04-01-15

Svend Fleuron, Maurice Mac-Nab, Mite Kremnitz, Rajvinder Singh

 

De Deense schrijver Svend Fleuron werd geboren op 4 januari 1874 op het landgoed Katrinedal bij Keldby. Zie ook alle tags voor Svend Fleuron op dit blog.

Uit: Kittens : A Family Chronicle (Vertaald door David Pritchard)

“One afternoon very early in spring a small, snow-white he-cat came strolling carelessly along the road. His ears were thrust forward, betraying his interest in something ahead: he meant to take a walk round the farm, whither the road led . . . there was a grey puss there who attracted him!
He ought to have been more cautious, the little white dwarf! A giant cat, a coloured rival, with the demon of passion seething in his blood and hate flaming from his eyes, caught sight of the hare-brained fellow from afar off and straight-way guessed his errand.
With rigid legs, lowered head, and loins held high, he comes rushing from behind . . . runs noiselessly over the soft grass at the side of the road and overhauls the other un-perceived.
With one spring he plants all his foreclaws deep in the flesh of the smaller cat, who utters a loud wail and collapses on the ground.
The big one maintains his grip on his defeated foe's shoulder, crushing him ruthlessly in the dust. Then he presses back his torn ears, giving an even more hateful expression to the evil eyes, and lowering his muzzle, gloatingly he howls his song of victory straight into his fallen rival's face.
For a good quarter of an hour he continues to martyr his victim, who is too terrified to move a muscle; he tears the last shred of self-respect and honour from the coward—then releases him and stalks before him to the farm, without deigning to throw him another glance. He was too despicable a rival, the little white mongrel! The big, spotted he-cat considered it beneath his dignity even to thrash him.”



Svend Fleuron (4 januari 1874 – 5 april 1966)

Cover

Lees meer...

Hellmuth Karasek

 

De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschap Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. De familie Karasek vluchtte in 1944 tijdens WO II voor het Rode Leger van het Silezische Bielsko naar Duitsland en kwam via tussenstations in Bernburg terecht. Eerder was Karasek lid van de Hitlerjugend geweest. Zijn middelbare schoolperiode (1948-1952) in Bernburg heeft hij literair verwerkt in zijn boek “Auf der Flucht”. Na zijn eindexamen in 1952 verhuisde Karasek van de DDR naar de Bondsrepubliek Duitsland. Hij studeerde Duitse literatuur, geschiedenis en Engels aan de Universiteit van Tübingen. Karasek begon zijn journalistieke carrière bij de Stuttgarter Zeitung. Daarna was hij een jaar hoofd dramaturgie aan het Württembergische Staatstheater Stuttgart en vanaf 1968 theatercriticus voor het weekblad Die Zeit. Tussen 1974 en 1996 leidde Karasek de culturele afdeling van het tijdschrift Der Spiegel, Zijn ervaring verwerkte hij in 1998 in de roman “Das Magazin”. Na Der Spiegel was hij tot 2004 mede-redacteur van de Berlijnse krant Der Tagesspiegel. Karasek woonde in Hamburg en werkte voor de krant Die Welt, Welt am Sonntag en de Berliner Morgenpost van Axel Springer SE, maar was ook vaak te zien in verschillende televisieprogramma's. Zo trad hij onder andere, in alle edities van het RTL programma Die 5-Millionen-SKL-Show als prominente sponsor van de kandidaten op. Gedurende de lange periode van 1988 tot 2001 was Karasek vaste deelnemer van het ZDF-programma Das Literarische Quartett onder de dominante leidiing van Marcel Reich-Ranicki. In 1992 werd Karasek honorair hoogleraar bij de afdeling Theater Studies van de Universiteit van Hamburg.
Uit zijn tweede huwelijk met Armgard Seegers heeft Karasek vier kinderen, waaronder de regisseur en artistiek leider Daniel Karasek en de advocaat en schrijver Laura Karasek-Briggs. Zijn jongere broer was de schrijver Horst Karasek.

