09-01-15

Bas Heijne, Benjamin Lebert, Wessel te Gussinklo, Simone de Beauvoir, Theodor Holman, Danny Morrison, Kurt Tucholsky

 

De Nederlandse schrijver, essayist, columnist en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Bas Heijne op dit blog.

Uit: Angst en schoonheid. Louis Couperus, mystiek der zichtbare dingen

“Beide boeken van Couperus die tijdens die zomermiddag met de studenten ter sprake kwamen – Noodlot als jeugdwerk, Van oude mensen als het werk van een schrijver op de toppen van zijn kunnen – zitten vol ervaringen, tragische en komische. Ze gaan over mensen met bij uitstek herkenbare emoties: jaloezie, verlangen, wreedheid, moordlust, geilheid, benauwdheid, onvrede, benepenheid, wanhoop, angst voor het leven, angst voor de dood, allemaal ingebed in voor ons nog herkenbare situaties.
Over die Couperus gaat dit essay. Het is geen biografische schets en ook geen literaire studie. Het is geen zelfhulpboek, waarmee Couperus weer aantrekkelijk gemaakt moet worden voor niet-lezers, door hem uit zijn literaire context te halen en te doen alsof hij ons tips geeft voor een gelukkiger leven –
Hoe Couperus je leven kan veranderen. Bij Couperus is de inzet altijd een dieper bewustzijn, een uitnodiging om beter te zien, het voelbaar maken van ambivalenties.
De vraag voor mij is niet waar Couperus het vandaan haalde, maar wat hij ermee gedaan heeft.
De stille kracht is een meesterwerk, maar als de roman alleen zou gaan over de fatale berekendheid van de Hollandse koloniale onderneming in Indië, zou die ons nu weinig meer te zeggen hebben.
Ik lees Couperus dan ook persoonlijk. De feiten van zijn leven gebruik ik alleen voor zover ze volgens mij licht werpen op zijn thema’s, zijn blik.
Waarom legde hij er in zijn feuilletons zo veel eer in echte omstandigheden te mengen met mensen en gebeurtenissen die verzonnen waren? En waarom loog hij in 1913 tegen zijn uitgever L.J. Veen, toen hij hem schreef dat zijn Italiaanse vriend de reis naar Spanje voor hem en zijn vrouw Elisabeth had betaald? Als deze Orlando, die in zo veel van zijn Franse en Italiaanse feuilletons opduikt, inderdaad een grotendeels verzonnen figuur blijkt te zijn, waarom verzon Couperus hem dan, zo laat in zijn leven, als rustige, viriele
imaginary friend? In hoeverre kan een kunstenaar die door kenners van zijn leven en werk ‘narcistisch’ en ‘egocentrisch’ genoemd wordt, zich oprecht het lot van de lijdende mensheid aantrekken? Waarom zijn de zelfportretten in zijn romans zo dodelijk – intelligente en fijnzinnige, maar uiteindelijk steriele estheten als Vincent in Eline Vere, Paul in De boeken der kleine zielen en Lot in Van oude mensen?
En waarom wisselde Couperus zijn grote psychologische romans zo gretig af met een zwaar symbolistisch proza, dat, zoals hij het zelf uitdrukte, slechts ‘la beauté pour soi-même’ leek na te streven? Dat hij de gekunstelde poëzie, waarmee hij zijn loopbaan als schrijver begon, van de ene dag op de andere opzijschoof voor de psychologische diepteboring die Eline Vere is, laat zich niet enkel en alleen verklaren door zijn jeugdigheid – de jonge schrijver die na een al te romantisch begin zijn ware talent ontdekt. Daarvoor laat de mooischrijver zich daarna nog te vaak zien.”

 

 
Bas Heijne (Nijmegen, 9 januari 1960)

Lees meer...

08-01-15

Juan Marsé, Waldtraut Lewin, Gaston Miron, Leonardo Sciascia, Alfred Tomlinson, Vasyl Stus

 

De Catalaanse schrijver Juan Marsé werd geboren op 8 januari 1933 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Juan Marsé op mijn blog.

