09-05-15

Bulat Okudzhava, Mona Van Duyn, Gamal al-Ghitani, Richard Adams, James Barrie, Pitigrilli

 

De Russische schrijver, dichter en zanger Bulat Shalvovich Okudzhava werd geboren in Moskou op 9 mei 1924. Zie ook alle tags voor Bulat Okudzhava op dit blog.

 

The Song Of The Trampling Jackboots

Now do hear the sound of trampling boots?
And do you see the birds fly off like mad
and women stare scrutinising routes?
I think you know what they are staring at.

Now do hear the sound of drum-beat bass?
The soldiers have to say their good-byes...
The squadron leaves to vanish in the haze...
The past appears clearly in the eyes.

What happens to your soldier's fortitude
when you return to your old neighbourhood?
It's women's trick who steal it from your chest
and keep it like a birdie in the nest.

What happens to your women, man of war,
when you come home and open the front door?
They welcome you and kindly let you in
but in the house there's a smell of sin.

The past is gone -- who cares about that!
We look into the future, for the light!
And in the fields the carrion-crows are fat,
the roaring war pursues us like a plight.

Again you hear the sound of trampling boots
and see the frenzied birds fly off like mad,
and women stare scrutinising routes...
It's our napes that they are staring at.

 

 
Bulat Okudzhava (9 mei 1924 – 12 juni 1997)
Monument in Moskou

Lees meer...

08-05-15

Roddy Doyle, Thomas Pynchon, Pat Barker, Gary Snyder, Gertrud Fussenegger, Edmund Wilson, James Worthy

 

De Ierse schrijver Roddy Doyle werd geboren in Dublin op 8 mei 1958. Zie ook alle tags voor Roddy Doyle op dit blog.

Uit:Two More Pints

“– Have yeh made your mind up yet?
– A pint – same as always. I haven’t had to make me mind up since –
– I meant the election.
– Ah, shove it.
– Well, it’s either tha’ or the Greek default.
– Alrigh’ – fuck it. Who’s goin’ to
win?
– Hard to say. They’re all shite.
– I seen Mary Davis’s Sex an’ the City posters.
– There yeh go. An’ Mitchell. He said you can see the house he grew up in – in Inchicore, like – from the window of the Áras. An’ he’s goin’ to look out at it every mornin’.
– An’ shout, Fuck you, Inchicore.
– He could get the queen to do it with him the next time she’s over.
– A bondin’ exercise.
– Exactly. She probably never gets the chance to say “fuck” at home.
– Talkin’ abou’ fuck an’ the queen. What’s McGuinness up to?
– Says he’ll only pay himself the average industrial wage.
– The fuckin’ eejit.
– I’m with yeh. He says he’ll employ six young people with the money left over.
– Cuttin’ the grass an’ washin’ diesel. What about the Senator?
– Ah Jaysis. It looks like Greece is goin’ to miss its deficit target an’ has fuck-all chance of avertin’ bankruptcy.“

 

 
Roddy Doyle (Dublin, 8 mei 1958)

Lees meer...

07-05-15

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey

 

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Villa des Roses

“De „Villa des Roses”, waarin het echtpaar Brulot te eten gaf en kamers verhuurde, stond in de rue d’Armaillé, een straat van weinig aanzien in het overigens breed aangelegde „Quartier des Ternes”.
En zooals de straat was, zoo was ook het huis, dat slechts één enkele verdieping had, terwijl de buurt heinde en verre volgebouwd was met huizen van vijf en zes verdiepingen, welke aan weerszijden torenhoog boven de „Villa” uitstaken. Hierdoor deed het pension wel eenigszins aan een gewezen landhuis denken, belegerd en ingesloten door den stuwenden vloed der groote stad, doch voor de nadere omschrijving welke opgesloten lag in de toevoeging „des Roses” had nooit iemand een gangbare verklaring weten op te duiken. Wel was er een tuin aan het huis, wat in Parijs toch reeds een zeldzaamheid is, doch sedert mijnheer en mevrouw Brulot de woning betrokken hadden — en zij woonden er nual meer dan zestien jaar — was er geen zorgzame hand meer naar uitgestoken, zoodat alle rozen en andere bloemen reeds lang tot het verleden behoorden. Ook kwam er maar weinig zon, omdat de naburige huizen met hunne reusachtige schaduwen het gansche terrein der Villa bestreken. Alleen het gras had het onder die omstandigheden weten uit te houden, het gras dat weliger tiert naar gelang men er minder naar omkijkt en dat een vriend is van vergeten steenen en bouwvallen in wording.
In verband met den toestand zooals die nu eenmaal was, had madame Brulot spoedig besloten kippen te houden, waarvan er een dertigtal in het „park” der Villa rondscharrelden. En alsof Parijs niet bestond en de zon in hun rijk niet onderging, legden die beestjes daar waarachtig eieren, welke door mevrouw in de stad verkocht werden à 20 centimes per stuk. Voor het garnizoen der Villa kocht zij er dan Italiaansche voor de helft van dien prijs, legde die ’s morgens hier en daar in den tuin te vinden, waarna zij overdag in triomf naar de keuken werden gebracht. Werd er dan ook al eens geklaagd over vleeschschotels of koffie, omtrent de eieren waren alle dames en heeren het eens: de weerga ervan was kort en goed in de heele stad niet te vinden.”