Uit: Frauen sind auch nur Männer

“Normalerweise reden wir, »wie uns der Schnabel gewachsen ist«, wir nehmen dabei »kein Blatt vor den Mund« – während wir offiziell bei Feiern, Reden, Ansprachen »nach der Schrift« reden, sogenanntes »Schriftdeutsch«. Manch- mal heißt es auch, dass wir »wie gedruckt« lügen.
Jetzt geht’s einmal nicht» hochdeutsch« zu,also rechtschreiberisch rechthaberisch, nicht dudenmäßig, sondern phonetisch, gebabbelt, genuschelt, gequatscht, gesabbert. Wie der Volksmund spricht.
Die folgende Geschichte sollte am besten laut gelesen werden, mit allen Tücken und Weichheiten der sächsischen Sprache: Da bestellte eine Frau telefonisch ein Flugticket von Leipzig nach Porto. Und bekam ein Ticket nach Bordeaux. Bordeaux in Südfrankreich, Porto in Portugal.
Oder war’s umgekehrt, sie wollte nach Bordeaux und be- kam eins nach Porto? Ist ja egal, gehupft wie gesprungen, denn offenbar sprach sie Bordeaux oder Porto gleich aus, als Bordo, eben sächsisch. Und da saß sie nun mit ihrem falschen »Ticket«, respektive »Digged«, und bekam es nicht getauscht. Ein Schicksal aus Sachsen, wo harte Männer im Liebesrausch schon mal stöhnen: »Gib mir wilde Diernamen, nenn misch Buma!« Auf Hochdeutsch: Puma.
In Sachsen hat der Satz »Rechenwärmer kriechen« zweierlei Bedeutung. Er kann biologisch sein: »Regenwürmer kriechen«. Oder meteorologisch: »Regen werden wir kriegen.« Je nachdem. Ähnlich beinlos weichtierhaft wie in der sächsischen Artikulation geht es nur noch im Hessischen zu, wo Goethe im »Faust« »Ach neige, du Schmerzensreiche« dichtet: »Ach neiche«, sagt Gretschen im Gebet. Damit es sich auf die »schmerzensreiche« Himmelskönigin reime. Oder Goethes berühmte letzte Worte: »Mehr Licht!«, soll der Olympier gesagt haben. Aber sagen wollte er: »Mer licht hier schlescht.« Man liegt hier schlecht; da fuhr ihm der Tod in die Parade.
Auch der »Struwwelpeter«-Autor Dr. Heinrich Hoffmann babbelte eindeutig hessisch weich und dichtete über den fliegenden Robert: »Hui, wie pfeift der Sturm und keucht – dass der Baum sich niederbeugt.« Was sich auf Hessisch  tatsächlich reimt.
In Sachsen gibt es die Geschichte vom Zoologie-Professor, der angeblich alle Studenten nur über Würmer examinierte. Also lernten sie nur über diese Griechdiere. Er fragt den Ersten, oh, Schreck!, überraschend nach den Elefanten. Der sagt: »Der Elefant ist groß und hat einen Rüssel. Der Rüssel ist wie ein Wurm. Die Würmer zerfallen in die Faden-, Band- und Spulwürmer ...«, und dann rasselt und kellerasselt es nur so. Den Zweiten fragt er nach den Löwen.Der antwortet erschrocken:» Der Löwe lebt in Afrika. In Afrika ist es wärmer. Die Wärmer zerfallen in die Faden-, Band- und Spulwärmer ...«

 

 
Hellmuth Karasek (Brno, 4 januari 1934)

18:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hellmuth karasek, romenu |  Facebook |

03-01-15

Peter Ghyssaert, J.R.R. Tolkien, Marie Darrieussecq, Alex Wheatle, Cicero, Drieu la Rochelle

 

De Vlaamse dichter Peter Ghyssaert werd geboren op 3 januari 1966 te Wilrijk. Zie ook alle tags voor Peter Ghyssaert op dit blog.

 

Eiken

Eiken zijn de bomen van het dies irae;
als de grond breekt zullen zij,
over het land gezaaiden, toekijken
met een oud, houten gezicht
dat onbewogen blijft:

te veel stormwind is in
hun taaie takkenkroon verstard;
zij zijn niet meer verstoord
door groei, dat eeuwenoud tumult
en in hun stilstand glanst niets op
van minachting, van deernis
met het oude land,
alleen geduld.

