04-12-16

Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Feridun Zaimoglu, Nikoloz Baratashvili, Emil Aarestrup

 

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Werkleute sind wir

Werkleute sind wir: Knappen, Jünger, Meister,
und bauen dich, du hohes Mittelschiff.
Und manchmal kommt ein ernster Hergereister,
geht wie ein Glanz durch unsre hundert Geister
und zeigt uns zitternd einen neuen Griff.

Wir steigen in die wiegenden Gerüste,
in unsern Händen hängt der Hammer schwer,
bis eine Stunde uns die Stirnen küsste,
die strahlend und als ob sie Alles wüsste
von dir kommt, wie der Wind vom Meer.

Dann ist ein Hallen von dem vielen Hämmern
und durch die Berge geht es Stoß um Stoß.
Erst wenn es dunkelt lassen wir dich los:
Und deine kommenden Konturen dämmern.

Gott, du bist groß.

 

 

Magnificat

Sie kam den Hang herauf, schon schwer, fast ohne
an Trost zu glauben, Hoffnung oder Rat;
doch da die hohe tragende Matrone
ihr ernst und stolz entgegentrat

und alles wusste ohne ihr Vertrauen,
da war sie plötzlich an ihr ausgeruht;
vorsichtig hielten sich die vollen Frauen,
bis dass die junge sprach: Mir ist zumut,

als wär ich, Liebe, von nun an für immer.
Gott schüttet in der Reichen Eitelkeit
fast ohne hinzusehen ihren Schimmer;
doch sorgsam sucht er sich ein Frauenzimmer
und füllt sie an mit seiner fernsten Zeit.

Dass er mich fand. Bedenk nur; und Befehle
um meinetwillen gab von Stern zu Stern -.

Verherrliche und hebe, meine Seele,
so hoch du kannst: den HERRN.

 

 

Uit: Die Sonette an Orpheus, Erster Teil 

Das VII. Sonett

Rühmen, das ists! Ein zum Rühmen Bestellter,
ging er hervor wie das Erz aus des Steins
Schweigen. Sein Herz, o vergängliche Kelter
eines den Menschen unendlichen Weins.

Nie versagt ihm die Stimme am Staube,
wenn ihn das göttliche Beispiel ergreift.
Alles wird Weinberg, alles wird Traube,
in seinem fühlenden Süden gereift.

Nicht in den Grüften der Könige Moder
straft ihm die Rühmung lügen, oder
dass von den Göttern ein Schatten fällt.

Er ist einer der bleibenden Boten,
der noch weit in die Türen der Toten
Schalen mit rühmlichen Früchten hält.

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Portret door Leonid Pasternak, 1928

Lees meer...

Nikolay Nekrasov, Samuel Butler, Trudi Guda, René Fallet, Thomas Carlyle

e Russische dichter Nikolay Nekrasov werd geboren op 4 december 1821 in Nemirovo. Zie ook alle tags voor Nikolay Nekrasov op dit blogen ook mijn blog van 4 december 2009 en ook mijn blog van 4 december 2010

 

What The Sleepless Grandam Thinks

All through the cold night, beating wings shadowy
Sweep o'er the church-village poor,--
Only one Grandam a hundred years hoary,
Findeth her slumber no more.

Harkens, if cocks to the dawn be not crowing,
Rolls on her oven and weeps,
Sees all her past rising up to confront her--
O'er her soul shameful it creeps!

'Woe to me sinner old! Woe! Once I cheated--
When from the church door I ran,
And in the depths of the forest strayed hidden
With my beloved Ivan.

'Woe to me! Burning in hell's leaping fires
Surely will soon be my soul!
I took a pair of eggs once at a neighbor's--
Out from her hen--yes, I stole!

'Once at the harvest at home I did linger--
Swore I was deadly sick,--when
Taking my part in the drunken carousals
Saturday night with the men!

'Light was I ever with soldiers! Yet cursing
God's name, when from me at last,--
My own son they took for a soldier!
Even drank cream on a fast.

