22-06-14

Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Willie Verhegghe, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown

 

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

Uit: Dichtertje

“De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge natuurlijke vrouwtjes, die veel van hun wettige man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là, c'est là qu'il faut être.
Là? Waar? ‘'k Ben mal.’ En ze drukken hun kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.
(…)

Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet aanraken. En tegelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was gelopen en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op haar te wreken in het genot de tempteerende onverschilligheid. En wat zou een dichteresje ook beter verlangen, dan zóó te vallen.”

 

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Lees meer...

Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Jacques Delille

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Zie ook alle tags voor Tadeusz Konwicki op dit blog.

Uit: The Calendar and the Hourglass (Vertaald door Daniel Bourne)

“But it would be even nicer if one could write the truth, the whole truth, about one's times, one's contemporaries, one's self. But this is impossible for many reasons. I don't know how to write for the drawer. To count on future generations takes either terrible humility or a crazed self-pride. I have no basis whatsoever to think that in ten years someone will want to reach for one of my books, much less want to rummage around in my house, which by then will have burned maybe three times. If I still have some desire or other to write, it's only the desire to correspond with those of my own age, those whom I know like the back of my hand, those whom I despise and hate and still must love, because after all I know no others.
Thus, I can only manage to write about these times of ours in the broadest of terms, about people warily and without name, while to write about myself just isn't worth it, for it is too easy to fall into the trap of a nasty self-preening egotism, in which studier literati than I have strangled themselves. My biggest regret is the matter of writing the truth about my contemporaries. I could have had a field day. All these levels of crap we carry around like the layers on an onion. Some even look like old artichokes. Truth is a basic instinct each one of us violates daily. Truth is our last sip of air, our deathbed absolution.
I realize the obligations I have towards my reader, which out of a false sense of pride I am going to call my confidant. I know what people like to read. I know that pages covered with small type, unfestooned with frequent breakages of paragraphs and unembellished with waterfalls of dialogue would scare off the most tenacious. I know that it is boring to wade through a bunch of thoughts when they are not all that golden. And when they are golden, one can still get stuffed, even at times to choke.”

 

 
Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

Lees meer...

Aaro Hellaakoski

 

De Finse  dichter, criticus en geograaf Aaro Hellaakoski werd geboren op 22 juni 1893 in Oulu. Van beroep was hij een geograaf die onderzoek deed op het gebied van fysische geografie en geomorfologie en die werkzaam was als geografieleraar en als universitair docent. Als geograaf publiceerde hij wetenschappelijke studies over onderwerpen als de geologische geschiedenis van het Saimaa-meer en de geologische geschiedenis van het Puula-meer. Hellaakoski bracht jarenlang zijn zomers door met geomorfologisch veldwerk in het Finse merengebied. Hij schreef ook enkele schoolboeken over aardrijkskunde. Daarnaast werkte Hellaakoski, die zeer geïnteresseerd was in schilderkunst en erg vertouwd met de kunstgeschiedenis, als literatuur- en kunstcriticus. Zijn literaire werk bevat enkele van de vroegste voorbeelden van het modernisme in de Finse literatuur. Zijn eerste dichtbundel “Runoja” (Gedichten) verscheen in 1916 kreeg nog slechte recensies - Eino Leino deed hem af als onvolwassen, zowel qua inhoud als vorm. De volgende bundels “Nimettömiä lauluja” (Naamloze liederen) en “Me Kaksi” (Wij Twee) werden al beter ontvangen. De jaren 1920 waren een intens creatieve periode voor Hellaakoski, die zich ook waagde aan het maken van aquarellen. Hij publiceerde drie dichtbundels, studies over kunstenaars en een verzameling van korte verhalen “Iloinen yllätys” (Gelukkige verrassing) 1927). Met “Jääpeili” (1928, IJsspiegel) bereikte Hellaakoski het hoogtepunt van zijn vroege periode. De innovatieve picturale typografie in 'Sade' en 'Dolce far niente' herinnerde aan Apollinaires Calligrammes (1918). Andere inspiratiebronnen waren het kubisme en de Italiaanse, futuristische dichter FT Marinetti. Na deze bundel, die slecht werd verkocht, publiceerde Hellaakoski 12 jaar lang niets meer. Zijn eerstvolgende bundel “Vartiossa” (Eng: On guard) verscheen in 1941. Voor de Winteroorlog (1939-1940) had Hellaakoski gedacht dat de uitgave van zijn gedichten een "grafsteen voor een levend lichaam" zou zijn, maar de oorlog brak zijn mentale blokkade, Hij las Fröding, Rilke, Goethe en Verlaine en voelde dat hij nog dingen te zeggen had als dichter. “Uusi Runo” (1943) - de titel betekent 'nieuw gedicht "- werd tijdens de vervolgoorlog ‘s nachts geschreven. Belangrijke werken uit deze latere periode zijn onder andere “Huojuvat keulat” (1946, Eng: The swaying prows) en Sarjoja (1952, Eng: Suites). Naast gedichten en geografische studies publiceerdep Hellaakoski essays, korte verhalen en aforismen.

