01-09-17

W. F. Hermans, Hubert Lampo, Blaise Cendrars, Edgar Rice Burroughs, Sabine Scho, Peter Adolphsen, Lenrie Peters, J. J. Cremer

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 1 september 2010 en eveneens alle tags voorW. F. Hermans op dit blog.

Uit:Nooit meer slapen

— Ze riep: pas op! Maar kinderen geloven andere kinderen niet. Een kind zal eerder zijn vader geloven dan een ander kind. Zo zijn wij altijd eerder geneigd een buitenlander te geloven dan een landgenoot, zelfs als die landgenoot het beter weet. Wanneer een Noor hier met iets nieuws komt aandragen, zeggen de mensen: dat kan niet goed zijn, want dat hebben we nog niet in een Amerikaans boek gelezen. Maar als een Amerikaan iets onzinnigs beweert en een Noor spreekt het tegen, dan zeggen ze: hij is niet op de hoogte! Hij is maar een provinciaal! Hij moest eens een jaartje naar Amerika gaan! In een klein land zijn het altijd napers die het hoogst staan aangeschreven en dat geldt op alle gebieden. Nu Ibsen en Strindberg dood zijn, nu weet iedereen dat zij de grootste schrijvers waren die Skandinavië ooit heeft opgeleverd. Maar toen ze nog leefden! Praktisch elke houthakker kon de Nobelprijs krijgen...Ibsen en Strindberg kregen hem niet!
Arne blijft staan. — Dit huis is het, zegt hij, stap niet op het gras. Gras is op deze hoogte een zeldzame plant, waar de mensen erg zuinig op zijn. Een deur van horregaas valt achter ons dicht met het gezang van een spiraalveer. — De eigenlijke bewoners logeren in Oslo. Ik heb het huis zolang mogen lenen. Arne zet mijn koffer midden op de vloer van een zitkamer. Ik doe mijn rugzak af en probeer op mijn wangen de muggen dood te slaan die met ons mee naar binnen zijn gekomen. Arne pakt een spuitbus van de schoorsteenmantel en een nevel die naar kamfer ruikt, verspreidt zich onder de druk van zijn wijsvinger. Het is goed te zien dat Arne hier maar tijdelijk zijn bivak heeft opgeslagen. Klinkt die uitdrukking te gewoon? Arne heeft ervoor gezorgd dat geen andere combinatie van woorden toepasselijk is. De meubelen heeft hij aan de kant geschoven. Op de grond liggen een tent, tentstokken, een half ingepakte rugzak, pioniersschopje, dozen knkkebrëd, blikjes, een theodoliet en een loodzware driepoot van hout, de poten samengevouwen. Ik buk om iets op te rapen. — Wat is dit? — Een visnet. Om vis te vangen onderweg. Anders krijgen we niet te eten.”

 

 
W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)
Scene uit de film “Beyond Sleep” (Nooit meer slapen) uit 2016

Lees meer...

31-08-17

William Saroyan, Éric Zemmour, Wolfgang Hilbig, Elizabeth von Arnim, Théophile Gautier, Raymond P. Hammond

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2010 en eveneens alle tags voor William Saroyan op dit blog.

Uit: The Daring Young Man on the Flying Trapez

“He (the living) dressed and shaved, grinning at himself in the mirror. Very unhandsome, he said; where is my tie? (He had but one.) Coffee and a gray sky, Pacific Ocean fog, the drone of a passing street car, people going to the city, time again, the day, prose and poetry. He moved swiftly down the stairs to the street and began to walk, thinking suddenly. It is only in sleep that we may know we live. There only, in that living death, do we meet ourselves and the far earth, God and the saints, the names of our fathers, the substance of remote moments: it is there that the centuries merge in the moment, that the vast becomes the tiny, tangible atom of eternity.
He walked into the day as alertly as might be, making a definite noise with his heels, perceiving with his eyes the superficial truth of streets and structures, the trivial truth of reality. Helplessly his mind sang, He flies through the air with the greatest of ease, the daring young man on the flying trapeze, then laughed with all the might of his being. It was really a splendid morning: gray, cold, and cheerless, a morning for inward vigor; ah, Edgar Guest, he said, how I long for your music.
In the gutter he saw a coin which proved to be a penny dated 1923, and placing it in the palm of his hand he examined it closely, remembering that year and thinking of Lincoln, whose profile was stamped upon the coin. There was almost nothing a man could do with a penny. I will purchase a motor-car, he thought. I will dress myself in the fashion of a fop, visit the hotel strumpets, drink and dine, and then return to the quiet. Or I will drop the coin into a slot and weigh myself.
It was good to be poor, and the Communists-but it was dreadful to be hungry. What appetites they had, how fond they were of food! Empty stomachs. He remembered how greatly he needed food. Every meal was bread and coffee and cigarettes, and now he had no more bread. Coffee without bread could never honestly serve as supper, and there were no weeds in the park that could be cooked as spinach is cooked.
If the truth were known, he was half starved, and there was still no end of books he ought to read before he died. He remembered the young Italian in a Brooklyn hospital, a small sick clerk named Mollica, who had said desperately, I would like to see California once before I die. And he thought earnestly, I ought at least to read Hamlet once again; or perhaps Huckleberry Finn.”

 

 
William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)
Standbeeld in Jerevan

Lees meer...

