12-12-13

Kader Abdolah, Susanna Tamaro, Sophie Kinsella, Gustave Flaubert, John Osborne


De Iraans - Nederlandse schrijver Kader Abdolah (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) werd geboren in Arak op 12 december 1954. Zie ook alle tags voor Kader Abdolah op dit blog.

Uit:The House Of The Mosque (Vertaald door Susan Massotty)

“Alef Lam Mim. There was once a house, an old house, which was known as ‘the house of the mosque’. It was a large house with thirty-five rooms. For centuries the house had been occupied by successive generations of the family who served the mosque.
Each room had been named according to its function: the Dome Room, for example, or the Opium Room, the Storytelling Room, the Carpet Room, the Sick Room, the Grandmother’s Room, the Library and the Crow’s Room.
The house lay behind the mosque and had actually been built onto it. In one corner of the courtyard was a set of stone steps leading up to a flat roof, which was connected to the mosque.
In the middle of the courtyard was a hauz, a hexagonal basin of water in which people washed their handsand face before prayers.
The house was now occupied by the families of three cousins: Aqa Jaan, the merchant who presided over the city’s bazaar, Alsaberi, the imam of the house and spiritual leader of the mosque, and Aqa Shoja, the mosque’s muezzin.
It was a Friday morning in early spring. The sun felt warm, the air was filled with the rich smell of earth, the trees were in leaf, and the plants were beginning to bud. Birds flew from branch to branch, serenading the garden. The two grandmothers were pulling out the plants that had died in the winter, while the children chased each other and hid behind the thick tree trunks.
An army of ants crawled out from under one of the ancient walls and covered the path by the old cedar tree like a moving brown carpet. Thousands of young ants, seeing the sun for the first time and feeling its warmth on their backs, surged down the path.
The house’s cats, stretched out by the
hauz, looked in surprise at the teeming mass. The children stopped playing to stare at the wondrous sight. The birds fell silent and perched in the pomegranate tree, craning their necks to follow the ants’ progress.”

 

 
Kader Abdolah (Arak, 12 december 1954)

Lees meer...

11-12-13

Andrea De Carlo, Naguib Mahfouz, Paul Rigolle, Ludwig Laher, Janko Ferk


De Italiaanse schrijver Andrea De Carlo werd geboren in Milaan op 11 december 1952. Zie ook alle tags voor Andrea De Carlo op dit blog.

Uit: Due di Due (Vertaald door Paula Geldenhuys)

“I observe the confused mass of heads and busts in motion, hoping to recognize the hair of a girl whom I saw a few days earlier, and instead I'm struck by the gaze of one who is trying to make his way with an expression of concentrated estrangement.
It is the gaze of an uninvited guest, of a stowaway: a gaze dissociating from his own lineaments, from his own way of turning his head to the right and to the left.
Then in the reconstructed recollection there is a void, wherein Guido Laremi with his extraneous gaze is reabsorbed into the background. I free my motor scooter from the chain and I crank it up, and these simple doings cost me fatigue and repetition, anger against the objects.
I'm on, at length, and I'm trying to cut my way through the people and the cars, and I hit somebody. I feel a knock on one side of the handlebars; I sway and lose my balance; I fly over the scooter dragged by my heavy greatcoat, by the canvas-bag filled with mandatory books.
Some round heads and long necks, some apple or pumpkin or pine-seed-like faces, some bunker-slit or bottle-end or wide-screen-like pair of spectacles turn around in the jumble of movements; they look away as soon as I'm back on my feet with no interesting damage.
A couple of meters from me Guido Laremi is pressing a hand on his flank, says «Damn». He is more or less my age, blue eyes, disheveled, fairish hair. He's wearing an English raincoat, but it wears too short on him; he, too, keeps his collar raised. He is staring at me, and his gaze is now filled with irritation, other than extraneousness.
I tell him «I'm sorry»; I pull up my motor scooter. All about streaming-out students continue to knock and push and press one another, amidst grumbles and squeaks and laughs and guttural cries.”

 

 
Andrea De Carlo (Milaan, 11 december 1952)

Lees meer...