 

 
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960)

Lees meer...

06-05-15

Willem Kloos, Hélène Gelèns, Sasja Janssen, Ariel Dorfman, Erich Fried, Yasushi Inoue, Harry Martinson, Christian Morgenstern

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Kloos werd geboren in Amsterdam op 6 mei 1859. Zie ook alle tags voor Willem Kloos op dit blog.

 

Gij zult niet met een kroon op ’t hoofd

Gij zult niet met een kroon op 't hoofd in 't Rijk
Der Lettren zitten na uw dood, verdwaasden,
Gij knutslaars ijdlijk, die alleen maar aasden
Om eens te zitten, niet voor 't Volk, te prijk

Voor boeren, die dan zouden zeggen: ‘Kijk,
Dat 's óók een knappe dichter, maar 'k bereik
Er niets van, met mijn dom hoofd, 't zijn verraasden,
Die liever zorgen moesten dat zij kaasden.’

O allen gij, die meent te zijn een dichter,
Maak toch u-zelf een aantal ponden lichter
En weet wel dat de enig-echte kunst slechts daar staat,

Waar zij oprecht fier op haar benen waar staat,

Weet toch dat Uw taal slechts is in m i j n hand veilig,
Wijl zij gestaêg door m i j n stem slechts klinkt heilig.

 

 

De menschen dóen, maar weten niet waaróm

De mensen dóen, maar weten niet waaróm
Zij doen, en zitte' in hun eentjes te wegen,
Hoe zij het meeste van het leven kregen,
't Leven dat langs hen gaat en ziet niet om, -

Hopen en haken of er níet wat kom,
Voelen hun hartjes van blijdschap bewegen,
Stil in hun lekkere bedjes gelegen.....
Maar áls 't wat geeft, dan houden zij zich dom:

Dan kijken ze uit een paar onschuldige oogjes,
Willen niet, maar willen wel, en zijn zo bleutjes....
't Leven zegt: ‘zo!..’ en neemt het weer weerom.

O, geef elkaar zo even maar wat droogjes
Oogjes en schuintjes en vriendelijke peutjes,
O, mensjes lief, wat zijn wij allen dom!

 


Verzen XLIII

De blâren vallen zacht...
Ik kan alleen betreuren,
Dat ik niet eens verwacht,
Wat eens nog kan gebeuren...
De blâren vallen zacht...

 

 
Willem Kloos (6 mei 1859 – 31 maart 1938)

Lees meer...

05-05-15

O Vrijheid! (Mustafa Stitou)

 

Bij Bevrijdingsdag

 

 
Bevrijdingsfeest op de Zeedijk, aquarel door Piet Spijker, 1945

 

 

O Vrijheid!

jij vaal
vaal visioen
uit een ver verleden
van vermetele filosofen

er zijn er die roepen dat je maar
een middel bent
tot blijheid

-hoe durven ze!
heeft niet het leven
juist omwille van jou
ontelbare levenden afgestaan?

slapen in jouw schoot niet rechten
en plichten zacht?
o vrijheid!
bén je een maar een vaal visioen
of ben je de grond,
onvervreemdbare grond
voor ons dierbaarste doen
ons meest achteloze laten?

