01-03-14

Jan Eijkelboom, Franzobel, Jim Crace, Franz Hohler, Lytton Strachey

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist Jan Eijkelboom werd op 1 maart 1926 in Ridderkerk geboren. Zie ook alle tags voor Jan Eijkelboom op dit blog.

 

21 november 1981

Je liep daar naast mij in je gouden jack.
Ik liep je nog te leren kennen,
jij moest nog aan de oorlog wennen
die ik nog niet had afgelegd.
Wij gingen tegendraads de mensen tegemoet
die als een kalme waterval
vanaf de hoge bruggen kwamen.
Het was de allereerste stoet
die ik ooit zag waarin de namen
van allen waren uitgewist
en waarin elk gezicht
toch toebehoren bleef
aan wie daar samen waren.

Geen leus kwam uit de vele monden,
alleen ging keer op keer de donder,
de zachte donder van de vrede door
de gelederen die niet marcheerden.

Wij gingen stroomopwaarts over de Rozengracht,
legden soms aan en dronken om de naam
likeuren die op andre dagen
te zoet zijn zouden voor een keel
die meer op rauw geweld
was ingesteld, maar die nu mede
te fluisteren begon, wat
allengs aanzwol tot de donder,
de zachte donder van de vrede.

Jij stond daar naast me in je gouden jack.
Het oproer bleef uitbundig stromen.
Ik heb mijn ransel afgenomen
en achteloos opzijgelegd.

 

 

De omgekeerde zuilen van Venasque

Na lange wandeling over cols, door ravijnen
dronken wij op het dorpsplein de wijn
met volle teugen, als was dit het water
door de waard uit de ronde fontein
in het midden gehaald.

Ik behoorde nog tot de gelukzaligen
die zich laven en het er dan bij laten.
In het uit de rotsen gehouwen kerkje
zagen wij toen antieke zuilen
ondersteboven geplaatst:

kapiteel op de grond, voet tegen 't plafond.
Wisten die christenen veel van de Ouden -
en zouden wij zelf ook niet zo willen leven:
omgekeerd, achterstevoren, andersom
als het kon?

 

 
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)
Cover

Lees meer...

Robert Lowell, Jacques Chessex, Ryūnosuke Akutagawa, Sabina Lorenz, Richard Wilbur Ralph Ellison

 

De Amerikaanse dichter Robert Traill Spence Lowell werd geboren op 1 maart 1917 in Boston. Zie ook alle tags voor Robert Lowell op dit blog.

 

The Ruins Of Time

(Quevedo, Mire los muros de la partia mia and
Buscas en Roma a Roma, (!)O peregrino!)

I

I saw the musty shingles of my house,
raw wood and fixed once, now a wash of moss
eroded by the ruin of age
furning all fair and green things into waste.
I climbed the pasture. I saw the dim sun drink
the ice just thawing from the boldered fallow,
woods crowd the foothills, sieze last summer's field,
and higher up, the sickly cattle bellow.
I went into my house. I saw how dust
and ravel had devoured its furnishing;
even my cane was withered and more bent,
even my sword was coffined up in rust—
there was no hilt left for the hand to try.
Everything ached, and told me I must die.

 

II

You search in Rome for Rome? O Traveller!
in Rome itself, there is no room for Rome,
the Aventine is its own mound and tomb,
only a corpse recieves the worshipper.
And where the Capitol once crowned the forum,
are medals ruined by the hands of time;
they show how more was lost by chance and time
the Hannibal or Ceasar could consume.
The Tiber flows still, but its waste laments
a city that has fallen in its grave—
each wave's a woman beating at her breast.
O Rome! Form all you palms, dominion, bronze
and beauty, what was firm has fled. What once
was fugitive maintains its permenance.

 

 
Robert Lowell (1 maart 1917 - 12 September 1977)
Cover

Lees meer...

Jean-Edern Hallier, Steven Barnes, Mercedes de Acosta, Marcel Cabon, William Dean Howells

 

De Franse schrijver Jean-Edern Hallier werd geboren op 1 maart 1936 in Saint-Germain-en-Laye. Zie ook alle tags voor Jean-Edern Hallier op dit blog.