J.C. van Schagen

 

De Nederlandse schrijver, dichter en graficus Johan Christiaan Jacob (Chris) van Schagen werd geboren in Vlissingen op 11 december 1891. Hij volgde de lagere school en de HBS in Middelburg en begon zijn ambtelijke loopbaan in deze Zeeuwse hoofdstad. Van Schagen studeerde rechten in Amsterdam, waar hij zijn vrouw Willy Dalman leerde kennen. Zij trouwden in 1918. Hun dochter Joos werd in 1920 geboren. Het gezin van Schagen verhuisde naar Rotterdam. Zijn gedicht “Narrenwijsheid” werd in 1925 in druk genomen. In 1928 schreef hij “Litanie”. Van Schagen maakte maatschappelijk carrière. Deze carrière werd afgebroken in 1942 wegens 'politieke moeilijkheden'. Hij was toen ambtenaar bij de gemeente Rotterdam. Daarna volgde hij lessen van Antoon Derkzen van Angeren, aan de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten, en leerde onder andere etsen en lithograferen. In 1946 publiceerde hij “Onderaardsch” en “Flarden van den wind”, proza en poëzie. Vanaf de jaren vijftig publiceerde van Schagen veel poëzie en proza en maakte ook steeds meer 'prenten'. Het overgrote deel van zijn werk werd door van Schagen zelf uitgegeven. Meer dan twintig titels in de reeks Domburgse Cahiers en de serie schriftsels, poëzie en proza, werden verzonden aan honderden liefhebbers. De 'prenten', schilderijen, etsen, lithografieën, monotypes en vooral unica-drukken, verkocht hij voor een groot deel aan huis. Van Schagen heeft diverse tentoonstellingen van zijn werk gekend. Het hoogtepunt hiervan, achtereenvolgens een overzichtstentoonstelling in Rotterdam, Veere, Middelburg en Domburg, ging gepaard aan de presentatie van een literair drieluik in de serie Archief van Schagen, gepubliceerd door uitgeverij De Prom.

 

Narrenwijsheid (Fragment)

I

Niets is, dat niet goddelijk is.
Daarom wil ik niets uitzonderen.
Ik geef geen namen.

Ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar
              recht, ik blijf niet staan bij slecht en leelijk.
Goed en deugdzaam gaan mij niet aan.

De regen regent over bosch en zee en over de stille velden
In de slootjes regent de regen, op de verre buiten-
              wegen en op het zinken platje van de keuken
In de vuile gootjes van de binnenstad regent de
              regen en de regen regent op de keetjes van
              de burgerwacht
En op het trottoir met de natte krant, de uienschil
              en het lucifertje.
De gevangene in zijn cel hoort den regen, de moeder
              staat voor het raam met haar kindje.
De kellner staart in de regen door de spiegelruit,
              voorbij het kleintje koffie.
De politicus loopt op en neer in zijn kamer en
              bedenkt, wat hij zeggen zal, maar hij blijft
              staan en luistert naar den regen.
De regen regent over de schepen in de havens, over
              het station en de emplacementen, over
              de fabrieken buiten de stad.
En over het oude paard van de kolenwagen aan
              den overkant.
Zachtjes ritselt de regen in de graskantjes van de weg,
Hij leekt langs de planken van het fietsenhok en
              langs het warme gezicht van het schoolmeisje,
Langs het gelaat van den ouden man, die heeft liefgehad,
              langs de vale gezichten van den chauffeur
              en den journalist met zijn potloodje.
Op de roode pannendaken der oude huizen, op de
              afdakjes en de binnenplaatsen, in de steegjes
              en de hofjes en in de groene grachten van de
              oude stad regent de regen.
Hij regent pokkeputjes in het kille strand, waar het
              seizoen verkeken is,
Op de daken der hôtels met de rood pluche kamertjes
              regent hij, over de leege ambtenaarsbuurten
              en de bouwterreinen.
Op de tramremise en de kar van den bakker, op den
              werkman van het sintelpad,
En er is een diepe, zwarte toon gekomen in de
              dingen, oud en dromerig en vertrouwd.

Zoo regent de regen.
Daarom geef ik geen namen.
Ik ga maar en ben.

 

 
J.C. van Schagen (11 december 1891 - 17 april 1985)

10:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: j.c. van schagen, romenu |  Facebook |

10-12-13

Emily Dickinson, Karl Heinrich Waggerl, Jorge Semprún, Carolyn Kizer, Pierre Louÿs


De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson werd geboren op 10 december 1830 in Amherst, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Emily Dickinson op dit blog.

 

On this long storm the rainbow rose

On this long storm the rainbow rose,    
On this late morn the sun;       
The clouds, like listless elephants,      
Horizons straggled down.        
The birds rose smiling in their nests,          
The gales indeed were done;   
Alas! how heedless were the eyes       
On whom the summer shone!  
The quiet nonchalance of death
No daybreak can bestir;                 
The slow archangel’s syllables 
Must awaken her.