30-08-17

Dolce far niente, James Whitcomb Riley, Charles Reznikoff, François Cheng, Jiř,i Orten, Libu¨e Moníková, Mary Wollstonecraft Shelley

 

Dolce far niente

 

 
Streets in Late August door Daniel Robbins, 2013

 

 

August

A day of torpor in the sullen heat
Of Summer's passion: In the sluggish stream
The panting cattle lave their lazy feet,
With drowsy eyes, and dream.

Long since the winds have died, and in the sky
There lives no cloud to hint of Nature's grief;
The sun glares ever like an evil eye,
And withers flower and leaf.

Upon the gleaming harvest-field remote
The thresher lies deserted, like some old
Dismantled galleon that hangs afloat
Upon a sea of gold.

The yearning cry of some bewildered bird
Above an empty nest, and truant boys
Along the river's shady margin heard--
A harmony of noise--

A melody of wrangling voices blent
With liquid laughter, and with rippling calls
Of piping lips and thrilling echoes sent
To mimic waterfalls.

And through the hazy veil the atmosphere
Has draped about the gleaming face of Day,
The sifted glances of the sun appear
In splinterings of spray.

The dusty highway, like a cloud of dawn,
Trails o'er the hillside, and the passer-by,
A tired ghost in misty shroud, toils on
His journey to the sky.

And down across the valley's drooping sweep,
Withdrawn to farthest limit of the glade,
The forest stands in silence, drinking deep
Its purple wine of shade.

The gossamer floats up on phantom wing;
The sailor-vision voyages the skies
And carries into chaos everything
That freights the weary eyes:

Till, throbbing on and on, the pulse of heat
Increases--reaches--passes fever's height,
And Day sinks into slumber, cool and sweet,
Within the arms of Night.

 

 
James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)
Greenfield, Indiana, de geboorteplaats van James Whitcomb Riley

Lees meer...

29-08-17

Dolce far niente, Jennifer Grotz, Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn

 

Dolce far niente

 

 
Summer in the city (Cityscape 12) door Darren Thompson, 2012

 

 

Late Summer

Before the moths have even appeared
to orbit around them, the streetlamps come on,
a long row of them glowing uselessly

along the ring of garden that circles the city center,
where your steps count down the dulling of daylight.
At your feet, a bee crawls in small circles like a toy unwinding.

Summer specializes in time, slows it down almost to dream.
And the noisy day goes so quiet you can hear
the bedraggled man who visits each trash receptacle

mutter in disbelief: Everything in the world is being thrown away!
Summer lingers, but it’s about ending. It’s about how things
redden and ripen and burst and come down. It’s when

city workers cut down trees, demolishing
one limb at a time, spilling the crumbs
of twigs and leaves all over the tablecloth of street.

Sunglasses! the man softly exclaims
while beside him blooms a large gray rose of pigeons
huddled around a dropped piece of bread.

 

 
Jennifer Grotz (Canyon, 11 juli 1971)
Canyon, Randall County Courthouse. Jennifer Grotz werd geboren in Canyon.

Lees meer...

Oliver Wendell Holmes Sr.

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, arts en hoogleraar Oliver Wendell Holmes Sr. werd geboren in Cambridge op 29 augustus 1809. Hij was de vader van de jurist Oliver Wendell Holmes Jr. Holmes stond aan de basis van de moderne Amerikaanse geneeskunde en werd tezelfdertijd hooglijk als literator gewaardeerd. Zijn collega's noemden hem zelfs een van de beste schrijvers van de 19e eeuw. Hij maakte deel uit van de groep Fireside Poets, samen met Henry Wadsworth Longfellow, William Cullen Bryant, John Greenleaf Whittier en James Russell Lowell. Een van zijn bekendste prozawerken is de serie "Breakfast-Table", die hij in 1858 begon te publiceren in het maandblad The Atlantic Monthly. Hij nam ook deel aan debatten over geneeskunde en literatuur, theologie, psychologie en natuurwetenschappen. Door zijn redenaarstalent en humor werd hij veel gevraagd om publieke toespraken te houden bij banketten en andere gelegenheden, een rol die later overgenomen werd door Mark Twain.

 

The Last Reader

I sometimes sit beneath a tree
And read my own sweet songs;
Though naught they may to others be,
Each humble line prolongs
A tone that might have passed away
But for that scarce remembered lay.

I keep them like a lock or leaf
That some dear girl has given;
Frail record of an hour, as brief
As sunset clouds in heaven,
But spreading purple twilight still
High over memory’s shadowed hill.

They lie upon my pathway bleak,
Those flowers that once ran wild,
As on a father’s careworn cheek
The ringlets of his child;
The golden mingling with the gray,
And stealing half its snows away.

What care I though the dust is spread
Around these yellow leaves,
Or o’er them his sarcastic thread
Oblivion’s insect weaves
Though weeds are tangled on the stream,
It still reflects my morning’s beam.

And therefore love I such as smile
On these neglected songs,
Nor deem that flattery’s needless wile
My opening bosom wrongs;
For who would trample, at my side,
A few pale buds, my garden’s pride?

It may be that my scanty ore
Long years have washed away,
And where were golden sands before
Is naught but common clay;
Still something sparkles in the sun
For memory to look back upon.

