20-04-14

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson

 

De Nederlandse dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook alle tags voor Martinus Nijhoff op dit blog.

 

Het uur U (Fragment)

Geen dief overtrof, geen spion,
hetgeen hij moeiteloos kon;
en het gevederd leder waarop
de god Hermes van zijn bergtop
neer te dalen placht
doorkruiste het ruim niet zo zacht
als hij op straat kon gaan,
gewoon lopend, met schoenen aan.
Hij maakte op het trottoir
het onheilspellende maar
onhoorbare gerucht
van het hoog in de lucht
verschoten vliegerbericht:
in een wolkje ploft licht
tot een blinkende ster uiteen,
en langs heel de vuurlinie heen
weet men: dit meldt het uur u,
nu gaat het beginnen, nu
verdwijnt de onzekerheid
van de mij gegunde tijd,
nu is het voor alles te laat.
De stilte die dan ontstaat
is een stilte, niet slechts naar de vorm
een stilte voor de storm,
maar een stilte van het soort
waar dingen in worden gehoord
die nog nimmer het oor vernam.

 

 

Het meisje

Wanneer je ontwaakt, zie je den morgen bleken,
De klokken luiden dat de dag begint.
De tuin geurt zoel van gras en vochtig grint,
Ruisend omhoog de hoge bomen steken.

Meisje dat de innigheid der dingen mint,
Je hebt geen daad te doen, geen woord te spreken:
Je stil-bewegend leven heeft de bleke
Wonderlijkheid der dromen van een kind.

Wij gingen samen ‘s morgens door de stad,
Het licht viel schuin naar binnen in de straten,
Mensen liepen voorbij die samen praatten,

De toren speelde – en ‘t was of alles had
De tere kleur en klank van ‘t vreemd bewogen
Zwijgende leven van je glanzende ogen.

 

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)

Lees meer...

Arto Paasilinna, Michel Leiris, Emmanuel Bove, Henry de Montherlant, Charles Maurras

 

De Finse schrijver Arto Paasilinna werd geboren op 20 april 1942 in Kittilä in Lapland. Zie ook alle tags voor Arto Paasilinna op dit blog.

Uit: The Year of the Hare (Vertaald door Herbert Lomas)

“Vatanen took the hare in his arms and went out on to the ice, thinking he’d take a walk across the bay, sort his thoughts out and calm down. It was about half a mile to the farther shore.
When he was half-way across, the ravers loosed a couple of large hounds at him. They’d spotted the hare he was carrying. “After ‘em! After ‘em!” they shouted.
The yelping hounds tore across the ice in hot pursuit. The hare took to its heels, and, seeing it on the run, the hounds broke into a fierce baying. Their big paws slithered on the ice as they hurtled past Vatanen and vanished into the trees across the bay.
Vatanen pursued them to the headland, wondering how he could save his hare. What he needed was a gun, but that was hanging on a nail at Läähkimä Gulf.
Several men came running out of the villa, carrying guns. Bellowing as they run, they were like the hounds they’d loosed. The ice bent under their weight.
Vatanen concealed himself among the trees, for as soon as they got to the headland, they fired in his direction. He was lying in the slushy snow, hearing the peevish mumbling of drunken men.
The hare was already far off, the baying of the hounds scarcely audible. Their cry was actually a howl; so the hunt was still on, the hare still alive.“

 

 
Arto Paasilinna (Kittilä, 20 april 1942)

Lees meer...

Herman Bang, Henry Tuckerman, Aloysius Bertrand, Pietro Aretino, Dinah Craik

 

De Deense schrijver Herman Bang werd geboren op 20 april 1857 in Asserballe. Zie ook alle tags voor Herman Bang op dit blog.