 

 
Look back on time with kindly eyes

Look back on time with kindly eyes,     
He doubtless did his best;       
How softly sinks his trembling sun       
In human nature’s west!

 

 

The last night that she lived

The last night that she lived,    
It was a common night,
Except the dying; this to us     
Made nature different.  
We noticed smallest things,—        
Things overlooked before,       
By this great light upon our minds        
Italicized, as ’t were.    
That others could exist
While she must finish quite,            
A jealousy for her arose          
So nearly infinite.        
We waited while she passed;   
It was a narrow time,   
Too jostled were our souls to speak,           
At length the notice came.       
She mentioned, and forgot;      
Then lightly as a reed  
Bent to the water, shivered scarce,      
Consented, and was dead.              
And we, we placed the hair,     
And drew the head erect;         
And then an awful leisure was, 
Our faith to regulate.

 

 
Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)

Lees meer...

09-12-13

Gioconda Belli, Michael Krüger, Wolfgang Hildesheimer, Anna Gavalda, Ödön von Horváth, John Milton


De Nicaraguaanse schrijfster, dichteres en ex-politica Gioconda Belli werd geboren op 9 december 1948 in Managua. Zie ook alle tags voor Gioconda Belli op dit blog.

 

Niemand sucht aus

Man sucht sich das Land seiner
Geburt nicht aus,
und liebt doch das Land, wo man
geboren wurde.
Man sucht sich die Zeit nicht aus,
in der man die Welt betritt,
aber muß Spuren in seiner Zeit
hinterlassen.

Seiner Verantwortung kann sich
niemand entziehen.
Niemand kann seine Augen
verschließen, nicht seine Ohren,
stumm werden und sich die
Hände abschneiden.

Es ist die Pflicht von allen zu lieben,
ein Leben zu leben,
ein Ziel zu erreichen.

Wir suchen den Zeitpunkt nicht aus,
zu dem wir die Welt betreten,
aber gestalten können wir diese Welt,
worin das Samenkorn wächst,
das wir in uns tragen.

 

 

Ihn erwarten

Am Morgen
erwache ich wie eine Gazelle
freudig im Busch
und warte auf dich.

Am Mittag,
vergraben zwischen Blumen,
male ich deinen Namen
in den Bauch der Flüsse.

In der Dämmerung,
bebend vor Liebe, ducke ich mich
und warte darauf,
daß du kommst in der Nacht,
daß du kommst und dich niederläßt
wie ein Vogel auf mir
und deinen Körper
über mir schwingst
wie eine Fahne.

 

Vertaald door Anneliese Schwarzer

 


Gioconda Belli (Managua, 9 december 1948)

Lees meer...

Joe McGinniss

 

De Amerikaanse schrijver Joe McGinniss werd geboren in New York City op 9 december 1942. Na de middelbare school bezocht hij het Holy Cross College in Worchester, Massachusetts. Na zijn afstuderen in 1964 werkte McGinniss als verslaggever voor de Worcester Telegram. McGinniss werd vervolgens sportjournalist voor The Philadelphia Bulletin, en al snel voor de concurrent The Philadelphia Inquirer, waarvan hij in 1966 columnist werd. Twee jaar later, in 1968, struikelde McGinniss over een verhaal dat zijn eerste boek zou worden. Richard Nixon's campagne adviseur stond hem toe om uit de eerste hand te observeren hoe het proces van "het verkopen" van een president aan het publiek in zijn werk ging. Het boek, “The Selling of the President”, werd gepubliceerd in 1969. Het leverde hem diverse positieve beoordelingen op en zijn naam kwam op de New York Times bestseller lijst. McGinniss’s volgende boek, “The Dream Team”, gepubliceerd in 1972, was het verhaal van een succesvolle jonge romanschrijver die door zijn obsessie met paardenraces, vrouwen en alcohol volkomen de weg kwijt raakt. De receptie was een afknapper. De grote commerciële doorbraak van McGinniss kwam in 1979 toen hij een ontmoeting had met Jeffrey MacDonald, een voormalige Groene Baret Amerikaanse legerarts, die beschuldigd werd van moord op zijn vrouw en twee dochters. McGinniss mocht van hem een boek schrijven over zijn moordzaak. MacDonald werd veroordeeld voor de drievoudige moord en veroordeeld tot levenslang. McGinniss deed drie jaar onderzoek naar de zaak. “Fatal Vision” werd gepubliceerd in 1983 en het was meteen een bestseller. In 1993 verscheen “The Last Brother”, een biografie van Ted Kennedy. In 1994 werd McGinniss 1 miljoen dollar voorschot aangeboden door zijn uitgever om een boek te schrijven over het proces tegen O.J. Simpson, maar uiteindelijk gaf hij het geld terug omdat hij het proces "a mockery of justice" vond.

