06-03-14

Marijke Hanegraaf

 

De Nederlandse dichteres Marijke Hanegraaf werd op 6 maart 1946 geboren in Tilburg, waar zij ook opgegroeide en waar haar vader een houthandel had. Aanvankelijk leerde ze voor analiste, maar uiteindelijk bleek het schrijven haar beter te liggen. Door een gelukkig toeval kwam ze terecht bij het jeugdblad Taptoe. Taptoe was voor haar een fantastische leerschool; schrijven voor kinderen betekent dat je de dingen gewoon moet zeggen, niet kinderachtig maar wel duidelijk. Ze schreef voor Taptoe informatieve artikelen, reportages en ook verhalen. Tegenwoordig is ze freelance bureauredacteur. Pas tegen haar vijftigste legde ze zich toe op poëzie. Dat resulteerde in 2001 in haar debuutbundel “Veerstraat”, uitgegeven bij De Arbeiderspers. De bundel werd in 2002 genomineerd voor de Buddinghprijs. In 2006 kwam haar tweede bundel, “Proefsteen”, uit en in 2010 de derde, “Restruimte”.

 

Stokgooier en lezer

Arm als de grond, met rondom
het zuigend moeras van ziekte
geen grond was zo arm als ziekte

en daarin kwam hij en las.
Gericht in zichzelf bracht hij zich voort
hij vocht om de letter.

Hij was een lezer.
Wie was hij zonder.
Wat was hij geworden.

Hij las bij zwak licht.
Die duistere kamers, dat huis met het ijzige
trapgat en de ijzeren spiegel
de stinkende plee

liever het veld
hij hield van een stok die hij vond
sneed, sloeg, joeg
zie hem zwiepen en klieven.

Kracht! De zijne!
Een stok is een bliksem
droog en donker

geloof in het ongewone.
Dat was het wonder.
Hij was een stokgooier en een lezer.

 

 

Thuis

Als ik dan 's morgens vroeg de deur uitga
en samen met het weer de straat in fiets
waarheen? Ik weet het niet meteen.

Gelukkig weet mijn lichaam beter
voor alles van belang gaat het vanzelf
linksaf, rechts en lang rechtdoor

de vroege ochtend in als niemand nog.
Mijn lijf komt samen met mijn fiets
al jaren wonderlijk op tijd, waarvoor.

Eraan vooraf dronk ik mijn koffie zwart
ontwaakte in de dingen van de ochtend
koos jam alsof ik het nooit eerder koos.

Wat drijft me voort, met deze daden
van vergeefsheid, wat maakt me
denk ik nooit als ik het brood smeer.

 

 
Marijke Hanegraaf (Tilburg, 6 maart 1946)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: marijke hanegraaf, romenu |  Facebook |

05-03-14

Aschermittwoch (Clara Müller-Jahnke)

 

Bij Aswoensdag

 

 
Het gevecht tussen Carnaval en Vasten (detail) door Pieter Brueghel de Oude, 1559

 

 

Aschermittwoch

Nun fällt der tollen Narrenwelt
das bunte Kleid in Lumpen, -
und klirrend auf den Estrich schellt
der Freude voller Humpen.
Lautkrachend springt ins Schloß das Tor,
kein Lichtschein mehr am Fenster -
ein grauer Morgen kriecht empor,
der Morgen der Gespenster.

Da ist im tiefen Straßenstaub
ein stolzes Weib gestanden -
von ihrem Odem rauscht das Laub,
des Meeres Wogen branden.
Sie reckt sich in die Frühlingspracht
mit herrischer Gebärde:
mein ist, was blüht und weint und lacht -
mein ist die ganze Erde!

Was bimmelt ihr vom Kirchenturm
und predigt Reu und Buße?
Ihr seid das Sandkorn vor dem Sturm,
der Staub mir unterm Fuße.
Was schiert mich eurer Sünde Scham
und eurer Hölle Flammen?
Ich blas den ganzen Maskenkram
mit einem Hauch zusammen.

Mir gilt die Dirne unterm Tor,
das Hündlein in der Gossen
mehr als der schönste Damenflor
in euren Staatskarossen.
Und Blumen und Konfettischlacht?
Wie jäh verstummt die Harfe,
versprüht der Witz, verblaßt die Pracht,
löst meine Hand die Larve.