Uit: De laatste middagen met Teresa (Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu)

‘Ze had zo’n kleine persoonlijke chaos om zich heen, als bevestiging van het bestaan van de ware, solide luxe – de ceintuur van haar jas viel er bijna helemaal uit en sleepte met de gesp over de grond, uit haar ene jaszak piepte een roodzijden hoofddoek, haar blonde haar hing voor haar gezicht, en ze probeerde haar ene schoen, die tijdens het hollen was uitgegaan, met nerveuze bewegingen weer aan haar voet te krijgen -, een charmante slordigheid in de details die duidelijk aangeeft dat ze zich geen zorgen hoeft te maken over geld, vertrouwen heeft in haar eigen schoonheid en een intens, gepassioneerd en veelbelovend innerlijk leven heeft; een extra charme bij mensen die al door de natuur en de fortuin worden verwend.’
(…)

De feestelijke sfeer van de avond, met zijn vrolijke opwinding en drukte, gaf weinig aanleiding tot angst, en al helemaal niet in die buurt, maar toch kon een groepje elegant geklede paren dat toevallig langs de jongeman liep, een licht gevoel van onbehagen niet onderdrukken dat soms ontstaat door een amper waarneembare breuk in de orde: wat opviel aan de jongen was de serieuze schoonheid van zijn zuidelijke trekken en een zekere onrustbarende onbeweeglijkheid die op een merkwaardige manier in verband – liever gezegd in een verdacht evenwicht – stond met de prachtige auto."

 

 
Juan Marsé (Barcelona, 8 januari 1933)

Lees meer...

07-01-15

Frans Kellendonk, Dionne Brand, Sofi Oksanen, Henk van Zuiden, Shobhaa Dé, Marie Desplechin

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Frans Kellendonk werd geboren in Nijmegen op 7 januari 1951. Zie ook alle tags voor Frans Kellendonk op dit blog.

Uit: Mystiek Lichaam

“‘De medische ziekte sloeg een tweespalt in de jongen. Hij verhield zich tot zijn lichaam alsof hij het delen moest met een Siamese tweelingjongen die ziek was. Die ander moest maar verstandig zijn, vond hij, en het ervan nemen in het jaar dat hem restte, een wereldreis gaan maken of gaan vissen in Canada. Zelf wenste hij aan de ziekte geen concessies te doen.
Op één punt moest hij toch toegeven. Elke twee weken legde hij tegen heug en meug een bezoek af aan Klein-Transsylvanië, zoals hij de bloedkankerkliniek noemde. De deernis had bij de behandelende geneesheer het veld geruimd voor solidariteit met de zieke tweelingjongen, voor verraad dus. Wie door zijn eigen lichaam is verraden heeft geen medestanders meer. De arts geloofde even halsstarrig in de sterfelijkheid van zijn patiënt als de patiënt er zelf aan twijfelde. De controles waren veldslagen in een geloofsstrijd, waarbij de arts de werkelijkheid van de ziekte en de jongen die van de gezondheid verdedigde. Hij kwam elke keer deerlijk geblutst van het slagveld.’ (...) ‘Hij lag op bed in een pyjama, kledingstuk dat hij bij welzijn nooit had gedragen, uniform der moribunden. De dekens waren teruggeslagen en er was veel pyjama, weinig jongen.’

 

 
Frans Kellendonk (7 januari 1951 – 15 februari 1990)

Lees meer...

Reginald Gibbons

 

De Amerikaanse dichter, redacteur en hoogleraar Reginald Gibbons werd geboren in Houston op 7 januari 1947. Zijn moeder was Pools en zijn vader had deels Iers, deels Choctaw bloed. Gibbons studeerde magna cum laude af aan Princeton University in 1969 met een graad in Spaans en Portugees en ontving de Morris Croll Prize voor Poëzie. Vervolgens ging hij naar Stanford, waar hij zijn MA in Engels en Creatief Schrijven behaalde en in 1971 promoveerde in Vergelijkende Literatuurwetenschap Gibbons is de auteur van meer dan een half dozijn dichtbundels, waaronder “Sparrow”n New and Selected Poems“ (1997), winnaar van de Balcones Poëzieprijs en “Creatures of a Day” (2008), finalist voor de National Book Award. Hij is bekroond met de John Masefield Award van de Poetry Society of America. Hij heeft beurzen ontvangen van de Guggenheim Foundation, het Fulbright Program en de National Endowment for the Arts. Gibbons was redacteur van het tijdschrift TriQuarterly in de periode 1981-1997, gedurende welke tijd hij mede-oprichter en redacteur was van TriQuarterly Books. Hij werkte ook als columnist voor The American Poetry Review. Gibbons publiceerde ook korte verhalen en kritische essays, alsmede vertalingen van Spaanse en Mexicaanse poëzie en oude Griekse tragedies. Zijn eerste roman, “Sweetbitter” (1994), won de Anisfield-Wolf Book Award. Gibbons heeft gedoceerd aan de Princeton University, Northwestern University, en aan Warren Wilson College.