'Woe to me sinner! Woe to me wretched one!
Woe! My heart broken will be!
Holy Madonna, have pity, have mercy!
Into court go not with me!'

 

 
Nikolay Nekrasov (4 december 1821 – 8 januari 1878)
Nikolay Nekrasov in de periode van “Laatste gezangen” door Ivan Nikolaevich Kramskoi, 1877-78

Lees meer...

03-12-16

Hendrik Conscience, Joseph Conrad, Herman Heijermans, Grace Andreacchi, Ugo Riccarelli

 

De Vlaamse schrijver Henri (Hendrik) Conscience werd geboren in Antwerpen op 3 december 1812. Zie ook alle tags voor Hendrik Conscience op dit blog.

Uit: De Leeuw Van Vlaanderen Of De Slag Der Gulden Sporen

"Komaan, De Chatillon," morde De St.-Pol tegen zijn broeder, "stijg op het ros van uw schildknaap en laat ons gaan, want Mijnheer De Valois is een ongelovige volksgezinde."
Intussen hadden de schildknapen hun wapens in de schede gestoken, en waren zij nu bezig met de paarden hunner meesters vooruit te brengen.
"Zijt gij klaar, Mijne heren?" vroeg De Valois. "Nu dan, spoedig voort, bid ik u; want anders komen wij de jacht te spade. Gij vazal, ga ter zijde; waarschuw ons wanneer wij moeten draaien.--Hoe ver zijn wij nog van Wijnendale?"
De jongeling nam zijn kap heuselijk van het hoofd, boog zich voor zijn redder en antwoordde: "Nog een korte mijl, mijn Heerschap."
"Bij mijn ziel!" sprak De St.-Pol. "Ik geloof dat dit een wolf in een schapenvel is."
"Dit heb ik reeds overlang gedacht," antwoordde de Kanselier Pierre Flotte, "want hij beziet ons als een wolf en luistert als een haas."
"Ha! Ha! Nu weet ik wie het is," riep De Chatillon. "Hebt gij nooit horen spreken van een wever met name Pieter Deconinck die te Brugge woont?"
"Mijne heren, gij bedriegt u voorwaar," bemerkte Raoul de Nesle, "ik heb de beruchte wever te Brugge zelf gesproken, en alhoewel hij deze in schalksheid te boven gaat, heeft hij slechts een oog en onze leidsman heeft er twee allergrootste. Ongetwijfeld bemint hij de oude Graaf van
Vlaanderen, en beschouwt onze komst als overwinnaars met een kwaad oog; dit is de zaak. Vergeeft hem de trouw die hij zijn ongelukkige Vorst bewaart."
"Het is lang genoeg hierover gesproken, Mijne heren," viel De Chatillon in.
"Laat ons van voorwerp veranderen. Ter goeder ure! Weet gij wat onze genadige Koning Philippe met dit land van Vlaanderen doen zal? Want op mijn woord, indien onze Vorst zijn schatkisten zo dicht hield als De Valois zijn mond gesloten houdt, zou het arm leven aan het Hof zijn."
"Dit zegt gij wel," antwoordde Pierre Flotte, "maar hij zwijgt niet met iedereen. Vertraagt de gang uwer paarden een weinig, Mijne heren, en ik zal u dingen zeggen die gij niet weet."

 

 
Hendrik Conscience (3 december 1812 – 10 september 1883)
Het Groeningemonument in Kortrijk, opgericht naar aanleiding van de 600ste verjaardag van de Guldensporenslag in 1902.

Lees meer...

France Prešeren, F. Sionil José, Franz Josef Degenhardt, Jules Claretie, Ludvig Holberg

 

De Sloveense dichter en schrijver France Prešeren werd geboren op 3 december 1800 in Vrba. Zie ook alle tags voor France Prešeren op dit blog en ook mijn blog van 3 december 2010.

 

A Wreath of Sonnets (3/14)   

Since from my heart's deep roots have sprung these lays,
A heart not to be silenced any more;
Now I am like to Tasso who of yore
Would sing his Leonora's fame and praise.