Uit: Fatal Vision

“I have been sitting here most of the morning,” Grebner said, “not saying very much, just listening to your story, and I have been an investigator for a long time, and if you were a Pfc — a young, uneducated person — I might try to bring you in here and bluff you. But you are a very well-educated man — doctor, captain — and I’m going to be fair with you.
“Your story doesn’t ring true. There’s too many discrepancies. For instance, take a look at that picture over there.” Grebner gestured toward a photograph of the living room of 544 Castle Drive.
“Do you see anything odd about that scene?”
“No.”
“It is the first thing I saw when I came into the house that morning. Notice the flowerpot?”
“It’s standing up.”
“Yes. Notice the magazines?”
“Yeah.”
“Notice the edge of the table right there?”
“I don’t understand the significance of it.”
“Okay. The lab technician, myself, Mr. Ivory, and Mr. Shaw, and any number of other people have tipped that table over. It never lands like that. It is top-heavy and it goes over all the way, even pushes the chair next to it out of the way. The magazines don’t land under the leading edge of that table, either. They land out on the floor.”
“Couldn’t this table have been pushed around during the struggle?”
“It could have been, but it would have been upside down when it stopped. And the plant and the pot always go straight out and they stay together in all instances.”
“Well, what — what are you trying to say?”
“That this is a staged scene.”
“You mean that I staged the scene?”
“That’s what I think.”
“Do you think that I would stand the pot up if I staged the scene?”
“Somebody stood it up like that.”
“Well, I don’t see the reasoning behind that. You just told me I was college-educated and very intelligent.”

 


Joe McGinniss (9 december 1942 - 10 maart 2014)

18:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: joe mcginniss, romenu |  Facebook |

08-12-13

Bij de tweede zondag van de Advent (Mariae Verkündigung, Rainer Maria Rilke)


Bij de tweede zondag van de Advent

 

 
Adriaen van de Velde, De boodschap aan Maria, 1667

 

 

Mariae Verkündigung

Nicht dass ein Engel eintrat (das erkenn),
erschreckte sie. Sowenig andre, wenn
ein Sonnenstrahl oder der Mond bei Nacht
in ihrem Zimmer sich zu schaffen macht,
auffahren -, pflegte sie an der Gestalt,
in der ein Engel ging, sich zu entrüsten;
sie ahnte kaum, dass dieser Aufenthalt
mühsam für Engel ist. (O wenn wir wüssten,
wie rein sie war. Hat eine Hirschkuh nicht,
die, liegend, einmal sie im Wald eräugte,
sich so in sie versehn, dass sich in ihr,
ganz ohne Paarigen, das Einhorn zeugte,
das Tier aus Licht, das reine Tier -.)
Nicht, dass er eintrat, aber dass er dicht,
der Engel, eines Jünglings Angesicht
so zu ihr neigte; dass sein Blick und der,
mit dem sie aufsah, so zusammenschlugen
als wäre draußen plötzlich alles leer
und, was Millionen schauten, trieben, trugen,
hineingedrängt in sie: nur sie und er;
Schaun und Geschautes, Aug und Augenweide
sonst nirgends als an dieser Stelle -: sieh,
dieses erschreckt. Und sie erschraken beide.
Dann sang der Engel seine Melodie.

 

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Praag in de Advent (Rilke werd geboren in Praag)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 8e december ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

13:47 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: advent, rainer maria rilke, romenu |  Facebook |

Louis de Bernières, Bill Bryson, Mary Gordon, Delmore Schwartz, Jim Morrison, James Thurber, Hervey Allen


De Britse schrijver Louis de Bernières werd geboren in Londen op 8 december 1954. Zie ook alle tags voor Louis de Bernières op dit blog.

