18-04-15

Bas Belleman, Wam de Moor, Clara Eggink, Kathy Acker, Joy Davidman, Richard Harding Davis

 

De Nederlandse dichter Bas Belleman werd in Alkmaar geboren “op een heldere ochtend in april” (Rottend Staal) van het jaar 1978. Zie ook alle tags voor Bas Belleman op dit blog.

Uit: Sneeuwwitje (Fragment)

11

Ze is welkom,
stiefmoeder, koningin.
In het vuur hangen koperen schoenen met hoge hakken:
om te eren of te wreken, ze weet het niet zeker.
Ze ziet de andere gasten grijnzen,
zelfs haar eigen koning,
en tot overmaat van belediging grijnst hij iets milder.
Nu vergaat haar trotse schoonheid.
Hard gevochten, toch verloren.
Ze doet de roodgloeiende schoenen aan haar voeten
en ze danst, danst, danst
met alles wat ze heeft,
met gloeiende schoenen blijft ze dansen
alsof ze sneeuw wil vertrappen.
Haar zwartgeblakerde voeten verraden haar,
weigeren hun hitte te verdragen,
weigeren haar te dragen,
moeilijker en moeilijker danst de koningin
met alle waardigheid die ze kan verbeelden.
Haar voeten branden,
haar kokende bloed
stroomt uit de schoenen over de vloer.
Nog nooit was ze zo akelig mooi.

 

 

Uit: Twee Koningskinderen (Fragment)

De koningskinderen vluchtten verder
zigzag door het bos
op weg naar het koninkrijk van de prins.
De koning galoppeerde woedend achter hen aan,
vastbesloten hen in te halen.
Opnieuw wist de prinses raad.
     ‘Ik verander jou in een kerk
     en mijzelf in de galm.’
Een grote koele ruimte strekte zich uit in de prins.
Hij kreeg er benen bij, en nog meer benen,
ze stonden in een rij en versteenden
tot zuilengalerij. Zijn armen
strekten zich uit en vervormden tot muren
en zijn schedel werd de koepel waar de hemel
tegenaan was geschilderd
en op zijn gezicht verschenen de uren.
Zijn orgel speelde en de prinses
begon te schemeren, verloor in hem haar lichaam,
loste op en was de galm.
De koning stapte over de drempel van de kerk,
knielde bij het altaar
en kwam met lege handen bij de koningin terug.
     ‘Je had de galm moeten vangen,’
zei ze, onthutst dat hij,
heerser van hun koninkrijk,
zijn dochter niet had herkend.

 

 
Bas Belleman (Alkmaar, april 1978)

Lees meer...

Henry Kendall, Thomas Middleton, Leif Panduro ,Udo Werner Steinberg, Katharina Schwanbeck

 

De Australische dichter Henry Kendall werd geboren op 18 april 1839 in Milton. Zie ook alle tags voor Henry Kendall op dit blog.

 

The Austral Months

June

Not like that month when, in imperial space,
The high, strong sun stares at the white world’s face;
Not like that haughty daughter of the year
Who moves, a splendour, in a splendid sphere;
But rather like a nymph of afternoon,
With cool, soft sunshine, comes Australian June.
She is the calm, sweet lady, from whose lips
No breath of living passion ever slips;
The wind that on her virgin forehead blows
Was born too late to speak of last year’s rose;
She never saw a blossom, but her eyes
Of tender beauty see blue, gracious skies;
She loves the mosses, and her feet have been
In woodlands where the leaves are always green;
Her days pass on with sea-songs, and her nights
Shine, full of stars, on lands of frosty lights.

 

 

July

High travelling winds, filled with the strong storm’s soul,
Are here, with dark, strange sayings from the Pole;
Now is the time when every great cave rings
With sharp, clear echoes caught from mountain springs;
This is the season when all torrents run
Beneath no bright, glad beauty of the sun.
Here, where the trace of last year’s green is lost,
Are haughty gales, and lordships of the frost.
Far down, by fields forlorn and forelands bleak,
Are wings that fly not, birds that never speak;
But in the deep hearts of the glens, unseen,
Stand grave, mute forests of eternal green;
And here the lady, born in wind and rain,
Comes oft to moan and clap her palms with pain.
This is our wild-faced July, in whose breast
Is never faultless light or perfect rest.

 

 
Henry Kendall (18 april 1839 – 1 augustus 1882)

Lees meer...

17-04-15

Antoon Coolen, Ida Boy-Ed, Nick Hornby, Vincent Corjanus, Thornton Wilder, Karen Blixen, David Wagner

 

De Nederlandse schrijver Antoon Coolen werd geboren in Wijlre in Zuid-Limburg op 17 april 1897. Zie ook alle tags voor Antoon Coolen op dit blog.