And when my name no more is heard,
My lyre no more is known,
Still let me, like a winter’s bird,
In silence and alone,
Fold over them the weary wing
Once flashing through the dews of spring.

Yes, let my fancy fondly wrap
My youth in its decline,
And riot in the rosy lap
Of thoughts that once were mine,
And give the worm my little store
When the last reader reads no more!

 

 
Oliver Wendell Holmes Sr. (29 augustus 1809 - 7 oktober 1894)

18:14 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: oliver wendell holmes sr., romenu |  Facebook |

28-08-17

Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner

 

Dolce far niente

 

 
De rozentuin in Wargemont door Pierre Auguste Renoir, 1879

 

Sommerbild

Ich sah des Sommers letzte Rose stehen,
Sie war, als ob sie bluten könnte, rot
Da sprach ich schaudernd im Vorübergehen:
So weit im Leben, ist zu nah dem Tod!

Es regte sich kein Hauch am heißen Tag,
Nur leise strich ein weißer Schmetterling;
Doch, ob auch kaum die Luft sein Flügelschlag
bewegte, sie empfand es und verging.

 

 
Friedrich Hebbel (18 maart 1813 - 13 december 1863)
Wesselburen, de geboorteplaats van Friedrich Hebbel

Lees meer...

Harro Harring

 

De Duitse dichter, schilder en revolutionair Harro Paul Harring werd geboren op 28 augustus 1798 op de Ibenshof in Wobbenbüll in Noord-Friesland, Hij was de jongste zoon van boer Harro Wilhelm Martens en zijn vrouw Margarethe Dorothea Sievers. Zijn vader werd later dijkmeester. Hij stierf in 1810, zodat Harro een halfwees werd. Bij het douanekantoor in Husum werd hij eerst tot klerk opgeleid.. Rond 1817 ontstond het verlangen om schilder te worden en ging hij studeren aan de kunstacademie in Kopenhagen en Dresden. Daar leerde hij Johan Christian Dahl kennen waarmee een vriendschap ontstond. Door contacten met de radicale vleugel van de Duitse studentenbond werd hij blijvend beïnvloed in zijn politieke denken. In 1819 werd hij lid van de Alte Dresdener Burschenschaft/Concordia. Hij was ook korte tijd lid van de Vrijmetselaarsloge Apollo in Leipzig. In 1820 bracht hij twee maanden door in Wenen, vervolgens ging hij naar Kopenhagen. In 1821 trad hij toe tot het Philhelleense Legioen en wilde deelnemen aan de Griekse strijd voor vrijheid tegen de Turken. In januari 1822 voer hij per schip vanuit Marseille naar Griekenland. Teleurgesteld vanwege de passiviteit van de Grieken, ging hij naar Italië en kwam hij in contact met de Duitse kunstenaarskolonie in Rome. Na een ontmoeting met de Engelse dichter Lord Byron probeerde Harring in München, waar hij van eind 1822 tot 1826 leefde, een ​​burgerlijk bestaan ​​op te bouwen en schreef hij drama's voor het theater. Hij werkte vervolgens van 1826 tot 1827 als dramaturg in Wenen en werd uiteindelijk als demagoog door de regering Metternich verbannen. Toen de bevrijding van de Griekse vrijheidsstrijder Ypsilanti uit de kleine vesting Theresienstadt niet lukte, vluchtte hij naar München, waar hij Heinrich Heine en de Vormärzpoliticus Georg Fein ontmoette, met wie hij later bevriend raakte. In de jaren 1828-1830 diende Harring als officier in een Russisch regiment in Warschau. Hij werd een "professionele revolutionair", die o.a. deelnam aan de juli-revolutie van 1830 in Leipzig en Brunswick. Met krantenbijdragen, pamfletten, gedichten en romans voerde hij campagne voor onderdrukte volken. Zijn geschriften waren gedeeltelijk verboden en hij zelf werd meerdere malen gearresteerd en verbannen. Het idee om de mensen te bevrijden van hun afhankelijkheid werd een idee fixe. Harring reisde in 1840 naar Rio de Janeiro en voerde campagne voor de bevrijding van de slaven. Als medestrijder van Giuseppe Garibaldi wilde hij ook de oprichting van de Verenigde Staten van Zuid-Amerika realiseren. In 1843 vestigde hij zich als schrijver en schilder in New York. Bij het nieuws van het uitbreken van de Maartrevolutie in 1848 in Duitsland keerde hij terug naar Europa. Een van de hoogtepunten in zijn leven was zijn toespraak tot de Noord-Friezen op de Bredstedter markt op 23 juli 1848. Hij probeerde vergeefs een ​​Noord-Friese Vrijstaat uit te roepen; sinds 2016 herdenkt een "tijdvenster" op het marktplein in Bredstedt deze gebeurtenis. In Rendsburg was hij verantwoordelijk redacteur van de democratisch-republikeinse krant Das Volk. De laatste jaren van zijn leven bracht hij in volledige armoede en isolement door op het kanaaleiland Jersey. Hij was ziek en leed aan paranoia. Op de leeftijd van 71 jaar maakt hij zelf een einde aan zijn leven.