He could not plead his love whose tortouous maze
Bemused his years of youth, and fiercely tore
His life beyond all hope; and yet he bore
The burden he revealed in secret phrase.

My passion is aflame, although I find
Your glance gives me no hope when you are near;
Lest I offend, my lips are sealed by fear.

My poor heart's fate, so bitter and unkind,
My secret burden - all this they make dear,
These tear-stained flowers of a poet's mind.

 

 

A Wreath of Sonnets (4/14)    

These tear-stained flowers of a poet's mind,
Culled from my bosom, lay it wholly bare;
My heart's a garden: Love is sowing there
Sad elegies each with my longing signed.

You are their sun whose radiance, purblind,
I seek in vain at home and everywhere,
In theatre, on promenade and square,
Midst revels where the chains of dancers wind.

How often through the town with watchful eyes
I wander, praying for a fate more kind,
Yet catch no glimpse of that elusive prize.

I shed my tears to loneliness confined:
Hence all these songs which from my love arise;
They come from where no man can sunshine find



Vertaald door V. de Sola Pinto

 

 
France Prešeren (3 december 1800 – 8 februari 1849)
Borstbeeld bij zijn huis in Vrba.

Lees meer...

02-12-16

Frédéric Leroy, Ann Patchett, Hein Boeken, T. C. Boyle, George Saunders, Botho Strauß, Jacques Lacarrière, Iakovos Kampanellis, Eric L. Harry

 

De Vlaamse dichter Frédéric Leroy werd geboren op 2 december 1974 in Blankenberge. Zie ook alle tags voor Frédéric Leroy op dit blog.

 

De zwangerschap
van mevrouw Alighieri

Maand 1

god neemt een bad

Mijn god, meer nog dan van uitregenen
in de douche geniet jij van een ligbad,
leg jij, oceaanheerser, loom je torso
te weken in lauw, amniotisch vocht,
met je tenen als sidderalen gekruld
rondom de badstopketting, je knieën
als kliffen uit het sop, orchestreer je
een odyssee – vanuit zeemeeuwperspectief
bedenk je monsters in de schuimkoppen,
bestuur je knisperende blastomeren,
goedaardige blaasjes op het watervlies.

Vooruit, dwaze piraat, laat varen
die hoop op onsterfelijkheid en kaap,
de kling geklemd tussen de tanden
en met schattenjachten opgetekend
in het logboek van je gedachten
die zwalpende éénmanssloep,
een schuimpje dat aanzwelt
tot een nieuwe wereld.

 

***

Er zit een ezelskaakbeen verborgen
in de noordenwind en het klieft en sist er
als een slang, een willekeurige god
die het tot mens wil schoppen
daalt (zo beweren kwade tongen)
door alle negen hellekringen
negen maanden lang
en wordt geboren
uit een vrouw.

Kijk om je heen, ook jij bevindt je
met je doorweekte rimpelvoeten
nu al in het voorgeborchte

je hart is groot
als papaverzaad.

 

 
Frédéric Leroy (Blankenberge, 2 december 1974)

Lees meer...

01-12-16

Pierre Kemp, Arthur Sze, Daniel Pennac, Tahar Ben Jelloun, Billy Childish, Henry Williamson, Ernst Toller, Mihály Vörösmarty, Valery Bryusov

 

De Nederlandse dichter Pierre Kemp werd geboren in Maastricht op 1 december 1886. Zie ook alle tags voor Pierre Kemp op dit blog.

 

Ritournelle

Het licht doet met me wat het wil,
of ik al ga, of ik sta stil,
of ik iets neem, of iets leg neer,
bij alles is het licht mijn heer.
Zo word ik, man, toch nog een vrouw;
ik die van rood houd, word een blauw;
ik die van dag wil zijn, een ding
van avond met in de schemering
een rode streep, die duidt op wind,
tot ik het licht van mijn eigen vind
en met mijn rood sla naar dat blauw
en ik mijn man graaf uit die vrouw.
Eerst dan word ik mijn eigen heer,
of ik iets neem, of iets leg neer,
of ik al ga of ik sta stil,
omdat mijn eigen licht dat wil.