Uit: Carnets Impudiques

«… Sans les femmes, je ne serais rien. Je suis rassuré de l’entendre. - Jean-Edern, viens, viens… Je suis venu, et en me redressant, je suis allé me regarder dans la glace du cabinet de toilette, les cheveux hirsutes, le poil dru sur le menton, entre des plaques espacées de peau douce, qui sont toujours restées imberbes depuis mes blessures d’enfance, lors du siège de Budapest, en 1945. J’ai les paupières lourdes, les cernes sous les yeux, rimmelisé d’épuisement, acteur et unique spectateur de mon théâtre intime, je deviens à la fois Auguste le clown, et Auguste l’empereur, dont Suétone racontait qu’au dernier jour de sa vie, réclamant un miroir, il demandait à ses proches « s’il avait bien joué jusqu’au bout la farce de sa vie ».
(…)

"Je lui passe le volant à 150, 180, 190, elle appuie sur l’accélérateur.
- Et si nous avions un accident d’amour ? me dit-elle.
- Quand tu veux, mais après une dernière nuit... Pensais-je, sans lui dire, en la contemplant de profil. Elle était presque redevenue belle : pas encore assez nue sous sa robe, peut-etre. Ca ne m’empechait pas de la regarder exprès dans les virages, à son grand désespoir, pour voir si elle était mieux que la mort."

 

 
Jean-Edern Hallier (1 maart 1936 – 12 januari 1997)

Lees meer...

In Memoriam Hugo Brandt Corstius

 

In Memoriam Hugo Brandt Corstius

 

De Nederlandse schrijver en taalwetenschapper Hugo Brandt Corstius is gisteren op 78-jarige leeftijd overleden. Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Bekend werd hij ook onder de pseudoniemen Piet Grijs, Stoker, Raoul Chapkis en Battus. Zie ook alle tags voor Hugo Brandt Corstius op dit blog.

Uit: Nieuwe Missiereizen van Pater Key (als Raoul Chapkis)

“Hij verlaat het strand en neemt de bus naar de hoofdstad. Daar komt hij langs het huis van de kantonrechter en hoort de vrouw van de kantonrechter naar beneden roepen:
‘Liefje, kom je slapen?’. ‘Nee, vrouw ik moet nog wat stukken doornemen, ik heb er maar twee weken de tijd voor, en er is heel wat aan door te nemen’ is het harteloze antwoord. Voor hem op tafel ligt een ets van de heer A. Veldhoen waarop een fragment van een coïtus is afgebeeld. De kantonrechter neemt dit stuk aandachtig door. Zijn vrouw boven bijt in het kussen. Key loopt mistroostig door. Deze reis is het al te gek. Hij heeft veel meegemaakt. Een dag sudderen in een kookpot waar de inboorlingen vergeten hebben zout in te doen, Het gezelschap van de doorzichtige uitwerpselen der Worstelbormen. Het treiteren van brandnetels en viooltjes. Alles had hij verdragen. Maar deze toestanden werkten hem op de zenuwen. Gezonde volwassen mensen die zich door kledings- en gerechtelijke stukken laten weerhouden van hun natuurlijke functies, het vervult Key met weerzin.
Ten einde raad neemt hij de trein naar 's-Hertogenbosch en belt aan bij monseigneur Bekkers, de bisschop die al zoveel priesters uit hun gewetensnood heeft verlost, dat het niet onwaarschijnlijk is dat hij een zoon is van God, door Hem in de gedaante van een priester naar de aarde gezonden om de priesters te verlossen. Key vertelt Bekkers de laatste negen hoofdstukken. Ze gaan samen naar de televisiestudio van de K.R.O. en hier houdt monseigneur Bekkers een opzienbarende toespraak. ‘Gelovigen’ zegt hij ‘uw grote nood is mij ter ore gekomen. Ik heb goed nieuws voor u: van nu af aan kunt u er mee ophouden. Ik hou er zelf ook mee op. Niet alleen de Jezuieten laat ik vrij, allemaal wordt u losgelaten. Laat de kruisbeelden maar hangen, anders komt er zo'n lelijke plek op het behang, maar denk er verder niet meer aan. Het is mooi geweest. U bent van alles af.’ Pater Key mag met vacantie naar Tristan da Cunha. Maar dat hoort thuis in het volgende hoofdstuk.”