Uit: Die Schwarzen von Giessen, oder der Deutsche Bund

„Trägt er das eiserne Kreuz?" fragte Laura rasch, indem sie nachsinnend stehen blieb. „Darnach habe ich noch nicht gesehen, aber es wäre mir doch schon in die Augen gefallen, wenn er es an sich hätte," meinte die Alte. „Bitte, Frau Garda! Sie müssen sich umkleiden" — fuhr Laura zu ihrer Erzieherin fort. „Sie müssen den Fremden empfangen — ich bin begierig, zu wissen, wer das seyn mag." Nicht unangenehm beschäftigt durch diesen Besuch in ihrer ländlichen Einsamkeit, eilten die Damen auf ihre Zimmer. Es war keine halbe Stunde vergangen, als ein alter Diener, ebenfalls eine Erscheinung aus dem vorigen Jahrhundert zu dem Unbekannten ins Fremdenzimmer trat und ihn ersuchte, sich zur Frau Garda in das Visitenzimmer zu verfügen. In den Willen des Schicksals ergeben, dem sich der Flüchtling unbedingt anheimgestellt, folgte er der verschossenen Livré an besagten Ort. > Die Frau Garda, welche das Benehmen einer Dame vom Stande seit länger als funfzig Jahren an vorzüglichen Vorbildern im Gouvernantenleben studiert hatte, blieb vornehm in der Mitte des Zimmers stehen, als der Gast die Schwelle betrat und sich kaum merklich verbeugend, (denn sein Nacken war dieser Bewegung entwöhnt,) mit bescheidenem Gruße zu erkennen gab: „Ich hatte die Ehre, unter dem Befehl des Herrn Obristen meinen ersten Feldzug zu bestehen; damals war der Herr Obrist noch Hauptmann und führte die Copragnie." „Es wird dem Herrn Obristen recht sehr angenehm seyn, Sie so unerwartet auf Urstein zu sehen," erwiederte die Frau Garda, indem sie nicht ohne Grazie einen Wink zum Sitzen gab, und das Canapee einnahm. „Sie stehen vielleicht noch in Diensten —? Darf ich bitten — welche Charge führen Sie?" Der Schwarze schüttelte seine langen Locken, die füglich schon im Voraus jene Frage verneinten. „Meine Charge ist keine militärische," war die Antwort. „Ich war Gemeiner aus freiem Willen, Madam! und ward Officier, als die Kugel um mich her das Avacement beförderte."
„Gemeiner!" entgegnete die Frau Garda lang, sam, und betrachtete das Antlitz des Unbekanten um so aufmerksamer, indem sie keine Spur von Gemeinheit in seinen großartigen Zügen fand. ,Mon Dieu!" begann sie nach kurzer Betrachtung — „Es ist zwar kein Compliment, wenn man Jemanden sagt, schon irgendwo eine seltsame Aehnlichkeit seiner Physiognomie gesehen zu haben — allein, jedoch — Verzeihen Sie mir die Behauptung — es ist mir durchaus, als wären Mir Ihre Züge nicht unbekannt —" „Es giebt der menschlichen Gesichter in großer Auswahl, Madam, und daher ist es gar leicht möglich, daß ein Duplikat meines Angesichts irgendwo vorhanden." Frau Garda wurde immer mehr nachdenkend und konnte nicht länger umhin, sich über das strenge Incognito des Fremden mit dem Fräulein zu berathen, worauf sie die Existenz der Tochter vom Hause (wie sie sie nannte) berührte, und um die Erlaubniß bat, dieselbe zu dem Emgfange des Ankömmlings herzuführen.“

 

 
Harro Harring (28 augustus 1798 – 15 mei 1870)

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: harro harring, romenu |  Facebook |

27-08-17

Dolce far niente, Rainer Kirsch, Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts, Paul Verhuyck, Jeanette Winterson

 

Dolce far niente

 

 
Beach Figures Looking Up door Grant Drumheller, 2013

 

 

Schwimmen bei Pizunda

Grün ist das Meer bei Pizunda, manchmal
Blau, von Schiffen schwarz, in dieses schwimm
Weit wies dich trägt und dreh dich auf den Rücken: So
Siehst du den Kaukasus mit weißen Gipfeln
Und ruhst in Meer; und dies ist Ruhe. Wiegend
Kaum, und durchs Durchsichtige
Das um dich ist, grenzt dich deutlich die Haut;
Vorne am Steinstrand rutschen die Gesichter
Ab von den Chefs, die blinzeln, um sich bezahlte
Natur, zum Bauch plätschernd im Wasser:
Sie könnens nicht Groß ist der Kaukasus. Mit kleiner Kraft
Liege im Gleichgewicht löse die Arme und
Spür dich oder Meer, wie sonst Mädchen vorm Aufgehn
(Dann kommt, die ineinanderstürzt, die Lust);
Hier aber ist die Mitte. Zwischen Meer, Fels, Schnee, Himmel
Schwarzgrüne Wälder. Dies
War der Augenblick, nun gleit, treib, leicht
In überm Meer—hier
Ist der Triumph des Körpers: Ich, ungemordet
In diesem Jahrhundert! schwimm
Nicht schnell, nicht langsam durch was um mich fließt
An ein besteintes Ufer bei Pizunda.
Ich hab noch vierzig Jahre, oder mehr.

 

 
Rainer Kirsch (17 juli 1934 – 14 september 2015)
Döbeln, de geboorteplaats van Rainer Kirsch

Lees meer...