 

Zomermiddag

De mens wordt groter en het land wordt kleiner.
Het gaat naar de middag en de zon
is de hevigste man in de streek en tussen de bomen
waar twee roodgeruite jongedochters komen
en gaan naar de stad.
Ze hebben haar hoeden van het hoofd genomen
en zeggen elkander dat.

 

Gang

Ik, de zon en de weg
en de zon, de weg en ik
in zonderlinge samenhang
op dit ogenblik.

Ik ruik geen bloemen, ik zie
geen bomen, geen vogels, geen heg.
Ik voel maar een gaande man in de zon
op een weg.

 

 
Pierre Kemp (1 december 1886 - 21 juli 1967)

Lees meer...

Herinnering aan Ramses Shaffy

 

Herinnering aan Ramses Shaffy

Nederlands grootste chansonnier Ramses Shaffy is vandaag precies zeven jaar geleden op 76-jarige leeftijd overleden. Ramses Shaffy werd op 29 augustus 1933 geboren in de Parijse voorstad Neuilly-sur-Seine als zoon van een Egyptische diplomaat en een Poolse gravin van Russische afkomst. Zie ook alle tags voor Ramses Shaffy op dit blog.

 

 
Ramses Shaffy (29 augustus 1933 – 1 december 2009)
Ramses Shaffy en Liesbeth List in 1970

 

Pastorale

Jouw hemel blauw met gouden hallen
Jouw wolkentorens, ijskristallen
Kometen, manen en planeten, aah alles draait om jou
En door de witte wolkenpoort tot diep onder de golven
Boort jouw vuur, jouw liefde, boort zich in mijn ziel
En bij het water speelt mijn kind
En alle schelpen die het vindt gaan blinken als ik lach

'k Hou van je warmte op mijn gezicht
Ik hou van de koperen kleur van je licht
Ik geef je water in mijn hand
En schelpen uit het zoute zand
Ik heb je lief, zo lief

Ik scheur de rotsen met mijn stralen
Verdroog de meren en de dalen en
Onweersluchten doe ik vluchten, aah als de regen valt
Verberg je ogen in mijn hand
Voordat m'n glimlach ze verbrandt
Mijn vuur, mijn liefde, mijn gouden ogen
't Is beter als je nog wat wacht
Want even later komt de nacht en schijnt de koele maan

De nacht is te koud, de maan te grijs
Toe neem me toch mee naar je hemelpaleis
Daar wil ik zijn alleen met jou
En stralen in het hemelblauw
Ik heb je lief, zo lief

Als ik de aarde ga verwarmen
Laat ik haar leven in m'n armen
Van sterren weefde ik het verre, aah het noorderlicht
Maar soms ben ik als kokend lood
Ik ben het leven en de dood
In vuur, in liefde, in alle tijden
M'n kind ik troost je, kijk omhoog
Vandaag span ik mijn regenboog
Die is alleen voor jou

Nee nooit sta ik een seconde stil
'k Wil liever branden neem me mee
Geen mens kan mij dwingen wanneer ik niet wil
Wanneer je vanavond gaat slapen in zee
Geen leven dat ik niet begon
En vliegen langs jouw hemelbaan
Je kunt niet houden van de zon
Ik wil nooit meer bij je vandaan

Ik heb je lief, zo lief
Ik heb je lief, zo lief
Ik heb je lief, zo lief
Ik heb je lief, zo lief
Ik heb je lief, zo lief

 

 

18:21 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

30-11-16

Christophe Vekeman, Y.M. Dangre, Reinier de Rooie, David Nicholls, Yasmine Allas, Jan G. Elburg, Mark Twain, Jonathan Swift

 

De Vlaamse schrijver, dichter en performer Christophe Vekeman werd geboren in Temse op 30 november 1972. Zie ook alle tags voor Christophe Vekeman op dit blog.

