06-02-14

Thomas von Steinaecker, Dermot Bolger, Felix Mitterer, Heinz Kahlau, Annelies Verbeke, Pramoedya Ananta Toer, John Henry Mackay

 

De Duitse schrijver en journalist Thomas von Steinaecker werd geboren op 6 februari 1977 in Traunstein. Zie ook alle tags voor Thomas von Steinaecker op dit blog.

Uit: Das Jahr, in dem ich aufhörte, mir Sorgen zu machen, und anfing zu träumen

„Es war mir, als könnte ich ihren Schmerz spüren, der in mir, ohne dass ich es kontrollieren konnte, die Erinnerung daran auslöste, wie ich selbst vor wenigen Monaten, im Juli, nur ein paar Kilometer entfernt, in einer kleinen Aussegnungshalle gestanden hatte. Doch dann steuerten die vermeintlich Trauernden nicht auf die Kapelle zu, sondern auf das Business-Towers-Areal einige Straßen weiter. Sie waren auf dem Weg zur Arbeit wie ich.
Alle vier Sekunden geschieht in Deutschland ein Unfall. Über 39 % aller Knochenbrüche in den westeuropäischen Ländern ereignen sich bei Neuschnee. Angesichts der Größe der Gruppe standen die Chancen somit nicht schlecht für ein plötzliches Ausgleiten, eine unsanfte
Landung, eine kostspielige Fraktur. Und wenn es hier keinen traf, dann jemanden in der Nähe, genau jetzt, mit Sicherheit. Es würde passieren. Es passierte.
Düster und trutzig erhoben sich über den Dächern der Flachbauten und den Baumwipfeln die HighLight-Towers mit ihren 33 und 28 Geschossen, meine künftige Arbeitsstätte, in der bereits mehr Fenster erhellt waren, als ich erwartet hatte. Glücklicherweise hatte man mich zuvor genauestens informiert, wie man von der U-Bahnstation zum Areal gelangte, über Fußgängerbrücken, durch Wohnblöcke und Unterführungen unter der Autobahn hindurch, ansonsten wäre ich an diesem Morgen verloren gewesen und am Mittleren Ring entlang- geirrt, immer das Ziel, die Türme vor Augen, ohne Aussicht, sie je zu erreichen.
Die Büros der CAVERE-Abteilung München-Nord waren im 14. Stockwerk des Ostturmes untergebracht, jene der Zentrale in den 19 Etagen darüber. Während ich das Klingelschild drückte und die beiden Türen mit einem Summen von selbst aufschwangen, las ich fast ausnahmslos die Namen von Vermögens- und Steuerberatern, Anwaltskanzleien und Werbefirmen. Das war die Gesellschaft, der sich CAVERE zugehörig fühlte. So war es in Frankfurt gewesen, so war es auch hier. You think big? We too.“

 

 
Thomas von Steinaecker (Traunstein, 6 februari 1977)

Lees meer...

Mieke van Zonneveld wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

 

De Nederlandse dichteres Mieke van Zonneveld is de winnaar van de vijfde editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, het grootste poëzieconcours van Nederland. In de Zuiderkerk in Amsterdam kreeg zij de hoofdprijs van 10.000 euro voor haar gedicht 'Nee'. De Turing Nationale Gedichtenwedstrijd is de poëzieprijs met de grootste geldprijs ter wereld voor één gedicht. Zie ook alle tags voor Mieke van Zonneveld op dit blog.

 

Nee

Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand
die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben
niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je
vies geworden, overal ligt zand. Ik werd ellendig
wakker. Op al mijn wegen nooit één teken maar
in dromen worden ze bij menigtes gegeven.
Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en
zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel
de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug
verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te
temmen, het joeg mij op, beloofde mij een weelderig
bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het
kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het
te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me
uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede
geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld
nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar
tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij
nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

 

 
Mieke van Zonneveld (Hilversum, 5 april 1989)
Mieke wordt toegesproken door John Jansen van Galen, links jurylid David Troch

Anne Spencer

 