En vliegen dan zielen der geredden
als briljante edelgassen
naar hun maker; schieten verdoemden,
brandend van de diarree, voorbij
koude, ijzerharde wortels
dieper in de grond:

zij hebben het gezien,
zij hebben het gehoord,
zij doen niet mee.

 

 

Levensverhaal

Toen hij geboren was begon het al:
zijn moeder had de bijsluiter verloren.

Nooit wist hij waartoe dit
of dat dienen moest. Hoewel
hij toch kon raden
liep het steeds verkeerd.

Zijn vrienden durfde hij niet vragen:
in hun jeugd hadden die goed
hun eigen voorschriften gelezen
en die toen verbrand.

Iedereen hield alles maar geheim
en deed volmaakt wat hij niet kon:
ze lachten hem al op de speelplaats uit:

een tegenstrijdigheid, verlamd
en huilend in de zon.

 

 
Peter Ghyssaert (Wilrijk, 3 januari 1966)

Lees meer...

Henry Handel Richardson, Xavier Orville, Jacob Balde, Wolf von Aichelburg, Elsa Asenijeff, John Gould Fletcher

 

De Australische schrijfster Henry Handel Richardson (eig. Ethel Florence) werd geboren op 3 januari 1870 in Melbourne. Zie ook alle tags voor Henry Handel Richardson op dit blog.

Uit: Australia Felix

“That had been the hardest job of any: keeping the party together. They had only been eight in all--a hand-to-mouth number for a deep wet hole. Then, one had died of dysentery, contracted from working constantly in water up to his middle; another had been nabbed in a manhunt and clapped into the "logs." And finally, but a day or two back, the three men who completed the nightshift had deserted for a new "rush" to the Avoca. Now, his pal had gone, too. There was nothing left for him, Long Jim, to do, but to take his dish and turn fossicker; or even to aim no higher than washing over the tailings rejected by the fossicker.
At the thought his tears flowed anew. He cursed the day on which he had first set foot on Ballarat.
"It's 'ell for white men--'ell, that's what it is!"
"'Ere, 'ave another drink, matey, and fergit yer bloody troubles."
His re-filled pannikin drained, he grew warmer round the heart; and sang the praises of his former life. He had been a lamplighter in the old country, and for many years had known no more arduous task than that of tramping round certain streets three times daily, ladder on shoulder, bitch at heel, to attend the little flames that helped to dispel the London dark.”

 

 
Henry Handel Richardson (3 januari 1870 – 20 maart 1946)
Cover

Lees meer...

Douglas Jerrold, Charles Palissot de Montenoy, Heinrich Wilhelm von Gerstenberg, Hermann von Weinsberg, Sven Kivisildnik

 

De Engelse schrijver Douglas William Jerrold werd geboren op 3 januari 1803 in Londen. Zie ook alle tags voor Douglas Jerrold op dit blog.

Uit: St. Giles and St. James

“The streets were empty. Pitiless cold hod driven all who had the shelter of a roof to their homes : and the north-east blast seemed to howl in triumph above the untrodden snow. "Winter was at the heart of all things. The wretched, dumb with excessive misery, suffered, in stupid resignation, the tyramiy of the season. Human blood stagnated in the breast of want ; and death in that despoji'ing hour losing its terrors, looked, in the eyes of many a wretch, a sweet deliverer. It was a time when the very poor, barred from the commonest things of earth, take strange counsel with themselves, and, in the deep humility of destitution, believe they are the burden and the offal of the world,
It was a time whea the easy, comfortable man, touched with finest sense of human suffering, gives from his abundance ; and, whilst bestowing, feels almost ashamed that, with such widespread misery circled round him, he has all things fitting ; all things grateful. The smitten spirit asks wherefore he is not of the multitude of wretchedness ; demands to know for what especial excellence he is promoted above the thousand, thousand starving creatures ; in his very tenderness for misery, tests his privilege of exemption from a woe that withers manhood in man, bowing him downward to the brute. And so questioned, this man gives in modesty of spirit — in very thankfulness of soul.”

 

 
Douglas Jerrold (3 januari 1803 – 8 juni 1857)

Lees meer...