Lolita Pille, David Rowbotham, Norah Lofts, Cecil Scott Forester, Lernert Engelberts

 

De Franse schrijfster Lolita Pille werd geboren op 27 augustus 1982 in Sèvres. Zie ook mijn blog van 27 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Lolita Pille op dit blog.

Uit: Crépuscule Ville

“Les brumes qui étaient à l'origine du mal semblaient s'être épaissies ce soir-là et leurs strates blanchâtres descendaient à hauteur d'homme comme pour manifester leur sympathie envers le chaos. Malgré sa situation, au cœur de l'ancien centre, épargné par l'urbanisation maladive qui avait frappé partout ailleurs, la Vingtième rue n'en croulait pas moins, d'ordinaire, sous les ornements vains, sous les mille feux bidons dont la ville s'était attifée pour planquer sa misère. Toute en ombres dansantes, sa version noir et blanc donnait la chair de poule. L'immeuble d'en face, soulagé des lueurs qui révélaient la vie au creux des meurtrières, avait tout à fait l'aspect d'un bunker ou d'un colombarium. Syd leva les yeux au ciel pour y trouver l'orage. Les réverbères halogènes avaient rendu l'âme et des écrans-titans qui poinçonnaient les façades, provenaient l'unique éclairage, l'image par défaut des appareils en veille ou en dysfonctionnement.
Comme des bouts de ciel disséminés çà et là pour narguer le désordre, pour narguer le présent. Le logo sempiternel. Le logo de Clair-monde. Au-dessous les hommes couraient le long d'une route qui ne menait nulle part. Au-dessous, de la tôle froissée répandue sur des kilomètres avec le crépitement du feu qui gagnaient les moteurs, promettant aux accidentés, coincés dans les habitacles, un brasier funéraire en bonne et due forme.
Au-dessous, à la faveur des pleins phares survivants, des photographes amateurs shootaient des macchabées en variant les angles. (...) Syd vit la porte vitrée éclater en miettes. (...) Il poursuivit sa course. (...) Une balle troua la ville blindée d'une bijouterie.
Vingt blocs.
Une explosion derrière lui.
Ce qu'il avait sous les yeux, c'était bel et bien l'apocalypse. Une apocalypse modernisée. Remise au goût du jour. Réactualisée aux phobies du moment. Feux de signalisation qui flanchent, clim' externe H.S, écrans en veille, accidents de bagnole, redistribution des biens à main armée, systèmes de sécurité en rade, lignes mortes.
Décidément le monde n'était plus habitable."

 

 
Lolita Pille (Sèvres, 27 augustus 1982)

Lees meer...

Heinz Liepman

 

De Duitse schrijver Heinz Liepman (eig. Liepmann) werd geboren op 27 augustus 1905 in Osnabrück, Zijn vader was soldaat in WO I en stierf in 1917 tijdens de Slag bij Arras. Na de dood van de moeder in februari 1918 werd zijn tweejarige zus Else ondergebracht bij familieleden in Osnabrück. Heinz Liepmann kwam bij zijn oom Max Holländer in Bielefeld en ging naar de hogere burgerschool. In 1921 vluchtte hij voor zijn oom naar Lindau en werkte in een kwekerij. Datzelfde jaar reisde hij voor het eerst naar de VS. In 1922 keerde hij terug naar Duitsland en en begon hij aan de universiteit van Frankfurt geneeskunde, psychologie en filosofie te studeren. Als 19-jarige was hij werkzaam als redactioneel assistent bij de Frankfurter Zeitung en werkte hij als directeur en dramaturgassistent bij de Städtische Bühnen in Frankfurt. Vanaf 1927 was Liepmann werkzaam als dramaturg bij de Hamburg Kammerspielen. Tot op heden is het werkelijke aantal stukken van Liepmann nog niet definitief vastgesteld. In juni 1929 werd Liepmanns eerste roman “Nächte eines alten Kindes” gepubliceerd, over een opgroeiende oorlogswees. Zijn tweede roman "Die Hilflosen" werd gepubliceerd in 1930. In 1931 verscheen de Engelstalige vertaling onder de titel "Wanderers in the Mist". Hiervoor ontving hij meteen de prestigieuze Harper Literary Prize. De roman betekende een doorbraak voor Liepmann als schrijver. In 1931 nam zijn politieke inzet toe. Hij werd lid van de Schutzverband deutscher Schriftsteller. Met Justin Steinfeld en anderen heeft Liepmann de acteursgroep Collectieve Hamburger Actor opgericht. Liepmanns drama "Columbus" ging in première op 23 februari 1932 aan het Deutsche Schauspielhaus in Hamburg. Met zijn publieke protest in april 1933 tegen de discriminatie van de joodse schrijver Justin Steinfeld en kritische theater beoordelingen in dezelfde maand eindigde Liepmanns werk voor het theater. Op 29 mei 1933 ging in Berlijn, zijn stuk "Drei Apfelbäume. Ein Hafenstück“ nog in première onder het pseudoniem Jens C. Nielsen. Liepmann’s werken werden in april 1933 door de Nazi’s verboden. In juni 1933 werd Liepmann in het concentratiekamp Wittmoor opgesloten, maar hij kon kort daarna vluchten en naar Nederland uitwijken. Eind 1933 verscheen zijn roman "Das Vaterland" in Amsterdam. Tijdens zijn verblijf in Amsterdam werd Liepmann gearresteerd voor 'belediging van een vriendschappelijk staatshoofd”. Internationale protesten verhinderden uitlevering aan Duitsland. In 1935 werd hem het Duitse staatsburgerschap ontnomen en verscheen zijn tweede exilroman „… wird mit dem Tode bestraft“, die het begin van het georganiseerde verzet in het nationaalsocialistische Duitsland beschrijft. Ook verscheen toen "Death from the Skies. A Study of Gas and Microbial Warfare“, enkele maanden later in de VS uitgegeven onder de titel " Poison in the Air ". Rond 1940 veranderde Liepmann zijn naam in Liepman. Hij keerde in augustus 1947 terug naar Hamburg als correspondent van Time. Als freelance schrijver en journalist schreef hij daarna voor diverse kranten zoals The World en the Illustrated Crystal. In 1949 trouwden Ruth Lilienstein en Heinz Liepman en begonnen zij samen een literair agentschap samen. Liepman haalde Norman Mailer, F. Scott Fitzgerald, Richard Wright, en nog veel meer bij het agentschap. In 1950 verscheen Liempan's Engelstalige roman "Case History", in 1956 Liempan's biografie „Rasputin. Heiliger und Teufel“ ". Er volgden nog “Verbrechen im Zwielicht. Berühmte Kriminalfälle aus den letzten Jahrzehnten“ (1959), de essaybundel „Ein deutscher Jude denkt über Deutschland nach“ (1961) en „Der Ausweg. Die Bekenntnisse des Morphinisten Martin M”. (1961). In 1962 verhuisden de Liepmans zelf en ook het literaire agentschap van Hamburg naar Zürich. In 1964 verscheen zijn laatste roman „Karlchen oder die Tücken der Tugend“.