Uit: Dorp aan de rivier

“Waarom moest hij zo gewaarschuwd worden. Daar was geen grotere stroper dan Cis. Hij stroopte in zijn enigheid, hij nam de hazen onder schot. Hij luchtte ook de polder af met de lichtbak en had er bedrevenheid in, om tegelijk te luchten en te schieten. De oppasser Beysens, die loert op hem. Dat is er een, die is van verderop langs de Maas hier gekomen. Hij heeft felle jukbeenderen, daar staan zijn diepliggende loerogen zo stekend boven als smalle spleetjes, waar ge de kleur niet van kunt zien. Daar is natuurlijk maar één ding van belang in het leven: stropers vangen. Stropers vangen, hoe dan ook, de oppasser Beysens zet zelf de strikken, legt er een dode haas in, sleept een stroper er naartoe en zegt: ‘Nu heb ik u op heterdaad betrapt.’ Dit is Cis de Dove gebeurd, omdat Cis in al zijn slimheid zo onnozel is en te goed van vertrouwen. Op een keer slenterde Cis met zijn hondje langs zo'n strik, die Beysens gezet had, Cis zijn hondje waarschuwde dat de oppasser in de buurt op de loer lag. Cis lachte hartelijk om te spotten met zulke streken. Maar Beysens kwam voor de dag getreden, Cis stond nog te lachen, maar hij kreeg een proces aan zijn broek gesmeerd. Cis was er in Den Bosch voor voorgekomen. Maar aan het kantongerecht geloven ze maar één ding, dat stropers altijd liegen en dat oppassers altijd waarheid spreken. Cis werd veroordeeld.
Een avond, dat Cis met zijn geweer in de polder lag, kreeg hij een schot langs zijn oren, hij wist dat dit schot van Beysens kwam. Dit was in zekere zin een mededeling van Beysens.
Cis was ook al eens een geweer kwijtgeraakt, daarom werd hij uitgerekend. Hij had zo'n lang smal kist gemaakt en die met zink gevoerd en bedaan, daar paste zijn geweer in. Die kist kon hij met het geweer erin naar de geheimzinnige bodem van de Maas laten zinken. Dan konden de brasem, de bliek en de voorn eens nieuwsgierig aan die kist komen snuffelen, de vissen waren stom zoals Cis doof was. Ze gingen geen geheim verraden. Niemand verraadde een geheim van Cis, de mensen kwamen hem liever waarschuwen als er ergens iets dreigde. Cis, dat mocht nou misschien een barbaar zijn in zijn bombazijnen broek, in zijn schipperstrui, met zijn petje en zijn ongeknipt haar, mijn God, wat een voorname ogen had hij in zijn gezicht en hoe waren zijn mond en zijn kin krachtig en mannelijk getekend. Neen, Cis was op zijn manier bemind bij de mensen, ze bewonderden hem als stroper, die niet gauw gevat werd. En Cis kon op zijn waakzaam hondje aan voor de geluiden, die hij van wege zijn doofheid niet hoorde.”

 

 
Antoon Coolen (17 april 1897 – 9 november 1961)

Lees meer...

16-04-15

Sarah Kirsch, Kingsley Amis, Patricia De Martelaere, Tristan Tzara, Ewald Vanvugt, Sibylle Lewitscharoff, Jan Luyken

 

De Duitse schrijfster en dichteres Sarah Kirsch (eig. Ingrid Hella Irmelinde Kirsch) werd geboren op 16 april 1935 in Limlingerode. Zie ook alle tags voor Sarah Kirsch op dit blog.

 

Fahrt 1

Die Erde in unserer Gegend ist übel dran
Der Winter wie Krieg ging seine Fetzen
Verdrecktes Verbandzeug zerfallen, da sehn
Narben und Schorf hervor, die Erde
In unserer Gegend ist grindig

Filziges bleiches Gras Schamhaar
Reckt sich über die größten Löcher, die Erde
Ist tonig sanft blutig stöhnt unterm trocknen Himmel

Die durchsichtigen Bäume sind so leicht zu verletzen
Daß sie ganz still stehn Modelle aus Glas

Nur Schwertlilien im Bahnwärtergarten
Schlagen sich unbeirrt aus der Erde
Die Blattspitzen zerreißen dabei
Die ersten haben es am schwerste

 

 

Fahrt II

1
Aber am liebsten fahre ich Eisenbahn
Durch mein kleines wärmendes Land
In allen Jahreszeiten: der Winter
Wirft Hasenspuren vergessene Kohlplantagen
Durchs Fenster, ich seh die Säume der kahlen Bäume
Zarte Linie ums Geäst sie fahren heran
Drehn sich verlassen mich wieder

 
2
Im Frühjahr schreitet der Fasan vorbei
Seine goldenen Löwenzahnfedern
Machen ihn kostbar ich fürchte für ihn
Schon ist er verschwunden, zerbrochne Erde
Liegt schamlos am Bahndamm aber
Beim Schrankenhäuschen wird sie geebnet
Von Stiefmütterchen Pfingstrosenbüschen und Veilchen
Ich seh schon den Sommer, da
Wird das geflügelte Rad rotgestrichen
Der Schrankenwärter legt aus Steinen
Den Reisenden gute Wünsche

 

 
Sarah Kirsch (16 april 1935 – 5 mei 2013)

Lees meer...