Uit: Corelli's Mandolin

'Only my finger,' replied Stamatis.
'And how long have you been deaf in this ear?'
'Since as long as I can remember.'
Dr Iannis found an absurd picture rising up before his imagination. It was Stamatis as a toddler, with the same gnarled face, the same stoop, the same overmeasure of aural hair, reaching up to the kitchen table and taking a dried pea from a wooden bowl. He stuck it into his mouth, found it too hard to bite, and crammed it into his ear. The doctor chuckled, 'You must have been a very annoying little boy.'
'He was a devil.'
'Be quiet, woman, you didn't even know me in those days.'
'I have your mother's word, God rest her soul,' replied the old woman, pursing her lips and folding her arms, 'and I have the word of your sisters.'
Dr Iannis considered the problem. It was undoubtedly an obdurate and recalcitrant pea, and it was too tightly packed to lever it out. 'Do you have a fishhook, about the right size for a mullet, with a long shank? And do you have a light hammer?'
The couple looked at each other with the single thought that their doctor must have lost his mind. 'What does this have to do with my earache?' asked Stamatis suspiciously.
'You have an exorbitant auditory impediment,' replied the doctor, ever conscious of the necessity for maintaining a certain iatric mystique, and fully aware that 'a pea in the ear' was unlikely to earn him any kudos. 'I can remove it with a fishhook and a small hammer; it's...”

 

 
Louis de Bernières (Londen, 8 december 1954)

Lees meer...

Georges Feydeau, Horatius, Carmen Martín Gaite, Nikos Gatsos, Jura Soyfer, Bjørnstjerne Bjørnson, Joel Chandler Harris


De Franse theaterauteur Georges Feydeau werd geboren op 8 december 1862 in Parijs. Zie ook alle tags voor George Feydeau op dit blog.

Uit: Par la fenêtre

“Scène II
Hector, Emma
Emma, très agitée. — Ah ça ! vous n’entendiez donc pas ?
Hector, gracieusement. — Parfaitement, madame, mais...
Emma, l’imitant. — Parfaitement, madame, mais... Imbécile, va !
Elle passe devant lui, va à la fenêtre et regarde à travers les carreaux.
Hector. — Hein ! (A part.) Eh bien, si c’est pour me dire des choses comme celles-là qu’elle vient me voir !
(Haut.) Pardon, madame, mais...
Emma, sans se déranger. — Allons, vite ! Votre maître !
Hector. — Mon maître ? c’est moi, madame.
Emma, de même, et haussant les épaules. — Comment c’est vous ! Ah ! ça, vous êtes fou !
Hector, ôtant son tablier et remettant sa redingote. — Non, madame, je suis avocat !
Emma, se retournant. — Avocat !
Hector. — Oui, madame.
Emma, descendant. — Comment, c’est vous qui...
Hector. — Oui madame.
Emma. — Oh ! Monsieur ! que d’excuses ! Et moi qui vous ai traité d’imbécile !
Hector, gracieusement. — Oh ! mon Dieu, quand on ne connaît pas les gens !
Emma. — Recevez toutes mes excuses !
Hector, saluant. — Oh ! madame !... tout à votre service. Mais pourrais-je savoir ce qui me vaut l’honneur ?
Emma. — Voilà, monsieur.
Elle ôte son chapeau et son manteau qu’elle pose sur une chaise, à gauche.
Hector, à part. — Hein !... Eh ! bien, elle s’installe ? Sapristi !... et moi qui n’ai pas déjeuné !
Emma, très agitée. — Monsieur !...”

 

 
Georges Feydeau (8 december 1862 - 5 juni 1921)
Portret door Carolus-Duran, z.j.

Lees meer...

Jamal Ouariachi

 

De Nederlandse schrijver Jamal Ouariachi werd geboren in Amsterdam op 8 december 1978. Ouariachi heeft een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader. Hij doorliep het Barlaeus Gymnasium, tot hij daar halverwege de vijfde klas van verwijderd werd. Tussen 2000 en 2008 studeerde hij psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Een tijd lang was hij werkzaam als (online) therapeut. Tegenwoordig is hij fulltime schrijver. In augustus 2010 debuteerde Ouariachi bij uitgeverij Querido met de roman “De vernietiging van Prosper Morèl”. Een verhaal van zijn hand, “Zopor”, verscheen in de bloemlezing “Agents-Provocateurs: 20 onder 35” (2011), een selectie van de origineelste jonge schrijvers van nu. Verder schreef hij verhalen, artikelen en polemieken voor onder meer nrc.next, HP/De Tijd, De Revisor en Knack.