02-01-15

Jimmy Santiago Baca, David Shapiro, André Aciman, Nyk de Vries, Look J. Boden, Hans Herbjørnsrud, Anton van Duinkerken, Christopher Durang

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Jimmy Santiago Baca werd geboren in Santa Fe, New Mexico, op 2 januari 1952. Zie ook alle tags voor Jimmy Santiago Baca op dit blog.

 

The Day Brushes It's Curtains Aside

to a dark stage.
I lie there awake in my prison bunk,
in the eye-catching silence
of prison night.

I study the moon out my grilled window.
I figure this and that,
not out, just figure, figuring more,
the inner I go, through illimitable tunnels,

roaring great, myself back back back.

I lie still, listening to water drops
clink and pap pap pap
in the shower stall next to my cell.

In that airy place we call the heart,
I move like a magician
in the colorful stage lights of my moods,
my bright dreams, and blue light
circles a tear on my cheek, and lips with her name.

>From flowers in my hands
her face appears. In cards
she is the queen. These are tricks
and I am the magician.

Tomorrow morning I will crawl out of bed
knowing I cannot escape the chains
they've wrapped around me.

I will crawl out of bed tomorrow,
as though I had stepped out of a box
on stage. It was no illusion,
when the sword plunged into the box,
I smiled at the crowd,
as it went deeper and deeper into my heart.

 

 
Jimmy Santiago Baca (Santa Fe, 2 januari 1952)

Lees meer...

01-01-15

Een nieuwe dag (Alexis de Roode)

 

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

 
Winterlandschap door Salomon van Ruysdael, jaren 1650

 

 

Een nieuwe dag

Kyrie eleison
Kyrie eleison
deze treurigheid gaat nooit meer weg.

Het is nieuwjaarsdag
en de wereld is wit, wit,
maar met sneeuw heeft het niks te maken,
het is meer een verbleken
nu de seizoenen ongescheiden zijn geworden.

Het is nieuwjaarsdag
en de plannen zijn goed,
maar de wereld is slecht,
we zijn trouwens allemaal klootzakken
(zo mijn vader sprak in vervlogen dagen)

We wagen het erop, jazeker.
Er gaan hier vele dagen om
waarin niets doordringt van de droefheid
die niet beperkt tot mensen is.
Ik wil gaan zoals het oude liedje ging:
naar een hoogmis en geboren worden
in een orgelpijp.
En dan maar stijgen als een dolle.

Maar ik mag niet zomaar weg.
Er loopt een vrouw door mijn huis
op zeer dunne vogelbenen,
een baltsende vogel die op leven wacht,
niet voor mij,
slechts voor het Ware en het Goede,
daarvoor strekt ze zich
en neigt.

Het Goede en het Ware.
Kyrie eleison.

Deze treurigheid gaat nooit meer weg,
nooit meer.

 

 

 
Alexis de Roode (Hulst, 8 oktober 1970)
De Willibrordus-basiliek in Hulst.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 1e januari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

12:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nieuwjaar, alexis de roode, romenu |  Facebook |

Adonis, Jonas T. Bengtsson, Chantal van Gastel, Juan Gabriel Vásquez, Paul Hamilton Hayne

 

De Syrische schrijver Adonis (pseudoniem van Ali Ahmad Sa'id) werd geboren op 1 januari 1930 in Qassabin in het noorden van Syrië.

 

Celebrating Childhood

Even the wind wants
to become a cart
pulled by butterflies.
 
I remember madness
leaning for the first time
on the mind’s pillow.
I was talking to my body then
and my body was an idea
I wrote in red.
 
Red is the sun’s most beautiful throne
and all the other colors
worship on red rugs.
 
Night is another candle.
In every branch, an arm,
a message carried in space
echoed by the body of the wind.
 
The sun insists on dressing itself in fog
when it meets me:
Am I being scolded by the light?
 
Oh, my past days—
they used to walk in their sleep
and I used to lean on them.
 
Love and dreams are two parentheses.
Between them I place my body
and discover the world.
 
Many times
I saw the air fly with two grass feet
and the road dance with feet made of air.
 
My wishes are flowers
staining my days.
 
I was wounded early,
and early I learned
that wounds made me.
 
I still follow the child
who still walks inside me.
 
Now he stands at a staircase made of light
searching for a corner to rest in
and to read the face of night again.
 