 

 
Mustafa Stitou (Tétouan, 20 oktober 1974)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

18:41 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bevrijdingsdag, mustafa stitou, romenu |  Facebook |

Miklós Radnóti, Roni Margulies, Petra Else Jekel, Morton Rhue, Christopher Morley, George Albert Aurier, Henryk Sienkiewicz

 

De Hongaarse dichter en schrijver Miklós Radnóti werd geboren op 5 mei 1909 in Boedapest. Zie ook alle tags voor Miklós Radnóti op dit blog.

 

Brief an die Gattin

Schweigende, stumme Weiten in der Tiefe.
Die Stille heult. Ich schreie. Doch wer riefe
mir Antwort zu in diesem todumhauchten
serbischen Land, des Täler blutig rauchten;
und du bist fern. Nur nachts durch meine Träume
klingt deine Stimme noch. In heiße Räume
des Herzens berg ich sie, ihr tags zu lauschen,
indes um mich die schlanken Farne rauschen.

Wann ich dich wiederseh, kann ich nicht wissen,
du Hort, stark wie ein Psalm in Ärgernissen,
wie Licht und Schatten schön! Ach, selbst mit blinden
Augen würd ich unfehlbar zu dir finden;
die Landschaft birgt dich, doch von innen schwebst du
mir vor das Aug, und unzerstörbar lebst du:
Wirklichkeit warst, Traum wirst du, Wunderbare,
erneut im Brunnen meiner Knabenjahre.

Voll Eifersucht dring ich in dich: Sag, liebst du
mich? Und, am Gipfel meiner Jugend, gibst du
die Hand als Gattin mir? Ich hoff's; erneut im
Wachsein weiß ich: Du bist's: Ehfrau und Freundin,
nur fern bist du. Jenseits drei wilder Grenzen.
Auch wird's September, bunt schon Kronen glänzen.
Vergißt mich selbst der Herbst? Ins Ungewisse
treib ich und schmeck noch taumelnd unsre Küsse.

An Wunder glaubt ich und vergaß sie. Lärmend
ziehn Bomber über uns. Am Himmel, schwärmend,
sah ich dein Augenblau - nun, unter Dröhnen
trübt es sich ein, und wild die Bomben sehnen
zum Sturz sich droben. Ihnen trotzend leb ich
und bin gefangen, doch, glaub mir, bald schweb ich
zu dir und weiß, daß ich dich nicht verfehle.
Für dich legt ich die Länge meiner Seele,

der Wege all zurück. Durch Purpurgluten,
wenn es so sein muß, durch brüllende Fluten
werd ich mich zaubern, daß zu dir ich finde,
ich werde zäh sein wie am Baum die Rinde,
mit wilder Männer Ruh werd ich aufwiegen
Waffen und Macht; es lehrt die Not mich siegen
und die Gefahr, und hold wird Hoffnung schenken
die Nüchternheit des 2x 2 dem Denken.

 

Vertaald door Franz Fühmann

 

 
Miklós Radnóti (5 mei 1909 – 9 november 1944)
Standbeeld in Radnovce (Hongaars: Nemesradnót)

Lees meer...

04-05-15

Gedicht (C. O. Jellema)

 

Bij 4 mei

 

 
Monument De Vaandeldrager, Nijmegen

 

 

Gedicht

So schaute Thales die Einheit des Seienden:
und wie er sich nitteilen wollte
redete er vom Wasser.
Nietsche

In stilte schrijf ik jou, gedicht, in stilte,
een stoel draagt mij, op tafel rust mijn arm,
en als ik opkijk zie ik over buxushagen
in ’t open veld de trage schapen grazen
onder gelaten wolken van dit kustgebied –
in stilte schrijf ik jou, in deze stilte.

Is dit jouw recht, zo met jezelf alleen
uit woorden te bestaan die niets bederven,
aan de benoemden niets ontnemen wat hen schaadt,
je toe te voegen aan de dingen die er waren
zo vanzelfsprekend van eenzelvigheid,
is dat jouw recht, en voor jou zelf alleen?