Uit: De Vernietiging van Prosper Morèl

“Hooghartig rees het gebouw boven de oude stad uit, met een vanzelf- sprekendheid, alsof het daar altijd gestaan had, alsof niet eerst de stad, maar eerst het gebouw er was geweest.
‘Dames en heren,’ zei de gids in Nederlands gekleurd Engels, ‘soms groeit een bouwwerk uit tot het logo van de stad waar het zich bevindt. Ik noem een Eiffeltoren... een Brandenburger Tor... de Akropolis, het Kremlin... of voor de Amerikanen onder u: het Empire State Building, of het Capitool.’
Wij knikten, ja, die namen kenden we wel. Ons, fervente stedenreizigers, veelal gepensioneerd – ons hoefde je niets te vertellen, we waren mensen van de wereld, we hadden heel wat gezien.
‘Stuk voor stuk iconen,’ zei de gids. ‘Bouwwerken die méér zijn dan een cliché op een ansichtkaart. Ze zijn synoniem geworden aan hun thuishaven. Denk je aan het bouwwerk, dan denk je aan de stad, en omgekeerd.’
Wij kregen een ogenblik de tijd om dit filosofische inzicht te ver- werken. Achter ons op de kade raasde het verkeer voorbij, terwijl van voren een stevige wind ons in het gezicht blies.
‘But!’ ging hij verder, met een dreigende vinger in de lucht. ‘Hoe zit het met Amsterdam? Wat is dat ene unieke bouwwerk dat wij met Amsterdam vereenzelvigen?’ Zijn retorische blik ging als een zoeklicht de kring rond.
Een Amerikaanse dame van minstens tachtig waagde het om haar hand op te steken en te vragen: ‘Well, how about the canals?’
Ja, daar had ze een punt. Alle blikken richtten zich nu verwachtingsvol op de gids. Die plukte met een smalende glimlach aan zijn opzichtige, gele vlinderdasje en antwoordde kalmpjes: ‘Of course... de grachten zijn wereldberoemd... Wie kent ze niet? Maar wat zijn het?”

 

 
Jamal Ouariachi (Amsterdam, 8 december 1978)

13:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jamal ouariachi, romenu |  Facebook |

07-12-13

Tatamkhulu Afrika, Johann Nestroy, Gabriel Marcel, Friedrich Schlögl, Noam Chomsky, Willa Cather, Samuel Gottlieb Bürde


De Zuid-Afrikaanse dichter en schrijver Tatamkhulu Afrika werd geboren op 7 december 1920 in Egypte. Zie ook alle tags voor Tatamkhulu Afrika op dit blog.

Uit: Bitter Eden

“I touch the scar on my cheek and it flinches as though the long-dead tissue had a Lazarus-life of its own.
Uneasily, I stare at the two letters and accompanying neat package which are still where I put them earlier in the day. Within easy reach of my hand, they are a constant and unsettling focus for my mind and eye.
The single envelope in which the letters were posted is also still there. Airmail and drably English in its design, its difference from its local kin both fascinates and disturbs. I am not accustomed any more to receiving mail from abroad.
The one letter, typed under the logo of a firm of lawyers, is a covering letter which starts off by describing how they have only managed to trace me after much trouble and expense, which expense is to be defrayed by the ‘deceased’s estate’. Then comes the bald statement that it is he that has ‘passed on’ – how I hate that phrase! – after a long illness whose nature they do not disclose and that I have been named in his will as one of the heirs. My legacy, they add, is very small but will no doubt be of some significance to me and it is being forwarded under separate cover per registered mail.
The other letter is from him and I knew that straight away. After fifty years of silence, there was still no mistaking the rounded, bold and generously sprawling hand. Closer inspection betrayed the slight shakiness that is beginning to taint my own hand, and I noted this with an unwilling tenderness and a resurgence – as unwilling – of a love that time, it seems, has too lightly overlaid.
After reading the letters – but not yet opening the package – I had sat for a long time, staring out of the window and watching gulls and papers whirling up out of the southeaster-ridden street, but not knowing which were papers and which were gulls. Reaching for an expected pain, I had found only a numbness transcending pain and, later, Carina had come in and laid her hands on my shoulders and asked, her voice as pale and anxious as her hands, ‘Anything wrong?’
I do not mean to be disparaging when I refer to Carina in these terms. I am, after all, not much darker than her and although my hair is fair turned white and hers is white-blonde turned white, my body hair is as colourless and (as far as I am concerned) unflatteringly rare. I, too, can be nervy although not as pathologically so as Carina whose twitchiness sometimes reminds me of the dainty tremblings of a mouse – and that despite the fact that she moves her long, rather heavy bones in a manner that is unsettlingly male.”