If the moon were a house,
my feet would refuse to touch its doorstep.
 
They are taken by dust
carrying me to the air of seasons.
 
I walk,
one hand in the air,
the other caressing tresses
that I imagine.
 
A star is also
a pebble in the field of space.
 
He alone
who is joined to the horizon
can build new roads.
 
A moon, an old man,
his seat is night
and light is his walking stick.
 
What shall I say to the body I abandoned
in the rubble of the house
in which I was born?
No one can narrate my childhood
except those stars that flicker above it
and that leave footprints
on the evening’s path.
 
My childhood is still
being born in the palms of a light
whose name I do not know
and who names me.
 
Out of that river he made a mirror
and asked it about his sorrow.
He made rain out of his grief
and imitated the clouds.
 
Your childhood is a village.
You will never cross its boundaries
no matter how far you go.
 
His days are lakes,
his memories floating bodies.
 
You who are descending
from the mountains of the past,
how can you climb them again,
and why?
 
Time is a door
I cannot open.
My magic is worn,
my chants asleep.
 
I was born in a village,
small and secretive like a womb.
I never left it.
I love the ocean not the shores.

 

Vertaald door Khaled Mattawa

 

 
Adonis (Qassabin, 1 januari 1930)

Lees meer...

J.D. Salinger, E. M. Forster, Douglas Kennedy, Rascha Peper, Carry van Bruggen

 

De Amerikaanse schrijver Jerome David Salinger werd in New York geboren op 1 januari 1919. Zie ook alle tags voor J. D. Salinger op dit blog.

Uit:The Catcher in the Rye

“They went mad. They were exactly the same morons that laugh like hyenas in the movies at stuff that isn't funny. I swear to God, if I were a piano player or an actor or something and all those dopes thought I was terrific, I'd hate it. I wouldn't even want them to clap for me. People always clap for the wrong things. If I were a piano player, I'd play it in the goddam closet. Anyway, when he was finished, and everybody was clapping their heads off, old Ernie turned around on his stool and gave this very phony, humble bow. Like as if he was a helluva humble guy, besides being a terrific piano player. It was very phony--I mean him being such a big snob and all. In a funny way, though, I felt sort of sorry for him when he was finished. I don't even think he knows any more when he's playing right or not. It isn't all his fault. I partly blame all those dopes that clap their heads off--they'd foul up anybody, if you gave them a chance. Anyway, it made me feel depressed and lousy again, and I damn near got my coat back and went back to the hotel, but it was too early and I didn't feel much like being all alone.
They finally got me this stinking table, right up against a wall and behind a goddam post, where you couldn't see anything. It was one of those tiny little tables that if the people at the next table don't get up to let you by--and they never do, the bastards--you practically have to climb into your chair. I ordered a Scotch and soda, which is my favorite drink, next to frozen Daiquiris. If you were only around six years old, you could get liquor at Ernie's, the place was so dark and all, and besides, nobody cared how old you were.
You could even be a dope fiend and nobody'd care.
I was surrounded by jerks. I'm not kidding. At this other tiny table, right to my left, practically on top of me, there was this funny-looking guy and this funny-looking girl.
They were around my age, or maybe just a little older. It was funny. You could see they were being careful as hell not to drink up the minimum too fast. I listened to their conversation for a while, because I didn't have anything else to do. He was telling her about some pro football game he'd seen that afternoon. He gave her every single goddam play in the whole game--I'm not kidding. He was the most boring guy I ever listened to.”

 

 
J.D. Salinger (1 januari 1919 – 27 januari 2010)

Lees meer...