Mir gilt des Bettlers hohle Hand
und gramzerfressne Miene
mehr als der Fürstenhöfe Tand
und blutige Hermeline. -
Und tobt im Ost der Schwertertanz,
und saust das Blei, das rasche -
auf aller Kronen Faschingsglanz
streu ich die Handvoll Asche!

Ob Kirchen- oder Festungssturm,
sie wanken beid auf Erden
und werden einst vom Wirbelsturm
zu Staub zerblasen werden.
Und reißt der letzten Narretei
der bunte Rock in Fetzen,
dann soll die Menschheit, nackt und frei,
sich an die Tafel setzen.

 

 
Clara Müller-Jahnke (5 februari 1860 - 4 november 1905)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 5e maart ook mijn vorige blog van vandaag en ook mijn blog van 5 maart 2012 deel 1 en eveneens mijn blog van 5 maart 2011 deel 2.

15:47 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: aswoensdag, clara müller-jahnke, romenu |  Facebook |

Pier Paolo Pasolini, Arthur van Schendel, Koos van Zomeren, Jurre van den Berg, Danny King

 

De Italiaanse filmregisseur, dichter en schrijver Pier Paolo Pasolini werd geboren in Bologna op 5 maart 1922. Zie ook alle tags voor Pier Paolo Pasolini op dit blog.

 

Prayer to my mother

It’s so hard to say in a son’s words
what I’m so little like in my heart.

Only you in all the world know what my
heart always held, before any other love.

So, I must tell you something terrible to know:
From within your kindness my anguish grew.

You’re irreplaceable. And because you are,
the life you gave me is condemned to loneliness.

And I don’t want to be alone. I have an infinite
hunger for love, love of bodies without souls.

For the soul is inside you, it is you, but
you’re my mother and your love’s my slavery:

My childhood I lived a slave to this lofty
incurable sense of an immense obligation.

It was the only way to feel life,
the unique form, sole color; now, it’s over.

We survive, in the confusion
of a life reborn outside reason.

I pray you, oh, I pray: Do not hope to die.
I’m here, alone, with you, in a future April…

 

Vertaald door Norman MacAfee

 

 

Späte Einsichten

Ich weiß wohl, ich weiß wohl, daß ich mit einem Bein im Grabe stehe;
daß alles, was ich berühre, bereits von mir berührt worden ist;
daß ich Gefangener eines unanständigen Verlangens bin;
daß jede Rekonvaleszenz einem Rückfall gleicht;
daß die Gewässer stillstehn und daß alles abgestanden schmeckt;
daß auch der Humor nur Teil einer unaufhebbaren Blockade ist;
daß ich nichts anderes tue, als das Neue zum Alten zurückzuführen;
daß ich immer noch nicht die Absicht habe, anzuerkennen, wer ich bin;
daß mir sogar die alte Goldmachergeduld abhandengekommen ist;
daß das Alter, ungeduldig wie es ist, nur die Misere sichtbar macht;
daß ich niemals von hier wegkommen werde, auch wenn ich noch so viel lächle;
daß ich von allen Saiten, die da wären, am Ende immer nur die eine anreiße;
daß ich mich gerne mit Schlamm besudele, denn Schlamm ist Materie, arm, also rein;
daß ich das Licht nur dann liebe, wenn es ohne Hoffnung ist.

 

Vertaald door Theresia Prammer

 

 

 
Pier Paolo Pasolini (5 maart 1922 – 2 november 1975)

Lees meer...

04-03-14

Carnaval (Théophile Gautier)

 

Bij Carnaval

 

 
Caranaval in Venetië door Hieronymus Francken (1540-1610)

 

 

Carnaval


Venise pour le bal s'habille.
De paillettes tout étoilé,
Scintille, fourmille et babille
Le carnaval bariolé.

Arlequin, nègre par son masque,
Serpent par ses mille couleurs,
Rosse d'une note fantasque
Cassandre son souffre-douleurs.
Battant de l'aile avec sa manche
Comme un pingouin sur un écueil,
Le blanc Pierrot, par une blanche,
Passe la tête et cligne l'oeil.

Le Docteur bolonais rabâche
Avec la basse aux sons traînés;
Polichinelle, qui se fâche,
Se trouve une croche pour nez.