Maar in mijn hoofd, gedicht, gaan dingen om
waar jij geen weet van hebt en die niet rijmen:
dat wie jou leest een moordenaar kan zijn
om een stuk land, een vreemde taal, een god;
dat wie jou schrijft ten dode haten kan –
maar jij, gedicht, keert alle dingen om

tot spiegeling in ’t woordelijke water
waarin zij één zijn zoals Thales zag,
mens uit Milete die een denken schiep
uit schouwen, dacht in beeldspraak: hielp dat spreken
een wereld te ontwrichten van vooroordeel
en misverstand? – Het zijn, gedicht, jouw naasten

die weigeren verwantschap te verdragen,
die dagelijks nog moeten sterven om
hun stukje land, hun taal, hun eigen god.
En jij verzwijgt hen in jouw woorden wolk en water? –
Ik heb van jou gedroomd: jij schiep de weiden grazig
en leidde ons aan wateren der rust.

 

 

 
C. O. Jellema (9 september 1936 – 19 maart 2003)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 4e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

11:43 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: 4 mei, dodenherdenking, c. o. jellema, romenu |  Facebook |

Christiaan Weijts, Amos Oz, Monika van Paemel, Graham Swift, David Guterson, Jan Mulder, Werner Fritsch, Jacques Lanzmann

 

De Nederlandse schrijver Christiaan Weijts werd geboren in Leiden op 4 mei 1976. Zie ook alle tags voor Christiaan Weijts op dit blog.

Uit:De linkshandigen

“Simon Sinkelberg vindt zijn schoen terug op de zondag dat hij ontslag neemt bij de krant. Het is de rechterhelft van een veel te duur paar, Italiaans kalfsleer, dat hij ooit voor het huwelijk van zijn zus kocht, samen met – voor het eerst in zijn leven – twee cederhouten spanners. Een jaar geleden was de schoen ineens verdwenen. Op het rekje onder de kapstok stond het linker exemplaar in z’n eentje te glimmen, elke dag opnieuw, steeds vileiner.
Simon zocht overal. Dagelijks kamde hij een andere kamer of kast uit, maar hij vond niets, en de weesschoen begon hem uit te lachen: lapzwans, klungel, onnozelaar... Iets langer dan een maand verdroeg hij dit. Toen trok hij het ding aan de veters omhoog, sleurde het mee naar zijn atelier, stak een stanleymes in de gave, volmaakte huid, die hij aan repen sneed en in de vuilnisbak mikte.
Dat luchtte op. Uiteindelijk vergat hij het voorval, totdat hij nu, op weg naar een afspraak met zijn hoofdredacteur, in de hal een draadje opmerkt dat uit het luik naar de watermeter krult. Het is amper vijf centimeter lang. Hij hurkt neer. Het is het uiteinde van een veter. Als hij het luik opent ligt daar, glanzend alsof hij net uit de doos komt, de rechterschoen.
Hij begrijpt het niet meteen. Hij moet ooit de meterstand hebben opgenomen, waarna het luik open is blijven staan en de schoen vanaf het rekje het gat in is getuimeld. Hij moet op een dag in het voorbijgaan het open luik geregistreerd hebben en dit gedachteloos hebben gesloten.
Hij tilt zijn vondst op en laat die rusten op zijn handpalmen. Zo blijft hij een poosje onbeweeglijk in de hal staan.”

 

 
Christiaan Weijts (Leiden, 4 mei 1976)

Lees meer...

Cola Debrot

 