 

Evening

How ranquilly the evening’s darkening,
dusk deepening beneath the trees.
Consult the long alleyways of the skies
for the gift of this evening
and the cause of your ease.

But the waste! the pain and stress –
those reachings into secrets of the dark –
quarrying endlessness,
plummeting bottomlessness,
quizzing every question mark.

Why this rummaging into whence and why?
Empty let’s be. Open and free.
Let secrets come, or let them fly
away, diffuse like cloudscapes
or whisperings through a tree.

Eyes must glow as your spirits peer
through a wakeful cranny in where you are.
Only the silent have ears to hear.
When the doorstep feels the touch of a toe
only the vigilant’s door is ajar.

 

 

Moonlight in the forest

Under the sleeping branches light
glimmers weirdly in the night,

through the wood the cryptic road
comes from nowhere, nowhere goes.

My shadow’s fled. And soon
my body’s gone. Dissolved in moon.

My footfall hovers ownerless.
Fingers touch on emptiness.

 

 

Vertaald door Herbert Lomas

 

 
Aaro Hellaakoski (22 juni 1893 - 23 november 1952)

10:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: aaro hellaakoski, romenu |  Facebook |

21-06-14

Ed Leeflang, Thomas Blondeau, Anne Carson, Adam Zagajewski, Ian McEwan, Alon Hilu, Robert Menasse

 

De Nederlandse dichter Ed Leeflang werd geboren op 21 juni 1929 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Ed Leeflang op dit blog.

 

Ze is zo groot

Ze is zo groot, zo warm, zo zonnig.
Ze haalt haar wijsheid uit een land
waar vuilnisbakken zijn beverfd met bloemen;
's zomers zeilt zij op haar houten ledikant.

Haar lach vliegt zeer omslachtig
als een fazant bijvoorbeeld door het lokaal,
zo kleurig ook; zij houdt van allemaal
en niemand is alleen gelaten.
Ze kan niet haten.

Op het bord zij waaren en hij hete;
ze is er voor het zijn, niet voor het weten,
naar kennis heeft ze nooit gedorst.
Ze is zo groot, zo warm, zo zonnig;
ze geeft straks heel de klas de borst.

 

 

Werkcoupé

Besneeuwde velden zijn de wereld zelf.
De zware hekken sluiten niets meer af.
Tot suikerbeesten eten paarden zich
waarna de bakker ze komt halen.
O palmen van de boerenkool.
Magere haas, golfplaat van eterniet,
contour die slingert, sierend niets
voorbijschiet en ontroert.
De reigers vasten, maraboes
mijn stiltes trouw gebleven
in menselijk teveel. Tellen
houdt op. Roestende emmer, halfbedoelven
steekt schuins zijn hengsel uit
naar het gewapend riet.
Houwdegens posten in de leegte
het liefste bij verdriet.

 

 

Kortenhoef

De avond komt over de kleine binnenplas.
Ik peddel niet meer, licht zuchtend loopt
de kano vast in de plompeblaren. Nog een
kleine opmerking van de wind
achter mij in het riet. De watermunt
geurt me met kracht achterna van het
licht aanvaren.

Een fuut komt haastig nog door de ban,
met watervrees zwemmend, alsof het zo weer
spertijd is, weer jeugd en oorlog worden kan.

Een bel ontploft zacht aan het oppervlak;
heeft ook het ongeborene al ontzetting?