 

Luckies

The loop of rusty cable incises  
its shadow on the stucco wall.  
My father smiles shyly and takes  
one of my cigarettes, holding it

awkwardly at first, as if it were
a dart, while the yard slowly
swings across the wide sill of daylight.  
Then it is a young man’s quick hand

that rises to his lips, he leans against the wall,  
his white shirt open at the throat,
where the skin is weathered, and he chats  
and daydreams, something he never does.

Smoking his cigarette, he is even  
younger than I am, a brother who  
begins to guess, amazed, that what  
he will do will turn out to be this.

He recalls the house he had
when I was born, leaning against it  
now after work, the pale stucco
of memory, 1947.

Baby bottles stand near the sink inside.  
The new wire of the telephone, dozing  
in a coil, waits for the first call.
The years are smoke.

 

 

 
Reginald Gibbons (Houston, 7 januari 1947)

18:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: reginald gibbons, romenu |  Facebook |

06-01-15

Es führt drei König Gottes Hand (Friedrich von Spee)

 

Bij het feest van Driekoningen

 

 
Aanbidding door de Drie Koningen, Jacopo Bassano, ca. 1575 - 1580

 

 

Es führt drei König Gottes Hand

Es führt drei König Gottes Hand
mit einem Stern aus Morgenland
zum Christkind durch Jerusalem
zur Davids Stadt nach Bethlehem.
Gott, führ auch uns zu diesem Kind
und mach aus uns sein Hofgesind!

Aus Morgenland in aller Eil
sie reisten weit, viel hundert Meil.
Sie zogen hin zu Land und See,
bergauf, bergab, durch Reif und Schnee.
Zu dir, o Gott, die Pilgerfahrt
uns dünke nie zu schwer und hart.

Sie kehrten bei Herodes ein,
am Himmel schwand des Sternes Schein;
doch wie zum Kind sie eilig gehen,
den Stern sie auch von neuem sehn.
Gott, lass das Licht der Gnad uns schaun,
auf deine Führung fest vertraun!

Und überm Haus wo's Kindlein war
stand still der Stern, so wunderbar;
da knien sie und weih'n dem Kind
Gold, Weihrauch, Myrrh' zum Angebind.
Gott, nimm von uns als Opfergut
Herz, Leib und Seele, Ehr und Blut!

Durch Weihrauch stellten fromm sie dar,
dass dieses Kind Gott selber war;
die Myrrh' auf seine Menschheit wies,
das Gold die Königswürde pries.
O Gott, halt uns bei dieser Lehr;
dem Irrtum und dem Abfall wehr!

 

 

 
Friedrich von Spee (25 februari 1591 – 7 augustus 1635)
Kaiserpfalz in Kaiserswerth. Friedrich von Spee werd geboren in Kaiserswerth.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 6e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

15:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: driekoningen, friedrich von spee, romenu |  Facebook |

Khalil Gibran, Hester Knibbe, Romain Sardou, Carl Sandburg, Jens Johler, Ivan Olbracht

 

De Libanese dichter en romanschrijver Khalil Gibran werd geboren op 6 januari 1883 in Bischarri. Zie ook alle tags voor Khalil Gibran op dit blog.

 

Dat ik de naam mag zijn van jouw verlangen

Dat ik de naam mag zijn van jouw verlangen
wekt in mij een nog nooit vermoede kracht.
Jij hebt mij bij mijn eigen bron gebracht
en stromen mag ik, vrij en onbevangen.

Jij brak mijn doolhof van gedachten open
en hebt mij stapvoets uit mijzelf ontward.
Gretig je gangen gravend naar mijn hart
ben jij op wat ik zelf niet wist gestoten.

Het vuur dat smeulde en vergeten brandde
onder de as, riep jij in mij terug.
De vonk herleeft, geeft aan zijn vlammen lucht
en ik ontvang mijn vrijheid uit jouw handen.

Dat ik de naam mag zijn van jouw verlangen
heeft heel het harnas om mijn ziel gekraakt.
Ik weet mij aan mijn naakte huid geraakt
die, niet verborgen meer, nu alle licht wil vangen.