Ernest van der Kwast

 

De Nederlandse schrijver Ernest van der Kwast werd geboren in Bombay, India, op 1 januari 1981. Van der Kwast debuteerde in 2005 met de roman “Soms zijn dingen mooier als er mensen klappen”. Van der Kwast was ook verantwoordelijk voor de verhalenbundel “Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken” (2003), die hij onder het pseudoniem Yusef el Halal publiceerde met een groep collega-schrijvers (waaronder Steven Verhelst, Ronald Giphart, Ingmar Heytze en Jacob van Duijn). Zijn tweede volledige roman ("Stand-in", 2007) verscheen eveneens onder een pseudoniem, Sieger Sloot - een bestaande acteur. Deze roman is opzettelijk geschreven in de stijl van Arnon Grunberg in de hoop hiermee de indruk te wekken dat het om een nieuw pseudoniem van deze auteur ging. De hoofdpersoon is handelaar in modeartikelen voor grote maten. De doorbraak naar het grote publiek kreeg hij in 2010 met zijn roman “Mama Tandoori”. Van der Kwast was enige tijd hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Passionate en organiseert de literaire evenementen Nur Literatur en Gooi een tomaat naar een schrijver en een roos naar de zangeres. Daarnaast presenteert hij elke maand De Unie Late Night in Rotterdam. Hij woont en werkt beurtelings in Nederland en Italië. In het najaar van 2010 was Van der Kwast met de roman Mama Tandoori genomineerd voor de NS publieksprijs. Van der Kwast schreef van februari 2011 tot en met juni 2012 satirische columns voor de website van NRC Handelsblad waarin hij zogenaamd een kopje espresso dronk met personen uit het nieuws, zoals leider Moammar Gaddafi, politicus Geert Wilders en koningin Beatrix. In mei 2012 verscheen zijn vijfde boek “Giovanna’s navel”, bestaande uit een novelle en vier korte verhalen.

Uit:Giovanna's navel

“Het was zijn laatste lente. De warmste die de mensen zich konden herinneren. Heinrich Kienzl vond ook geen mooiere lente in zijn geheugen. Meer dan zeventig jaar kon hij teruggaan. Witte bloesem en een wandeling met zijn ouders. Hij vloog als een engel tussen hen in. Klein en licht en vrolijk.
Nu was het begin april en dertig graden. Er schoten zwaluwen door de lucht. Heinrich Kienzl was de warmte ontvlucht en had de kabelbaan naar Jenesien genomen. Het bergstation lag op duizend meter hoogte. Tijdens de vaart had hij naar de weilanden onder hem gekeken. Het grastapijt dat al overal groen was, paardenbloemen die in grote vlekken uitwaaierden. Later zouden de andere kleuren komen. Paars van klaver, blauw van gentiaan, wit van duizendblad. Heinrich Kienzl had veertig jaar lang over de weiden van Jenesien gezweefd. Hij was conducteur van de kabelbaan geweest. Het was rustig werk. Hij moest de kaartjes controleren en bediende de knoppen in de cabine. Het overgrote deel van de tijd keek hij naar buiten. Hij zag de kastanjes groeien, het land dat door de boeren werd bewerkt. Reeën die 's ochtends vroeg terug het bos in vluchtten, de laatste vlinders van het jaar.
De werknemers van Seilbahn Jenesien kenden hem niet. Ze waren jong, begin dertig. De conducteur die zijn kaartje had gecontroleerd las een stripboek op een kruk. De kruk was er vroeger niet geweest. Verder was er niets veranderd in de cabine. Dezelfde knoppen, dezelfde zwarte telefoon die in verbinding stond met het bergstation. Ook het maximaal aantal passagiers was onveranderd. Twintig plus één. De conducteur.
Heinrich Kienzl was als twintigjarige jongen begonnen bij de kabelbaan en had als langzame man afscheid genomen. Tussen zijn eerste en zijn laatste werkdag hing een leven in de lucht. Geen groot avontuur, niet de droom van jongens die de wolken willen aanraken. Slechts enkele meters boven de grond, net iets hoger dan hij ooit tussen zijn ouders in had gevlogen. Negen minuten deed de kabelbaan erover om van het dalstation in Bozen naar het bergstation in Jenesien te zweven. Het hoogteverschil bedroeg 741 meter, de kabel was bijna tweeënhalve kilometer lang en hing aan zeven staalbetonnen pijlers. Het was iets wat hij in zijn laatste jaar als conducteur had gedaan: uitrekenen hoeveel tijd van zijn leven hij had gezweefd. Maar Heinrich Kienzl viel elke nacht midden in een vermenigvuldiging in slaap. Niemand had meer uren in de kabelbaan doorgebracht, niemand had meer gezien.”