De Amerikaanse dichteres Anne Spencer werd geboren op 6 februari 1882 in Henry County, Virginia als het enige kind van Joel Cephus Bannister en Sarah Louise Scales. Haar ouders scheidden, terwijl Annie nog heel jong was en zij verhuisde met haar moeder naar West Virginia, waar ze onder de hoede van William T. Dixie, een prominent lid van de zwarte gemeenschap, werd geplaatst. Sarah merkte snel de capaciteiten van haar dochter op en stuurde haar naar het Virginia Seminary, waar zij afstudeerde in 1899. Ook in dit jaar ontmoette ze haar man, Charles Edward Spencer, met wie zij trouwde in 1901.De beroemde Harlem Renaissance dichter James Weldon Johnson hielp Annie's talent te ontwikkelen als dichteres en gaf haar ook het pseudoniem van Anne Spencer. Van 1903 tot haar dood in 1975 woonde en werkte Spencer in een huis op 1313 Pierce Straat in Lynchburg. The Harlem Renaissance maakte het haar mogelijk om mensen zoals zij zelf te ontmoeten. Zo ontving zij o.a. Langston Hughes, Marian Anderson, George Washington Carver, Thurgood Marshall, Dr Martin Luther King Jr, James Weldon Johnson en W.E.B. Du Bois bij haar thuis. Spencer was de eerste vrouw uit Virginia en de eerste Afro-Amerikaanse dichteres waarvan gedichten werden opgenomen in de Norton Anthology of American Poetry. Zij was ook een activiste voor gelijkheid en educatieve kansen voor iedereen, in de New Negro Movement.

 

White Things

Most things are colorful things-
-the sky, earth, and sea.
Black men are most men;
but the white are free!
White things are rare things;
so rare, so rare
They stole from out a silvered
world--somewhere.

Finding earth-plains fair plains,
save greenly grassed,
They strewed white feathers of
cowardice, as they passed;

The golden stars with lances fine,
The hills all red and darkened pine,
They blanched with their want of power;
And turned the blood in a ruby rose
To a poor white poppy-flower.

They pyred a race of black, black men,
And burned them to ashes white; then,
Laughing, a young one claimed a skull,
For the skull of a black is white, not dull,
But a glistening awful thing

Made, it seems, for this ghoul to swing
In the face of God with all his might,
And swear by the hell that sired him:
"Man-maker, make white!"

 

 

Lady, Lady…

Lady, Lady, I saw your face,
Dark as night withholding a star . . .
The chisel fell, or it might have been
You had borne so long the yoke of men.
Lady, Lady, I saw your hands,
Twisted, awry, like crumpled roots,
Bleached poor white in a sudsy tub,
Wrinkled and drawn from your rub-a-dub.

Lady, Lady, I saw your heart,
And altered there in its darksome place
Were the tongues of flames the ancients knew,
Where the good God sits to spangle through.

 

 

 
Anne Spencer (6 februari 1882 - 27 juli 1975)

15:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: anne spencer, romenu |  Facebook |

05-02-14

Geert Buelens, William S. Burroughs, Joris-Karl Huysmans, Terézia Mora, Philip Weiss, Rikkert Zuiderveld, Luc Indestege

 

De Vlaamse dichter, essayist en columnist Geert Buelens werd geboren in Duffel op 5 februari 1971. Zie ook alle tags voor Geert Buelens op dit blog.

 

i.m. dfw

ik ben hier
hier
in een steelse pan die doldraait
en zich afvraagt
afvraagt afvraagt afvraagt
wat als en of en
want
echt
zou het zo verder kunnen
wanneer je geest openklapt
als hapering
als
mozaïekverwantschap
en
komaan zeg, dat kun je toch niet
menen
zo zit je in elkaar
er niet intrappen
dat is je natuurlijke setting
niet?
de dingen altijd anders zien
open houden
pijnbestrijding inzetten
als kennisverwerving
kennisverwerking begrijpen als
pijnbestrijding
niet alles is een taalspel
want alles is
maar niet alles is groen
he
niet alles
is
alsof het ontstond om opgeschreven
te worden

 

 
Geert Buelens (Duffel, 5 februari 1971)

Lees meer...

Ruth Lasters

 

De Vlaamse dichteres en schrijfster Ruth Lasters werd geboren in Antwerpen op 5 februari 1979. Lasters studeerde in Brussel en volgde lessen aan de SchrijversAcademie. Later woonde zij enige tijd in Madrid en in Gent, om zich daarna weer in haar geboortestad Antwerpen te vestigen. Naast haar literaire werk is zij actief als docente Frans. Zij publiceerde gedichten en columns in onder meer Lava, Deus ex Machina, Revolver, En er is, Krakatau, NRC Handelsblad, Het Liegend Konijn en in de bloemlezing 21 dichters voor de 21ste eeuw. Haar debuutroman “Poolijs” verscheen in 2006. Voor deze roman ontving Lasters de Vlaamse Debuutprijs. In 2007 verscheen de dichtbundel “Vouwplannen”. Deze bundel werd in 2009 bekroond met de Debuutprijs Het Liegend Konijn (wat met zich meebrengt dat de bundel wordt vertaald in het Engels, Frans en Duits, en één gedicht in alle 23 officiële talen van de Europese Unie} en genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs 2008. In oktober 2010 verscheen haar tweede roman ”Feestelijk Zweet”. Eind november 2013 verscheen in de Wablieftreeks, "De Laatste Straatmuzikant".