 

 
Hugo Brandt Corstius (29 augustus 1935 – 28 februari 2014)

Martin Suter, Yórgos Seféris, Marin Sorescu, Howard Nemerov, John Byrom, Saul Williams

 

Zwitserse schrijver Martin Suter werd geboren op 29 februari 1948 in Zürich. Zie ook alle tags voor Martin Suter op dit blog.

Uit: Ein perfekter Freund

„Er tastete seinen Arm ab. Am linken Vorderarm stieß er auf ein He∫p¬aster, dann auf einen Infusionsschlauch.
Fabio spürte Panik hochkommen. Aber noch immer weigerte er sich, die Augen zu öΣnen. Zuerst mußte er sich erinnern, weshalb er im Krankenhaus lag.
Er befühlte seinen Kopf. Die Haare auf der fremden Häl∫e fühlten sich seltsam an. Wie eine Mütze. Ein Verband? Auch auf der linken Seite stimmte etwas nicht. Am Hinterkopf klebte ein P¬aster über einer schmerzenden Stelle. Hatte man ihn am Kopf operiert?
Hatte man ihm einen Tumor entfernt? Und mit ihm die Erinnerung daran, daß er einen gehabt hatte?
Er riß die Augen auf. Der Raum war abgedunkelt. Er konnte eine Infusions¬asche erkennen, die neben dem Bett an einem verchromten Ständer hing. An der Wand stand ein Tisch mit einem Blumenstrauß, darüber ein Kruzi⁄x. Über seinem Kopf hing ein HaltegriΣ. Ein Kabel wand sich darum mit einer Klingel, auf die er jetzt panisch drückte.
Nach einer Ewigkeit wurde die Tür geöΣnet. Eine Gestalt zeichnete sich im Neonlicht des Ganges ab, näherte sich, knipste eine Nachttischlampe an.
»Ja, Herr Rossi?«
Die Kissen und das schräg gestellte Kopfteil zwangen Fabio in eine halb sitzende Position. Die dünne Frau an seinem hohen Bettrand war fast auf Augenhöhe. Sie trug eine lose blaue Baumwollbluse über einer Hose aus dem gleichen Material. Und ein Namensschild, das Fabios Augen noch nicht entzffern konnten. Sie fühlte seinen Puls und fragte, ohne ihre Uhr aus den Augen zu lassen: »Wo sind Sie?«

 


Martin Suter (Zürich 29 februari 1948)

Lees meer...

28-02-14

Stephen Spender, Bart Koubaa, Luc Dellisse, John Montague, Marcel Pagnol, Raphaële Billetdoux

 

De Engelse dichter, essayist en schrijver Stephen Spender werd geboren op 28 februari 1909 in Londen. Zie ook alle tags voor Stephen Spender op dit blog.

 

On The Third Day

On the first summer day I lay in the valley.
Above rocks the sky sealed my eyes with a leaf
The grass licked my skin. The flowers bound my nostrils
With scented cotton threads. The soil invited
My hands and feet to grow down and have roots.
Bees and grass-hoppers drummed over
Crepitations of thirst rising from dry stones,
And the ants rearranged my ceaseless thoughts
Into different patterns for ever the same.
Then the blue wind fell out of the air
And the sun hammered down till I became of wood
Glistening brown beginning to warp.

On the second summer day I climbed through the forest's
Huge tent pegged to the mountain-side by roots.
My direction was cancelled by that great sum of trees.
Here darkness lay under the leaves in a war
Against light, which occasionally penetrated
Splintering spears through several interstices
And dropping white clanging shields on the soil.
Silence was stitched through with thinnest pine needles
And bird songs were stifled behind a hot hedge.
My feet became as heavy as logs.
I drank up all the air of the forest.
My mind changed to amber transfixed with dead flies.

On the third summer day I sprang from the forest
Into the wonder of a white snow-tide.
Alone with the sun's wild whispering wheel,
Grinding seeds of secret light on frozen fields,
Every burden fell from me, the forest from my back,
The valley dwindled to bewildering visions
Seen through torn shreds of the sailing clouds.
Above the snowfield one rock against the sky
Shaped out of pure silence a naked tune
Like a violin when the tune forsakes the instrument
And the pure sound flies through the ears' gate
And a whole sky floods the pool of one mind.