De Antilliaanse schrijver, dichter, arts, diplomaat, jurist, minister, filosoof en balletcriticus Cola Debrot werd geboren te Kralendijk (Bonaire) op 4 mei 1902. Hij groeide op in Curaçao en in Caracas. Zijn vader had een plantage op Bonaire. Via zijn grootmoeder van moederszijde die van origine uit Venezuela kwam, bezat hij ook de Venezolaanse nationaliteit. Thuis sprak hij Spaans en Papiaments; Nederlands leerde hij op de lagere school. Debrot volgde het gymnasium in Nijmegen en woonde er als kostganger in de Sint Annastraat 85, bij de weduwe van de zoon van de theoloog Johannes Jacobus van Oosterzee. Aan haar moeder, "Groszmutter" Maria Christiane Vorländer-Walter, heeft Debrot zijn kennis van de Duitse literatuur te danken. Vervolgens studeerde hij vanaf 1921 rechten in Utrecht, waar hij bevriend raakte met onder andere Martinus Nijhoff, Jan Engelman en Pyke Koch. In 1928 vertrok Debrot naar Parijs, waar hij drie jaar woonde en werkte als ghostwriter. Hij ontmoette daar de Amerikaanse zangeres Estelle Reed, met wie hij trouwde. In 1931 keerde hij terug naar Nederland en volgde een studie medicijnen. Tijdens WO II had hij een dokterspraktijk in Amsterdam. In het voorjaar van 1945 kreeg Debrot regelmatig bezoek van W.F. Hermans. Debrot nam hem mee naar patiënten en stelde hem voor als "dokter Klondike"; Hermans verwerkte dit later in zijn novelle Dokter Klondyke. Na de oorlog ging Debrot als arts op Curaçao werken, en tevens raakte hij betrokken bij de politiek. In 1952 kwam hij als gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen naar Den Haag. Hij speelde een belangrijke rol op de ronde-tafelconferenties die leidden tot de nieuwe verhouding tussen Nederland, Suriname en de Antillen. Van 1962 tot 1970 was hij gouverneur van de Nederlandse Antillen. Na deze periode keerde Debrot terug naar Nederland. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in het Rosa Spierhuis in Laren. Hij leed onder zware depressies en werd een periode opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ook hierna bleef hij onder medicatie.

 

De muze
voor D.A.M. Binnendijk

Vóór het nieuw rythme vloeit, bereidt U voor
op de benauwenis der eenzaamheden.
Slechts wie de donkre uren heeft doorleden
vindt bij zijn Muze eindelijk gehoor.
 
Een oude wereld gaat in 't hart teloor
en haar verschijning, jarenlang beleden,
wordt, schoon gekoesterd, tegelijk gemeden,
voordat het licht der nieuwe dageraad gloor'.
 
Laat na naar roes of naar gevoel te dingen,
der Muze vleugelslag wordt men gewaar
in ijzige windvlaag van zielshuiveringen
 
als oude melodieën wonderbaar
zich mengen met het onvergeetlijk zingen
der bronzen stemmen van het Nieuwe Jaar.

 

 

Dachau
voor Ed. Hoornik

Als mensen met de mensenrechten spotten,
hoort men van de wanhopigen eerst het gillen,
maar weldra volgt de eeuwigheid der stilte,
die uitgaat van een veld bezaaid met botten.
 
En die hier verder aan een water rotten,
eens glansden hemelen in hun pupillen
en ook het voorjaar, dat de boom deed botten,
kon nooit het heimwee van hun harten stillen.
 
Op deze wijs, in 't grauwe dal der zuchten,
zijn onze vrienden met een snik vergaan,
terwijl wij 't enkel hoorden van geruchten
 
tegengesproken, nauwelijks verstaan,
uit kampen, ook na eeuwen niet te luchten
van 't misdrijf aan onschuldigen begaan.

 

 

La Biondina
 
Sluimer maar zacht, blonde slavin, omsluierd
met blauwe voiles om je borst en billen.
Het is zo heerlijk sluim'ren en niets willen,
zo droomziek domm'lend, zo van lust doorhuiverd.
 
Waartoe de moeite, waartoe kracht verspillen
waar zij, die krachtloos zijn, vergeefs bedingen?
Wat zijn verhandelbare stervelingen
anders dan speelbal voor eens anders grillen?
 
Zie hoe de tranen naar haar ogen wellen
en van 't verzwegen sentiment vertellen.
 
Zie hoe zij zich de wulpse les laat lezen
ondanks de weerstand van haar knie en pezen.
 
Zie hoe tenslotte toch haar wimpers trillen
in de ontstelde trance der Sibyllen.

 

 
Cola Debrot (4 mei 1902 – 3 december 1981)
Portret door Carel Willink, 1936

 

11:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: cola debrot, romenu |  Facebook |

03-05-15

In Memoriam Ruth Rendell

 

In Memoriam Ruth Rendell

De Britse schrijfster Ruth Rendell is zaterdagmorgen op 85- jarige leeftijd overleden. Dat heeft haar uitgever laten weten. Ruth Rendell werd geboren als Ruth Grasemann in Londen op 17 februari 1930. Zie ook alle tags voor Ruth Rendell op dit blog.