 

Maïs

Soms richt ik mijn ontgoochelingen af als logge,
dolle honden. In hoge maïsvelden liefst,

zoveel geritsel dat je desillusies er wel uit je hoofd
lijken te lopen, voor je uit. Ik roep ze op in al hun pijnlijke
details (Breng terug! Rechtop!) en laat ze daarna

Los! Af! Liggen!, waarna ik me uitstrek tussen stengels,
afgebroken kolven, me afvragend welke gedachten ik
in plaats van die teleurstellingen indien

alles me steeds voor de wind gegaan was: mogelijk
geen. Benauwend toch! Alsof je kamers uit je
ouderlijke huis wegdacht, je ontelbaar-vaak-er-

volstrekt-zomaar-binnen-zijn-gegaan
incluis

 

 

Kersen

Kersen leggen op de kersen in een plastic tafelkleed:
een gesorteerde werkelijkheid
als lokaas voor

jij die alles enkel door elkaar verdraagt: kersenmar-
melade, ruggengraat als pitten uitgespuwd toevallig
in een rij op de aanrecht, krieken tussen de kersen

vertrekken je mond als ongesproken
Woorden moeten niet later iets willen worden. Niemand
vraagt het woord tafel wat wil je later - een tafel in allicht
een gedicht met jou er wijdbeens op of een werkelijke

lege tafel

 

 

 
Ruth Lasters (Antwerpen, 5 februari 1979)

Lees meer...

19:25 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ruth lasters, romenu |  Facebook |

Clara Müller-Jahnke

 

De Duitse dichteres, journaliste en activiste voor vrouwenrechten Clara Müller-Jahnke werd geboren op 5 februari 1860 in Lenzen. Clara was de dochter van de protestantse dominee Wilhelm Müller. Deze onderwees zijn dochter zelf in Latijn en Grieks, maar hij stierf al in 1873. Na zijn dood kwamen moeder en dochter in financiële problemen. Eerst trokken moeder, Clara en haar jongere zus van Lenzen naarBelgard. Later ging Clara naar Berlijn en in 1877 deed zij eindexamen aan een handelsschool. Ze werkte als boekhoudster bij een behangfabriek in Berlijn. Zij verliet het bedrijf toen haar baas meer van zijn kleine 'blanke slavin" eiste dan het bijhouden van de boeken. Maar ook om gezondheidsredenen (ernstige anemie) moest zij Berlijn verlaten. Ze keerde terug naar haar moeder in Belgard. In 1884 verhuisde Clara Müller naar Kolberg, waar ze werkte als basisschoollerares .Vanaf 1889 werkte ze als journaliste. Ze was redacteur van de krant voor Pommeren en schreef ook voor de Breslauer Monatsblätter, de Monatsschrift für neue Litteratur und Kunst als ook voor het sociaaldemocratische satirische blad Der wahre Jakob. In de sociaal-democratische tijdschriften Neue Welt en Gleichheit publiceerde zij haar eerste maatschappijkritische gedichten. In 1899 verscheen haar eerste dichtbundel “Mit roten Kressen“. De activiste voor vrouwenrechten Clara Zetkin schonk vervolgens aandacht aan haar werk in meerdere afleveringen van het tijdschrift "Gleichheit.” Haar bespreking was een ware lofzang. In 1901 werd de bundel “Sturmlieder vom Meer“ gedrukt. Als gevolg van een erfenis kon ze sinds 1900 leven als freelance schrijfster. In december 1899 overleed haar moeder. Voortaan kon Clara Müller reizen. In Italië ontmoette zij de schilder Oskar Orient Jahnke. In 1902 trouwde zij met hem op Capri. Oskar Jahnke werkte ook in Berlijn, onder andere als architect voor het stadsdeelkantoor Zehlendorf. In 1904 verscheen Clara Müller-Jahnkes autobiografische proza ​​„Ich bekenne“. Clara Müller-Jahnke overleed op 4 november 1905 aan een griep. Oskar Jahnke schiep voor zijn vrouw op een helling van de protestantse begraafplaats Wilhelmshagen uit een rotsblok van tien ton een indrukwekkende tombe. Deze kan nog steeds worden bezichtigd.