Uit: Tine (Vertaald door Ingeborg en Aldo Keel)

“Noch immer lief Tine weinend neben dem Wagen her, während Frau Berg die letzten Worte laut in die Dunkelheit und den Wind hinausrief:
«Dann bringen Sie noch alles in Ordnung – in der blauen Kammer – heute Abend ... heute Abend noch.»
«Ja – ja», antwortete Tine und konnte vor Tränen nicht sprechen.
«Und grüßen Sie mir – und grüßen Sie!», rief Frau Berg schluchzend, der Wind verschluckte ihre Worte.
Noch ein letztes Mal sprang Tine heran und griff nach ihrer ausgestreckten Hand, bekam sie aber nicht mehr zu fassen. Dann blieb sie stehen; und wie ein großer Schatten glitt der Wagen schnell ins Dunkel hinein, und schon war er nicht mehr zu hören.
Tine ging durch die Allee und über den Hof, wo die Jagdhunde leise winselten, zur Forstmeisterei zurück. Sie öffnete die Tür zum Flur, der so leer wirkte mit den kahlen Kleiderhaken, und auch Herlufs Spielzeugecke war ausgeräumt. Sie ging in die Küche, wo das Talglicht zwischen den Resten vom Teetisch glomm.
In der Gesindestube saßen die Leute schweigend am Tisch, Lars am oberen Ende.
«Ich soll grüßen», sagte Tine mit erstickter Stimme, und wieder wurde es still. Nur Maren, die mit der Schürze über dem Kopf, einem wiegenden Bündel gleich, am Ofen saß, heulte klagend auf.“

 

 
Herman Bang (20 april 1857 – 19 januari 1912)

Lees meer...

19-04-14

Paaszaterdag (Jacques Schreurs)

 

Bij Stille Zaterdag

 

 
Graflegging van Christus door Caravaggio, 1602

 

 

Paaszaterdag 

Nog is de stilte Gods volkomen 
En boven ons, ontbladerd, staat 
Het vruchtbaar hout: de Boom der bomen 
Omhangen met een dageraad. 

De rijp hangt in de meidoornhagen, 
De wachters waken bij het Graf; 
Maar ons geloof zal vruchten dragen, 
Groen lover reeds draagt onze staf. 

De duiven dalen naar de beken, 
Een kleine vrouw verlaat haar huis 
En schouwt den heuvel en het Teken 
En tekent zich met Christus' Kruis. 

Als gij de krekels in de grassen 
Het jong hoort piepen in de schaal, 
Zal u zijn heerlijkheid verrassen ! 
Want maatloos is zijn zegepraal.

 

 


Jacques Schreurs (9 februari 1893 – 31 januari 1966)
Sittard, oude ansichtkaart (Jacques Schreurs werd geboren in Sittard)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 19e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Marjoleine de Vos, Manuel Bandeira, n. c. kaser, Veniamin Kaverin

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marjoleine de Vos werd geboren in Oosterbeek op 19 april 1957. Zie ook alle tags voor Marjoleine de Vos op dit blog.

 

Zie de Lente

Barst plots in de sneeuw de helleborus open
trompettert leven en knalt geel forsythia.
Guur waait de lente weg de stille winter
dun hoog licht verdrijft behaaglijk vuur.
Ineens moet alles uit zijn grond of tak
in bermen joelen paardebloemen
de kromme wilg rilt in zijn lichte groen.
Daar staan wij ook, naakt en koud met bloesem
in grijzig haar en willen warm en wild
en dat we houden van die schrille kleuren
van elkaar.

 

 

De ziel, een kudde schapen

Brave witten, zoet klingelen, lief eten.
Paar zwarten, tuintje leeg vreten
rennen waar geen schaap nog ging.
En die slome die niet merkt dat
brroemmm! de jonge herder op zijn brommer.

Leuke ziel met krullen wol en suffe kop,
veelstemmig omlaag stromend naar zee.
Dan weer verplicht de bergen op.
Valt het onze jongens niet mee
in het doel van hun missie te geloven.

 

 
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957)

Lees meer...

Pierre-Jean de Béranger, Louis Amédée Achard, Stefan Schütz, Gudrun Reinboth, Werner Rohner

 

De Franse dichter en schrijver van liedteksten Pierre-Jean de Béranger werd geboren op 19 april 1780 in Parijs. Zie ook alle tags voor Pierre-Jean de Béranger op dit blog.