Uit: Some Lie and Some Die

"And thou,"' he said, '"what needest with thy tribe's black tents who hast the red pavilion of my heart?" There's going to be a lot of that going on, Mike, so you'd best get used to it. Letts'll have to put a couple of men on that quarry if we don't want gate-crashers.'
'I don't know,' said Burden. 'You couldn't get a motorbike in that way.' He added viciously: 'Personally, I couldn't care less who gets in free to Silk's bloody festival as long as they don't make trouble.'
On the Sundays side the chalk slope fell away unwalled; on the other it was rather feebly protected by broken chestnut paling and barbed wire. Beyond the paling, beyond a narrow strip of grass, the gardens of three houses in The Pathway were visible. Each had a tall new fence with its own gate. Wexford looked down into the quarry. It was about twenty feet deep, its sides overgrown with brambles and honeysuckle and wild roses. The roses were in full bloom, thousands of flat shell-pink blossoms showing against the dark shrubby growth and the golden blaze of gorse.
Here and there rose the slim silver trunks of birches. In the quarry depths was a little natural lawn of turf scattered with harebells. One of the flowers seemed to spiral up into the air, and then Wexford saw it was not a flower at all but a butterfly, a Chalkhill Blue, harebell-coloured, azure-winged.
'Pity they had to build those houses. It rather spoils things, doesn't it?'
Burden nodded. 'These days,' he said, 'I sometimes think you have to go about with your eyes half-closed or a permanent crick in your neck.'
'It'll still be lovely at night, though, espcially if there's a moon. I'm looking forward to hearing Betti Ho. She sings those anti-pollution ballads, and if there's anything we do agree on, Mike, it's stopping pollution. You'll like Miss Ho. I must admit I want to hear this Vedast bloke do his stuff, too.'
'I get enough of him at home,' said Burden gloomily. 'John has his sickly love stuff churning out night and day.'

 

 
Ruth Rendell (17 februari 1930 – 2 mei 2015) 

18:09 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: in memoriam, ruth rendell, romenu |  Facebook |

Am vierten Sonntage nach Ostern (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Am vierten Sonntage nach Ostern

 


Diego Velázquez, Johannes op Patmos, 1619–1620

 

 

Am vierten Sonntage nach Ostern
"Ich gehe zu Dem, der mich gesandt hat."

Nicht eine Gnadenflamme hehr
Vor deinem Volke soll ich gehn;
Nein, ein versteinert Leben schwer
Wie Sodoms Säule muß ich stehn
Und um mich her
Die Irren träumend schwanken sehn.

Und ob auch Öde mich umgibt,
Ob mich erstickt der Nebel fast,
Mir Wirbelsand die Augen trübt,
Doch weiß ich, daß mein Sinn dich faßt,
Daß er dich liebt,
Und daß du mich gesendet hast.

Den Lebenshauch halt ich von dir,
Unsterblich hast du mich gemacht;
Nicht Glut, nicht Dürre schadet mir.
Ich weiß, ich bin in deiner Wacht,
Und muß ich hier
Auch stehn wie ein Prophet der Nacht.

Ich hebe meine Stimme laut
Ein Wüstenherold für die Not:
"Wacht auf, ihr Träumer, aufgeschaut!
Am Himmel steigt das Morgenrot.
Nur aufgeschaut!
Nur nicht zurück, dort steht der Tod!

Nur aufgeschaut, nur nicht zurück!
Laßt Menschenweisheit hinter euch!
Sie ist der Tod; ihr schnödes Glück
Ist übertünchtem Grabe gleich.
O hebt den Blick!
Der Himmel ist so mild und reich."

Könnt ich mein Auge heben nur,
Mein steinern Auge zu dem Blau:
Wie sög' ich aus der Himmelsflur
So liebekrank den milden Tau!
Doch hat Natur
Und Schuld verschlossen mir die Brau.

Ob nimmer sich die Rinde hebt?
Ach einmal, einmal muß es sein!
Wenn Sodoms Säule sich belebt,
Dann bricht auch meine Stunde ein,
Wenn es durchbebt
Den armen blutberaubten Stein.