 

Das alte Lied

Da klingt im Wind das alte Lied
voll Seufzer und voll Tränen -
durch meine müde Seele zieht
ein namenloses Sehnen;
es ist, als ging ich ganz allein
auf schneeverwehter Halde
und träumt vom goldnen Sonnenschein,
dem ersten Grün im Walde.

Du wonnesel'ge Jugendzeit,
heut laß mich dein gedenken,
in deine Tiefen all das Leid
des grauen Jetzt versenken, -
daß wie ein Blumenkelch betaut
mein Aug' noch einmal strahle;
du lockst so süß wie Glockenlaut
in meinem Heimattale.

So sei gegrüßt, mein Morgenstern,
um den die Nebel weben!
Du warst ein Traumbild, licht und fern,
doch wert ein ganzes Leben!
und ob ich abgrundtief in Pein,
in Schuld und Weh versänke:
Ich kann nicht ganz verloren sein,
so lang ich dein gedenke.

 

 

Auf meinen Lippen brennt dein Kuß

Auf meinen Lippen brennt dein Kuß,
er brennt wie Feuer und Sünde,
er brennt wie himmlischer Hochgenuß
und macht mich zum schwachen Kinde.

Viel wilde Rosen erblühn und glühn
und glühn und verwelken am Hage -
und der Wald ist duftig, der Wald ist grün
am leuchtenden Julitage .....

Vom Meer herauf die Sonne grüßt,
Tautropfen am Riedgras beben: - -
wir haben uns kaum Willkommen geküßt
und sollen uns Abschied geben!

Und gehen sollst du, geliebter Mann,
mit all' dem zitternden Bangen,
mit der ungelöschten Glut hindann -
und durften uns kaum umfangen.

Wie lange währt es, so schwillt der Wein,
Im Felde die Sicheln klingen;
all', was da blühte im Sonnenschein,
wird reifen und Früchte bringen.

Die Luft wird kühl, und das Laub verdorrt,
Schnee liegt auf Hängen und Hagen .....
wir aber werden von Ort zu Ort
die zehrenden Gluten tragen.

 

 
Clara Müller - Jahnke (5 februari 1860 - 4 november 1905)

19:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: clara müller-jahnke, romenu |  Facebook |

04-02-14

Stewart O'Nan, Louis Ferron, Robert Coover, Werner Schwab, E. J. Pratt, Norman Ohler, Alfred Andersch, Grigore Vieru

 

De Amerikaanse schrijver Stewart O'Nan werd geboren op 4 februari 1961 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Stewart O’Nan op dit blog.

Uit: The Odds: A Love Story

“The final weekend of their marriage, hounded by insolvency, indecision, and, stupidly, half secretly, in the never-distant past ruled by memory, infidelity, Art and Marion Fowler fled the country. North, to Canada. "Like the slaves," Marion told her sister Celia. They would spend their last days and nights as man and wife as they'd spent the first, nearly thirty years ago, in Niagara Falls, as if, across the border, by that fabled and overwrought cauldron of new beginnings, away from any domestic, everyday claims, they might find each other again. Or at least Art hoped so. Marion was just hoping to endure it with some grace and get back home so she could start dealing with the paperwork required to become, for the first time in her life, a single-filing taxpayer.
They told their daughter Emma they were taking a second honeymoon.
"Plus they're doing another open house here, so ... " Marion, on the other line, qualified.
They weren't good liars, they were just afraid of the truth and what it might say about them. They were middle-class, prey to the tyranny of appearances and what they could afford, or dare, which was part of their problem. They were too settled and practical for what they were doing, uncomfortable with desperate measures. They could barely discuss the plan between themselves, as if, exposed to light and air, it might evaporate.
With Jeremy, it was enough to say they wanted to see the new casino, a Frank Gehry knockoff featured on the covers of Sunday travel sections and in-flight magazines. He was impressed with the rate they'd gotten. Art had dug around online to find a bargain.
"Your father the high roller," Marion joked.
The Valentine's Getaway Special, it was called: $249, inclusive of meals and a stake of fifty Lucky Bucks toward table games.”

 

 
Stewart O'Nan (Pittsburgh, 4 februari 1961)

Lees meer...

03-02-14

Georg Trakl, Paul Auster, Henning Mankell, Richard Yates, Gertrude Stein, Michael Scharang, Ferdinand Schmatz

 

De Oostenrijkse dichter Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in Salzburg geboren. Zie ook alle tags voor Georg Trakl op dit blog. Georg Trakl stierf op 4 november 1914. Daarom is dit jaar een Trakl jaar.