15-04-15

Tomas Tranströmer, Henry James, Daniël Samkalden, Jérôme Lambert, Patrick Bernauw, Wilhelm Busch, Ina Boudier-Bakker

 

De Zweedse dichter en schrijver Tomas Tranströmer werd geboren in Stockholm op 15 april 1931. Hij is op 26 maart jongstleden overleden. Zie ook alle tags voor Tomas Tranströmer op dit blog.

 

De herinneringen zien mij

Een junimorgen als het te vroeg is
om te ontwaken en te laat om weer in te slapen.

Ik moet eruit, het groen in dat vol zit met
herinneringen, zij volgen mij met hun blik.

Ze zijn onzichtbaar, ze smelten totaal
samen met hun achtergrond, perfecte kameleons.

Ze zijn zo dichtbij dat ik ze hoor ademen
hoewel de vogelzang oorverdovend is.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

 

Allegro

After a black day, I play Haydn,
and feel a little warmth in my hands.

The keys are ready. Kind hammers fall.
The sound is spirited, green, and full of silence.

The sound says that freedom exists
and someone pays no tax to Caesar.

I shove my hands in my haydnpockets
and act like a man who is calm about it all.

I raise my haydnflag. The signal is:
“We do not surrender. But want peace.”

The music is a house of glass standing on a slope;
rocks are flying, rocks are rolling.

The rocks roll straight through the house
but every pane of glass is still whole.

 

 

Tracks

2 A.M. moonlight. The train has stopped
out in a field. Far off sparks of light from a town,
flickering coldly on the horizon.

As when a man goes so deep into his dream
he will never remember he was there
when he returns again to his view.

Or when a person goes so deep into a sickness
that his days all become some flickering sparks, a swarm,
feeble and cold on the horizon

The train is entirely motionless.
2 o’clock: strong moonlight, few stars.

 

Vertaald door Robert Bly

 

 
Tomas Tranströmer (15 april 1931 - 26 maart 2015)

Lees meer...

14-04-15

Tjitse Hofman, Roman Graf, Alexandre Jardin, Péter Esterházy, Landolf Scherzer, Gabriele Stötzer, Charles Lewinsky

 

De Nederlandse dichter Tjitse Hofman werd geboren in Assen op 14 april 1974. Zie ook alle tags voor Tjitse Hofman op dit blog.

 

Timo

Zochten wij de maan
zagen wij de sterren
zochten zij de stenen
hun stenen hun ster

Zijn zwijgen de wind
zijn twinkelen zijn stem
deze maanloze nacht
zijn stilte zal de onze zijn

Stenen tranen
op zijn eeuwig bed
behoedzaam neergelegd

Blijft hij eeuwig
boven staan
Timo was zijn naam.

 

 

Trein

De waaivlakte
ligt er verlaten bij

Weide richelpalen
wat daar graast
wat hier raast
door prikkeldraad
gescheiden

Zij daar wij hier
duidelijkheid is geschapen
wij rijden zij blaten

En bij het zien
van een aardappelrug
rustend op het land
weet ik het zeker
grazen is een gave.

 

 
Tjitse Hofman (Assen, 14 april 1974)

Lees meer...

13-04-15

In Memoriam Günter Grass

 

In Memoriam Günter Grass

De Duitse schrijver Günter Grass is vandaag overleden in de stad Lübeck. Dat heeft zijn uitgever Steidl Verlag bekendgemaakt. Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk) op 16 oktober 1927. In 1999 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur. Grass is 87 jaar oud geworden.

Zie ook mijn blog van 16 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Günter Grass op dit blog.