 

Vertaald door Sonja Roskamp

 

 
Khalil Gibran (6 januari 1883– 10 april 1931)
Monument in Washington

Lees meer...

05-01-15

Umberto Eco, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong'o, László Krasznahorkai, Luisa Futoransky, Forough Farokhzad

 

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Baudolino (Vertaald door Burkhart Kroeber)

"In jenen Tagen des Wartens, Kyrios Niketas, war ich von gegensätzlichen Gefühlen beherrscht. Ich brannte vor Begierde, sie wiederzusehen, ich fürchtete, sie nie wiederzusehen, ich sah sie umstellt von tausend Gefahren, mit einem Wort, ich machte alle Gefühle durch, die zur Liebe gehören, nur nicht die Eifersucht."
"Hast du nicht daran gedacht, daß die Große Mutter sie gerade jetzt zu den Befruchtern schicken könnte?"
"Ein solcher Zweifel ist mir nie gekommen. Vielleicht dachte ich, weil ich wußte, wie sehr ich inzwischen der ihre war, sie sei in solchem Grade die meine, daß sie es ablehnen würde, sich von anderen berühren zu lassen. Ich habe lange darüber nachgedacht, hinterher, und bin zu dem Schluß gekommen, daß vollkommene Liebe keinen Platz für Eifersucht läßt. Eifersucht ist Verdacht, Furcht und Verleumdung zwischen Liebenden, und der Apostel Johannes hat gesagt, daß die vollkommene Liebe alle Furcht vertreibt. Ich empfand keine Eifersucht, aber ich versuchte ständig, mir ihr Gesicht vor Augen zu halten, und es gelang mir nicht. Ich erinnerte mich an das, was ich empfunden hatte, wenn ich sie ansah, aber ich konnte sie mir nicht vorstellen. Dabei tat ich während unserer Begegnungen nichts anderes, als sie unverwandt anzusehen . . ."
"Ich habe gelesen, daß es heftig Liebenden so ergeht . . .", sagte Niketas mit der Verlegenheit dessen, der eine so überwältigende Leidenschaft nie selber erfahren hat. "Ist es dir bei Beatrix und bei Colandrina nicht so ergangen?"
"Nein, nicht in dem Maße, daß es mich so hätte leiden lassen. Ich glaube, bei Beatrix habe ich vor allem die Idee der Liebe kultiviert, ich brauchte kein reales Gesicht, und außerdem hätte ich es als Sakrileg empfunden, mir ihre körperlichen Züge vorzustellen. Was Colandrina betraf, so ist mir klargeworden - nachdem ich Hypatia kennengelernt hatte -, daß es bei ihr keine Leidenschaft war, sondern eher Freude, Zärtlichkeit, innigste Zuneigung, wie ich sie, Gott vergebe mir, für eine Tochter oder eine kleine Schwester hätte empfinden können.

 

 
Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

Lees meer...

Peter Zingler

 

De Duitse schrijver en scenarist Peter Zingler werd geboren op 5 januari 1944 in Chemnitz. Zingler kwam vlak na zijn geboorte in een kindertehuis en zijn moeder gaf hem ter adoptie. Hij werd verwekt tijdens een one-night stand bij een luchtalarm. Zijn moeder verzweeg de geboorte voor haar familie. Vanwege zijn Joodse achternaam in die tijd werden er geen adoptie-ouders gevonden. Toen zijn grootmoeder anderhalf jaar later hoorde over zijn geboorte haalde zij hem uit het kindertehuis naar Keulen. Terwijl zijn oma zichzelf als zijn moeder uitgaf bekommerde zijn echte moeder zich niet om hem. Toen hij tien jaar was vernam hij dat zijn vermeende zus zijn echte moeder was. Al toen hij vier jaar oud was nam zijn grootmoeder hem in 1948 mee naar België om te hamsteren. Hij begon als kind al te stelen en hielp bij het smokkelen. Op zijn vijftiende zat hij voor het eerst in de gevangenis. Bij tal van inbraken stal hij in de 30 jaar die volgden vooral luxe goederen. Wroeging voelde hij nooit. Het verhaal van zijn familie na de Tweede Wereldoorlog werd verteld in de film “Die Himmelsleiter” en uitgezonden door de ARD. Zingler zat meer dan tien jaar als professionele inbreker in gevangenissen in verschillende landen. Tijdens zijn laatste gevangenschap in een open gevangenis in de JVA Dieburg begon hij te schrijven. Eerst typische gevangenisliteratuur als erotische verhalen, maar hij kon deze aan Penthouse en Playboy verkopen. Hij werd aangemoedigd door de oprichters van Romanfabrik en in 1989 ontving hij de Ingeborg Drewitz Literatuurprijs voor gevangenen en Risse im Fegefeuer verscheen in de eerste bloemlezing. Ook schreef hij vanaf 1985 tot heden scenario's voor meer dan 70 films en televisiefilms, waaronder series zoals "Tatort" "Schimanski" of "Ein Fall für zwei". Zijn ZDF tv-film " Tödliche Wende " werd bekroond met de Gouden Leeuw en de Golden Gong. Zijn Tatort-aflevering: "Kinderspiel" werd in 1993 met de Grimme Prijs bekroond.