Heurtant Trivelin qui se mouche
Avec un trille extravagant,
A Colombine Scaramouche
Rend son éventail ou son gant.

Sur une cadence se glisse
Un domino ne laissant voir
Qu'un malin regard en coulisse
Aux paupières de satin noir.

Ah! fine barbe de dentelle,
Que fait voler un souffle pur,
Cet arpège m'a dit : C'est elle !
Malgré tes réseaux, j'en suis sûr,

Et j'ai reconnu, rose et fraîche,
Sous l'affreux profil de carton,
Sa lèvre au fin duvet de pêche,
Et la mouche de son menton.

 

 

 
Théophile Gautier (31 augustus 1811 – 23 oktober 1872)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e maart ook mijn vorige blog van vandaag.

18:43 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: carnaval, théophile gautier, romenu |  Facebook |

Khaled Hosseini, Robert Kleindienst, Kristof Magnusson, Irina Ratushinskaya, Alan Sillitoe, Ryszard Kapuściński

 

De Afghaanse schrijver Khaled Hosseini werd geboren op 4 maart 1965 in Kabul. Zie ook alle tags voor Khaled Hosseini op dit blog.

Uit: En uit de bergen kwam de echo (Vertaald door W. Hansen)

“Najaar 1952
Vader had Abdullah nooit eerder geslagen. Dus toen hij het wel deed, toen hij de zijkant van Abdullahs hoofd raakte, vlak boven het oor, hard en onverhoeds en met de vlakke hand, sprongen er tranen van verbazing in Abdullahs ogen.
Hij knipperde ze snel weg.
‘Naar huis,’ zei vader knarsetandend.
Abdullah hoorde boven zich Pari in snikken uitbarsten.
Toen sloeg vader hem opnieuw, harder, ditmaal op zijn linkerwang. Abdullahs hoofd kantelde opzij. Zijn gezicht schroeide, en er kwamen meer tranen. Zijn linkeroor suisde. Vader bukte zich zo ver voorover dat zijn donkere, gerimpelde gezicht de woestijn en de bergen en de lucht helemaal verduisterde.
‘Ik zei je dat je naar huis moest gaan, jongen,’ zei hij met een gepijnigde blik.
Abdullah gaf geen kik. Hij slikte luid en gluurde naar zijn vader, terwijl hij met zijn ogen knipperde achter de hand die de zon afschermde.
Vanaf de kleine, rode kar gilde Pari zijn naam, terwijl ze beefde van angst. ‘Abollah!’
Vader hield hem met een strenge blik op afstand en sjokte terug naar de kar. Op de bodem ervan strekte Pari haar handen uit naar Abdullah. Abdullah gaf hun een voorsprong.
Toen veegde hij zijn ogen af met de muis van zijn hand en volgde hen.
Even later gooide vader een steen naar hem, zoals kinderen in Shadbagh stenen gooiden naar Shuja, de hond van Pari – zij het dat de kinderen Shuja wilden raken om hem pijn te doen. De steen van vader kwam een meter van Abdullah op de grond terecht, machteloos. Hij wachtte, en toen vader en Pari zich weer in beweging zetten, ging Abdullah opnieuw achter hen aan.”

 

 
Khaled Hosseini (Kabul, 4 maart 1965)

Lees meer...

03-03-14

Carnaval (Toon Hermans)

 

Bij Carnaval

 

 
Carnavalsparade door Pierre Bergaigne (1652 – 1708)

 

 

Carnaval

er is geen aangenamer val
dan een carnaval
je valt namelijk naar boven
het is een val in de blijheid

het duffe snoer
dat je bindt
aan het monotone
springt kapot

je vat een pint
je vat er twee, drie, vier
je vat een vat
en de sleur heeft geen vat meer op je

het spettert muziek
in de smalle straten
het regent zoenen
in het warme café

je danst, je doet, je dartelt als een kind
je bent zigeuner of prins
potkachel of schemerlamp
en je bent... jezelf

je ontdekt de zin van de onzin
en als je niet oppast
heb je zodra de vasten begint
vaste verkering

ik heb na dit carnaval
zo’n bierlucht in mijn jekker
die snuif ik telkens op
en denk: wat was dát lekker!

 

 

 
Toon Hermans (17 december 1916 - 22 april 2000)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 3e maart ook mijn vorige blog van vandaag en eveneens mijn blog van 3 maart 2013 deel 2.