Uit: Die Blechtrommel

„Jetzt habe ich keine Worte mehr, muß aber dennoch überlegen, was Oskar nach seiner unvermeidlichen Entlassung aus der Heil- und Pflegeanstalt zu tun gedenkt. Heiraten? Ledigbleiben Auswandern? Modellstehen? Steinbruch kaufen? Jünger sammeln? Sekte gründen? All die Möglichkeiten, die sich heutzutage einem Dreißigjährigen bieten, müssen überprüft werden, wo mit überprüft, wenn nicht mit meiner Trommel. So werde ich also jenes Liedchen, das mir immer lebendiger und fürchterlicher wird, auf mein Blech legen, werde die Schwarze Köchin anrufen, befragen, damit ich morgen früh meinem Pfleger Bruno verkünden kann, welche Existenz der dreißigjährige Oskar fortan im Schatten eines immer schwärzer werdenden Kinderschreckens zu führen gedenkt; denn was mich früher auf Treppen erschreckte, was im Keller, beim Kohlenholen buhhh machte, daß ich lachen mußte, was aber dennoch immer schon da war, mit Fingern sprach, durchs Schlüsselloch hustete, im Ofen seufzte, schrie mit der Tür, wölkte auf aus Kaminen, wenn Schiffe im Nebel ins Horn atmeten, oder wenn zwischen den Doppelfenstern stundenlang eine Fliege starb, auch als die Aale nach Mama verlangten, und meine arme Mama nach den Aalen, wenn die Sonne hinter dem Turmberg verschwand und für sich lebte,starb, auch als die Aale nach Mama verlangten, und meine arme Mama nach den Aalen, wenn die Sonne hinter dem Turmberg verschwand und für sich lebte, Bernstein! Wen meinte Herbert, als er das Holz berannte? Auch hinterm Hochaltar — was wäre der Katholizismus ohne die Köchin, die alle Beichtstühle schwärzt? Sie warf den Schatten, als des Sigismund Markus Spielzeug zusammenbrach, und die Gören auf dem Hof des Mietshauses, Axel Mischke und Nuchy Eyke, Susi Kater und Hänschen Kollin, sie sprachen es aus, sangen, wenn sie die Ziegelmehlsuppe kochten: »Ist die Schwarze Köchin da? Jajaja! Du bist schuld und du bist schuld und du am allermeisten. Ist die Schwarze Köchin da...« Immer war sie schon da, selbst im Waldmeisterbrausepulver, so unschuldig grün es auch schäumte; in allen Kleiderschränken, in denen ich jemals hockte, hockte auch sie und lieh sich später das dreieckige Fuchsgesicht der Luzie Rennwand aus, fraß Wurstbrote mitsamt den Pellen und führte die Stäuber auf einen Sprungturm — nur Oskar blieb übrig, sah Ameisen zu und wußte: das ist ihr Schatten, der sich vervielfältigt hat und der Süße nachgeht, und alle die Worte: Gebenedeite, Schmerzensreiche, Seliggepriesene, Jungfrau der Jungfrauen ... und alle die Gesteine: Basalt, Tuff, Diabas, Nester im Muschelkalk, Alabaster so weich... und all das zersungene Glas, durchsichtige Glas, hauchdünn geatmete Glas... und Kolonialwaren: Mehl und Zucker in blauen Pfund- und Halbpfundtüten. Später vier Kater, deren einer Bismarck hieß, die Mauer, die frisch gekalkt werden mußte, ins Sterben verstiegene Polen, auch Sondermeldungen, wenn wer was versenkte, Kartoffeln, die von der Waage polterten, was sich zum Fußende hin verjüngt, Friedhöfe, auf denen ich stand, Fliesen, auf denen ich kniete, Kokosfasern, auf denen ich lag ... alles im Beton Eingestampfte, der Saft der Zwiebeln, der die Tränen zieht, der Ring am Finger und die Kuh, die mich leckte... Fragt Oskar nicht, wer sie ist! Er hat keine Worte mehr. Denn was mir früher im Rücken saß, dann meinen Buckel küßte, kommt mir nun und fortan entgegen:

Schwarz war die Köchin hinter mir immer schon.
Daß sie mir nun auch entgegenkommt, schwarz.
Wort, Mantel wenden ließ , schwarz.
Mit schwarzer Währung zahlt, schwarz.
Während die Kinder, wenn singen, nicht mehr singen:
Ist die Schwarze Köchin da? Ja — Ja — Ja!"

 

 
Günter Grass (16 oktober 1927 – 13 april 2015)

20:38 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: in memoriam, günter grass, romenu |  Facebook |

Nachoem Wijnberg, Jean-Marie Gustave Le Clézio, Samuel Beckett, Seamus Heaney, Tim Krabbé

 

De Nederlandse dichter en schrijver Nachoem Mesoelam Wijnberg werd geboren in Amsterdam op 13 april 1961. Zie ook alle tags voor Nachoem Wijnberg op dit blog.

 

Te dom voor de handel

Als ik zou hebben wat nodig was
om een ander graag van mij over te laten nemen
wat zo afgesloten werd,

ik zou weer terug willen kopen
en verkopen, met wie zo is met wat afgesloten is,
want het is voor de handel, niet om te eten.

Wie van mij afgenomen heeft,
en niet wil kopen en verkopen ,
kan hij iets daarvan (ik kan het niet vervangen)
laten liggen waar ik het zal vinden.