Uit: Der Puffpoet

„Die sogenannte Erste-Gang-Kurve auf der Rennstrecke von Spa-Francorchamps in Belgien liegt nur einige hundert Meter vor der Zieldurchfahrt. Im Gegensatz zu den meisten Hochgeschwindigkeitsstrecken des Kurses sind die Rennfahrer auf ihren Kawasakis, Moto Guzzis, Hondas oder wie sie auch immer heißen gezwungen, stark abzubremsen. Für die Zuschauer, die sonst nur bunte Schatten vorbeiflitzen sehen, bei denen allenfalls noch die Startnummern zu erkennen sind, scheint es Zeitlupentempo im Rennfilm zu sein. Der Bremsvorgang lässt die Maschinen vorne einknicken wie Gäule, deren Zügel scharf angezogen werden; der Fahrer richtet seinen Oberkörper über die Verkleidung auf, um dem Wind stärkeren Widerstand entgegenzusetzen, und die durch Herunterschalten gepeinigte Maschine wehrt sich mit Fauchen, Knallen und langen Feuerlanzen, die durch den Auspuff schießen. Schemenhaft werden unter Schutzhelmgläsern Gesichter erkennbar, vermummt wie der Chirurg, der im Ernstfall mit frisch geschliffenem Messer bereits im Kreiskrankenhaus auf die Fahrer wartet. Oberkörper nicken nach innen, kurze Helmschwenks bringen den Piloten Gewissheit über den Abstand zum Verfolger, bevor sie sich wieder auf die Maschinen kauern und beschleunigen.
Lina stand etwa 50 Meter unterhalb dieser Kurve. Ihr Blick klebte an den lederverhüllten Beinen, deren ruckartige Bewegungen ihr zeigten, dass die Fahrer, wenn sie an ihr vorbeikamen, bereits wieder den dritten Gang eingelegt hatten. Das Donnern und Aufheulen, vermischt mit dem Geruch verbrannten Benzins und Gummis, zogen durch Linas Nase und Ohren direkt in ihren Unterleib.
Sie trat von einem Fuß auf den anderen, rieb, ohne es zu merken, die Schenkel aneinander, träumte, sie säße auf der harten Sitzbank einer schweren Rennmaschine und schwebte während des gesamten Rennens in einer latenten Geilheit, die sich nicht löste.
Auch Theo, ihr Freund, konnte daran nichts ändern. Er stand, eher missmutig, denn begeistert, neben ihr und betrachtete den Rennverlauf nicht anders, als hockte er daheim vor dem Fernseher im Sessel.“

 

 
Peter Zingler (Chemnitz, 5 januari 1944)

19:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: peter zingler, romenu |  Facebook |

04-01-15

Gao Xingjian, David Berman, Emil Zopfi, Fernand Handtpoorter, Doris Kearns Goodwin

 

De Chinese schrijver Gao Xingjian werd geboren op 4 januari 1940 in Ganzhou, in de provincie Jiangxi. Zie ook alle tags voor Gao Xingjian op dit blog.