 

 
Ernest van der Kwast (Bombay, 1 januari 1981)

12:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ernest van der kwast, romenu |  Facebook |

31-12-14

Ghosts Of The Old Year (James Weldon Johnson)

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een prettige jaarwisseling en een gelukkig Nieuwjaar!

 

 
Delft door Hendrik Gerrit ten Cate, 1818

 

 

Ghosts Of The Old Year

The snow has ceased its fluttering flight,
The wind sunk to a whisper light,
An ominous stillness fills the night,
A pause — a hush.
At last, a sound that breaks the spell,
Loud, clanging mouthings of a bell,
That through the silence peal and swell,
And roll, and rush.

What does this brazen tongue declare,
That falling on the midnight air
Brings to my heart a sense of care
Akin to fright?
'Tis telling that the year is dead,
The New Year come, the Old Year fled,
Another leaf before me spread
On which to write.

It tells the deeds that were not done,
It tells of races never run,
Of victories that were not won,
Barriers unleaped.
It tells of many a squandered day,
Of slighted gems and treasured clay,
Of precious stores not laid away,
Of fields unreaped.

And so the years go swiftly by,
Each, coming, brings ambitions high,
And each, departing, leaves a sigh
Linked to the past.
Large resolutions, little deeds;
Thus, filled with aims unreached, life speeds
Until the blotted record reads,
'Failure!' at last.

 

 

 
James Weldon Johnson (17 juni 1871 – 26 juni 1938)
Jacksonville, Kersttijd downtown. James Weldon Johnson werd geboren in Jacksonville.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 31e december ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

Anne Vegter, Arjen Duinker, Bastian Böttcher, Jacob Israël de Haan, Kingbotho, August van Cauwelaert, Paula Dehmel

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anne Vegter werd geboren in Delfzijl op 31 december 1958. Zie ook alle tags voor Anne Vegter op dit blog.

 

MH 17

Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds waar: zomaar in het web gevlogen van de oorlog van anderen.

Bestaat er in het Russisch ook een woord voor schuld,
woord voor genade, noem het woord dat macht niet duldt:

voor zulke pijn heb je niet eens een woord.

Twintig keer naar het journaal gekeken en het is nog steeds moord. Je zoekt de weefsels van dit abrupt verhaal. Je vindt

het woord, who cares of het bestaat of niet. Wereldverdriet.

 

 

GEBED VOOR IEDEREEN

Nog trekt het zich terug als in twee vuisten, reculer pour mieux sauter.
Nog lift het vrolijk mee als op het stuur van een weesfiets, zwenkt uit.
Nog loopt het mee in de optocht van iedereen, het spreekt verdwenen taal.
Nog verstopt het zich in geluidsfragmenten, applaus en partituren.
Nog nestelt het gebed zich in het Nederlands en biedt royaal onthaal.
BENG! KLEDDERRRRR! KLENG!
Een opstelling van stokken en tomaten, stenen uit de straat, de verf.
Tongen die spugen op gebed: ,,Niet buigen broddah! Strek je op!''
Wereldvreemden die maar wat floepen: ,,Wie de staat kent, kent zichzelf.''
Nieuwe talen zingen, roepen: ,,Niks kebed, suster, komt niet koed.''
Daar de mening, hier de uitspraak. Het Laatste Oordeel is bankroet,
roept uit nood en overvloed. Het kruipt door puin en bloeit op stank.
Hecht zich aan honger en verruilt een koninkrijk voor voedselbank,
kijkt, verwart, merkt op. Niet schadevrij, er heerst het schrale tij.
Het lacht en lijdt maar in gelijke mate, dat is de vrijheid van de poëzie.
Bemint een land uit een verlangen naar dat land: gebed laat liefde vrij.
LEVE
majesteit boven dit krachtenveld. Zo’n spiedend oog over de dijk.
Het soort alwetendheid ten dienste van het Crisisrijk. Verheft
in majesteit saamhorigheid tot kunst. Zo dus. O lieve koningin
die levenslang het hele land voorbij zag gaan, nu mag het zomaar,
lekker zomaar in de rij gaan staan.

 

 
Anne Vegter (Delfzijl, 31 december 1958)

Lees meer...