Wat heb je toch met de stilte,
steeds minder beangste, verouderde man?
Je leven heb je onder de leden
en je wil toch niemand meer laten delen
in die besmetting?

 

 
Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

Lees meer...

Jean-Paul Sartre, Machado de Assis, Georg Lentz, Chitra Gajadin, Helmut Heißenbüttel, Françoise Sagan

 

De Franse schrijver Jean Paul Sartre werd geboren op 21 juni 1905 in Parijs. Zie ook alle tags voor Jean-Paul Sartre op dit blog.

Uit: Nausea (Vertaald door Robert Baldick)

“I jump up: it would be much better if I could only stop thinking. Thoughts are the dullest things. Duller than flesh. They stretch out and there's no end to them and they leave a funny taste in the mouth. Then there are words, inside the thoughts, unfinished words, a sketchy sentence which constantly returns: "I have to fi. . . I ex. . . Dead . . . M. de Roll is dead . . . I am not ... I ex. . ." It goes, it goes . . . and there's no end to it. It's worse than the rest because I feel responsible and have complicity in it. For example, this sort of painful rumination: I exist, I am the one who keeps it up. I. The body lives by itself once it has begun. But though I am the one who continues it, unrolls it. I exist. How serpentine is this feeling of existing, I unwind it, slowly. ... If I could keep myself from thinking! I try, and succeed: my head seems to fill with smoke . . . and then it starts again: "Smoke . . . not to think . . . don't want to think ... I think I don't want to think. I mustn't think that I don't want to think. Because that's still a thought." Will there never be an end to it?
My thought is me: that's why I can't stop. I exist because I think . . . and I can't stop myself from thinking. At this very moment, it's frightful, if I exist, it is because I am horrified at existing. I am the one who pulls myself from the nothingness to which I aspire: the hatred, the disgust of existing, there are as many ways to make myself exist, to thrust myself into existence. Thoughts are born at the back of me, like sudden giddiness, I feel them being born behind my head ... if I yield, they're going to come round in front of me, between my eyes, and I always yield, the thought grows and grows and there it is, immense, filling me completely and renewing my existence.”

 

 
Jean-Paul Sartre (21 juni 1905 - 15 april 1980)
Portret op een muur in Saint-Romain-au-Mont-d'Or

Lees meer...

Wulf Kirsten, Frans de Cort, Patrick Lowie, Henry S. Taylor, Mary McCarthy, Aleksandr Tvardovsky, Fyodor Gladkov

 

De Duitse dichter, schrijver en uitgever Wulf Kirsten werd geboren op 21 juni 1934 in Klipphausen bij Meißen. Zie ook alle tags voor Wulf Kirsten op dit blog.

 

KURFÜRSTENDAMM

Eisenzahnstraße, abgewinkelten arms.
emaille. gingkobäumchen in reih und glied.
astlos. vorübergehend an pfähle gebunden,
laufen neben den passanten her. so tun,
als ob. und wie sie marschieren.
pomologie, preußisch gedrillt. flexibel
gekrümmt bogenlaternen, eisenkunstguß.
nostalgisch verschnörkelt.
die geschmacksbildende idee alternierend
und eine spur zu absichtlich
zwischen die baumschulflüchter gesetzt.
abgeplatzte platanenrinde: heißt das,
ich soll entziffern, was die urbanisierte
natur mir achtlos vor die füße wirft?
eingemummt in ein giftgrünes brillengestell
die bankbesetzerin und ihr ausgesperrtes
eigentum. hinter einem wall sparriger
bündel das sperrgut mitten auf der avenue.
die einzige und ihr eigentum. anschauungs-
modell. sorgsam verschnürt und gehütet.
die geheimnisse des lebens. fremdbestimmt.
die krümel teilt sie mit den tauben, fittich,
fußkrank und stahlblau. ein ausgewildertes
team. gut eingespielt. auf einem endlosband
gestreckt fassadenfrohes grafitti-esperanto.
der mauerabtrag von spechten handlich
geklopft, oder waren die heiligen brocken
bloß auf feindwall getrimmt? verhökert
an einer straßenecke in Berlin.

 

 
Wulf Kirsten (Klipphausen, 21 juni 1934)
De Kurfürstendamm in Berlijn

Lees meer...