Uit: Soul Mountain

“Your friend opposite has closed his eyes and is dozing. Like anyone else, you can’t help being curious and naturally want to know which famous places you’ve missed on your travels. Also, you like doing things properly and it’s annoying that there’s a place you haven’t even heard about. You ask him about the location of Lingshan.
"At the source of the You River," he says opening his eyes.
You don’t know this You River, either, but are embarrassed about asking and give an ambiguous nod which can mean either "I see, thanks" or "Oh, I know the place." This satisfies your desire for superiority but not your curiosity. After a while you ask how to get there and the route up the mountain.
"Take the train to Wuyizhen, then go upstream by boat on the You River."
"What’s there? Scenery? Temples? Historic sites?" you ask, trying to be casual.
"It’s all virgin wilderness."
"Ancient forests?"
"Of course, but not just ancient forests."
"What about Wild Men?" you say, joking.
He laughs but without any sarcasm, and he doesn’t seem to be making fun of himself which intrigues you even more.
You have to find out more about him.
"Are you an ecologist? A biologist? An anthropologist? An archaeologist?"
He shakes his head each time then says, "I’m more interested in living people."
"So you’re doing research on folk customs? You’re a sociologist? An ethnographer? An ethnologist? A journalist, perhaps? An adventurer?"
"I’m an amateur in all of these."
The two of you start laughing.
"I’m an expert amateur in all of these!"
The laughing makes you and him cheerful. He lights a cigarette and can’t stop as he tells you about the wonders of Lingshan. Afterwards, at your request, he tears up his empty cigarette box and draws a map of the route up Lingshan.”

 

 
Gao Xingjian (Ganzhou, 4 januari 1940)

Lees meer...

Andreas Altmann, Max Eastman, Daniel Mursa, Markus Seidel, Jacob Grimm

 

De Duitse dichter en schrijver Andreas Altmann werd geboren in Hainichen (Sachsen) op 4 januari 1963. Zie ook alle tags voor Andreas Altmann op dit blog.

 

grenz wald

du blickst der grenze durch die augen. streu
siedlung, die verwesende haut der häuser.
du in den zimmern als kind. dahinter wege,
die sich um die blicke schnüren. magen
beschwerden vom kleiner werden. der wald
mit den schüssen auf dich gerichtet.

der vater müde vom schweigen. die mutter
müde vom schweigen. kein wort,
das zurück führt. sie kehren nicht heim
bis zum tod, der einen augenblick über
die zeit reicht. die grenze beginnt
in den augen davor. soldaten, papiere, ich

bin zu fuß mit den augen des vaters,
der meine hand fester drückt, und die perlen
auf mutters wimpern, die ich aufheb in leeren
zigarrenkartons und die beschlagen
bei jedem öffnen unter dem bett. im wald
sind gewehre vergraben, hat mir einer erzählt

ohne namen, seitdem sind die bäume
in den himmel geschossen, der hier verschwand.
ich achte nur auf den weg, daß ich heraus
find, bevor der abend sich aufstellt.
nur wenn ich allein bin im zimmer, schlaf ich
mit licht ein, das sich zerstreut.

 

 
Andreas Altmann (Hainichen, 4 januari 1963)

Lees meer...

Svend Fleuron, Maurice Mac-Nab, Mite Kremnitz, Rajvinder Singh

 

De Deense schrijver Svend Fleuron werd geboren op 4 januari 1874 op het landgoed Katrinedal bij Keldby. Zie ook alle tags voor Svend Fleuron op dit blog.

Uit: Kittens : A Family Chronicle (Vertaald door David Pritchard)

“One afternoon very early in spring a small, snow-white he-cat came strolling carelessly along the road. His ears were thrust forward, betraying his interest in something ahead: he meant to take a walk round the farm, whither the road led . . . there was a grey puss there who attracted him!
He ought to have been more cautious, the little white dwarf! A giant cat, a coloured rival, with the demon of passion seething in his blood and hate flaming from his eyes, caught sight of the hare-brained fellow from afar off and straight-way guessed his errand.
With rigid legs, lowered head, and loins held high, he comes rushing from behind . . . runs noiselessly over the soft grass at the side of the road and overhauls the other un-perceived.
With one spring he plants all his foreclaws deep in the flesh of the smaller cat, who utters a loud wail and collapses on the ground.
The big one maintains his grip on his defeated foe's shoulder, crushing him ruthlessly in the dust. Then he presses back his torn ears, giving an even more hateful expression to the evil eyes, and lowering his muzzle, gloatingly he howls his song of victory straight into his fallen rival's face.
For a good quarter of an hour he continues to martyr his victim, who is too terrified to move a muscle; he tears the last shred of self-respect and honour from the coward—then releases him and stalks before him to the farm, without deigning to throw him another glance. He was too despicable a rival, the little white mongrel! The big, spotted he-cat considered it beneath his dignity even to thrash him.”