18:26 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: carnaval, toon hermans, romenu |  Facebook |

Manfred Flügge, Hans Verhagen, James Merrill, Kola Boof, Clifton Snider, Josef Winkler, Gudrun Pausewang

 

De Duitse schrijver Manfred Flügge werd geboren op 3 maart 1946 in Kolding, Denemarken. Zie ook alle tags voor Manfred Flügge op dit blog.

Uit: Heinrich Mann

„Die väterliche Ahnentafel der Manns verweist nach Rostock und Nürnberg sowie in die Schweiz, die mütterliche nach Lübeck und Südamerika. Insgesamt waren es lauter ernste Leute, Kaufmänner, Handwerker und Farmer, aber keine Künstler. Im Jahr 1775 war ein Johann Siegmund Mann als vierzehnjähriger Lehrling von Rostock nach Lübeck gekommen, wo er 1790 die Firma «Johann Siegmund Mann, Commissions- und Speditionsgeschäfte» gründete, die vor allem Getreidehandel betrieb. Er heiratete eine gebürtige Hamburgerin, gründete eine Familie, war als Kaufmann erfolgreich und starb 1848 nach einem Schlaganfall. Er hinterließ nicht nur eine angesehene Firma, sondern auch die Tradition, auf den letzten leeren Seiten einer Bibel in knapper Form die Fakten der Familiengeschichte schriftlich festzuhalten oder manches Ereignis daraus in kleinen Broschüren zu erzählen.
Sein Sohn, ebenfalls Johann Siegmund Mann mit Namen, geboren 1797, führte die Firma, deren Juniorchef er wurde, zu hoher Blüte. Er konnte das Firmenvermögen verzwanzigfachen. Aus seiner ersten Ehe mit Emilie Wunderlich hatte Johann Siegmund der Jüngere fünf Kinder.
Fünf Jahre nach dem Tod von Emilie heiratete er 1837 in zweiter Ehe Elisabeth Marty, eine wesentlich jüngere Frau aus einer Lübecker Kaufmannsfamilie, deren Vorfahren aus der Schweiz zugewandert waren; auch aus dieser Ehe gingen fünf Kinder hervor. Von seinem Schwiegervater Marty übernahm Johann Siegmund Titel und Amt des «Königlich Niederländischen Konsuls». Seit 1848 saß er in der Bürgerschaft von Lübeck. Im November 1841 erwarb er von Verwandten seiner Frau ein großes Haus in der Mengstraße 4. Im Frühjahr 1842 wurde es zum Firmensitz und zur Familienresidenz. Johann Siegmund starb 1863 an Lungentuberkulose.
Der älteste Sohn aus der zweiten Ehe, Thomas Johann Heinrich, Rufname Heinrich, wurde 1840 geboren und begann 1855 eine Lehre in der väterlichen Firma. Eine lange Schulausbildung war niemandem in der Familie vergönnt. Die erwünschte Lehrzeit im Ausland verbrachte er 1859 in Amsterdam.“

 

 
Manfred Flügge (Kolding, 3 maart 1946)

Lees meer...

02-03-14

Berliner Fasching (Kurt Tucholsky)

 

Bij Carnaval

 

 
Carnevalsbal door Pierre Bergaigne (1652 – 1708)

 

 

Berliner Fasching

Nun spuckt sich der Berliner in die Hände
und macht sich an das Werk der Fröhlichkeit.
Er schuftet sich von Anfang bis zu Ende
durch diese Faschingszeit.

Da hört man plötzlich von den höchsten Stufen
der eleganten Weltgesellschaft längs
der Spree und den Kanälen lockend rufen:
"Rin in die Eskarpins!"

Und diese Laune, diese Grazie, weißte,
die hat natürlich alle angesteckt;
die Hand, die tagshindurch Satin verschleißte,
winkt ganz leschehr nach Sekt.

Die Dame faschingt so auf ihre Weise:
gibt man ihr einmal schon im Jahr Lizenz,
dann knutscht sie sich in streng geschlossnem Kreise,
fern jeder Konkurrenz.

Und auch der Mittelstand fühlts im Gemüte:
er macht den Bockbierfaßhahn nicht mehr zu,
umspannt das Haupt mit einer bunten Tüte
und rufet froh: "Juhu!"