 

Gedicht aan de lezer

Ik bedoel, hoe zal ik het zeggen ?
Dat ik onbeschrijfelijk veel, of neen
Laat mij even uitleggen
De zaak is deze: ik meen

Dat wij zekere, dat wij
Wij samen dus, wij, u en ik
Als het ware een soort van, tja, enfin
Kijk het is niet gemakkelijk

Laat het mij zo formuleren
Voordat ik langdradig word
Maar ach, wat zou ik het proberen?

Woorden schieten tekort.

 

 

De naakte waarheid

Vroeger was het beter, ja hoor, vroeger was het best
God bestond, en niemand maakte zich al druk over bikinilijnen
Meisjesbenen gingen weliswaar met regelmaat onder het mes
Maar er was een zonneklaar verschil tussen kinderkutjes en vrouwenvagijnen
Vroeger was het beter, ja hoor, vroeger was het best
De mannen waren katholiek, de vrouwen waren rijzig
Muziek was nog muziek, bier hield je op de been en voor de rest
Was een meisje nooit alleen: ze had steeds haar huisdier bij zich
Vroeger was het beter, ja hoor, vroeger was het best
Alle mensen rookten, en men kwam tweemaal daags luidkeels klaar
En over de naakte waarheid gesproken: elke vogel wil een nest
En een poes zonder vacht is een raar ding, nietwaar?

 

 
Christophe Vekeman (Temse, 30 november 1972)

Lees meer...

Jesús Carrasco

 

De Spaanse schrijver Jesús Carrasco werd geboren in Badajoz, Extremadura, op 30 november 1972. Hij behaalde een bachelor's degree in Lichamelijke Opvoeding werkte onder andere als druivenplukker, afwasser, leraar lichamelijke opvoeding, muziek-manager, grafisch ontwerper en reclame-copywriter. Hij begon met schrijven na zijn verhuizing naar Madrid in 1992. In de loop der jaren heeft hij dagboeken bijgehouden en korte verhalen geschreven, twee boeken voor kinderen en één roman. In 2005 publiceerde hij een geïllustreerd boek voor beginnende lezers, en datzelfde jaar verhuisde hij naar Sevilla, waar hij momenteel woont. Met zijn eerste roman “Intemperie” maakte een prachtig debuut op de literaire wereld. Carrasco kreeg de Boek van het jaar prijs van de Vereniging van Madrileense boekverkopers, de prijs voor cultuur, kunst en literatuur van de Fundación de Estudios Rurales, de Engelse PEN Award en de Prix Ulysse voor de beste eerste roman. Hij kwam ook op de shortlist voor de Europese Literatuurprijs in Nederland, de Prix Médi- terranée Étranger in Frankrijk en de Dulce Chacón, Quimera, Calamo en San Clemente prijs in Spanje.

Uit: De vlucht (Vertaald door Arie van der Wal)