Niemand hoeft te weten wie hij is
en het overige mag hij vrij houden.

 

 

Bergen rondom het meer, en zelfs golven in het water

Als je in je eentje
nog niet ver weg kunt gaan
kun je voor iemand gaan staan
en bewegen zonder van
je plaats te komen.

Ziet het eruit
als wie seks heeft? Niet echt,
maar misschien als wie nog net
niet wordt bekeken, en dan is
het nog niet altijd seks.

 

 
Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

Lees meer...

Michel Faber

 

De Schotse, Engelstalige schrijver van Nederlandse herkomst, Michel Faber werd geboren in Den Haag op 13 april 1960. Faber emigreerde in 1967 naar Australië. Hij studeerde Nederlands, Engels, retorica en filosofie aan de Universiteit van Melbourne. Na zijn afstuderen had hij moeite om werk te vinden en ging hij een opleiding tot verpleegkundige volgen, welk beroep hij uitvoerde van 1983 tot 1993. In 1993 emigreerde hij met zijn tweede vrouw naar Schotland, waar hij nog altijd woont. Faber schreef al volop vanaf het begin van de jaren tachtig, maar publiceerde pas vanaf in 1998 zijn eerste verhalen onder de titel “Some Rain Must Fall” (Gods speelgoed) en in 2000 zijn eerste roman “Under the Skin” (Onder de huid). Met werken als “The Hundred and Ninety-Nine Steps” (2001, Honderdnegenennegentig treden) en “The Courage Consort” (2002, Het courage-ensemble) bereikte hij een breed publiek. Hoogtepunt in Fabers oeuvre is ongetwijfeld zijn monumentale roman van bijna duizend bladzijden “The Crimson Petal and the White” (2002, Lelieblank, scharlakenrood). Het is het verhaal van de negentienjarige intelligente prostituee Sugar in het Victoriaanse Londen van 1875. ”The Crimson Petal and the White werd een internationale bestseller en geroemd door de literaire kritiek. Zijn volgende boeken, twee verhalenbundels en de roman “The Fire Gospel” wisten het succes van hun voorganger ook niet te evenaren. Fabers boeken werden meermaals onderscheiden, onder andere met de O. Henry Award en de Costa Book Award.

Uit: Under the Skin

“Isserley always drove straight past a hitch-hiker when she first saw him, to give herself time to size him up. She was looking for big muscles: a hunk on legs. Puny, scrawny specimens were no use to her.
At first glance, though, it could be surprisingly difficult to tell the difference. You'd think a lone hitcher on a country road would stand out a mile, like a distant monument or a grain silo; you'd think you would be able to appraise him calmly as you drove, undress him and turn him over in your mind well in advance. But Isserley had found it didn't happen that way.
Driving through the Highlands of Scotland was an absorbing task in itself; there was always more going on than picture postcards allowed. Even in the nacreous hush of a winter dawn, when the mists were still dossed down in the fields on either side, the A9 could not be trusted to stay empty for long. Furry carcasses of unidentifiable forest creatures littered the asphalt, fresh every morning, each of them a frozen moment in time when some living thing had mistaken the road for its natural habitat.
Isserley, too, often ventured out at hours of such prehistoric stillness that her vehicle might have been the first ever. It was as if she had been set down on a world so newly finished that the mountains might still have some shifting to do and the wooded valleys might yet be recast as seas.
Nevertheless, once she'd launched her little car onto the deserted, faintly steaming road, it was often only a matter of minutes before there was southbound traffic coming up behind her. Nor was this traffic content to let her set the pace, like one sheep following another on a narrow path; she must drive faster, or be hooted off the single carriageway.
Also, this being an arterial road, she must be alert to all the little capillary paths joining it. Only a few of the junctions were clearly signposted, as if singled out for this distinction by natural selection; the rest were camouflaged by trees. Ignoring junctions was not a good idea, even though Isserley had the right of way: any one of them could be spring-loaded with an impatiently shuddering tractor which, if it leapt into her path, would hardly suffer for its mistake, while she would be strewn across the bitumen.“

 

 
Michel Faber (Den Haag, 13 april 1960)

14:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: michel faber, romenu |  Facebook |

Eudora Welty

 