Nicolas Born, Dieter Noll, Dal Stivens, Connie Willis, Giovanni Pascoli, Marie d'Agoult

 

De Duitse dichter en schrijver Nicolas Born werd geboren op 31 december 1937 in Duisburg. Zie ook alle tags voor Nicolas Born op dit blog.

 

Ein Mittag im Dorf macht noch kein Gedicht

hier haben wir es aber schon
es ist aus dem Fenster gesehen und auch
        von innen
ein braunes altes Sofa kommt vor
        das war schon die Stelle mit dem Sofa
es wird nie richtig anwachsen
wie auch die Schwarzwaldtanne nicht anwächst.
        Der Ort ist übel
was machen wir damit wenn wir in den Städten
        das NEUE LEBEN anfangen
wenn wir die Städte platzen und auffliegen lassen
        zugunsten einer Liebesgeschichte?
Jetzt muß ich aufpassen daß ich nicht anwachse
eine graue Dachrinne geht um das Haus so wie du
um mich herumgehst als wäre ich angewachsen:
        »Soll ich die Gardinen heute waschen
oder morgen oder geht es noch?«
        »Laß doch Mutter ich fahre ja morgen wieder.«
Sie sieht erstaunt auf: »Morgen schon wieder?«
Ich streife sie mit einem melancholischen Blick
dann die Teppichstange im Garten auf der jetzt drei
        kleinere Vögel angewachsen sind.
In diesem Augenblick schaltet sich im Keller
        die Heizung an.
»Es wird gleich wieder wärmer« sagt sie
und dabei geht eine große Wärme von ihr aus.

 

 
Nicolas Born (31 december 1937 – 7 december 1979)

Lees meer...

Irina Korschunow, Nicholas Sparks, Gottfried August Bürger, Alexander Smith, Horacio Quiroga, Stephan Krawczyk

 

De Duitse schrijfster Irina Korschunow werd geboren op 31 december 1925 in Stendal in Sachsen-Anhalt. Zie ook alle tags voor Irina Korschunow op dit blog. 

Uit: Glück hat seinen Preis

»War das mein Leben?« fragte sie, als ob ich eine Antwort wissen müßte. Für wen? Für sie? Für mich? Ich werde sie finden. Ich habe die Bilder im gelben Karton, die Geschichten dazu. Und auch die Stadt, in die ich fahren kann auf meiner Spurensuche. Die Abrißkolonnen sind darüber hinweggegangen und später der Krieg, aber ein paar Straßenläufe gibt es noch, ein paar Häuser, ein paar Gräber, ein paar Menschen: Kiel, dänisch-beschaulich bis 1866, dann unter preußischer Herrschaft zur Großstadt explodiert, Stadt der Marine, der Schiffe, der Werften, Hafenstadt, Kaiserstadt, in die mein Großvater Peersen am 5. März 1887 kam, um sein Glück zu machen.
»Er kam vom Dorf«, sagte meine Mutter, wenn sie von seinen Anfängen erzählte. »Seine Eltern hatten einen kleinen Hof in der Probstei. Aber er träumte vom Häuserbauen, dein Großvater Peersen, und ist Maurer geworden und eines Tages nach Ellerbeck gegangen und mit einem Fischer rüber nach Kiel gefahren.«
Ich stelle mir meinen Großvater Peersen vor, nicht den Mann mit dem grauen Kinnbart und den runden Schultern, wie meine Mutter sie von ihm geerbt hat und ich vielleicht auch, sondern jung, breit, einsneunzig groß, mit hellen Haaren und hellen Augen, die er zusammenkniff, weil dort, von wo er herkam, immer ein Wind wehte.
»Lat mi mit röver«, sagte er zu dem Fischer im breiten Platt seines Dorfes hinter der Förde. Er war als Geselle auf Wanderschaft gewesen, danach zwei Jahre bei einem Meister in Flensburg. Er hatte sein Erbe verkauft, sechs Hektar Ackerland, Koppeln, das reetgedeckte Haus mit den Kastanien, die es vor dem Wind schützen sollten, ein paar Stück Vieh, und die Schwestern ausgezahlt. In seiner Tasche steckte der Meisterbrief. Maurermeister Johann Peersen.“

 

 
Irina Korschunow (31 december 1925 – 31 december 2013)

Lees meer...