 

 

To my Daughter

Bright clasp of her whole hand around my finger,
My daughter, as we walk together now.
All my life I’ll feel a ring invisibly
Circle this bone with shining: when she is grown
Far from today as her eyes are far already.

 

 
Stephen Spender (28 februari 1909 – 16 juli 1995)
Portret door Lucian Freud, 1940

Lees meer...

27-02-14

John Steinbeck, Lawrence Durrell, André Roy, Henry Longfellow, Elisabeth Borchers, James T. Farrell

 

De Amerikaanse schrijver John Steinbeck werd geboren in Salinas, Californië, op 27 februari 1902. Zie ook alle tags voor John Steinbeck op dit blog.

Uit: Travels with Charley

“When I was very young and the urge to be someplace else was on me, I was assured by mature people that maturity would cure this itch. When years described me as mature, the remedy prescribed was middle age.In middle age I was assured greater age would calm my fever and now that I am fifty-eight perhaps senility will do the job. Nothing has worked. Four hoarse blasts of a ships's whistle still raise the hair on my neck and set my feet to tapping. The sound of a jet, an engine warming up, even the clopping of shod hooves on pavement brings on the ancient shudder, the dry mouth and vacant eye, the hot palms and the churn of stomach high up under the rib cage. In other words, once a bum always a bum. I fear this disease incurable. I set this matter down not to instruct others but to inform myself....A journey is a person in itself; no two are alike. And all plans, safeguards, policing, and coercion are fruitless. We find after years of struggle that we not take a trip; a trip takes us.”
(…)

“Once a journey is designed, equipped, and put in process, a new factor enters and takes over. A trip, a safari, an exploration, is an entity, different from all other journeys. It has personality, temperament, individuality, uniqueness. A journey is a person in itself; no two are alike. And all plans, safeguards, policing, and coercion are fruitless. We find after years of struggle that we do not take a trip; a trip takes us. Tour masters, schedules, reservations, brass-bound and inevitable, dash themselves to wreckage on the personality of the trip. Only when this is recognized can the blown-in-the glass bum relax and go along with it. Only then do the frustrations fall away. In this a journey is like marriage. The certain way to be wrong is to think you control it.”
(…)

“Once Charley fell in love with a dachshund, a romance racially unsuitable, physically ridiculous, and mechanically impossible. But all these problems Charley ignored. He loved deeply and tried dogfully.”

 

 
John Steinbeck (27 februari 1902 - 20 december 1968)

Lees meer...

26-02-14

Michel Houellebecq, Victor Hugo, Adama van Scheltema, George Barker, Hermann Lenz, Antonin Sova

 

De Franse dichter en schrijver Michel Houellebecq werd geboren in Réunion op 26 februari 1958 (1956). Zie ook alle tags voor Michel Houellebecq op dit blog.

 

Uit: Le Sens du combat

Le jour monte et grandit, retombe sur la ville
Nous avons traversé la nuit sans délivrance
J’entends les autobus et la rumeur subtile
Des échanges sociaux. J’accède à la présence.

Aujourd’hui aura lieu. La surface invisible
Délimitant dans l’air nos êtres de souffrance
Se forme et se durcit à une vitesse terrible ;
Le corps, le corps pourtant, est une appartenance.

Nous avons traversé fatigues et désirs
Sans retrouver le goût des rêves de l’enfance
Il n’y a plus grand-chose au fond de nos sourires,
Nous sommes prisonniers de notre transparence.

 

 

Au long de ces journées où le corps nous domine
Où le monde est bien là, comme un bloc de ciment,
Ces journées sans plaisir, sans passion, sans tourment,
Dans l’inutilité pratiquement divines

Au milieu des herbages et des forêts de hêtres,
Au milieu des immeubles et des publicités
Nous vivons un moment d’absolue vérité :
Oui le monde est bien là, et tel qu’il paraît être.

Les êtres humains sont faits de parties séparables,
Leur corps coalescent n’est pas fait pour durer
Seuls dans leurs alvéoles soigneusement murés
Ils attendent l’envol, l’appel de l’impalpable.