Ja, selbst der Weise schätzt nicht nur die hehre
Philosophie: auch er bedarf des Weins!
Leicht angefüllt geht er bei seine Claire,
Berlin radaut, er lächelt ...
Jeder seins.

 

 
Kurt Tucholsky (9 januari 1890 - 21 december 1935)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 2e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

17:58 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: carnaval, kurt tucholsky, romenu |  Facebook |

Godfried Bomans, Multatuli, Thom Wolfe, John Irving, Michael Salinger

 

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Erik of Het klein insectenboek

“De kleine Erik lag, juist op het ogenblik dat dit boekje begint, in het oude bed van grootmoeder Pinksterblom met den troonhemel en -de zijden kwasten, en keek over den rand van het blanke laken de schemerige kamer in.
Het was het uur waarop de kleine mensen naar bed gaan, het uur waar de grote mensen niet van weten: alle vertrouwde dingen van den muur vervagen zoetjes aan in het groeiende duister, en de wereld wordt stil, zo stil dat zij zelfs niet meer ademt... Buiten stapt nog iemand voorbij: stap, stap, zo klinkt het, en in de verte roept een jongetje hoog en fijn naar een ander jongetje. Zijn stem klinkt in den avond en je denkt- daar is toch een jongetje op de wereld dat nog niet in bed ligt...
Erik lag stil te.kijken naar het raam in de verte en naar de schemerende portretten van den muur. "Het is net," dacht hij, "of er iets gebeuren gaat. En misschien gaat er ook wel iets gebeuren?" En hij besloot om nu eens niet, gelijk op andere avonden. in slaap te vallen, maar goed op te letten of er misschien , @iets gebeuren ging". Nu was daar een goed middel voor. Want onder zijn hoofdkussen lag een boekje, "Solrns' Beknopte Natuurlijke Historie" geheten, en Erik moest daar voor morgen alle insecten uit kennen. Hij had er dezen helen Woensdagmiddag uit zitten leren en was tot aan de meikevers gekomen. Morgenochtend, onder het speelkwartier, zou hij de meikevers er bij nemen.
"Laat eens kijken," mompelde Erik, "hoeveel poten heeft een wesp ook al weer? Zes. De ogen zijn apart verstelbaar e 'n staan voor in den kop. Mooi. Zij leven niet in korven, gelijk de bijen, maar - ja, waar leven zij dan? Zij zullen apart leven, denk ik Nu, dat doet er ook niet toe. Zij behoren tot de familie der vliesvleugeligen en hebben geknikte sprieten.
En hoe staat het met de vlinders? De vlinder verbaast den aandachtigen natuurliefhebber door haar fraaie kleurenpracht. (Erik zei dezen zin twee keer, zo mooi vond hij hem.) Wij kunnen hen rekenen onder de zogenaamde nuttige insecten, maar de kinderen die zij krijgen - welke rupsen worden genoemd - kunnen zeer schadelijk zijn.”

 

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 - 22 december 1971)
Hier eind jaren 1960 op de basisschool die hij zelf bezocht

Lees meer...

János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Pascal Rannou, Gerhard von Halem

 

De Hongaarse dichter János Arany werd geboren op 2 maart 1817 in Nagyszalonta. Zie ook alle tags voor János Arany op dit blog.

 

Uit: Toldi (Fragment)

But no, he does not care how it sifts the road
from end to end - through a tower of dust erected
by the wind, proud weapons glitter, proud troops
ascend. A cloud of sighs rises from his heart like
those hazy troops. And bending forward, he stares
and stares as though heart and soul were fixed
in his eyes.

'Neat Hungarian cavaliers, shining knights! How beat
and bitter am I to see you. Where are you bound? How
far? Into battle? To gather flowers for a wreath of
glory? Are you riding against Tatars, Turks? To bid
them good night forever? Ah, if I too, I too were
only riding. Neat Hungarian cavaliers, shining knights!'

These were the thoughts that furrowed into Miklós
Toldi's soul. His head churned, and his heart was
wrung with sadness because he too was the son of a
knight. György, his false brother, was reared as
a companion of the royal heir. He lives it up in
the royal court while Miklós mows and rakes with
the hired hands.