“Vanuit zijn lemen schuilplaats hoorde hij de echo van de stemmen die hem riepen en als waren het krekels, probeerde hij iedere man afzonderlijk te plaatsen binnen de grenzen van de olijfboomgaard. Gebrul als verschroeide rotsrozen. In Z-vorm op zijn zij gelegen paste zijn lichaam maar net in de kuil die hem nauwelijks ruimte liet om te bewegen. Zijn armen om zijn knieën geslagen of als kussen onder zijn hoofd gevouwen, met slechts een minieme nis voor zijn knapzak met proviand. Hij had een afdak gemaakt van twee dikke takken die dienstdeden als balken met daarop snoeiafval. Hij rekte zijn hals en hield zijn hoofd scheef om beter te kunnen luisteren en terwijl hij zijn ogen dichtkneep, spitste hij zijn oren, op zoek naar de stem die hem gedwongen had te vluchten. Hij vond hem niet, maar hij hoorde ook geen geblaf en dat luchtte hem op, want hij wist dat alleen een goed afgerichte hond zijn schuilplaats zou kunnen ontdekken. Een patrijshond of een goede kreupele truffelhond. Misschien een Engelse bloedhond, zo’n dier met korte, stijve poten en hangoren dat hij een keer in een krant uit de hoofdstad had zien staan.
Gelukkig voor hem was de vlakte geen plek voor exotisch gedoe. Hier hadden ze alleen hazewindhonden. Glad vlees op langgerekte botten. Mystieke dieren die op volle snelheid achter hazen aan renden en niet bleven staan om te snuffelen, omdat achtervolgen en neerhalen de enige opdracht was die ze hadden gekregen toen ze op de wereld werden gezet. Op hun flanken waren vlammende rode striemen te zien, als herinnering aan de zweep van hun bazen. Dezelfde zweep die op de dorre vlakte kinderen en vrouwen onderwierp. In elk geval renden ze en zat hij weggedoken in zijn kleine lemen grot. Verloren te midden van de honderden geuren die de diepte voorbehoudt aan de wormen en de doden. Geuren die hij niet zou moeten ruiken, maar die hij zelf had gezocht. Geuren die hem vervreemdden van zijn moeder.
Telkens wanneer hij windhonden zag of eraan dacht, kwam de herinnering aan een man uit het dorp bij hem boven. Een invalide die door de straten reed op een soort driewieler met aan de voorkant een slinger die hij, voorovergebogen als een orgelman, ronddraaide. Tegen de avond liet hij de huizen achter zich en reed naar het noorden over de wegen van aangestampte aarde, de enige ondergrond waarop hij vooruit kon komen met zijn voertuig.”

 

 
Jesús Carrasco (Badajoz, 30 november 1972)

18:35 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jesús carrasco, romenu |  Facebook |

29-11-16

Mario Petrucci, George Szirtes, Jean Senac, Carlo Levi, Jean-Philippe Toussaint, C.S. Lewis, Wilhelm Hauff, Louisa May Alcott

 

De Engelse dichter en schrijver Mario Petrucci werd geboren op 29 november 1958 in Londen. Zie ook alle tags voor Mario Petrucci op dit blog.

 

A half hour after

you leave some al-
most thing starts : your
mattress impression stops

holding its breath – begins
to relax & swivel-chair
where you tackled

laces adopts that
strained angle of the clerk
requiring confirmation – then

i see through softly shut door
a house of pointers : your
draped towel on its rail

& bone scissors left
half-open there as though
simple addition of water could

jerk them to life : not so strange
then that a house should re-
member you with each

pine surface & glass
ornament its own sextant
keen for your one star to float

these bricks by – to hoist white
rooms thinned to canvas
by your sea-smell & i

no less join them : this
richer matter becalmed yet
seeming your merest breeze

might cast me off

 

 

21st August, 1991

I mush together the garlic and the butter
for Kiev
for Kostroma too, and Novgorod;
slip wafers
of potato onto the rough tongue
of my grill. An onion
brings tears. Its layered histories
come clean: Russian-doll rings
that quoit and bangle over reels of drumsticks.

I call you at work. Mothers
are telegramming sons not to shoot, women
encircle the cold, grey bulk
of tanks, while the junta plays
Chinese whispers.

Tonight, then, we’ll eat well –
sip that jerepigo wine
till dusk. For now, I prepare what I can;
I watch, and listen,
through the frame of my window –
a radio mutters   and school-children
are a chaff of colour blown about the distant yard
where in one corner settles
a tiny mandala of linked hands.

 

 
Mario Petrucci (Londen, 29 november 1958)

Lees meer...