De Amerikaanse schrijfster Eudora Alice Welty werd geboren in Jackson, Mississippi, op 13 april 1909. Zij genoot haar opleiding aan de universiteit van Wisconsin en studeerde vervolgens in New York aan de reclameopleiding van de Columbia-universiteit. In de jaren dertig werkte zij als fotograaf en schreef zij voor de plaatselijke radio en kranten in Jackson. Haar debuutbundel, “A Curtain of Green, and Other Stories”, verscheen in 1941 en luidde meteen het begin van haar faam in. De schrijfster Katherine Anne Porter schreef een lovend voorwoord en trad ook op als mentor van Welty. Haar publiek nam allengs toe in omvang. In 1943 volgde de bundel “The Wide Net, and Other Stories”, in 1949 “The Golden Apples” en in 1955 “The Bride of Innisfallen, and Other Stories”. In haar romans staat de intimiteit van gezins- en familieleven centraal. De bekendste is “Delta Wedding” (1946): familieleden komen bijeen voor een bruiloft in de rivierdelta van de Mississippi. Het kenmerkende is dat de meesten hunner niet veel van de wereld weten, zoals die is buiten hun beperkte horizon. Onderling kibbelen zij, maar als de familie lijkt te worden bedreigd of aangevallen, sluiten zich de gelederen. Voor het verstilde “The Optimist’s Daughter” (1972) ontving Welty een Pulitzerprijs. Welty schreef ook essays onder de titel “The Eye of the Story” (1978). Haar “One Writer’s Beginnings” (1984) is autobiografisch. Welty ontving een groot aantal bekroningen, prijzen en andere vormen van erkenning. Daarbij hoorden zowel in 1942 als in 1943 de O. Henry Memorial Prize voor het beste korte verhaal van het jaar, in 1944 een prijs van de American Academy of Arts and Letters en in 1955 de Howells Medal for Fiction voor haar roman The Ponder Heart. De Brandeis-universiteit verleende haar in 1966 de Creative Arts Medal for Fiction. De Pulitzerprijs van 1973 werd al genoemd bij de bespreking van The Optimists Daughter.Tweemaal viel haar een Guggenheim Fellowship ten deel, in 1942 en in 1968. Haar woonhuis in Jackson is nu een museum, het Eudora Welty House.

Uit: A Curtain of Green (Petrified Man)

"Reach in my purse and git me a cigarette without no powder in it if you kin, Mrs. Fletcher, honey," said Leota to her ten o'clock shampoo-and-set customer. "I don't like no perfumed cigarettes."
Mrs. Fletcher gladly reached over to the lavender shelf under the lavender-framed mirror, shook a hair net loose from the clasp of the patent-leather bag, and slapped her hand down quickly on a powder puff which burst out when the purse was opened.
"Why, look at the peanuts, Leota!" said Mrs. Fletcher in her marveling voice.
"Honey, them goobers has been in my purse a week if they's been in it a day. Mrs. Pike bought them peanuts."
"Who's Mrs. Pike?" asked Mrs. Fletcher, settling back. Hidden in this den of curling fluid and henna packs, separated by a lavender swing-door from the other customers, who were being gratified in other booths, she could give her curiosity its freedom. She looked expectantly at the black part in Leota's yellow curls as she bent to light the cigarette. ...
"Mrs. Pike is a lovely girl, you'd be crazy about her, Mrs. Fletcher. But she can't sit still a minute. We went to the travelin' freak show yestiddy after work. ... What, you ain't been?"
"No, I despise freaks," declared Mrs. Fletcher.
"Aw. Well, honey, talking about (you) bein pregnant an' all, you ought to see those twins in a bottle, you really owe it to yourself ..."
"Well, honey, what Mrs. Pike liked was the pygmies ... you know the teeniest men in the universe...
"But they got this man, this petrified man, that ever'thing ever since he was nine years old, when it goes through his digestion, see, somehow Mrs. Pike says it goes to his joints and has been turning to stone."
"How awful!" said Mrs. Fletcher."

 

 
Eudora Welty (13 april 1909 – 23 juli 2001)
Portret door Karl Wolfe, 1982

 

13:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: eudora welty, romenu |  Facebook |

Alexander Münninghoff

 

De Nederlands schrijver en journalist Alexander Münninghoff werd geboren in Posen op 13 april 1944. Van 1974 tot 2007 werkte hij voor de Haagsche Courant. Münninghoff heeft veel artikelen en boeken over de schaaksport geschreven. In 1983 won hij de Prijs voor de Dagbladjournalistiek. Zijn vader vocht voor de Waffen SS aan het Oostfront, zijn grootmoeder was een Russische gravin.[Münninghoff doorliep het Gymnasium Haganum. Hij studeerde Slavische taal- en letterkunde aan de Universiteit Leiden en aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte indertijd voor de MID als instructeur Russisch. Als journalist was hij onder andere correspondent in Moskou voor de Haagsche Courant. en in die hoedanigheid oorlogscorrespondent in Cambodja, El Salvador en tijdens de Eerste Golfoorlog tussen Iran en Irak. In 2014 publiceerde hij de bewogen geschiedenis van zijn familie onder de titel “De stamhouder”, een familiekroniek.

