueren. Een dame, every inch. Maar pas op.
Misschien moest ik zeggen trois-pièces, want over het mantelpak droeg ze een huishoudschortje in dezelfde crèmekleur, met ruches en een grote strik, waarvan de lussen op haar billen dansten toen ze voor me uit naar de woonkamer liep. In de flat was weinig veranderd sinds ik er als jongen van elf, twaalf een paar keer gelogeerd had. Hetzelfde meubilair, nog als nieuw, de teakhouten leuningen zelfs niet een beetje verschoten. Er stond nu een grote kleurentelevisie op de plaats waar vroeger de kleine, lichtblauwe radio stond, waaraan ik me had gelaafd in die bloeitijd van de rock-'n-roll. Wat meer planten misschien, en nergens asbakken, althans niet zichtbaar - verder alles bij het oude. Ik ging wat ongemakkelijk op de bank zitten, onverminderd (en sinds de ontvangst zelfs in meerdere mate) gehinderd door het priapisme van Guy de Maupassant.
Ik vroeg Tiny of ze nog altijd op dezelfde wijze koffie maakte: heel sterk, met kokende melk aangelengd.
'Koos drinkt hem nu anders,' zei ze weinig vriendelijk, 'maar voor jou kan ik het nog wel een keer op de oude manier doen.' Tiny verdween naar de keuken. Ze hield er nog altijd die aanstellerig schokkerige manier van zich voortbewegen op na, met half opgeheven onderarmen en geknakte polsen - een beetje slofferig ook, zelfs nu ze haar hoogste hakken droeg. Het was in strijd met haar aanvankelijke verschijning als dame, wat misschien ook precies in haar bedoeling lag. Een clown met een schortje voor, dat is wat ze konden krijgen, de mensen.”

 

 

 

A. F.Th. van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951)

Lees meer...

Heinz Helle

 

De Duitse schrijver Heinz Helle werd geboren op 15 oktober 1978 in München. Helle studeerde filosofie in München en New York. Van 2009 tot 2012 bezocht hij het Zwitserse Literatuur Instituut. Hij werkt als copywriter voor verschillende reclamebureaus. In 2013 werd hij uitgenodigd door Daniela Strigl om deel te nemen aan de Ingeborg Bachmann-prijs. In 2014 zal zijn debuutroman “Der beruhigende Klang von explodierendem Kerosin” verschijnen.

Uit: Wir sind schön

„Wir sind schön. Es geht uns gut. Wir mögen unsere Körper, den eigenen und den jeweils anderen, andere finden, wir sind ein schönes Paar. Wir sind glücklich. Wir sind das, was man glücklich nennt. Wir sind das, was alle glücklich nennen, die wir kennen. Wir haben, was alle wollen, tun, was alle tun. Wir haben zusammen 53.374,43 Euro auf dem Konto und könnten eine Eigentumswohnung anzahlen, eine kleine, und dann abzahlen, langsam, nachdem wir beide feste, sichere Jobs angenommen hätten; fest müssten sie sein für den Kredit, und sicher wären sie aufgrund unserer Ausbildung, unserer freundlichen, zuverlässigen Art und unserer Erfahrung. Wir könnten in Elternzeit gehen, Deutschland ist ein zivilisiertes Land, das seinen jungen Eltern ermöglicht, ohne allzu große finanzielle Einbußen junge Eltern zu sein, zumindest vorerst, später dann nicht mehr, Kinder zu haben ist deutlich teurer, als Kinder zu bekommen, und nach einer Elternzeit ist die Karriere auch meistens gelaufen, aber das sagt man ihnen nicht, den Kindern nicht, weil sie es nicht verstehen würden, und den jungen Eltern nicht, weil es sie im Moment nicht interessiert. Ihnen sagt man: schön.
Wir haben Sex. Zunächst mehrmals am Tag, dann mehrmals in der Woche, dann mehrmals am Wochenende, dann einmal pro Woche. Wir finden es beide gut, so versichern wir einander, es wird eben weniger, es gibt viel zu tun, wir haben Stress, und ab und zu möchte man ja auch ein paar Freunde sehen.“

 

 
Heinz Helle (München, 15 oktober 1978)

19:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: heinz helle, romenu |  Facebook |