Svend Fleuron (4 januari 1874 – 5 april 1966)

Cover

Lees meer...

Hellmuth Karasek

 

De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschap Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. De familie Karasek vluchtte in 1944 tijdens WO II voor het Rode Leger van het Silezische Bielsko naar Duitsland en kwam via tussenstations in Bernburg terecht. Eerder was Karasek lid van de Hitlerjugend geweest. Zijn middelbare schoolperiode (1948-1952) in Bernburg heeft hij literair verwerkt in zijn boek “Auf der Flucht”. Na zijn eindexamen in 1952 verhuisde Karasek van de DDR naar de Bondsrepubliek Duitsland. Hij studeerde Duitse literatuur, geschiedenis en Engels aan de Universiteit van Tübingen. Karasek begon zijn journalistieke carrière bij de Stuttgarter Zeitung. Daarna was hij een jaar hoofd dramaturgie aan het Württembergische Staatstheater Stuttgart en vanaf 1968 theatercriticus voor het weekblad Die Zeit. Tussen 1974 en 1996 leidde Karasek de culturele afdeling van het tijdschrift Der Spiegel, Zijn ervaring verwerkte hij in 1998 in de roman “Das Magazin”. Na Der Spiegel was hij tot 2004 mede-redacteur van de Berlijnse krant Der Tagesspiegel. Karasek woonde in Hamburg en werkte voor de krant Die Welt, Welt am Sonntag en de Berliner Morgenpost van Axel Springer SE, maar was ook vaak te zien in verschillende televisieprogramma's. Zo trad hij onder andere, in alle edities van het RTL programma Die 5-Millionen-SKL-Show als prominente sponsor van de kandidaten op. Gedurende de lange periode van 1988 tot 2001 was Karasek vaste deelnemer van het ZDF-programma Das Literarische Quartett onder de dominante leidiing van Marcel Reich-Ranicki. In 1992 werd Karasek honorair hoogleraar bij de afdeling Theater Studies van de Universiteit van Hamburg.
Uit zijn tweede huwelijk met Armgard Seegers heeft Karasek vier kinderen, waaronder de regisseur en artistiek leider Daniel Karasek en de advocaat en schrijver Laura Karasek-Briggs. Zijn jongere broer was de schrijver Horst Karasek.

Uit: Frauen sind auch nur Männer

“Normalerweise reden wir, »wie uns der Schnabel gewachsen ist«, wir nehmen dabei »kein Blatt vor den Mund« – während wir offiziell bei Feiern, Reden, Ansprachen »nach der Schrift« reden, sogenanntes »Schriftdeutsch«. Manch- mal heißt es auch, dass wir »wie gedruckt« lügen.
Jetzt geht’s einmal nicht» hochdeutsch« zu,also rechtschreiberisch rechthaberisch, nicht dudenmäßig, sondern phonetisch, gebabbelt, genuschelt, gequatscht, gesabbert. Wie der Volksmund spricht.
Die folgende Geschichte sollte am besten laut gelesen werden, mit allen Tücken und Weichheiten der sächsischen Sprache: Da bestellte eine Frau telefonisch ein Flugticket von Leipzig nach Porto. Und bekam ein Ticket nach Bordeaux. Bordeaux in Südfrankreich, Porto in Portugal.
Oder war’s umgekehrt, sie wollte nach Bordeaux und be- kam eins nach Porto? Ist ja egal, gehupft wie gesprungen, denn offenbar sprach sie Bordeaux oder Porto gleich aus, als Bordo, eben sächsisch. Und da saß sie nun mit ihrem falschen »Ticket«, respektive »Digged«, und bekam es nicht getauscht. Ein Schicksal aus Sachsen, wo harte Männer im Liebesrausch schon mal stöhnen: »Gib mir wilde Diernamen, nenn misch Buma!« Auf Hochdeutsch: Puma.
In Sachsen hat der Satz »Rechenwärmer kriechen« zweierlei Bedeutung. Er kann biologisch sein: »Regenwürmer kriechen«. Oder meteorologisch: »Regen werden wir kriegen.« Je nachdem. Ähnlich beinlos weichtierhaft wie in der sächsischen Artikulation geht es nur noch im Hessischen zu, wo Goethe im »Faust« »Ach neige, du Schmerzensreiche« dichtet: »Ach neiche«, sagt Gretschen im Gebet. Damit es sich auf die »schmerzensreiche« Himmelskönigin reime. Oder Goethes berühmte letzte Worte: »Mehr Licht!«, soll der Olympier gesagt haben. Aber sagen wollte er: »Mer licht hier schlescht.« Man liegt hier schlecht; da fuhr ihm der Tod in die Parade.
Auch der »Struwwelpeter«-Autor Dr. Heinrich Hoffmann babbelte eindeutig hessisch weich und dichtete über den fliegenden Robert: »Hui, wie pfeift der Sturm und keucht – dass der Baum sich niederbeugt.« Was sich auf Hessisch  tatsächlich reimt.
In Sachsen gibt es die Geschichte vom Zoologie-Professor, der angeblich alle Studenten nur über Würmer examinierte. Also lernten sie nur über diese Griechdiere. Er fragt den Ersten, oh, Schreck!, überraschend nach den Elefanten. Der sagt: »Der Elefant ist groß und hat einen Rüssel. Der Rüssel ist wie ein Wurm. Die Würmer zerfallen in die Faden-, Band- und Spulwürmer ...«, und dann rasselt und kellerasselt es nur so. Den Zweiten fragt er nach den Löwen.Der antwortet erschrocken:» Der Löwe lebt in Afrika. In Afrika ist es wärmer. Die Wärmer zerfallen in die Faden-, Band- und Spulwärmer ...«