 

Kindheit

Voll Früchten der Hollunder; ruhig wohnte die Kindheit
In blauer Höhle. Über vergangenen Pfad,
Wo nun bräunlich das wilde Gras saust,
Sinnt das stille Geäst; das Rauschen des Laubs

Ein gleiches, wenn das blaue Wasser im Felsen tönt.
Sanft ist der Amsel Klage. Ein Hirt
Folgt sprachlos der Sonne, die vom herbstlichen Hügel rollt.

Ein blauer Augenblick ist nur mehr Seele.
Am Waldsaum zeigt sich ein scheues Wild und friedlich
Ruhn im Grund die alten Glocken und finsteren Weiler.

Frömmer kennst du den Sinn der dunklen Jahre,
Kühle und Herbst in einsamen Zimmern;
Und in heiliger Bläue läuten leuchtende Schritte fort.

Leise klirrt ein offenes Fenster; zu Tränen
Rührt der Anblick des verfallenen Friedhofs am Hügel,
Erinnerung an erzählte Legenden; doch manchmal erhellt sich die Seele,
Wenn sie frohe Menschen denkt, dunkelgoldene Frühlingstage.

 

 

An Novalis

In dunkler Erde ruht der heilige Fremdling.
Es nahm von sanftem Munde ihm die Klage der Gott,
Da er in seiner Blüte hinsank.
Eine blaue Blume
Fortlebt sein Lied im nächtlichen Haus der Schmerzen.

 

 

Zang van de afgezonderde
Aan Karl Borromaeus Heinrich

Vol harmonieën is de vlucht der vogels. De groene bossen hebben zich
's Avonds in stillere hutten verzameld;
De kristallen weiden van het ree. Iets donkers kalmeert het gekabbel van de beek, de vochtige schaduwen

En de bloemen van de zomer, welluidend in de wind.
Reeds schemert het voorhoofd van de peinzende mens.

En er schijnt een lampje, het goede, in zijn hart
En de vrede van het maal; want geheiligd is brood en wijn
Door Gods handen, en uit nachtelijke ogen kijkt
De broeder jou stil aan, opdat hij uitrust van doornige reizen.
O het wonen in de bezielde blauwte van de nacht.

Liefhebbend omgeeft het zwijgen in de kamer ook de schimmen der ouden,
De purperen martelingen, klacht van een groot geslacht,
Dat vroom nu uitsterft in de eenzame nakomeling.

Want stralender steeds ontwaakt uit zwarte minuten van waanzin
De verdraagzame bij versteende drempel
En hem omvatten geweldig de koele blauwte en het lichtende eind van de herfst,

Het stille huis en de sagen van het bos,
Norm en wet en de maanachtige paden van de afgezonderden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

 
Georg Trakl (3 februari 1887 – 4 november 1914)
Borstbeeld door Hans Pacher voor het Trakl-Haus in Salzburg

Lees meer...

Ludwig August Frankl-Hochwart

De Oostenrijkse dichter, schrijver, journalist en arts Ludwig August Frankl (sinds 1876), Ridder von Hochwart, werd geboren op 3 februari 1810 Chrast. Hij bezocht het Piaristengymnasium in Praag, het Piaristen College in Leitomischl en studeerde vanaf 1828 geneeskunde in Wenen, sinds de dood van zijn vader worstelend met geldgebrek. Door zijn “Habsburglied” (1832) en een aantal historische balladen kwam hij terecht in de kringen van Weense schrijvers en werd als schrijver erkend door zijn “Episch-lyrische Dichtungen”, de “Sagen aus dem Morgenland” en het romantische epos “Christoforo Colombo”. Na terugkomst van een reis naar Italië, waar hij in 1837 aan de Universiteit van Padua als doctor in de geneeskunde promoveerde, begon hij een medische praktijk in Wenen en werd hij in 1838 secretaris van de Israelitische Kultusgemeinde in die plaats. Hij nam in 1841 de redactie van het Österreichische Morgenblatt op zich, gaf een nieuwe bundel “Dichtungen” uit (1840) en publiceerde in 1842 het bijbels-romantische gedicht “Rachel”. Ook richtte hij het wekelijkse zondagsblad “Sonntagsblätter” op. Sinds 1851 was hij directeur van de Wiener Musikverein en hoogleraar esthetica aan de Universiteit van Wenen. Daarnaast was hij oprichter van het instituut voor blinden Hohe Warte in Wenen en verder o.a. voorzitter van het Schillergenootschap. Zijn gedicht “Die Universität”, ontstaan aan het begin van de revolutie van maart 1848, was een sensatie als het eerste censuurvrije pamflet en werd in meer dan een miljoen exemplaren verspreid en door tal van componisten op muziek gezet. In 1856 reisde Ludwig August Frankl naar Jeruzalem.
Ter gelegenheid van de onthulling het Schiller-monument op Schillerplatz op 10 November 1876, waarvoor hij het iniatief genomen had, werd aan Frankl de titel "Ridder von Hochwart" verleend en werd hij als erkenning voor het in het leven roepen van het instituut voor blinden in de Oostenrijkse adelstand verheven.