 

Bon vin et fillette

L'amour, l'amitié, le vin,
Vont égayer ce festin ;
Nargue de toute étiquette !
Turlurette, turlurette,
Bon vin et fillette !

L'amour nous fait la leçon ;
Partout, ce dieu sans façon,
Prend la nappe pour serviette.
Turlurette, turlurette,
Bon vin et fillette !

Que dans l'or mangent les grands,
Il ne faut à deux amants
Qu'un seul verre, qu'une assiette.
Turlurette, turlurette,
Bon vin et fillette !

Sur un trône est-on heureux ?
On ne peut s'y placer deux ;
Mais vive table et couchette !
Turlurette, turlurette,
Bon vin et fillette !

Si pauvreté qui nous suit
A des trous à son habit,
De fleurs ornons sa toilette.
Turlurette, turlurette,
Bon vin et fillette !

Mais que dis-je ? Ah ! dans ce cas,
Mettons plutôt habit bas :
Lise en paraîtra mieux faite,
Turlurette, turlurette,
Bon vin et fillette !

 

 
Pierre-Jean de Béranger (19 april 1780 – 16 juli 1857)
Borstbeeld door David d'Angers, 1829

Lees meer...

18-04-14

De soldaat die Jezus kruisigde (Martinus Nijhoff)

 

Bij Goede Vrijdag

 

 

 
Christus aan het kruis door Rembrandt Harmensz. van Rijn, 1631

 

 

De soldaat die Jezus kruisigde


Wij sloegen hem aan 't kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen 'k den hamer hief -
Maar hij zei zacht mijn naam en: 'Heb mij lief -'
En 't groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief - en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in 't hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch - zijn naam, zijn monogram -
In ied'ren muur, in ied'ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
'Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.'

 

 

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Den Haag, Vredespaleis (Nijhoff werd geboren in Den Haag)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 18e april ook mijn vorige blog van vandaag.

11:38 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: goede vrijdag, martinus nijhoff, romenu |  Facebook |

Bas Belleman, Clara Eggink, Kathy Acker, Joy Davidman, Richard Harding Davis, Henry Kendall

 

De Nederlandse dichter Bas Belleman werd in Alkmaar geboren “op een heldere ochtend in april” (Rottend Staal) van het jaar 1978. Zie ook alle tags voor Bas Belleman op dit blog.

Uit: De drift van Sneeuwwitje (Twee Koningskinderen, fragment)

Ze renden hand in hand over de paden,
zigzaggend tussen de bomen
en sprongen over glinsterende beekjes,
in hun rug de rode gloed van de opgaande zon. Steeds feller prikten de blakende zonnestralen
door de bladeren van de bomen.
De koning stond radeloos,
met lege handen,
tegenover zijn koningin.
     ‘Ga hen achterna,’ zei ze.
Dus besteeg de koning zijn snelste paard
en galoppeerde hen achterna
door de bossen, hij kwam steeds dichterbij.
Wat moesten de koningskinderen doen?
De prinses kreeg een idee.
     ‘Ik verander jou in een rozenstruik
     en mijzelf in een roos tussen jouw doornen.’
De vingers van de prins werden lang en dun
en splitsen zich, krulden alle kanten op,
net als zijn armen en benen,
Zijn tenen boorden zich de grond in
en de wind waaide door hem heen,
er ritselden blaadjes in zijn buik
en midden in de prinselijke rozenstruik
bloeide een roos.
De koning zag hen nergens en droop af.
     ‘Je had de roos moeten plukken,’ zei de koningin,
     ‘dan was de struik wel meegekomen.’
De koning kon het nauwelijks geloven:
dat waren ze, dat waren ze!

 

 
Bas Belleman (Alkmaar, april 1978)

Lees meer...