Uit:Karlchen oder die Tücken der Tugend

„Karlchen spürte, wie es in ihm unruhig wurde. Da näherte es sich wieder, was ihm immer passierte. Die beiden Polizisten waren nur noch ein paar Tische entfernt. Karlchen winkte dem Kellner, er wollte zahlen und unauffällig verschwinden. Der Kellner stand gegen das Büfett gelehnt und sah nichts. Karlchen stand auf, aber der Kellner bemerkte ihn nicht. Die junge Frau mit den Kindern und der Hand auf dem Koffer sah Karlchen von der Seite an. »Setzen Sie sich doch«, zischte sie. Karlchen setzte sich. Er konnte nicht entkommen, es war wie immer.
Die Frau spürte Karlchens Unruhe. Sie beugte sich ein wenig nach vorn, zu ihm, und redete, halblaut, vertraulich, wie zu einem Leidensgenossen.
»Wenn Sie gefragt werden, können Sie ja sagen, Sie gehören zu uns. Wir fahren nach Ulm zu den Schwiegereltern, mein Mann ist gestorben. Mit dem Eilzug um halb sieben. Wir haben Fahrkarten …«
Karlchen sah sie unschlüssig an, sagte mechanisch: »Vielen Dank«, er wußte, er würde es nicht tun, aber er wollte der Frau etwas Freundliches sagen, weil sie nachbarlich gewesen war zu ihm. »Sie kommen wohl aus dem Osten?« fragte er. »Sie haben sicherlich allerlei hinter sich …«
»Ja«, antwortete die Frau, »das kann man schon sagen, weiß Gott, aber aus dem Osten kommen wir nicht. Wir kommen aus Mönchengladbach, gequält wird man überall, unsereins.« Karlchen nickte nur, er hatte nicht richtig zugehört; er beobachtete, daß die beiden Männer, der in Uniform und der mit dem Regenmantel, näher kamen. An jedem Tisch legte der Bahnpolizist die Hand an die Mütze, mit einer Andeutung des Salutierens, und fragte etwas, aber noch bevor die Angesprochenen geantwortet oder auch nur genickt hatten, war er schon weiter. Es war offensichtlich eine Formalität ohne jede Bedeutung – Karlchen kämpfte wieder einmal den alten Kampf, aber er wußte, daß er den Kampf verlieren würde.
Da waren sie nun, die beiden Polizeimänner mit ihrem Lederund Mannsgeruch; der in Uniform grüßte, lässig, Hand an der Mütze: »Die Herrschaften haben Fahrkarten?« – und die junge Frau mit den Zöpfen um den Kopf antwortete: »Jawohl, haben wir, nach Ulm …«, und die beiden waren schon im Weitergehen, da hörte Karlchen seine eigene Stimme, schrill und dünn, flachgepreßt vor Angst: »Nein«, flüsterte er, »ich habe keine Fahrkarte …«

 

 
Heinz Liepman (27 augustus 1905 – 6 juni 1966)

10:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: heinz liepman, romenu |  Facebook |

26-08-17

Christopher Isherwood, Laura van der Haar, C. B. Vaandrager, Paula Hawkins, Joachim Helfer, Guillaume Apollinaire, Rashid Al-Daif

 

De Brits-Amerikaanse schrijver Christopher Isherwood werd geboren op 26 augustus 1904 in Disley in het graafschap Cheshire in Engeland. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Christopher Isherwood op dit blog.