 

 
Hellmuth Karasek (Brno, 4 januari 1934)

18:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hellmuth karasek, romenu |  Facebook |

03-01-15

Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Drieu la Rochelle

 

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

 

Eiken

Eiken zijn de bomen van het dies irae;
als de grond breekt zullen zij,
over het land gezaaiden, toekijken
met een oud, houten gezicht
dat onbewogen blijft:

te veel stormwind is in
hun taaie takkenkroon verstard;
zij zijn niet meer verstoord
door groei, dat eeuwenoud tumult
en in hun stilstand glanst niets op
van minachting, van deernis
met het oude land,
alleen geduld.

En vliegen dan zielen der geredden
als briljante edelgassen
naar hun maker; schieten verdoemden,
brandend van de diarree, voorbij
koude, ijzerharde wortels
dieper in de grond:

zij hebben het gezien,
zij hebben het gehoord,
zij doen niet mee.

 

 

Levensverhaal

Toen hij geboren was begon het al:
zijn moeder had de bijsluiter verloren.

Nooit wist hij waartoe dit
of dat dienen moest. Hoewel
hij toch kon raden
liep het steeds verkeerd.

Zijn vrienden durfde hij niet vragen:
in hun jeugd hadden die goed
hun eigen voorschriften gelezen
en die toen verbrand.

Iedereen hield alles maar geheim
en deed volmaakt wat hij niet kon:
ze lachten hem al op de speelplaats uit:

een tegenstrijdigheid, verlamd
en huilend in de zon.

 

 
Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

Lees meer...

Henry Handel Richardson, Xavier Orville, Jacob Balde, Wolf von Aichelburg, Elsa Asenijeff, John Gould Fletcher

 

De Australische schrijfster Henry Handel Richardson (eig. Ethel Florence) werd geboren op 3 januari 1870 in Melbourne. Zie ook alle tags voor Henry Handel Richardson op dit blog.

Uit: Australia Felix

“That had been the hardest job of any: keeping the party together. They had only been eight in all--a hand-to-mouth number for a deep wet hole. Then, one had died of dysentery, contracted from working constantly in water up to his middle; another had been nabbed in a manhunt and clapped into the "logs." And finally, but a day or two back, the three men who completed the nightshift had deserted for a new "rush" to the Avoca. Now, his pal had gone, too. There was nothing left for him, Long Jim, to do, but to take his dish and turn fossicker; or even to aim no higher than washing over the tailings rejected by the fossicker.
At the thought his tears flowed anew. He cursed the day on which he had first set foot on Ballarat.
"It's 'ell for white men--'ell, that's what it is!"
"'Ere, 'ave another drink, matey, and fergit yer bloody troubles."
His re-filled pannikin drained, he grew warmer round the heart; and sang the praises of his former life. He had been a lamplighter in the old country, and for many years had known no more arduous task than that of tramping round certain streets three times daily, ladder on shoulder, bitch at heel, to attend the little flames that helped to dispel the London dark.”

 

 
Henry Handel Richardson (3 januari 1870 – 20 maart 1946)
Cover

Lees meer...