Wam de Moor

 

De Nederlandse schrijver, dichter, neerlandicus en literatuurcriticus Willem Anton Marie (Wam) de Moor werd geboren in Zevenaar op 18 april 1936. De Moor studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en promoveerde op de schrijver en diplomaat J. van Oudshoorn (1876-1951). Hij doceerde eerst aan Het Geert Grote College in Deventer, vervolgens aan de Gelderse Leergangen en vanaf 1978 aan de universiteit in Nijmegen. Hij schreef veel literatuurrecensies en artikelen over literatuur en poëzie, onder andere in De Tijd en later in De Gelderlander. De Moor was initiator van het leesdossier wat op scholen in het literatuuronderwijs gebruikt wordt. Zelf schreef hij ook verhalen en gedichten en stelde bloemlezingen samen. De Moor werd gedecoreerd tot officier in de Orde van Oranje Nassau.

Uit:Over de meester en zijn leerlingen. Een voortgezette verkenning

“Vestdijk is dan ook vooral de meester van een aantal prozaschrijvers. Daarover schreef ik zes jaar geleden in het boek Meester en leerling.5. Ik stelde daarin Vestdijk zelf aan de orde met het in memoriam dat ik op 24 maart 1971 in het dagblad De Tijd had geplaatst en met zijn romans Het verboden bacchanaal, Het proces van Meester Eckhart en het postuum verschenen werk Kind tussen vier vrouwen. Voorts besprak ik daarin als een soort meesterleerlingen Hella Haasse en Willem Brakman, en vier wat oudere verwanten, wier talent wat minder in het oog sprong. Dat waren Sjoerd Leiker, Willem van Toorn, Judicus Verstegen en, op grond van zijn geringe produktie in de jaren zeventig, Willem G. van Maanen, wiens werk ik overigens hoger aansloeg dan dat der overige drie. Ik rekende bovendien tot Vestdijks school anno 1978 twee excellente leerlingen: Maarten 't Hart en Doeschka Meijsing, geen meesters nog, maar zo te zien wel op weg naar het meesterschap.
Ik zou nu twee dingen willen proberen. In de eerste plaats nagaan wat deze schrijvers met Vestdijk verbindt en hoe hun ontwikkeling sedert 1978 is geweest. In de tweede plaats wil ik weten of zich na 1978 nog andere auteurs hebben gemanifesteerd voor wie de held van Harlingen een voorbeeld is geweest.
Vestdijk heeft zijn roem en zijn naam verworven met zijn proza. Ik houd het bij de tekst van degenen die met zoveel zorg de fraaie herdruk van zijn tweeënvijftig romans bijna tot een einde hebben gebracht. ‘Al blonk hij uit in vele literaire genres, zijn prestatie als romancier is in de Nederlandse literatuur ongeëvenaard’. Hoe hij zich schoolde tot de schrijver van de eersteling Kind tussen vier vrouwen en de psychologische romans te beginnen met Meneer Visser's hellevaart (1936), Terug tot Ina Damman (1934) en Else Böhler (1935), aan de hand van grote meesters als Joyce, Dostojevski en Proust, zou een zeer belangrijk item voor de biografie kunnen zijn. Wat betekende Thomas Mann voor zijn historisch werk, te beginnen met Het vijfde zegel (1937)? En waar ligt de leerstof voor het derde soort romans dat hij in 1948 begon, de ‘fantastische’ of visionaire romans, De redding van Fré Bolderdey of De kellner en de levenden? Zoals Rudi van der Paardt in nr. 32 van de Vestdijkkroniek heeft laten zien is over dat alles nog maar weinig bekend.”

 

 
Wam de Moor (Zevenaar, 18 april 1936)

11:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: wam de moor, simon vestdijk, romenu |  Facebook |

In Memoriam Gabriel García Márquez

 

In Memoriam Gabriel García Márquez

De Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez, bekend van zijn boeken 'Honderd jaar eenzaamheid' en 'Liefde in de tijd van cholera', is overleden in Mexico. De winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur is 87 jaar geworden. Gabriel García Márquez werd op 6 maart 1928 in de kustplaats Aracataca geboren. Zie ook alle tags voor Gabriel García Márquez op dit blog.