Uit: Christopher and His Kind

« The train moved on again. For the first time in his life, he found himself entering a foreign country without official permission. If Heinz had been with him, what could the lawyer have done but accept the accomplished fact and somehow arrange for Heinz to remain in Belgium?
Next morning, the lawyer left Brussels by car for Trier, as he had promised. That night he returned, alone. He told Christopher that he had duly met Heinz at the hotel. Heinz had assured him that he hadn't been questioned, hadn't aroused anybody's curiosity. They had gone to the consulate and got the visa. Then, just as they were about to start on their return journey, some Gestapo agents had appeared. They had asked to see Heinz's papers and had then taken him away with them. They had told the lawyer that Heinz was under arrest as a draft evader. Before leaving Trier, the lawyer had consulted a German lawyer and engaged him to defend Heinz at his forthcoming trial.
A day or two after the arrest, the German lawyer came from Trier to Brussels to discuss the tactics of Heinz's defense. He was a Nazi Party member in good standing and had the boundless cynicism of one who is determined to survive under any conceivable political conditions. Christopher, in his present hyper-emotional state, found a strange relief in talking to him, because he seemed utterly incapable of sympathy. Heinz was now in four kinds of potential trouble: He had attempted to change his nationality. (This could almost certainly be concealed from the prosecution.) He had consorted with a number of prominent anti-Nazis, most of them Jews. (This could probably be concealed or, at worst, excused as having been Christopher's fault.) He had been guilty of homosexual acts. (This couldn’t be co-directors that what they need is the spirit of the merchant-adventurers. He hates the banks. He hates public companies, because they aren't allowed to take risks. He particularly enjoys ragging the pompous U.S.A. businessmen. Somebody once cabled him from New York: 'Believe market has touched bottom.' Potter cabled back: `Whose?' At board meetings he lies on a sofa—ostensibly because he once had a bad leg; actually because this position gives him a moral advantage. He and his colleagues tell each other dirty limericks and the very serious-minded secretary takes them all down in shorthand—because, as he once explained, he thought they might be in code.
Much less willingly, Wystan and Christopher also became the captive audience of a young man with whom they had to share their table in the second-class dining room. He was a rubber planter, returning from leave in England to a plantation near Singapore. I will call him White.“

 

 
Christopher Isherwood (26 augustus 1904 – 4 januari 1986)
Scene uit de gelijknamige tv-film uit 2011

Lees meer...

Jules Romains, Julio Cortázar, Walter Helmut Fritz, Joachim Zelter, Jürgen Kross, Ludwig Aurbacher, Boris Pahor

 

De Franse schrijver Jules Romains, pseudoniem van Louis Henri Farigoule, werd geboren op 26 augustus 1885 in La Chapuze in het kanton Saint-Julien-Chapteuil. Zie ook mijn blog van 26 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Jules Romain op dit blog.

 

Une vapeur d’égout

 Je suis très triste. Moi qui ne pleure jamais,
Une larme s’épuise à sortir de mes yeux ;
Et penché sur mon cœur comme sur une cuve
D’où montent lentement des gaz irrespirables,
J’ai besoin que la mort me pince les narines.

Puis je rage. Mes dents grincent. Je voudrais tordre
Du fer, casser un meuble ou fendre des mâchoires.
Je souffre ; on me torture. À quoi me sert d’avoir
Des poings et d’être fort ?

Il y a des sanglots dans le fond de ma gorge ;
Afin que je consente à leur livrer passage
Ils se déguisent en hurlements de fureur.

Le passé me fait mal ; l’avenir me fait peur.
Oh ! les sales fourmis, les minutes futures
Me grimpent à la jambe et me piquent la peau ;
Je voudrais les écrabouiller sous mes chaussures !

Le camion traîné par les chevaux tranquilles,
Les bicyclettes glissant commes des aiguilles
Dans de l’étoffe,
les grelots,
Les coups de fouet, les cris des marchands de journaux
Ont vite anéanti mon âme douloureuse.

Je m’abandonne tout au rythme des passants,
L’unanime frémit autour de ma cervelle.
Comment savoir si j’ai un cœur qui a aimé.
Quand la foule remue et que je suis en elle ?

Ardent comme un vivant, mais serein comme un mort,
Je n’ai plus de passé, d’avenir ni de sort,
J’ai de la joie et du bon néant dans la gorge.

 

 

L’essieu d’un tombereau

L’essieu d’un tombereau grince et le cheval bute.
Au coin du mur un enfant pleure. Il s’est perdu.
Il croit que c’est fini pour toujours ; que son père
Meurt englué parmi les grouillements épais
De la foule.
Beaucoup de femmes ont des crêpes.
Le ciel est du charbon broyé sur de la craie.

L’entonnoir de la rue est mousseux de bruits âcres.
L’univers marche ayant la tête dans un sac.

Je cherche.
L’enfant pleure.
Le tombereau grince.

 

 
Jules Romains (26 augustus 1885 – 14 augustus 1972)

Lees meer...

25-08-17

Martin Amis, Kees Stip, Howard Jacobson, Charles Wright, Maxim Biller, Frederick Forsyth, Jògvan Isaksen, Johann Gottfried von Herder, Thea Astley

 

De Engelse schrijver Martin Amis werd geboren op 25 augustus 1949 in Cardiff, South Wales. Zie ook alle tags voor Martin Amis op dit blog en ook mijn blog van 25 augustus 2010.