Uit: De stamhouder

“Terwijl Mimousse steeds meer aandacht aan mijn opvoeding ging besteden, wendde mijn vader zich juist steeds meer van me af. In het begin was hij nog wel bereid om mee te doen. Hij leerde me veters strikken op Russische wijze, zeer onhandig met twee lussen die je met elkaar moet verstrengelen, maar als je je zoiets eenmaal hebt aangeleerd kom je er de rest van je leven niet meer van af. Hij knipte mijn nagels, leerde me schoenen poetsen, nam me geregeld mee naar de kapper en deed me op paardrijles.
Daar, in de stokoude manege in de Kazernestraat, midden in Den Haag, leefde hij helemaal op als hij me op zaterdagmiddag begeleidde en toekeek hoe ik, op aanwijzingen van rijschoolhoudster Noortje Tak, in de piste mijn kunstjes deed. De eerste keer dat ik werd afgeworpen en huilend naar hem toe liep, kreeg ik prompt een draai om mijn oren. ‘Hou op met janken, oud wijf. Een paard merkt alles. Als de sodemieter weer dat zadel in, laat zien dat jij de baas bent, anders kun je het wel schudden,’ beet hij me toe. Noortje Tak, een vrouw met haar op de tanden van wie mijn vader zei dat zij zo iemand was die je voor haar verjaardag een Ronson-aansteker cadeau kon doen, stond er goedkeurend bij te knikken. Die opmerking over de Ronson was typisch zo’n bizarre uitspraak waar mijn vader patent op had en die, hoewel volstrekt betekenisloos, toch op een geheimzinnige manier een essentie wist te raken.
Wijze levenslessen hoefde ik van mijn vader niet te verwachten. Zijn drie favoriete  slogans luidden: de domste boeren hebben de dikste lullen, met geweld gaat alles, denken moet je aan paarden overlaten want die hebben een veel groter hoofd dan jij.”

 

 
Alexander Münninghoff (Posen, 13 april 1944)

13:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: alexander münninghoff, romenu |  Facebook |

12-04-15

Am ersten Sonntage nach Ostern (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Bij Beloken Pasen

 

 
Het Ongeloof van Sint Thomas door Guercino, 1621

 

 

Am ersten Sonntage nach Ostern

Evang.: Jesus geht durch verschlossene Türen
und spricht: "Der Friede sei mit Euch!"

Und hast du deinen Frieden denn gegeben
An Alle, die dich sehnen um dein Heil,
So will ich meine Stimme auch erheben:
Hier bin ich, Vater, gib mir auch mein Teil!
Warum sollt' ich, ein ausgeschloßnes Kind,
Allein verschmachtend um mein Erbe weinen?
Warum nicht sollte deine Sonne scheinen,
Wo doch im Boden gute Keime sind?

Oft mein' ich zwar, zum Beten sei genommen
Mir alles Recht, da es so trüb und lau;
Mir könne nur geduldig Harren frommen
Und starrer Aufblick zu des Himmels Blau:
Doch Herr, der du dem Zöllner dich gesellt,
O laß nicht zu, daß ich in Nacht verschwimme;
Dem irren Lamme ruft ja deine Stimme,
Und um den Sünder kamst du in die Welt.

Wohl weiß ich, wie es steht in meiner Seelen,
Wie glaubensarm, wie trotzig und verwirrt,
Wohl weiß ich, daß sich manches mochte hehlen;
Ich fühle, wie es durch die Nerven schwirrt,
Und kraftlos folg' ich seiner trüben Spur.
Mein Helfer, was ich nimmer mag ergründen,
Du kennst es wohl, du weißt es wohl zu finden,
Du bist der Arzt, ich bin der Kranke nur.

Und hast du tief geschaut in meine Sünden,
Wie nicht ein Menschenauge schauen kann;
Hast du gesehn, wie in den tiefsten Gründen
Noch schlummert mancher wüste, dunkle Wahn:
Doch weiß ich auch, daß keine Trän' entschleicht,
Die Deine treue Hand nicht hat gewogen,
Und daß kein Seufzer dieser Brust entflogen,
Der dein barmherzig Ohr nicht hat erreicht.

Du, der verschloßne Türen kann durchdringen,
Sieh,
meine Brust ist ein verschloßnes Tor.
Zu matt bin ich, die Riegel zu bezwingen;
Doch siehst du, wie ich angstvoll steh' davor.
Brich ein, brich ein! O komm mit deiner Macht,
Laß Liebe gelten, da gering der Glaube,
O laß mich schauen deine Friedenstaube,
Laß fallen deinen Strahl in meine Nacht!

Nicht weich' ich, eh' ich einen Schein gesehen,
Und wär' er schwach wie Wurmes Flimmer auch;
Und nicht von dieser Schwelle will ich gehen,
Bis ich vernommen deiner Stimme Hauch.
So sprich, mein Vater, sprich denn auch zu mir
Mit jener Stimme, die Maria nannte,
Als sie verkennend, weinend ab sich wandte,
O sprich: "Mein Kind, der Friede sei mit dir!"