Here they come, the mounted men of the Palatine
Laczfi, and at the head of his proud troops Endre
Laczfi himself. He sits with martial bearing on
his fallow horse, braids of gold on his robe. In
his train dashing young men ride in fancy saddles
on stamping stallions. Miklós stares and stares,
not knowing his eyes are sore for staring so hard.

 

 
János Arany (2 maart 1817 – 22 oktober 1882)
Portret door Barabás Miklós, 1856

Lees meer...

01-03-14

Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

21 november 1981

Je liep daar naast mij in je gouden jack.
Ik liep je nog te leren kennen,
jij moest nog aan de oorlog wennen
die ik nog niet had afgelegd.
Wij gingen tegendraads de mensen tegemoet
die als een kalme waterval
vanaf de hoge bruggen kwamen.
Het was de allereerste stoet
die ik ooit zag waarin de namen
van allen waren uitgewist
en waarin elk gezicht
toch toebehoren bleef
aan wie daar samen waren.

Geen leus kwam uit de vele monden,
alleen ging keer op keer de donder,
de zachte donder van de vrede door
de gelederen die niet marcheerden.

Wij gingen stroomopwaarts over de Rozengracht,
legden soms aan en dronken om de naam
likeuren die op andre dagen
te zoet zijn zouden voor een keel
die meer op rauw geweld
was ingesteld, maar die nu mede
te fluisteren begon, wat
allengs aanzwol tot de donder,
de zachte donder van de vrede.

Jij stond daar naast me in je gouden jack.
Het oproer bleef uitbundig stromen.
Ik heb mijn ransel afgenomen
en achteloos opzijgelegd.

 

 

De omgekeerde zuilen van Venasque

Na lange wandeling over cols, door ravijnen
dronken wij op het dorpsplein de wijn
met volle teugen, als was dit het water
door de waard uit de ronde fontein
in het midden gehaald.

Ik behoorde nog tot de gelukzaligen
die zich laven en het er dan bij laten.
In het uit de rotsen gehouwen kerkje
zagen wij toen antieke zuilen
ondersteboven geplaatst:

kapiteel op de grond, voet tegen 't plafond.
Wisten die christenen veel van de Ouden -
en zouden wij zelf ook niet zo willen leven:
omgekeerd, achterstevoren, andersom
als het kon?

 

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
Cover

Lees meer...

Robert Lowell, Jacques Chessex, Ryūnosuke Akutagawa, Sabina Lorenz, Richard Wilbur Ralph Ellison

 

De Amerikaanse dichter Robert Traill Spence Lowell werd geboren op 1 maart 1917 in Boston. Zie ook alle tags voor Robert Lowell op dit blog.

 

The Ruins Of Time

(Quevedo, Mire los muros de la partia mia and
Buscas en Roma a Roma, (!)O peregrino!)

I

I saw the musty shingles of my house,
raw wood and fixed once, now a wash of moss
eroded by the ruin of age
furning all fair and green things into waste.
I climbed the pasture. I saw the dim sun drink
the ice just thawing from the boldered fallow,
woods crowd the foothills, sieze last summer's field,
and higher up, the sickly cattle bellow.
I went into my house. I saw how dust
and ravel had devoured its furnishing;
even my cane was withered and more bent,
even my sword was coffined up in rust—
there was no hilt left for the hand to try.
Everything ached, and told me I must die.

 

II

You search in Rome for Rome? O Traveller!
in Rome itself, there is no room for Rome,
the Aventine is its own mound and tomb,
only a corpse recieves the worshipper.
And where the Capitol once crowned the forum,
are medals ruined by the hands of time;
they show how more was lost by chance and time
the Hannibal or Ceasar could consume.
The Tiber flows still, but its waste laments
a city that has fallen in its grave—
each wave's a woman beating at her breast.
O Rome! Form all you palms, dominion, bronze
and beauty, what was firm has fled. What once
was fugitive maintains its permenance.

 

 
Robert Lowell (1 maart 1917 - 12 September 1977)
Cover

Lees meer...

Jean-Edern Hallier, Steven Barnes, Mercedes de Acosta, Marcel Cabon, William Dean Howells

 

De Franse schrijver Jean-Edern Hallier werd geboren op 1 maart 1936 in Saint-Germain-en-Laye. Zie ook alle tags voor Jean-Edern Hallier op dit blog.