Dann soll ich wissen, was ich bin,
Warum so todesstarr und matt;
Dann weiß ich, was den klaren Sinn
Getrieben zu der öden Statt;
Dann knie ich hin
Vor dem, der mich gesendet hat.

 

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Kruisigingsgroep op de Meersburg waar von Droste-Hülshoff op het eind van haar leven woonde.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 3e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

13:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: annette von droste-hülshoff, romenu |  Facebook |

Jehuda Amichai, Erik Lindner, Ben Elton, Johan de Boose, Jens Wonneberger, Klaus Modick, Paul Bogaert

 

De Duits-Israëlische dichter en schrijver Jehuda Amichai werd op 3 mei 1924 geboren in Würzburg. Zie ook alle tags voor Jehuda Amichai op dit blog.

 

Kruidenthee

Zij schonk hem kruidenthee in
om hem te kalmeren. Ze zei: “je verlangens
zijn driften, in de loop van duizenden jaren getemd,
weet je, net als wolven en honden.
Vannacht zal het zijn als duizenden jaren geleden.”

Ze leidde hem bij zijn hese pik
naar een witte slaapkamer, om genade te vinden
in de ogen van God en in de ogen van de mensen.

“Het zal je verbazen, zei ze, wat kan worden
tot vleugels. Het zal je verbazen: zelfs
zware heupen, zelfs herinneringen.”

Ze trok haar lange jurk uit,
de buitenste ziel van haar lichaam.
De binnenste hield ze aan.

 

Vertaald door Tamir Herzberg

 

 

Von Dreien oder Vieren im Zimmer

Von Dreien oder Vieren im Zimmer
steht immer einer am Fenster.
Muß das Unrecht sehen zwischen Dornen
und die Brände am Hügel.
Und wie Menschen, die tags unversehrt ausgingen,
abends zurückgebracht werden wie Restgeld nach Haus.

Von Dreien oder Vieren im Zimmer
steht immer einer am Fenster.
Über den Gedanken sein dunkles Haar.
Hinter ihm die Worte.
Vor ihm wandernde Stimmen ohne Gepäck,
Herzen ohne Wegzehrung, Prophezeiungen ohne Wasser
und große Steine, die zurückgebracht wurden
und verschlossen wie Briefe, die keine
Adresse haben, keiner empfängt sie.

 

Vertaald door Lydia und Paulus Böhmer

 

 

An Arab Shepherd Is Searching For His Goat On Mount Zion

An Arab shepherd is searching for his goat on Mount Zion
And on the opposite hill I am searching for my little boy.
An Arab shepherd and a Jewish father
Both in their temporary failure.
Our two voices met above
The Sultan's Pool in the valley between us.
Neither of us wants the boy or the goat
To get caught in the wheels
Of the "Had Gadya" machine.

Afterward we found them among the bushes,
And our voices came back inside us
Laughing and crying.

Searching for a goat or for a child has always been
The beginning of a new religion in these mountains.

 

Vertaald door Chana Bloch

 

 
Jehuda Amichai (3 mei 1924 – 22 september 2000)

Lees meer...

Juan Gelman, Tatjana Tolstaja, Agnès Desarthe, Pierre Emmanuel, August von Kotzebue, Dodie Smith, Nélida Piñon, Soma Morgenstern

 

De Argentijnse dichter Juan Gelman werd geboren op 3 mei 1930 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Juan Gelman op dit blog.

 

SAINT THERESA

and with many birds and their songs in the /
highest part of the mind or head / and rumblings
in it like the sea / or laments /
or winds or movements / suns

that clash / go out / then burn again / or powers
like thousands of animals that track        
up the suburbs of the soul / suffering
terrible ordeals i mean / even so

the soul goes on whole in its quiet state /
or desire / or clear light untouched
by sorrow / scorn / misery /
suffering or ruin / so

what is this peace without vengeance / or memory
of a future heaven / or tenderness
coming down from your hands / spring water
where birds in the highest part of the mind

rally to drink / sing sweetly / or are silent
like light issuing from you / wing
flying softly above war and fatigue
like the flight of passion itself?