Uit: Het interessegebied (Vertaald door Janneke van der Meulen)

“Ik was niet onbekend met de bliksemflits; ik was niet onbekend met de donderslag. Benijdenswaardig ervaren in deze zaken, was ik niet onbekend met de wolkbreuk – de wolkbreuk, en daarna de zonneschijn en de regenboog.
Ze kwam terug uit de oude stad met haar twee dochters, en ze bevonden zich al een flink eind binnen het Interessegebied. Een lange laan – haast wel een zuilengang – strekte zich uitnodigend voor hen uit, omzoomd door esdoorns, waarvan de takken en het gelobde loof zich hoog in de lucht met elkaar verstrengelden. Een namiddag hartje zomer, met miniem glinsterende muggen... Mijn notitieboekje lag opengeslagen op een boomstronk, en een lichte bries neusde nieuwsgierig door de bladzijden.
Lang, breedgebouwd, welgevuld en toch lichtvoetig, in een geschulpte, enkellange witte jurk, met een zachtgele strohoed met een zwart lint op en zwaaiend met een strooien tas (de meisjes, eveneens in het wit, droegen ook een strohoed en een strooien tas), bewoog ze zich in en uit vlagen donzige, geelbruine, leeuwachtige warmte. Ze lachte – hoofd in de nek, gespannen hals. Parallel aan haar hield ik gelijke tred, in mijn sobere tweed jasje en gekeperde pantalon, met mijn klembord en vulpen.
Nu stak het drietal de oprit van de manege over. Terwijl haar kinderen plagerig om haar heen dartelden, passeerde ze de decoratieve windmolen, de meiboom, de galg met drie wielen, het trekpaard dat losjes was vastgemaakt aan de ijzeren waterpomp, en liep toen verder.
Het Ka Zet in, Ka Zet I in.
Er gebeurde iets bij die eerste aanblik. Bliksem, donder, wolkbreuk, zonneschijn, regenboog – de meteorologie van de eerste aanblik.
Haar naam was Hannah – mevrouw Hannah Doll.
In de officiersclub, gezeten op een paardenharen sofa, omringd door bronzen paardentuig en paardenprenten en onder het genot van ersatzkoffie (koffie voor paarden) zei ik tegen Boris Eltz, met wie ik al mijn leven lang bevriend was: ‘Heel even was ik weer jong. Het leek wel liefde.’

 

 
Martin Amis (Cardiff, 25 augustus 1949)

Lees meer...

24-08-17

John Green, Drs. P, Marion Bloem, Pepijn Lanen, Stephen Fry, Jorge Luis Borges, A. S. Byatt, Sascha Anderson, Johan Fabricius

 

De Amerikaanse schrijver John Green werd geboren in Indianapolis, Indiana, op 24 augustus 1977. Zie ook alle tags voor John Green op dit blog.

Uit:The Fault in Our Stars

“Late in the winter of my seventeenth year, my mother decided I was depressed, presumably because I rarely left the house, spent quite a lot of time in bed, read the same book over and over, ate infrequently, and devoted quite a bit of my abundant free time to thinking about death.
Whenever you read a cancer booklet or website or whatever, they always list depression among the side effects of cancer. But, in fact, depression is not a side effect of cancer. Depression is a side effect of dying. (Cancer is also a side effect of dying. Almost everything is, really.) But my mom believed I required treatment, so she took me to see my Regular Doctor Jim, who agreed that I was veritably swimming in a paralyzing and totally clinical depression, and that therefore my meds should be adjusted and also I should attend a weekly Support Group.
This Support Group featured a rotating cast of characters in various states of tumor-driven unwellness. Why did the cast rotate? A side effect of dying.
The Support Group, of course, was depressing as hell. It met every Wednesday in the basement of a stone-walled Episcopal church shaped like a cross. We all sat in a circle right in the middle of the cross, where the two boards would have met, where the heart of Jesus would have been.
I noticed this because Patrick, the Support Group Leader and only person over eighteen in the room, talked about the heart of Jesus every freaking meeting, all about how we, as young cancer survivors, were sitting right in Christ’s very sacred heart and whatever.
So here’s how it went in God’s heart: The six or seven or ten of us walked/wheeled in, grazed at a decrepit selection of cookies and lemonade, sat down in the Circle of Trust, and listened to Patrick recount for the thousandth time his depressingly miserable life story—how he had cancer in his balls and they thought he was going to die but he didn’t die and now here he is, a full-grown adult in a church basement in the 137th nicest city in America, divorced, addicted to video games, mostly friendless, eking out a meager living by exploiting his cancertastic past, slowly working his way toward a master’s degree that will not improve his career prospects, waiting, as we all do, for the sword of Damocles to give him the relief that he escaped lo those many years ago when cancer took both of his nuts but spared what only the most generous soul would call his life.
AND YOU TOO MIGHT BE SO LUCKY!
Then we introduced ourselves: Name. Age. Diagnosis. And how we’re doing today. I’m Hazel, I’d say when they’d get to me. Sixteen. Thyroid originally but with an impressive and long-settled satellite colony in my lungs. And I’m doing okay.”

 

 
John Green (Indianapolis, 24 augustus 1977)

Lees meer...