 

 
Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002)

Lees meer...

Joyce Cary

 

De Brits - Ierse schrijver Arthur Joyce Lunel Cary werd geboren op 7 december 1888 in Derry, Ierland. Cary ging naar school in Clifton en bezocht het College in Oxford. Hij ging daarna naar de universiteit van Edinburgh om kunstgeschiedenis te studeren. Hij zette de studie gedurende drie jaar voort in Parijs, maar toen realiseerde hij zich dat hij niet meer zou worden dan een 3e rangs schilder. In 1912 , meldde hij zich voor de militaire dienst en hij was van 1913 tot 1920 als ambtenaar van de politieke dienst in Nigeria actief. Om gezondheidsredenen keerde hij in 1920 naar Engeland terug en werkte als freelance schrijver. Onder invloed van de tijd in Afrika schreef Cary verschillende romans over Afrika , zoals “Mister Johnson”, waarin hij de confrontatie van een enkele Afrikaan met de beschaafde samenleving beschrijft. In latere werken vormt de samenleving van Groot-Brittannië de achtergrond. In 1941 werd hij bekroond met de James Tait Black Memorial Prize voor “A House of Children”. Hij leed op het einde van zijn leven aan een motorische stoornis, zodat hij alleen kon schrijven met hulpmiddelen en uiteindelijk alleen kon dicteren. Zijn laatste roman “The Captive and the Free” (gepubliceerd in 1959 ) bleef onvoltooid. Cary was getrouwd en had vier zonen, waaronder de componist Tristram Cary.

Uit: The Horse's Mouth

“Nothing is a masterpiece - a real masterpiece - till it's about two hundred years old. A picture is like a tree or a church, you've got to let it grow into a masterpiece. Same with a poem or a new religion. They begin as a lot of funny words. Nobody knows whether they're all nonsense or a gift from heaven. And the only people who think anything of 'em are a lot of cranks or crackpots, or poor devils who don't know enough to know anything. Look at Christianity. Just a lot of floating seeds to start with, all sorts of seeds. It was a long time before one of them grew into a tree big enough to kill the rest and keep the rain off. And it's only when the tree has been cut into planks and built into a house and the house has got pretty old and about fifty generations of ordinary lumpheads who don't know a work of art from a public convenience, have been knocking nails in the kitchen beams to hang hams on, and screwing hooks in the walls for whips and guns and photographs and calendars and measuring the children on the window frames and chopping out a new cupboard under the stairs to keep the cheese and murdering their wives in the back room and burying them under the cellar flags, that it begins even to feel like a religion. And when the whole place is full of dry rot and ghosts and old bones and the shelves are breaking down with old wormy books that no one could read if they tried, and the attic floors are bulging through the servants' ceilings with old trunks and top-boots and gasoliers and dressmaker's dummies and ball frocks and dolls-houses and pony saddles and blunderbusses and parrot cages and uniforms and love letters and jugs without handles and bridal pots decorated with forget-me-nots and a piece out at the bottom, that it grows into a real old faith, a masterpiece which people can really get something out of, each for himself. And then, of course, everybody keeps on saying that it ought to be pulled down at once, because it's an insanitary nuisance.”

 

 
Joyce Cary (7 december 1888 - 29 maart 1957)

14:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: joyce cary, romenu |  Facebook |