20-06-14

Vikram Seth, Paul Muldoon, Kurt Schwitters, Jean-Claude Izzo, Silke Andrea Schuemmer, Carel van Nievelt

 

De Indische schrijver Vikram Seth werd geboren op 20 juni 1952 in Kolkata. Zie ook alle tags voor Vikram Seth op dit blog.

Uit: An Equal Music

„I stared at her with such incredulity that she looked down.
"You're always humming," she said in a much quieter voice, feeling perhaps that she had to explain.
"It's my work," I said, ashamed of my bitterness. Another customer entered the shop, and I left.
As I put my week's croissants--all except one--in the freezer, I noticed I was humming the same half-tuneless tune of one of Schubert's last songs:
I see a man who stares upwards
And wrings his hands from the force of his pain.
I shudder when I see his face.
The moon reveals myself to me.
I put the water on for coffee, and look out of the window. From the eighth floor I can see as far as St Paul's, Croydon, Highgate. I can look across the brown-branched park to spires and towers and chimneys beyond. London unsettles me--even from such a height there is no clear countryside to view.
But it is not Vienna. It is not Venice. It is not, for that matter, my hometown in the North, in clear reach of the moors.
It wasn't my work, though, that made me hum that song. I have not played Schubert for more than a month. My violin misses him more than I do. I tune it, and we enter my soundproof cell. No light, no sound comes in from the world. Electrons along copper, horsehair across acrylic create my impressions of sense.
I will play nothing of what we have played in our quartet, nothing that reminds me of my recent music-making with any human being. I will play his songs.”

 

 
Vikram Seth (Kolkata, 20 juni 1952)

Lees meer...

19-06-14

Salman Rushdie, Sybren Polet, Josef Nesvadba, Osamu Dazai, José Rizal, Friedrich Huch, Gustav Schwab

 

De Indisch-Britse schrijver en essayist Salman Rushdie werd geboren in Bombay op 19 juni 1947. Zie ook alle tags voor Salman Rushdie op dit blog.

Uit: Joseph Anton: A Memoir

“Afterwards, when the world was exploding around him and the lethal blackbirds were massing on the climbing frame in the school playground, he felt annoyed with himself for forgetting the name of the BBC reporter, a woman, who had told him that his old life was over and a new, darker existence was about to begin. She had called him at home on his private line without explaining how she got the number. “How does it feel,” she asked him, “to know that you have just been sentenced to death by the Ayatollah Khomeini?” It was a sunny Tuesday in London but the question shut out the light. This is what he said, without really knowing what he was saying: “It doesn’t feel good.” This is what he thought: I’m a dead man. He wondered how many days he had left to live and thought the answer was probably a single- digit number. He put down the telephone and ran down the stairs from his workroom at the top of the narrow Islington row house where he lived. The living room windows had wooden shutters and, absurdly, he closed and barred them. Then he locked the front door.
It was Valentine’s Day but he hadn’t been getting on with his wife, the American novelist Marianne Wiggins. Six days earlier she had told him she was unhappy in the marriage, that she “ didn’t feel good around him anymore,” even though they had been married for little more than a year, and he, too, already knew it had been a mistake. Now she was staring at him as he moved nervously around the house, drawing curtains, checking window bolts, his body galvanized by the news as if an electric current were passing through it, and he had to explain to her what was happening. She reacted well, beginning to discuss what they should do next. She used the word “we.” That was courageous.
A car arrived at the house, sent by CBS television. He had an appointment at the American network’s studios in Bowater House, Knightsbridge, to appear live, by satellite link, on its morning show. “I should go,” he said. “It’s live television. I can’t just not show up.” Later that morning the memorial service for his friend Bruce Chatwin was to be held at the Orthodox church on Moscow Road in Bayswater”.

 

 
Salman Rushdie (Bombay, 19 juni 1947)

Lees meer...