 

An die Uhr

Alles um mich her ist stille,
Niemand außer dir und mir;
Ewig wallst du, doch dein Wille
Hält und treibt doch nicht von hier.

Oft in sel'gen Menschenstunden
Überhört' ich deinen Schlag;
Doch ich hab' ihn tief empfunden
An des Unglücks langem Tag.

Du ziehst Stunden, Tage, Wochen,
Fühlst nicht mit die Lust, das Leid,
Mag das Herz in Qualen pochen,
Oder glühn in Seligkeit.

Wer kann deinen Zug verrathen?
Du verstehst dich selber nie,
Du verkündest alle Thaten
Und, gescheh'n, begräbst du sie.

 

 

Abendglocke

Die Nacht schaut finster durch die Luft,
Am finstern Rand des Waldes steigt
Der Herbstesnebel feuchter Duft,
Zu sinnen scheint die Welt und schweigt.

Ich fühle mich so einsam bang,
Da plötzlich aus dem Thale weht
Zu mir herauf ein Glockenklang,
Des Thales frommes Nachtgebet.

Ich halte still und horche zu,
Auf meinen Stab gelehnt, dem Ton,
Mich überkommt so süße Ruh,
Als wär's die Sterbeglocke schon.

Wie wir's, weil du bereit, mein Herz,
Wir hielten mit dem Wandern ein —
Ein Tropfen Lust, ein Weltmeer Schmerz,
Du kennst ja das! harrt wieder dein.

 

 

 
Ludwig August Frankl-Hochwart(3 februari 1810 – 12 maart 1894)
Lithographie door Johann Stadler, 1859

02-02-14

Am Feste Mariä Lichtmeß (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Bij Maria Lichtmis

 


Maria Lichtmis door Giovanni Bellini, 1460 - 1464

 

 

Am Feste Mariä Lichtmeß

Durch die Gassen geht Maria,
In dem Arm den Sohn, den lieben,
Hält ihn fest und hält ihn linde,
Und ihr Auge schaut auf ihn.
Wie die Englein ihn gesungen,
Ihn die Hirten angebetet,
Huldigten die grauen Weisen,
Läßt sie still vorüber ziehn.

Aber Joseph ihr zur Seiten
Ist in Sorgfalt ganz befangen;
Prüfend frägt er alle Steine,
Ob ihr Fuß zu kühn sich wagt;
Weiß nicht, was er wird erleben,
Aber wunderbare Dinge
Haben aus des Kindleins Augen
Sich ihm heimlich angesagt.

O Maria, Mutter Christi!
Soll ich denn zu dir mich wagen
Mit dem schuldgepreßten Herzen,
Mit dem trüben Sünderblick! -
Die du hast gleich mir gewandelt,
Hast gesiegt, wo ich gesunken,
Weh, vor deiner lichten Krone
Bebt mein scheues Fleh'n zurück.

Doch du neigst dein liebes Kindlein
Und es reicht die linden Hände.
O mein lieber Herr und Richter
Bist du mein Erlöser nur?
Ach, wie hab' ich mich gefürchtet,
Und nun bist du lauter Liebe!
Alle harten Worte schweigen
Und dahin ist ihre Spur.

Liebster Herr, du hast geschaffen
Meine arme kranke Seele,
Wie den Reiz, den vielgestalten,
Der auf breite Straßen führt;
Und du weißt, daß wie vor Andern
Frischer Hauch in meiner Seele,
So mich auch vor Andern glühend
Jede Erdenlust berührt.

Hast du mir in Macht und Güte
Meine Seele rein gegeben,
Herrlich, groß und wohlgerüstet
Wie ein königliches Schloß:
Und nun liegt es in Zerstörung,
Graunvoll in der öden Größe,
Wie ein knöchern Ungeheuer,
Wie ein todter Meerkoloß.

Und da ich nach vielen Tagen,
Sonder Glauben, voll der Liebe,
Angstvoll prüfte seine Mauern,
Siehe da! sie standen fest.
O mein Herr, willst du mich hören,
Auftun deine Gnadenschätze:
Sieh', ich will getreulich bauen
Meines Lebens trüben Rest!