 Uit: Chronicle of a Death Foretold (Vertaald door Gregory Rabassa).

 « The only thing he left intact in the parlor was the spiral staircase rescued from some shipwreck. On the upper floor, where the customs offices had been before, he built two large bedrooms and five cubbyholes for the many children he intended having, and he constructed a wooden balcony that overlooked the almond trees on the square, where Plácida Linero would sit on March afternoons to console herself for her solitude. In the front he kept the main door and built two full-length windows with lathe-turned bars. He also kept the rear door, except a bit taller so that a horse could enter through it, and he kept a part of the old pier in use. That was always the door most used, not only because it was the natural entry to the mangers and the kitchen, but because it opened onto the street that led to the new docks without going through the square. The front door, except for festive occasions, remained closed and barred. Nevertheless, it was there, and not at the rear door, that the men who were going to kill him waited for Santiago Nasar, and it was through there that he went out to receive the bishop, despite the fact that he would have to walk completely around the house in order to reach the docks.
No one could understand such fatal coincidences. The investigating judge who came from Riohacha must have sensed them without daring to admit it, for his impulse to give them a rational explanation was obvious in his report. The door to the square was cited several times with a dime-novel title: "The Fatal Door." In reality, the only valid explanation seemed to be that of Plácida Linero, who answered the question with her mother wisdom: "My son never went out the back door when he was dressed up." It seemed to be such an easy truth that the investigator wrote it down as a marginal note, but he didn't include it in the report.
Victoria Guzmán, for her part, had been categorical with her answer that neither she nor her daughter knew that the men were waiting for Santiago Nasar to kill him. But in the course of her years she admitted that both knew it when he came into the kitchen to have his coffee. They had been told it by a woman who had passed by after five o'clock to beg a bit of milk, and who in addition had revealed the motives and the place where they were waiting. "I didn't warn him because I thought it was drunkards' talk," she told me. Nevertheless, Divina Flor confessed to me on a later visit, after her mother had died, that the latter hadn't said anything to Santiago Nasar because in the depths of her heart she wanted them to kill him. She, on the other hand, didn't warn him because she was nothing but a frightened child at the time, incapable of a decision of her own, and she'd been all the more frightened when he grabbed her by the wrist with a hand that felt frozen and stony, like the hand of a dead man.”

 

 
Gabriel García Márquez (6 maart 1928 – 17 april 2014)

17-04-14

Der Ölbaum-Garten (Rainer Maria Rilke)

 

Bij Witte Donderdag

 

 
Christus in de tuin van Getsemane door Paolo Veronese, 1583-1584

 

 

Der Ölbaum-Garten

Er ging hinauf unter dem grauen Laub
ganz grau und aufgelöst im Ölgelände
und legte seine Stirne voller Staub
tief in das Staubigsein der heißen Hände.

Nach allem dies. Und dieses war der Schluss.
Jetzt soll ich gehen, während ich erblinde,
und warum willst Du, dass ich sagen muss
Du seist, wenn ich Dich selber nicht mehr finde.

Ich finde Dich nicht mehr. Nicht in mir, nein.
Nicht in den andern. Nicht in diesem Stein.
Ich finde Dich nicht mehr. Ich bin allein.

Ich bin allein mit aller Menschen Gram,
den ich durch Dich zu lindern unternahm,
der Du nicht bist. O namenlose Scham...
Später erzählte man: ein Engel kam - .

Warum ein Engel? Ach es kam die Nacht
und blätterte gleichgültig in den Bäumen.
Die Jünger rührten sich in ihren Träumen.
Warum ein Engel? Ach es kam die Nacht.

Die Nacht, die kam, war keine ungemeine;
so gehen hunderte vorbei.
Da schlafen Hunde und da liegen Steine.
Ach eine traurige, ach irgendeine,
die wartet, bis es wieder Morgen sei.

Denn Engel kommen nicht zu solchen Betern,
und Nächte werden nicht um solche groß.
Die Sich-Verlierenden läßt alles los,
und sie sind preisgegeben von den Vätern
und ausgeschlossen aus der Mütter Schoß.