28-11-16

Erwin Mortier, Alberto Moravia, Hugo Pos, Stefan Zweig, Sherko Fatah, Philippe Sollers, William Blake, Alexander Blok

 

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

Uit: De spiegelingen

“Onze wereld is niet vredig, het platteland niet lieflijker dan de stad, de stad niet verfijnder dan het land. De stad zuigt het omliggende land uit, de vruchten en het vee, zoals zijn fabrieken mensen eten, en de boeren krommen hun rug boven de voren van hun ploegschaar. Ik zou willen terugkeren, in mijn huls van modder en bloed, in mijn eierschaal van gebakken aarde, in mijn doorweekte laarzen. Ik zou de jongens die achterbleven uit de bodem waarin ze zijn weggeteerd willen oproepen: beplak je roestkleurige ribben en schedels met de aarde die je resten heeft opgezogen - en met hen de stad in marcheren, en de hardvochtige muziek van de orde met ons zompig gemodder bekladden.
Ik zou zeggen: alles is gemodder. Hier onze darmen, wanneer onze vrede? Graaf ons niet op, laat ons rotten. Wij zijn de smerige, stinkende aarde waaraan al wat op poten loopt zijn voer onttrekt, zijn trog met wormen, en alle goud dat in kluizen rust of om delicate damespolsjes flonkert. De buik van de aarde breekt, ze schept haar ingewanden op propere borden, ze dampt in de schalen.
De ene oorlog wil de andere rechtzetten en brengt slechts nieuwe oorlog voort. Schep nog eens vol. We lopen de dijk af, Charles, Arthur en ik. Ik duizel van de pijn, onze volkomen pijn omdat niemand, ook ikzelf niet, ze opmerkt die avond. We dalen af naar de rustige rivierarm, er komt onweer, want de kruinen barsten met tussenpozen uit in gedruis, hevig gedruis. Charles trekt zijn schoenen uit, dan zijn sokken, hinkend op zijn ene been, dan op het andere, en Arthur knoopt zijn broeksriem los. Ze roepen me toe. Arthur is ook nog eens de mooiste jongen van het noordelijk halfrond - o de pijn.
Ze roepen me toe. Ze weten dat ik niet helemaal dol ben op water, ze plagen me. Ik hoor onze stemmen, het heeft geen zin hun woorden te herhalen. Hoe nabij ook, ze komen van ver, verzwakt door de immense afstand. Mijn tepels verstrakken nu ik mijn hemd van mijn schouders haal, mijn ballen krimpen. Ik blijf staan en laat hem, die jongen die ik ben, bijna zeventien, verder naar de waterkant toe struikelen. De pijn.”

 

 
Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

Lees meer...

27-11-16

Lied im Advent (Matthias Claudius)

 

Bij de eerste zondag van de Advent

 

 
Kerstbomenmarkt door Genrich Manizer (1847–1925)

 

 

Lied im Advent

Immer ein Lichtlein mehr
im Kranz, den wir gewunden,
dass er leuchte uns so sehr
durch die dunklen Stunden.

Zwei und drei und dann vier!
Rund um den Kranz welch ein Schimmer,
und so leuchten auch wir,
und so leuchtet das Zimmer.

Und so leuchtet die Welt
langsam der Weihnacht entgegen.
Und der in Händen sie hält,
weiß um den Segen!

 


Matthias Claudius (15 augustus 1740 - 21 januari 1815)
De Matthias Claudius Kirche in Reinfeld. Matthias Claudius werd in Reinfeld geboren.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 27e november ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

11:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: matthias claudius, advent, romenu |  Facebook |

Navid Kermani, Nicole Brossard, Philippe Delerm, Han Kang

 

De Duits-Iraanse schrijver en islamist Navid Kermani werd geboren op 27 november 1967 in Siegen. Zie ook alle tags voor Navid Kermani op dit blog.