Muß mein Haus gleich stehen eine
Öde warnende Ruine:
Ach, nur dort kann sich gestalten,
Was so rettungslos zerstört.
Kann ich nur ein Stüblein bauen,
Ausgeschmückt mit stillen Werken,
Wo ich, Herr, dich kann bewirten,
Wenn ich bei dir eingekehrt!

Aus den Hallen tritt Maria,
In dem Arm den Sohn, den lieben,
Hält ihn fest und hält ihn linde,
Und auf dem ihr Auge ruht.
O, sie hat das Glück getragen
Durch neun wonnevolle Monde;
Was verkündet jene Frommen,
Trug sie längst im glühnden Mut.

Aber Joseph stillen Schrittes
Tritt nicht mehr an ihre Seite,
Da das liebe, liebe Kindlein
Nun der Herr der ganzen Welt.
Doch wie höher steigt die Sonne,
Schleicht er leis' an ihre Schulter,
Und er zupft an ihrem Mantel,
Daß der Schleier niederfällt.

 

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Burg Hülshoff in de winter

 

 

Zie voor de schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

 

 

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, William Rose Benét

 

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Het woud der verwachting

“Dicht tegen elkaar aangedrukt naderden de paarden trappelend en struikelend door de diepe modder in het laagste gedeelte van de vallei. Maar nu stormden uit de bossen op de helling voor Maisoncelles méér boogschutters te voorschijn, die daar tot dit doel in hinderlaag gelegen hadden. De ruiterij, door een regen van pijlen in de flank getroffen, leed zware verliezen; van meer dan duizend ruiters bereikten maar enkele honderden de smalle terreinstrook tussen de beide legers. De gewonde, dodelijk verschrikte paarden gehoorzaamden hun berijders niet meer. Zij steigerden briesend zijwaarts op de rijen geharnaste ridders in en stichtten daar meer onheil dan de Engelsen teweeggebracht hadden. Mannen en dieren tuimelden over elkaar heen, tussen staal en staal werden lichamen vermorzeld.
(…)

Het kostte Charles, nu hij Boucicauts gezelschap moest missen, grote moeite de lange dagen zonder aanvallen van zwaarmoedigheid en wanhoop door te komen. Te Westminster en Windsor had men hem en zijn lotgenoten nog wat vertier toegestaan, een valkenjacht, wandelingen in nevelige, bladerloze parken, ritten te paard. Maar de Tower was een doolhof van dikke, stenen muren; er groeide wat gras op de binnenplaats, er stond een enkele boom. Hij had horen vertellen dat op die plek terechtstellingen plaatsvonden. ‘Daarom blijft het gras hier kort en bruinachtig,’ zei Richmont. ‘De grond is verzadigd van bloed.’
Charles kwam overigens niet veel op de binnenplaats. Het lopen in de kille, vochtige lucht stemde hem zo mogelijk nog somberder dan het verblijf in zijn kamer.”

 

 
Hella Haasse (2 februari 1918 - 29 september 2011)
Borstbeeld door Ellen Wolff voor de Openbare Bibliotheek, Amsterdam

Lees meer...

Michel Marc Bouchard, Kees Torn, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Xuân Diệu

 

De Canadese toneelschrijver Michel Marc Bouchard werd geboren op 2 februari 1958 in Saint Coeur-de-Marie, Quebec. Zie ook ook alle tags voor Michel Marc Bouchard op dit blog.

 

Uit: L’histoire de l’oie/Tale of Teeka

«MAURICE [ADULTE].-  Cette voix, c’était celle qu’il avait lorsqu’il faisait brûler des fourmis dans des boîtes de carton, celle qu’il avait lorsqu’il arrachait les ailes des papillons. »
(…)

« MAURICE [ADULTE].– […] Effrayé, il obéit à cette voix. (Maurice [enfant] descend du toit et disparaît derrière la maison) C’est alors que la foudre s’abattit plusieurs fois sur sa tête, sur son corps et surtout sur ses bras! Maurice crut un instant qu’il s’agissait de l’orage… (temps) Ce n’était pas l’orage. »(…)

« MAURICE [ENFANT].– Il me faut une arme. (il prend la ceinture de cuir de son pantalon. Il s’en frappe deux fois la main) Cette « liane » nous protégera. Elle est puissante. Elle est dangereuse. Elle nous protégera. »


 
Scene uit de verfilming “L'histoire de l'oie/Tale of Teeka” door Tim Southam, 1998

 

«MAURICE [ENFANT].– " La nuit tombée, lorsque le vieillard fut repu, Tarzan profita de sa somnolence et lui déroba un gros morceau de la viande de Tantor. " ... »
(…)

« MAURICE [ENFANT].– Je suis Tarzan! Tarzan te protégera. Car Tarzan est tout-puissant. Tout ce qu’il y aura de meilleur dans la jungle sera pour toi. »
(…)

« MAURICE [ENFANT].– Un cauchemar, c’est quand on éteint toutes les lumières, et un rêve, c’est quand on en laisse une. »

 

 
Michel Marc Bouchard (Saint Coeur-de-Marie, 2 februari 1958)

Lees meer...