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Praag (Rilke werd geboren in Praag)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 17e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Vincent Corjanus, Thornton Wilder, Karen Blixen

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit: De goede moordenaar

“In diejen tijd was de kluizenaar zijn huis aan het bouwen. Fons van Willemiene ging ten laatste alle dag naar de herberg van Jan het Man, Jan, die de suikerziekte heeft. Marjanneke den Schilder woonde in het ouderwetsche huis neven Nol Bonk, in haar huis was een tweede woning, daar woonde Pietje Pinksteren in. Nol Bonk was toentertijd voerman, hij had een bedrijf, hij voer meestentijds den klot uit de peel naar het dorp. Voor de menschen deed hij dat, voor zóóveel de kar. Hij trok, groot en zwaar naast den kop van het paard, door de dorpsstraten en door d'akker en langs de wegen in de peelvlakte. Zijn treden gingen in het geluid der bellen van den paardenhaam, in het gedokker, het gestoot van de wielen. Daar stond de regen over. De regen of de zon. En de groote wind.
Pietje Pinksteren was eenen zeventigjarigen weduwman. Pietje zijn vrouw was jaren geleden gestorven, hij had haar vroeg af moeten geven, hij was altijd nog al goed gemutst, het oude ventje, hij leefde vroolijk in zijn eentje. In die dagen is naderhand de horlogemaker Havé uit den Haag mee zijn jongeren broer en zijn dochter Celine in het dorp gekomen. Ze zijn later weer vertrokken. Er is toen nog veel praat over geweest, dat de zoon van slachter van Leunen op trouwen had gestaan met Celine. Die Celine was een aardige een, de menschen mochten achteraf maar blij zijn, dat die heele Haagsche familie weer weg deed.
Intussen waren er van allerlei dingen gebeurd, Pietje Pinksteren en Nol Bonk en later den kluizenaar, het is een heel geschiedenis geweest. En mee Fons van Willemiene is het leelijk afgeloopen.
Eenen molen op het dorp. De kerk mee den hoogen toren boven de lindeboomen uit, de boomen bij de paar uitspanningen aan het klein marktveld. Wij leefden hier zoo met zijn allen te samen, God en de duivel waren ook hier onder ons menschen. Het hemelrijk en het aardrijk, daar ligt een afstand tusschen, een breuk in de zielen.”

 

 
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Lees meer...

16-04-14

Sarah Kirsch, Kingsley Amis, Patricia De Martelaere, Tristan Tzara, Ewald Vanvugt, Sibylle Lewitscharoff, Anatole France

 

De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

 

Lange Reise

Jetzt wolln wir mal nach Birmingham gehn
Der alten schwarzen Küche wo der Ofen nicht zieht
Du nimm die Mütze vom Kopf frag wo das Haus steht
»Zur singenden Katze« da gehn wir gleich hin
Und finden bloß eine music-box frag ob das alles ist

Dann wolln wir lieber Onkel Olaf besuchen der liegt
Unten am Sund und ist voll wie ein Sprit-Zug
Wo hat er nur die schöne blaue Mütze her
Die leuchtet wie im Juni die See um halb vier
Bloß jetzt ist sie fleckig und er antwortet nicht

So nehmen wir eben Weg auf die Shetland-Inseln
Und werden mal sehn ob die Ponys sich kämmen
Und ob sie so klein sind weil auf dem Land groß nichts wächst
Die kleinen Pferde sind wirklich vorzüglich du
Das sollte Onkel Olaf sehn wie die seine Mütze wegessen

Jetzt wird es aber Zeit daß wir Palmbäume sehn
Aber hier hätten wir nie unsern Fuß aufsetzen sollen
Leg dich flach ins Reisfeld neben die Wasserkuh
Oder kriech ins Gebüsch dahin wo die zwitschernden Kinder rennen
Nein bleib da mäht was die Palmen ab
Wirf die Mütze weg sie brennt ja wie die Kinder im Busch