Uit: Carnets Impudiques

«… Sans les femmes, je ne serais rien. Je suis rassuré de l’entendre. - Jean-Edern, viens, viens… Je suis venu, et en me redressant, je suis allé me regarder dans la glace du cabinet de toilette, les cheveux hirsutes, le poil dru sur le menton, entre des plaques espacées de peau douce, qui sont toujours restées imberbes depuis mes blessures d’enfance, lors du siège de Budapest, en 1945. J’ai les paupières lourdes, les cernes sous les yeux, rimmelisé d’épuisement, acteur et unique spectateur de mon théâtre intime, je deviens à la fois Auguste le clown, et Auguste l’empereur, dont Suétone racontait qu’au dernier jour de sa vie, réclamant un miroir, il demandait à ses proches « s’il avait bien joué jusqu’au bout la farce de sa vie ».
(…)

"Je lui passe le volant à 150, 180, 190, elle appuie sur l’accélérateur.
- Et si nous avions un accident d’amour ? me dit-elle.
- Quand tu veux, mais après une dernière nuit... Pensais-je, sans lui dire, en la contemplant de profil. Elle était presque redevenue belle : pas encore assez nue sous sa robe, peut-etre. Ca ne m’empechait pas de la regarder exprès dans les virages, à son grand désespoir, pour voir si elle était mieux que la mort."

 

 
Jean-Edern Hallier (1 maart 1936 – 12 januari 1997)

Lees meer...

In Memoriam Hugo Brandt Corstius

 

In Memoriam Hugo Brandt Corstius

 

De Nederlandse schrijver en taalwetenschapper Hugo Brandt Corstius is gisteren op 78-jarige leeftijd overleden. Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Bekend werd hij ook onder de pseudoniemen Piet Grijs, Stoker, Raoul Chapkis en Battus. Zie ook alle tags voor Hugo Brandt Corstius op dit blog.

Uit: Nieuwe Missiereizen van Pater Key (als Raoul Chapkis)

“Hij verlaat het strand en neemt de bus naar de hoofdstad. Daar komt hij langs het huis van de kantonrechter en hoort de vrouw van de kantonrechter naar beneden roepen:
‘Liefje, kom je slapen?’. ‘Nee, vrouw ik moet nog wat stukken doornemen, ik heb er maar twee weken de tijd voor, en er is heel wat aan door te nemen’ is het harteloze antwoord. Voor hem op tafel ligt een ets van de heer A. Veldhoen waarop een fragment van een coïtus is afgebeeld. De kantonrechter neemt dit stuk aandachtig door. Zijn vrouw boven bijt in het kussen. Key loopt mistroostig door. Deze reis is het al te gek. Hij heeft veel meegemaakt. Een dag sudderen in een kookpot waar de inboorlingen vergeten hebben zout in te doen, Het gezelschap van de doorzichtige uitwerpselen der Worstelbormen. Het treiteren van brandnetels en viooltjes. Alles had hij verdragen. Maar deze toestanden werkten hem op de zenuwen. Gezonde volwassen mensen die zich door kledings- en gerechtelijke stukken laten weerhouden van hun natuurlijke functies, het vervult Key met weerzin.
Ten einde raad neemt hij de trein naar 's-Hertogenbosch en belt aan bij monseigneur Bekkers, de bisschop die al zoveel priesters uit hun gewetensnood heeft verlost, dat het niet onwaarschijnlijk is dat hij een zoon is van God, door Hem in de gedaante van een priester naar de aarde gezonden om de priesters te verlossen. Key vertelt Bekkers de laatste negen hoofdstukken. Ze gaan samen naar de televisiestudio van de K.R.O. en hier houdt monseigneur Bekkers een opzienbarende toespraak. ‘Gelovigen’ zegt hij ‘uw grote nood is mij ter ore gekomen. Ik heb goed nieuws voor u: van nu af aan kunt u er mee ophouden. Ik hou er zelf ook mee op. Niet alleen de Jezuieten laat ik vrij, allemaal wordt u losgelaten. Laat de kruisbeelden maar hangen, anders komt er zo'n lelijke plek op het behang, maar denk er verder niet meer aan. Het is mooi geweest. U bent van alles af.’ Pater Key mag met vacantie naar Tristan da Cunha. Maar dat hoort thuis in het volgende hoofdstuk.”

 

 
Hugo Brandt Corstius (29 augustus 1935 – 28 februari 2014)