Ludwig Eichrodt, Gostan Zarian, Johann Ch. Gottsched, Ayn Rand, Monica Camuglia, Michael Öchsner

 

De Duitse dichter Ludwig Eichrodt werd geboren op 2 februari 1827 in Durlach bij Karlsruhe. Zie ook alle tags voor Ludwig Eichrodt op dit blog.

 

Maria

Unter allen Schmerzen,
Die mir zugetheilt,
Wühlet mir im wunden Herzen
Einer, der nicht heilt,
Den ich stets erneue –
Ach, unsäglich ist der Schmerz der Reue!

Reue, daß ich Einen
Von mir lassen hieß,
Heiße, bittre Thränen weinen
Einen weinen ließ;
Den ich treulos nannte,
Einzig liebte, liebt und ganz verkannte.

Könnt ich rufen, weinen
Ihn, ach ihn zurück,
Ohne Thränen ließ ich keinen,
Keinen Augenblick!
Doch in welchen Stunden
Habt ihr klaren Auges mich gefunden?

Trügen Thränenfluthen
Mich zur ewgen Ruh!
Dem willkommnen Tode bluten
Meine Wunden zu.
Im gebrochnen Herzen
Heilen alle unheilbaren Schmerzen.

 

 
Ludwig Eichrodt (2 februari 1827 – 2 februari 1892)
Karlsruhe 

Lees meer...

01-02-14

Hugo von Hofmannsthal, José Luis Sampredo, Günter Eich, F. B. Hotz, Dieter Kühn

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal werd geboren op 1 februari 1874 in Wenen. Zie ook alle tags voor Hugo von Hofmannsthal op dit blog.

 

Aber seltsam!

Ein namenloses Heimweh weinte lautlos
In meiner Seele nach dem Leben, weinte,
Wie einer weint, wenn er auf großem Seeschiff
Mit gelben Riesensegeln gegen Abend
Auf dunkelblauem Wasser an der Stadt,
Der Vaterstadt, vorüberfährt. Da sieht er
Die Gassen, hört die Brunnen rauschen, riecht
Den Duft der Fliederbüsche, sieht sich selber,
Ein Kind, am Ufer stehn, mit Kindesaugen,
Die ängstlich sind und weinen wollen, sieht
Durchs offene Fenster Licht in seinem Zimmer -
Das große Seeschiff aber trägt ihn weiter,
Auf dunkelblauem Wasser lautlos gleitend
Mit gelben, fremdgeformten Riesensegeln.

 

 

Im Grünen zu singen

War der Himmel trüb und schwer,
Waren einsam wir so sehr,
Voneinander abgeschnitten!
Aber das ist nun nicht mehr:
Lüfte fließen hin und her;
Und die ganze Welt inmitten
Glänzt, als ob sie gläsern wär.

Sterne kamen aufgegangen,
Flimmern mein - und deinen Wangen,
Und sie wissens auch:
Stark und stärker wird ihr Prangen;
Und wir atmen mit Verlangen,
Liegen selig wie gefangen,
Spüren eins des andern Hauch.

 

 

Besitz

Großer Garten liegt erschlossen,
Weite schweigende Terrassen:
Müßt mich alle Teile kennen,
Jeden Teil genießen lassen!

Schauen auf vom Blumenboden,
Auf zum Himmel durch Gezweige,
Längs dem Bach ins Fremde schreiten,
Niederwandeln sanfte Neige:

Dann erst komme ich zum Weiher,
Der in stiller Mitte spiegelt,
Mir des Gartens ganze Freude
Träumerisch vereint entriegelt.

Aber solchen Vollbesitzes
Tiefe Blicke sind so selten!
Zwischen Finden und Verlieren
müssen sie als göttlich gelten.

All in einem, Kern und Schale,
Dieses Glück gehört dem Traum
Tief begreifen und besitzen!
Hat dies wo im Leben Raum?

 

 

 
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)
Borstbeeld in het Festspielhaus, Salzburg

Lees meer...