 

 

ALONE

you're alone / my country / without
the comrades you lock up and destroy / you hear
them slowly being emptied of the love
they have left / they loosen their grip   

on their turn to die / dream they're being dreamed / quieted /
they'll never see other faces growing /
leaning out / continued / in this sun /
some day in the sun of justice

 

Vertaald door Hardie St. Martin

 

 
Juan Gelman (3 mei 1930 – 14 januari 2014)

Lees meer...

Marc Dugain

 

De Franse schrijver en filmmaker Marc Dugain werd geboren op 3 mei 1957 in Senegal, waar zijn vader werkzaam was. Hij keerde terug naar Frankrijk toen hij 8 jaar was en bracht zijn jeugd door bij zijn grootvader (Eugene Fournier) in het chateau waar de soldaten met een verminkt gezicht tijdens WO I opgevangen werden. Dit zou de bron van zijn eerste roman zijn: “La Chambre des officiers” uit 1998. Hij studeerde af aan het Grenoble Instituut voor Politieke Studies en behaalde een diploma registeraccountant. Hij werkte in de financiële wereld en richtte een bedrijf op, gespecialiseerd in de financiering van de transportwereld. Hij werd een succesvol ondernemer in de luchtvaart en stond aan het hoofd van Proteus Airlines en Flandre AIR2. Op zijn vijfendertigste begon hij een literaire carrière door het vertellen van het lot van zijn grootvader van moederszijde. “La Chambre des officiers” werd verfilmd door François Dupeyron in 2001 met Eric Caravaca, André Dussollier en Sabine Azéma in de hoofdrollen. In 2000 verscheen “Campagne anglaise” over de eenzaamheid en de zoektocht naar liefde van een Engelse zakenman. In 2002 “Heureux comme Dieu en France”, een verhaal over het verzet, in 2005 “La Malédiction d'Edgar”, over het leven van John Edgar Hoover, in 2007 “Une exécution ordinaire sous Staline” over de ramp met de onderzeebootKoersk. In 2008 volgde “En bas, les nuages”, een verzameling van korte verhalen.

Uit: La Chambre des officiers

« La guerre de 14, je ne lʼai pas connue. Je veux dire, la tranchée boueuse, lʼhumidité qui transperce les os, les gros rats noirs en pelage dʼhiver qui se faufilent entre des détritus informes, les odeurs mélangées de tabac gris et dʼexcréments mal enterrés, avec, pour couvrir le tout, un ciel métallique uniforme qui se déverse à intervalles réguliers comme si Dieu nʼen finissait plus de sʼacharner sur le simple soldat.
Cʼest cette guerre-là que je nʼai pas connue.
Jʼai quitté mon village de Dordogne le jour de la mobilisation. Mon grand-père a
couvert ma fuite de la maison de famille dans le silence du petit matin, pour éviter dʼinutiles effusions. Jʼai chargé mon paquetage dans la carriole du vieil André. A la cadence du balancement de la croupe de sa jument brune, nous avons pris la direction de Lalinde. Ce nʼest que dans la descente de la gare quʼil sʼest décidé à me dire : “Ne pars pas trop longtemps mon garçon, ça va être une sacrée année pour les cèpes.”
A Lalinde, une dizaine de petits moustachus endimanchés dans leur vareuse se laissaient étreindre par des mères rougeaudes, en larmes. Comme je regardais le vieil André sʼéloigner, un gros joufflu aux yeux comme des billes sʼest approché timidement de moi.
Cʼétait Chabrol, un gars de Clermont-de-Beauregard que je nʼavais pas revu depuis la communale. Il était là, seul, sans famille, sans adieux. Il redoutait de prendre le train pour la première fois, sʼinquiétait des changements. Pour se rassurer, il tirait à petites gorgées sur une gourde accrochée à sa ceinture. Cʼétait un mélange dʼeau- de-vie de prune et de monbazillac. Il en avait trois litres dans son sac, trois litres pour trois semaines de guerre, puisquʼon lui avait dit quʼon leur mettrait la pâtée en trois semaines, aux Allemands. Ce gros communiant qui sentait un drôle de vin de messe sʼinstalla à côté de moi pour ne plus me quitter des yeux. »

 

 
Marc Dugain (Senegal, 3 mei 1957)

13:45 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: marc dugain, romenu |  Facebook |