Nun müssen wir bis Köln hinlaufen das liegt
Sehr weit unten hat der Koch von Birmingham gesagt
Ach was die Leute für saubere Hemden haben
Sie duften nach Juchten und Blumen aus Spanien
Woher kommt dann der süßfrische Rauchgeruch dazwischen
Du trägst nicht mal eine Mütze aufm Kopf komm wir müssen weiter

 

 

Bei den weißen Stiefmütterchen

Bei den weißen Stiefmütterchen
Im Park wie ers mir auftrug
Stehe ich unter der Weide
Ungekämmte Alte blattlos
Siehst du sagt sie er kommt nicht

Ach sage ich er hat sich den Fuß gebrochen
Eine Gräte verschluckt, eine Straße
Wurde plötzlich verlegt oder
Er kann seiner Frau nicht entkommen
Viele Dinge hindern uns Menschen

Die Weide wiegt sich und knarrt
Kann auch sein er ist schon tot
Sah blaß aus als er dich untern Mantel küßte
Kann sein Weide kann sein
So wollen wir hoffen er liebt mich nicht mehr

 

 

Breughel-Bild

Der Himmel schneit sich nackt und grün
Schon häuft sichs besetzt die Erde auf Landsknechtart
Fallen Krähen ein belauben den Baum
Schrein spähn sammeln sich fliegen weiter

Werden grauer im Schnee sind klein fast weiß
Kältevögel wohin geht eure Straße was zieht euch
Ein dampfender Maissilo ein Schlachthaus ein Rapsfeld das Schlachtfeld
Womit wollt ihr euch mästen wie denkt ihr
Ohne Verluste übern Winter zu kommen wartet
Nicht diesen Winter ist es umsonst fliegt
Über die schwarzborstigen Berge: hier fällt nichts ab

 

 

 
Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

Lees meer...

15-04-14

Tomas Tranströmer, Henry James, Daniël Samkalden, Jérôme Lambert, Patrick Bernauw, Wilhelm Busch, Ina Boudier-Bakker

 

De Zweedse dichter en schrijver Tomas Tranströmer werd geboren in Stockholm op 15 april 1931. Zie ook alle tags voor Tomas Tranströmer op dit blog.

 

Preludes

I
Ik deins terug voor iets dat kruislings aan komt sloffen door de natte sneeuw.
Fragment uit wat komen gaat.
Een losgebroken muur. Iets zonder ogen. Hard.
Een gezicht van tanden!
Een vrijstaande muur. Of staat het huis daar
ofschoon ik het niet zie?
De toekomst: een leger lege huizen
dat zich een weg zoekt door de natte sneeuw.

 

II
Twee waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnen uit, één van buitenaf
en waar zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien.

Hij die merkt wat er te gebeuren staat roept vertwijfeld: ‘Halt!
wat ook, als ik mijzelf maar niet hoef te kennen.’

En er is een boot die aan wil leggen – dat precies hier probeert -
Hij zal het duizenden malen proberen.

Uit het duister van het bos komt een lange bootshaak die door het open raam wordt gestoten,
dwars tussen de feestgangers die zich warm hebben gedanst.

 

III

De verdieping waar ik het grootste deel van mijn leven heb gewoond moet leeggeruimd. Alles is er nu uit. Het anker is losgeslagen – alhoewel er nog steeds rouw heerst, is het de lichtste verdieping in de hele stad. De waarheid heeft geen meubels van node. Ik ben het leven een keer rondgereisd en teruggekeerd naar het uitgangspunt: een leeggeblazen kamer. Dingen die ik heb meegemaakt vertonen zich hier op de muren als egyptische schilderingen, scènes aan de binnenkant van een grafkamer. Maar zij raken steeds verder uitgewist. Het licht namelijk is te sterk. De ramen zijn groter geworden. De lege verdieping is een grote kijker gericht op de hemel. Zij is stil als een quakerwijding. Wat je hoort zijn de achtertuinduiven, hun gekoer.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

 
Tomas Tranströmer (Stockholm, 15 april 1931)

Lees meer...