 

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Slot Hülshoff met de kapel

 

 

Zie voor de schrijvers van de 12e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Antje Rávic Strubel, Alan Ayckbourn, Scott Turow, Tom Clancy, Agnes Sapper

 

De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.

Uit: Sturz der Tage in die Nacht

„Es ist dieser Herbst gewesen, in dem alles begonnen hat, dieser nördliche Herbst mit seiner schneelosen Kälte, mit seiner erstickend frühen Dunkelheit, dieser Herbst mit seinem grau aufschäumenden Meer und den windgepeitschten Felsen. Es begann in der Nacht, in der es mich hinaus auf die Klippe trieb, die fünfzig, sechzig Meter über der Ostsee aufragt, in der ich dort oben stand und daran dachte, es zu tun, es mit derselben Leichtigkeit, mit demselben instinktiven Vertrauen zu tun wie die Vögel, die sich im Juni von den Felsen stürzen, denn ich war reich, und dieses Gefühl war grenzenlos, und ich wusste, dass es nicht über den Moment hinaus dauern würde, nicht länger andauerte als diese Minuten, in denen ich hier oben stand und der Wind so eisig war, dass mein Gesicht taub wurde und es mir den Atem zurück in die Lunge drückte. Ich wusste, dass es das war, was mich bis an die Kante der Felsen trieb, nicht Verzweiflung, nicht der Gedanke, entdeckt zu werden, oder die Angst vor dem, was dieser Entdeckung folgte. Wenn ich mich da oben nicht umgedreht hätte zum rotierenden Leuchtfeuer, wenn ich nicht zurückgeschaut und mir vorgestellt hätte, wie sie da lag mit den über die Schultern gerutschten Trägern ihres dünnen Nachthemdes, sondern wenn ich weitergegangen wäre, noch einen Schritt über den Rand der Klippe hinaus, dann wäre dieser Reichtum in mir für immer in der eisigen Kälte aufgehoben gewesen.
»Inez. Betonung auf dem e.«
»Das gefällt mir. Klingt spanisch.«
Der Herbst, nicht der Sommer war es, der mich so ausgeglüht hat, dass ich das Gefühl haben werde, richtungslos über den Asphalt zu treiben, wenn die Fähre mich in einer Stunde in dem verödeten Hafen von Klintehamn absetzen wird, von dem aus ich im Juni aufgebrochen war.
Ich hatte eine Woche auf Gotland verbracht. Ich hatte mir die Stadtmauer von Visby angesehen und das Klostertheater in Roma, ich war nach Fårö, Gotlands nördlicher Spitze, gefahren, die bis vor wenigen Jahren noch militärisches Sperrgebiet gewesen war. An Fårös Stränden ragen Kalksteinsäulen auf. Sie sind schlank und porös und wirken im Nebel wie steif aufgerichtete Leichname. Abends saß ich vor meinem Zelt und sah die Mücken tanzen. Es wurde nicht dunkel. Die Sonne verschwand nur für zwei Stunden hinter dem Horizont, der bis zum Morgen nachglühte. Ich schlief schlecht.”

 

 
Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)

Lees meer...

Edward de Vere, José Gautier Benítez, Alexander Ostrovski, Guillaume-Thomas Raynal

 

De Engelse hoveling, dichter en toneelschrijver Edward de Vere, 17e graaf van Oxford, werd geboren op 12 april 1550 in Castle Hedingham. Zie ook alle tags voor Edward de Vere op dit blog.

 

Even as the wax doth melt, or dew consume away

Even as the wax doth melt, or dew consume away
Before the sun, so I, behold, through careful thoughts decay;
For my best luck leads me to such sinister state,
That I do waste with others' love, that hath myself in hate.
And he that beats the bush the wished bird not gets,
But such, I see, as sitteth still and holds the fowling nets.

The drone more honey sucks, that laboureth not at all,
Than doth the bee, to whose most pain least pleasure doth befall:
The gard'ner sows the seeds, whereof the flowers do grow,
And others yet do gather them, that took less pain I trow.
So I the pleasant grape have pulled from the vine,
And yet I languish in great thirst, while others drink the wine.

Thus like a woeful wight I wove the web of woe,
The more I would weed out my cares, the more they seemed to grow:
The which betokeneth, forsaken is of me,
That with the careful culver climbs the worn and withered tree,
To entertain my thoughts, and there my hap to moan,
That never am less idle, lo! than when I am alone.

 

 
Edward de Vere (12 april 1550 – 24 juni 1604)
Rhys Ifans als Edward De Vere in de film Anonymous uit 2011.

Lees meer...