Le gardien vient toujours au cœur du crépuscule ;
Son regard est pensif, il a toutes les clés,
Les cendres des captifs sont très vite envolées ;
Il faut quelques minutes pour laver la cellule

 

 

Dawn rises, grows, settles on the city
We’ve come through the night and not been set free
I hear the buses and the quiet hum
Of social exchange. I’m overcome with presence.

Today will happen. Invisible surfaces
Separate our suffering selves in the air
Then form and harden at a terrible pace;
But the body, still our pact with the body.

We’ve come through strain and desire
Childhood and dreams still pass us by
Not much there in a lifetime of smiling
We’re prisoners in our own clear selves.

 

Vertaald door Delphine Grass en Timothy Mathews

 

 

 
Michel Houellebecq (Réunion, 26 februari 1958)

Lees meer...

25-02-14

Aldo Busi, Amin Maalouf, Anthony Burgess, Robert Rius, Karl May

 

De Italiaanse schrijver en vertaler Aldo Busi werd geboren op 25 februari 1948 in Montichiari, Brescia. Zie ook alle tags voor Aldo Busi op dit blog.

Uit: Standard Life of a Temporary Pantyhose Salesman (Vertaald door Ercole Guidi)

“Swallowing and by now lost, he had said:
"Why, you too remind me of a childhood   friend of mine. Now he's in the slammer, in Hong Kong, or Bangkok, I'm not sure which. I knew you couldn't be him."
"Cut it out, will you? It happens." And that is all he says. To him the conference is over and it has lasted all too long.
Angelo is standing there, awkward, half-stooped over those jagged implants of osseous death and lineaments dug out of a schoolbag, reduced into a little heap of suppressed yearnings, which from clear and easy now deafen one another into a slush of fury and humiliation wherein he again becomes confused, murky and fetid to himself. Angelo says without drawing breath:
"Well, if I'm not that friend of yours so much the better. A pretext to get to know each other now."
It is incredible this unfortunate capacity of formulating perfect phrases, without the smears of an exhausted or excessive irony, when perhaps something muttered, indistinct, which may elicit sympathy or compassion or a releasing laughter, might prove a better bet.
The other cuts him short:
"But I don't care to know you. You never happened to take somebody for someone else? So beat it, you hear me?"
"It was you who disturbed me, not I."
"Hey, I don't feel like talking anymore, all right?" and he turns the other way, toward a man and a woman to whom he smiles annoyed, as if to say «they always come my way».
Angelo had remained there, gazing at the water, not knowing what fish to catch in it.
Not knowing whether he should say good-bye or leave or just stand there, distended with convoluted breath. To have quicker reflexes, and more spunk: to fling himself onto him and rough him up.”

 

 
Aldo Busi (Montichiari, 25 februari 1948)

Lees meer...

24-02-14

Leon de Winter, Alain Mabanckou, George Moore, Erich Loest, Jacques Presser, Friedrich Spielhagen

 

De Nederlandse schrijver Leon de Winter werd geboren in ’s-Hertogenbosch op 24 februari 1954. Zie ook alle tags voor Leon de Winter op dit blog.

Uit: VSV

“Father Joseph wendde zich tot de bejaarde vrouw. Rond haar benen waren vleeskleurige zwachtels gewikkeld, vocht was erdoorheen gelekt.
‘Ria, ik moet je aan iemand voorstellen.’
De vrouw knikte en keek hulpeloos op. De geestelijke wees op Kohn en zei: ‘Dit is de man die het hart van Jimmy heeft gekregen. Ik heb je over hem verteld. Het hart van Jimmy, je zoon, Jimmy,’ herhaalde hij, ‘deze man heeft zijn hart.’
Alsof hij Kohn al jaren kende, veroorloofde Father Joseph het zich om met een vinger op de zijden stropdas midden op Kohns borstkas te tikken.
Ria bewoog langzaam haar hoofd en probeerde zich te concentreren op de onbekende man.
‘Heeft u Jimmy gekend?’ vroeg ze met zachte stem.
‘Nee,’ antwoordde Kohn.
‘U heeft zijn hart,’ sprak ze toonloos.
‘Ja. Ik heb Jimmy’s hart.’
‘Hij was een heilige,’ zei Ria. ‘Mijn zoon was een heilige. Hij kreeg een gezwel in zijn hoofd. Dat doet God met de mensen die Hij liefheeft. Hij wil ze dicht bij Zijn troon.’ Ze stak zoekende vingers uit, alsof ze niet precies wist waar Kohn stond. Het drong tot hem door dat ze blind was. Diabetes. Hij had gelezen dat veel zwarten eraan leden. Ze had niet gezien dat Father Joseph op Kohns borstkas had getikt. Hij nam haar breekbare hand tussen zijn handen en voelde fijne botjes onder de perkamenten huid.
Ze vroeg: ‘Hoe voelt dat, het hart van een heilige?’
Kohn zocht in haar zwevende ogen naar een antwoord: ‘Een geschenk.’
‘Wat heeft u tot nu toe met uw leven gedaan?’
Kohn keek Father Joseph een moment om raad vragend aan. De geestelijke glimlachte welwillend.”