18-06-14

Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Karin Fellner, Aster Berkhof

 

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: Orfeo

“Lights blaze from an American Craftsman home in a demure neighborhood, late on a spring evening, in the tenth year of the altered world. Shadows dance against the curtains: a man working late, as he has every night that winter, in front of shelves filled with glassware. He's clad in mufti, protective goggles, and latex hospital gloves, and his Giacometti body hunches forward as if in prayer. A gray but still-thick Beatles mop hangs in his eyes.
He studies a book on the gear-cluttered workbench. In one hand-a single-channel pipette, raked like a dagger. From a tiny refrigerated vial, he sucks up no more colorless liquid than a hoverfly might take from a sprig of bee balm. This pellet goes into a tube no bigger than a mouse's muzzle, a dollop so small he can't be sure it's really there. His gloved hands shake as he shoots the used pipette tip into the trash.
More liquids go from the beakers into the dollhouse cocktail: oligo primers to start the magic; heat-stabilized catalyzing polymerase; nucleotides that fall in line like enlisted men for a five a.m. reveille, a thousand bonds per minute. The man follows the printed recipe like an amateur cook.
The brew goes into the thermal cycler for twenty-five rounds of roller-coaster flux, swinging between near-boiling and tepid. For two hours, DNA melts and anneals, snatches up free-floating nucleotides, and doubles each time through the loop. Twenty-five doublings turn a few hundred strands into more copies than there are people on Earth.
Outside, budding trees submit to the whims of a light wind. A wave of holdout nightjars skim the air for bugs. The do-it-yourself genetic engineer removes a colony of bacteria from his incubator and sets it under the laminar flow hood. He stirs the flattened culture flask and dispenses the loosened cells into a twenty-four-well sample plate. This plate goes under a microscope, at 400x. The man puts his eye up to the lens and sees the real world.“

 

 
Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

Lees meer...

17-06-14

Peter Rosei, Gail Jones, Ward Ruyslinck, Hanna Johansen, Max Dendermonde, James Weldon Johnson

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Peter Rosei werd geboren op 17 juni 1946 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 juni 2009 en eveneens alle tags voor Peter Rosei op dit blog.

Uit: Madame Stern

„Sie haben also auch Kinder?“
„Eins. Unsere kleine Sophie.“ Die Frau Doktor sagte es in liebevollem Ton und mit fürsorglichem Nachdruck.
„Wir haben auch ein Mäderl, meine Frau und ich!“ Niki Schestak brachte es herzig heraus.
„Wie alt ist sie denn?“
Man saß im Café Mozart, Schestak hatte den Treffpunkt vorgeschlagen: „Dann können wir zum Essen gleich ins Sacher hinübergehen.“
„Ob ich so lang Zeit haben werde?“, hatte die Frau Doktor Stern darauf gesagt.
Sie saßen in einer der komfortablen Nischen, in einer etwas entlegeneren Ecke, und hatten den Saal vor sich. Mäßig besetzt. Wie üblich ein paar Japaner, eine Reisegruppe, mit ihren unvermeidlichen Sonnenhüten auf den Köpfen, leise miteinander schnatternd. Einige Zeitung lesende ältere Herrschaften, bequem in die Polster zurückgelehnt, ihre Morgenmelange vor sich.
„Ein schöner Tag heute.“
„Ein wunderbarer Tag!“
„Um diese Jahreszeit ist Wien doch am schönsten.“
Schestak hatte Frau Doktor Stern zu dieser Aussprache gebeten. Nach einigem Hin und Her mit dem Terminkalender hatte sie doch eingewilligt.
Die leichteste, die am besten abgesicherte Route führt über die Familie: Haben Sie Kinder? Wie viele? Wie reizend! Und die Masern? Was macht denn Ihr Mann? Dazu Anmerkungen übers Wetter, über die Jahreszeit, übers Essen eingestreut. Vielleicht speist sie gern fein? Oder was Kulturelles? Ins Kunsthistorische vielleicht? Sport war für Frauen für gewöhnlich wenig zielführend.
„Und was macht Ihr Mann, wenn ich fragen darf?“, fragte Schestak, sich dabei ein wenig vorbeugend.
Frau Doktor Stern zog die Augenbrauen in die Höhe, gerade so, als hätte ihr der Magister mit dieser Frage einen Antrag gemacht. Mein Gott! Was die sich ziert! Trampel. Sie antwortete knapp: „Er arbeitet bei der Sachwalterschaft.“

 

 
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)

Lees meer...

16-06-14

Joël Dicker, August Willemsen, Joyce Carol Oates, Derek R. Audette, -minu, Frans Roumen

 

De Zwitserse schrijver Joël Dicker werd geboren op 16 juni 1985 in Genève. Zie ook alle tags voor Joël Dicker op dit blog.