Uit:Sozusagen Paris

“– Aber nicht für Jutta.
Ich schaue zu der Frau hoch, die mir das Buch zum Signieren auf den Tisch gelegt hat, Anfang, Mitte Vierzig, taxiere ich sie, auffallend klein, schlichtes, vermutlich nicht billiges Kleid, das etwas zu eng geschnitten ist, der Leib zwar grazil, aber doch ein Pölsterchen vorm Bauch, die glatten blonden Haare wie mit dem Lineal auf Höhe des Kinns abgeschnitten, so daß ihr Kopf runder wirkt, als er wohl ist, und ihr Hals noch zarter, ja so fein wie ein Blumenstiel, geht mir ein Bild durch den Kopf, das der Lektor abgeschmackt finden wird, um die braunen Augen auffallend viele Linien allerdings, Falten würde ich’s nicht nennen, Krähenfüße nennt man es wohl, also älter jedenfalls, Ende Vierzig vielleicht und dennoch mädchenhaft, ihr Blick von mildem, beinah schon geschwisterlichem Spott, seltsam vertraut.
– Wie bitte?
– Schreib bloß nicht für Jutta, bekräftigt die Frau.
Unmittelbar nach Lesungen bin ich grundsätzlich verwirrt, erkenne selbst Freunde nicht wieder oder kann mich nicht auf ihren Namen besinnen. Auch jetzt dauert es, bis ich mich an das Lächeln erinnere, das die Lippen wie in Zeitlupe in die Länge zieht und die Wangen rund wie Aprikosen macht, es dauert – ich kann die Zeit nicht abschätzen – zehn Sekunden?, fünfzehn, hinter der Frau noch zehn, fünfzehn andere Menschen, die sich zum Signieren angestellt haben. Die Lesung lief ungewöhnlich gut; ohne einmal aufzusehen, spürte ich, wie die Zuhörer mit mir in der Geschichte versanken, wie ich jetzt ohne Hinsehen spüre oder mir einbilde, daß die Zuschauer meinen offenen Mund und die unruhigen Pupillen bemerken, mein nicht recht funktionierender Verstand, der das Lächeln hektisch einem bestimmten Punkt meines Lebens zuzuordnen sucht und noch immer nicht die Nase registriert hat, die mit der leicht nach oben gewölbten Spitze ein hinreichend deutliches Erkennungszeichen ist.“

 
Navid Kermani (Siegen, 27 november 1967)

Lees meer...

James Agee, Jos. Habets, Friedrich von Canitz, Jacques Godbout, Klara Blum

 

De Amerikaanse dichter en prozaïst James Agee werd geboren in Knoxville, Tennessee.op 27 november 1909. Zie ook alle tags voor James Agee op dit blog.

Uit: A Death in the Family

“It was full dark now, but still early; Gay Street was full of absorbed faces; many of the store windows were still alight. Plaster people, in ennobled postures, stiffly wore untouchably new clothes; there was even a little boy, with short, straight pants, bare knees and high socks, obviously a sissy: but he wore a cap, all the same, not a hat like a baby. Rufus' whole insides lifted and sank as he looked at the cap and he looked up at his father; but his father did not notice; his face was wrapped in good humor, the memory of Charlie. Remembering his rebuff of a year ago, even though it had been his mother, Rufus was afraid to speak of it. His father wouldn't mind, but she wouldn't want him to have a cap, yet. If he asked his father now, his father would say no, Charlie Chaplin was enough. He watched the absorbed faces pushing past each other and the great bright letters of the signs: "Sterchi's." "George's." I can read them now, he reflected. I even know how to say "Sturkeys." But he thought it best not to say so; he remembered how his father had said, "Don't you brag," and he had been puzzled and rather stupid in school for several days, because of the stern tone in his voice.
What was bragging? It was bad.
They turned aside into a darker street, where the fewer faces looked more secret, and came into the odd, shaky light of Market Square. It was almost empty at this hour, but here and there, along the pavement streaked with horse urine, a wagon stayed still, and low firelight shone through the white cloth shell stretched tightly on its hickory hoops. A dark-faced man leaned against the white brick wall, gnawing a turnip; he looked at them low, with sad, pale eyes. When Rufus' father raised his hand in silent greeting, he raised his hand, but less, and Rufus, turning, saw how he looked sorrowfully, somehow dangerously, after them.“

 

 
James Agee (27 november 1909 - 16 mei 1955)
Hier met zijn vrouw Mia 

Lees meer...