 

 
Leon de Winter (’s-Hertogenbosch, 24 februari 1954)

Lees meer...

23-02-14

Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms

 

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

funeral in early spring

as the grave preacher recites
tired disingenuous clichés
on the glories of eternal life
a little girl wanders off
during her grandmother’s funeral
a girl of three or four
in her brand-new easter bonnet
bought three days earlier
with easter still weeks away

her mother had seemed horrified
at the girl’s fashion faux pas
but harried after weeks in the hospital
watching her own mother fade
she had reluctantly given in
to her daughter’s begs and cries
to wear the dress before its time

and now beneath the preacher’s words
the whispers grow among the spinsters
as they scowl at the impropriety
the very audacity of this splash of pink
gliding over the land of the dead

but the girl continues her dance
over the nearby graves
still far too young to pretend to understand
what it means to die

she dances along
her dress catching the breeze
floating upward as if buoyed by the souls
the memories
the empty silences
of the dead
flowing softly
into the promise of her silent womb

 

 

Twilight

These long stars
on

stalks
that have grown up

early
and are like

water
plants and that stand

in all
the pools and the lake

even
at the brim

of
the dark cup

before
your mouth these are

the one
slit star

 

 

 
Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

Lees meer...

Erich Kästner, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Elisabeth Langgässer, Samuel Pepys

 

De Duitse schrijver, dichter en cabaretier Erich Kästner werd geboren in Dresden op 23 februari 1899. Zie ook alle tags voor Erich Kästner op dit blog.

 

Nachtgesang des Kammervirtuosen

Du meine Neunte letzte Sinfonie!
Wenn du das Hemd anhast mit rosa Streifen ...
Komm wie ein Cello zwischen meine Knie,
und laß mich zart in deine Seiten greifen!

Laß mich in deinen Partituren blättern.
(Sie sind voll Händel, Graun und Tremolo.)
Ich möchte dich in alle Winde schmettern,
du meiner Sehnsucht dreigestrichnes Oh!

Komm, laß uns durch Oktavengänge schreiten!
(Das Furioso, bitte, noch einmal!)
Darf ich dich mit der linken Hand begleiten?
Doch bei Crescendo etwas mehr Pedal!

Oh deine Klangfigur! Oh die Akkorde!
Und der Synkopen rhythmischer Kontrast!
Nun senkst du deine Lider ohne Worte . . .
Sag einen Ton, falls du noch Töne hast!

 

 

Niedere Mathematik

Ist die Bosheit häufiger
oder die Dummheit geläufiger?
Mir sagte ein Kenner
menschlicher Fehler
folgenden Spruch:
"Das eine ist ein Zähler
das andere ein Nenner,
das Ganze - ein Bruch!"

 

 
Erich Kästner (23 februari 1899 - 29 juli 1974)
Als jongen op de muur van Villa Augustin (Kästner museum), Dresden 

Lees meer...

Henri Meilhac, B. Traven, Amoene van Haersolte, David Kalisch, Josephin Soulary

 

De Franse schrijver Henri Meilhac werd geboren op 23 februari 1831 in Parijs. Zie ook alle tags voor Henri Meilhac op dit blog.