Uit: Die Wahrheit über den Fall Harry Quebert

„Das Buch war in aller Munde. Ich konnte in New York nicht mehr in Ruhe durch die Straßen schlendern oder durch den Central Park joggen, ohne dass Spaziergänger mich erkannten und ausriefen: »He, das ist Goldman! Der Schriftsteller!« Manche hefteten sich mir sogar im Laufschritt an die Fersen, um mir die Fragen zu stellen, die sie so beschäftigten: »Was Sie da in Ihrem Buch schreiben, ist das wahr? Hat Harry Quebert das wirklich getan?« In meinem Stammcafé im West Village schreckten manche Gäste nicht einmal davor zurück, sich an meinen Tisch zu setzen und mir ein Gespräch aufzudrängen: »Ich lese gerade Ihr Buch, Mr Goldman. Ich kann es einfach nicht aus der Hand legen! Das erste war ja schon gut, aber das hier …! Hat man wirklich eine Million Dollar abgedrückt, damit Sie es schreiben? Wie alt sind Sie denn? Knapp dreißig? Dreißig Jahre und haben schon so viel Kohle gescheffelt!« Sogar meinen Doorman hatte ich dabei ertappt, wie er immer dann, wenn er nicht gerade die Tür aufhalten musste, die Nase in das Buch steckte, und kaum hatte er es ausgelesen, nagelte er mich vor dem Fahrstuhl fest, um mir sein Herz auszuschütten: »Das ist also mit Nola Kellergan passiert! Wie grauenhaft! Wie kann man nur so etwas tun? Sagen Sie, Mr Goldman, wie ist so etwas möglich?«
Die New Yorker Society schwärmte von meinem Buch. Es war kaum zwei Wochen zuvor erschienen und versprach bereits der größte Verkaufserfolg des Jahres auf dem gesamten amerikanischen Kontinent zu werden. Alle wollten wissen, was sich im Jahr 1975 in Aurora zugetragen hatte. Überall wurde darüber berichtet: im Fernsehen, im Radio, in den Zeitungen. Ich war noch nicht einmal dreißig und durch dieses Buch, erst das zweite meines Lebens, zum gefragtesten Autor des Landes avanciert.
Dieser Fall, der Amerika so in Aufregung versetzte und der den Kern meiner Erzählung bildet, war einige Monate zuvor im Frühsommer wiederaufgerollt worden, nachdem man die Überreste eines seit dreiunddreißig Jahren verschollenen Mädchens entdeckt hatte. Damit begannen die Ereignisse in New Hampshire, von denen hier die Rede sein wird und ohne die das Städtchen Aurora im restlichen Amerika mit Sicherheit unbekannt geblieben wäre.“

 

 
Joël Dicker (Genève,16 juni 1985)

Lees meer...

Theo Thijssen, Frank Norbert Rieter, Casper Fioole, Ferdinand Laholli, Elfriede Gerstl, Giovanni Boccaccio

 

De Nederlandse schrijver en onderwijzer Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam op 16 juni 1879. Zie ook alle tags voor Theo Thijssen op dit blog.

Uit: Jongensdagen

‘Mogen we nog een uurtje naar 't zand, Moe?’ vroeg hij.
‘Och,’ zei Moe, ‘blijf nou liever eens met je zus spelen. Ze is den heelen middag al zoo alleen geweest.’ En Moe haalde Miep naar zich toe, en streek haar over 't blonde haar.
‘Zoo vervelend,’ zei Miep zachtjes, en keek smeekend de jongens aan.
Henk was al verteederd. Maar Ko dacht aan 't zand en aan Ay.
‘O, Miep, we zijn dadelijk terug, hoor. Toe Moe, laat u ons nog maar éven gaan. We hebben den héélen middag boodschappen geloopen. Ja moe, één uurtje nou?’
‘Vooruit dan maar!’ zei Moe, en Ko holde weg.
Henk beloofde Miep nog gauw wat van dadelijk terugkomen, en wipte toen ook de deur uit. Hij hoorde nog net hoe zus begon te huilen en hoe Moe haar troostte.
‘Riet-pe-tioe!’ gilde Ko buiten.
‘Riet-pe-tioe!’ antwoordde Henk.
En ze renden de gracht af, de brug over, en verder. Naar 't zand.
‘Het zand’ was een groot stuk bouwterrein; het was opgehoogd met een dikke laag mooi zuiver zand. Er speelden altijd een paar honderd kinderen. Ze groeven diepe kuilen met zitplaatsen, of maakten hooge bergen. Henk en Ko keken rond, of ze onder al die spelende groepjes Ay niet zagen zitten. Maar 't was lastig zoeken.
‘Riet-pe-tioe!’ gilde Ko; maar hij moest hàrd gillen om boven het gejoel van zóóveel kinderen uit te komen. Er kwam geen antwoord.
Naar alle kanten uitkijkend stapten de twee broers verder, sukkelend over het mulle zand.”