06-12-13

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer


De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Nacht (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Na het laatste uur die dag belde ik mama. Kreeg haar nog net op haar werk te pakken voor ze naar huis zou gaan.
‘Hoi, mama’, zei ik. ‘Heb je even tijd om wat te praten?’
‘Ja, geen probleem. Is er iets gebeurd?’
‘Nee hoor. Alles is nog steeds hetzelfde hier. Maar het begint ontzettend zwaar te worden. Ik kom ’s morgens nauwelijks mijn bed uit. En toen bedacht ik vandaag dat ik in feite op kan zeggen. Ik heb het zo ontzettend slecht naar mijn zin, zie je. Ik ben hier natuurlijk ook niet voor opgeleid. Dus ik dacht dat ik in plaats daarvan na de Kerst kon gaan studeren. Gewoon mijn propedeuse halen.’
‘Ik begrijp dat je gefrustreerd bent en dat het zwaar is’, zei ze. ‘Maar ik vind dat je er nog even over na moet denken voor je een beslissing neemt. De kerstvakantie begint nu gauw, dan kun je ontspannen en het rustig aan doen, hier gewoon op de bank blijven liggen als je wilt. Dan geloof ik dat het er heel anders uitziet als je daar weer terugkomt.’
‘Maar dat is juist wat ik niet wil!’
‘Dat zijn schommelingen. Je vond het een tijdje ontzettend leuk. Het is heel normaal dat je nu een periode hebt waarin je wat down bent. Ik kan natuurlijk niet zeggen dat je niet mag ophouden, dat beslis je zelf. Maar dat hoef je niet per se nu te doen, dat is alles wat ik wil zeggen.’
‘Ik geloof niet dat je begrijpt wat ik wil zeggen. Het wordt niet beter. Het is zo verdomd zwaar. En waarvoor?’
‘Zo is het leven soms’, zei ze.
‘Dat zeg je altijd. Maar ook al is jouw leven zwaar, dan hoeft dat van mij het toch nog niet te zijn?’
‘Ik wilde je alleen een raad geven. Ik denk dat je dat kunt gebruiken.’
‘Oké,’ zei ik, ‘ik neig ertoe op te houden, echt, maar je hebt gelijk als je zegt dat ik dat niet per se nu hoef te beslissen.’

 

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Lees meer...

05-12-13

Sinterklaas, Hans Andreus, Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti


Bij Sinterklaas

 

Uit: Een heel stout jongetje

"Even kijken," zei Sint Nicolaas terwijl hij zijn bril opzette en in het Grote Boek keek, "ah, juist, nu weet ik het weer, hier woont dat hele stoute jongetje. Zozo..." en hij keek over zijn brillenglazen naar het jongetje. Het stoute jongetje keek brutaal terug, maar zijn tong durfde hij toch niet uit te steken.
"Piet," vervolgde Sint Nicolaas tegen Zwarte Piet, "dit jongetje is onverbeterlijk. Wat ik niet allemaal over hem gehoord heb, sinds ik weer in Nederland ben!"
"Dus geen cadeautje, Sinterklaas?" vroeg Zwarte Piet.
"Cadeautje?" vroeg Sint Nicolaas. "Hoe haal je 't in je hoofd, Piet. Is het niet juist," vroeg hij toen aan Vader en Moeder, "dat dit jongetje dit jaar nóg meer ruiten heeft gebroken en nóg meer potten jam heeft leeggelikt dan verleden jaar? En dat hij de schoenen van zijn schoolmeester, die de arme man uitgetrokken had omdat zijn voeten zo'n pijn deden, zomaar heeft verstopt, zodat de meester op zijn sokken naar huis moest? En... ach, ik kan wel blijven doorgaan."
"Het spijt ons," knikten vader en moeder, "het is allemaal waar."
"En heb jij geen spijt?" vroeg Sint Nicolaas aan het jongetje.

 

 
Illustratie uit “Sint Nicolaas en zijn knecht” van Jan Schenkman, uitgave ca. 1907

 

"Je hebt stoute jongetjes en Brave Hendriken," zei het jongetje, "en ik wil geen Brave Hendrik zijn."
"Nog steeds even brutaal," zei Sint Nicolaas. "Piet, stop hem in de zak!" Het jongetje probeerde nog weg te lopen, maar Zwarte Piet pakte hem meteen beet en stopte hem in de zak. "Zo, dan gaan we maar weer," zei Sint Nicolaas. "Maar ons jongetje dan?" vroegen vader en moeder. Sint Nicolaas en Zwarte Piet waren echter de kamer en het huis al uit.
Nu moet je weten dat Sint Nicolaas stoute kinderen nooit heel lang in de zak laat zitten. Na een half uurtje of zo vindt hij het wel genoeg, dan doet hij de zak open en laat de kinderen beterschap beloven, voor hij ze naar huis stuurt. En dikwijls geeft hij ze dan nog een cadeautje ook. Maar toevallig was het jongetje één van de laatste kinderen die hij had bezocht. En de volgende dag ging hij terug naar Spanje, want hij had haast dit jaar.
Pas toen ze weer thuis in Spanje waren, zei Sint Nicolaas tegen zijn knecht: "Zeg, Piet, herinner ik me dat nou goed? Hadden wij niet een heel stout jongetje in de zak gestopt?"
"Ja, baas," zei Piet.
"Maar hebben we dat jongetje ook weer uit die zak gehaald?"
"Nee, baas, dat ben ik helemaal vergeten," zei Piet.

 

 
Hans Andreus (21 februari 1926 – 9 juni 1977)

Lees meer...