Uit : La Belle Hélène

“Philocome.
Oui, seigneur !
Calchas.
Et le Tonnerre ... a-t-on rapporté le Tonnerre ?
Philocome.
Pas encore !
Calchas.
Comment, pas encore ?
Philocome.
Non, seigneur, mais je l’attends !
Calchas.
Nous pouvons nous passer de Tonnerre aujourd’hui, la journée sera chaude : la fête d’Adonis présidée par notre grâcieuse souveraine ... puis l’assemblée des Rois et en leur présence le concours des jeux d’esprit.
Philocome.
Sans compter l’imprévu.
Calchas.
Une pareille journée ne se passera pas sans oracle ... et il n’y a pas d’oracle sans tonnerre ... il me faut mon tonnerre.
Philocome.
Le forgeron Eutycles m’a bien promis ... et le voici...”

 

 
Henri Meilhac (23 februari 1831 – 6 juli 1897)
Uitvoering van “La Belle Hélène“ in Dijon, Théâtre des Feuillants, 2011

Lees meer...

Ljoedmila Oelitskaja

 

De Russische schrijfster Ljoedmila Jevgenjevna Oelitskaja werd geboren in Davlenkanovo, Basjkirostan, op 23 februari 1943. Oelitskaja groeide op in Moskou, waar ze biologie studeerde aan de Universiteit van Moskou. Daarna werkte ze aan het Academie-instituut in Moskou als wetenschapster op het terrein van de genetica en biochemie. Oelitskaja begon haar literaire carrière in de jaren tachtig als schrijfster voor het ‘Joods Theater’ en als scenarioschrijfster voor de film. Haar eerste novelle, Sonetjska (1992), was meteen een groot succes en de start van een snelle literaire carrière, ook internationaal. Haar bekendste roman is “Reis naar de zevende hemel” uit 2002: de geschiedenis van de Russische artsenfamilie Koekotski, een verhaal waarin het begrip vrijheid op alle mogelijke manieren centraal staat. Oelitskaja’s boeken werden in vele landen vertaald, ook in het Nederlands. Haar werk werd ook veelvuldig onderscheiden, onder meer met de Russische Bookerprijs (2002), de Orde van de Academische Palmen (2003), de Orde van Kunst en Letteren (2004) en de Man Booker International Prize (2009).

Uit:The Funeral Party (Vertaald door Cathy Porter)

“Something had happened to Alik's vision. Things disappeared and sharpened simultaneously. Densities altered and expanded. The faces of his friends became liquid, and objects flowing. But this flowing was pleasant rather than unpleasant, and revealed the connections between them in a new way. The corner of the room was cut off by an old ski, from which the dingy white walls ran off cheerfully in all directions. These undulations were halted by a female figure sitting cross-legged on the floor, touching the wall with the back of her head. This point, where her head touched the wall, was the most stable part of the picture.
Someone had raised the blinds and the light fell on the dark liquids in the bottles, shining green and gold on the window-sill. The liquids stood at different levels, and this xylophone of bottles suddenly recalled a youthful dream. In those years he had painted many still lifes with bottles. Thousands of bottles. Maybe more than he had drunk. No, he had drunk more. He smiled and closed his eyes.
But the bottles didn't go away: they stood there palely, like waving columns on the other side of his eyelids. He realized that this was important. The realization crept in slowly and hugely, like a loose cloud. Bottles, bottle rhythms. Music sounded. Scriabin's light-music. This had turned out on closer study to be thin, mechanical rubbish. He had gone on to learn about optics and acoustics, but these hadn't been the key to anything either. His still lifes weren't bad, just utterly irrelevant: he hadn't discovered the metaphysical still lifes of Morandi yet.
All those paintings had been blown away in the wind; none were left now apart from a few in Petersburg maybe, stored by his friends there, or by the Kazantsevs in Moscow. God, how they used to drink in those days. They had collected the bottles, taking back the ordinary empties, but the foreign ones and the old ones of coloured glass they kept.
The bottles standing on the tin flap which edged the roof of the Kazantsevs' house in Moscow were Czech beer-bottles of dark glass. No one could remember who had put them up there. In the Kazantsevs' kitchen was a low door leading up to the attic, and from the attic a window opened on to the roof. Irina once darted out of this window and ran across the roof. There was nothing unusual about this, they were forever running on to the roof to dance and sunbathe.”

 

 
Ljoedmila Oelitskaja (Davlenkanovo, 23 februari 1943)

16:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ljoedmila oelitskaja, romenu |  Facebook |