 

 
Theo Thijssen (16 juni 1879 - 23 december 1943)

Lees meer...

15-06-14

Vater! (Karl May)

 

Bij Vaderdag

 

 
De vader-zoon-fontijn van Franz Mikorey in München uit 1957
 

 

»Vater!«

Komm her, und sprich ein einzig Wort,
ein Wort, so kinderleicht zu sagen.
Komm her, und geh nicht wieder fort;
du brauchst vor mir ja nicht zu zagen.
Ich warte schon so lange dein;
o laß es nicht vergeblich sein!

Du sprachst als Kind dies liebe Wort
so oft und gern, wenn du gelitten;
es ward gehört am rechten Ort:
Das Vaterherz ließ sich erbitten.
wie ist dies Wort so klein, so klein,
und doch kann keines größer sein.

Nun bist du längst das Kind nicht mehr,
das du einst warst in jenen Tagen,
und wie so lang ist der nicht mehr,
dem du dein Leiden durftest klagen.
Er ging; doch trat ich für ihn ein;
die Liebe kann nicht sterblich sein.

Drum sprich dies Wort nun auch zu mir;
es kann dir doch so schwer nicht fallen.
O, hörtest du's im Himmel hier
von aller Sel'gen Mund erschallen!
Sprich »Vater«, nur dies Wort allein,
und ich will dir es ewig sein!

 

 

 
Karl May (25 februari 1842 – 30 maart 1912)
Hohenstein-Ernstthal, de geboorteplaats van Karl May

 

 

Zie voor de gedichten van de 15e juni ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

14:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: vaderdag, karl may, romenu |  Facebook |

Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Ramon Lopez Velarde

 

De Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût (eigenlijk Helena Anthonia Maria Elisabeth Dermoût-Ingerman) werd geboren in Pekalongan, Java, op 15 juni 1888. Zie ook alle tags voor Maria Dermoût op dit blog.

Uit:De tienduizend dingen

“Zij zat rustig in haar stoel, het waren ook geen honderd dingen, veel meer dan honderd dingen, en niet alleen van haar, honderd keer ‘honderd dingen’, naast elkaar, los van elkaar, elkaar rakende, hier en daar in elkaar vervloeiende, zonder ergens enige binding, en tegelijkertijd voor altijd met elkaar verbonden…
Een verbondenheid die zij niet goed begreep; dat hoefde niet, het viel niet te begrijpen, haar voor een ogenblik gegeven om te aanschouwen boven het maanverlichte water.
Zij had niet gemerkt dat Sjeba en haar man Hendrik de koeherder, om het huis heen waren komen lopen en nu links en rechts van haar stoel stonden.
‘Waarom komt u niet slapen?’ vroeg Sjeba brommerig en tegelijk bezorgd en zij schudden beiden hun hoofden over haar. ‘Waarvóór zit u hier? De maan schijnt mooi, maar wat heeft een mens eraan, hij wordt er maar ziek van! Er is versgezette koffie in de keuken en komt u nu maar.’
Toen stond mevrouw van Kleyntjes die Felicia heette, gehoorzaam op uit haar stoel, en zonder meer om te kijken naar de binnenbaai in het maanlicht – die bleef daar wel, altijd – liep zij met hen onder de bomen door mee naar binnen om haar kopje koffie te dingen en om opnieuw te proberen verder te leven.’

 

 
Maria Dermoût (15 juni 1888 – 27 juni 1962)

Lees meer...