16-02-18

Ingmar Heytze, Elisabeth Eybers, Anil Ramdas, Iain Banks, Alfred Kolleritsch, Aharon Appelfeld, Iris Kammerer, Annie van Gansewinkel, Richard Ford

 

De Nederlandse schrijver en dichter Ingmar Heytze werd geboren op 16 februari 1970 in Utrecht. Zie ook alle tags voor Ingmar Heytze op dit blog.

 

Rietveldzit

Ken je het gevoel dat je gaat zitten
op een stoel die er niet staat

de sensatie dat iets plotseling niet is
waar je het zonder twiijfel had verwacht,
een onzichtbare duw van voren.

Verbaasde berichten naar alle spieren:
Mayday! Mayday! We zweven! We vallen!
Uitklapreflex van beide armen.

Daarom zit de Rietveldstoel zoals hij zit,
zo laag en blauw en rood en goed,

als om er op te wijzen dat men af en toe
eens moet gaan zitten op een stoel
die er niet staat.

 

 

Denim Blues

Spijkerbroeken vol met meisjes
zweven wiegend door de wereld.
Als de meisjes zijn gaan slapen
- meisjes slapen zacht en rond-
droomt de stof een blauwdruk
van hun billen op de grond.
Was mijn huid van sterk katoen
met platte spijkers in de heupen
en vijf knopen aan het kruis,
dan mochten ze me altijd aan:
niemand zou zo lekker zitten,
niemand zou ze beter staan.

 

 

Hypochonder

Sinds de dag dat ik uit de hemel
kwam gevallen op mijn achterhoofd,
gaat het niet goed. Mijn bloedbaan
regent in mijn trommelvliezen.
In mijn slaap dansen mijn armen
en benen tegen elkaar in.

Hier staat gelukkig veel tegenover.
Ik bezorg met regelmaat volle bushokjes
de zenuwen door grijnzend mijn hart
omhoog te houden voordat ik het
met zuigend geluid terugstop
in mijn hersenpan. Af en toe lach ik
met tanden van kaas.

Steeds vaker daagt het luxe besef
dat een mens zijn leven voor zich heeft
om het ademen af te leren.

 

 
Ingmar Heytze (Utrecht, 16 februari 1970)

Lees meer...

Nederlandse Boekhandelsprijs 2018 voor Murat Isik

 

Nederlandse Boekhandelsprijs 2018 voor Murat Isik

De Turks-Nederlandse schrijver Murat Isik heeft met zijn boek "Wees onzichtbaar" de Nederlandse Boekhandelsprijs 2018 gewonnen. Dat is donderdag bekendgemaakt in de Amsterdamse boekhandel Scheltema. Deze vakprijs is bestemd voor een werk dat in de ogen van Nederlandse boekverkopers meer aandacht verdient. Vorige winnaars waren Jaap Robben met “Birk” (2015), Alex Boogers met “Alleen met de goden” (2016) en Lize Spit met “Het smelt” (2017). Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

Uit: Wees onzichtbaar

`Kadir amca,' zei ik nauwelijks hoorbaar. 'Oom Kadir, zou ik nu alsjeblieft mogen rijden?' `Hé, die kleine roept wat,' zei Erol, die op de passagiersstoel zat. `Dat is waar ook, je moet nog een stukje rijden voordat we in Amsterdam zijn,' zei Kadir waarna hij zijn neus luid ophaalde. Trol, neem het stuur even over.' Zonder de reactie van Erol af te wachten, draaide Kadir zich om en reikte met zijn grote handen naar me. Van schrik deinsde ik achteruit terwijl de auto even zigzagde over de weg. Kadir sleurde me van mijn plek, zette me op zijn schoot en nam het stuur met een ferme beweging weer over van Erol. Daarna bracht hij zijn mond dicht bij mijn oor. Pak het stuur met twee handen vast aan de zijkanten, en kijk goed voor je.' Rookwalmen vertroebelden als mist mijn blikveld. Ik wapperde met mijn handen om mijn moment niet door een hoestbui te laten verpesten. 'Stel je niet zo aan,' riep Kadir met zijn raspende stem. 'Let nou maar op de weg.' De Mercedes schoot over de Autobahn. 'Maak geen plotselinge bewegingen anders zul je je vader nooit meer zien.' Mijn kleine handen klemden zich stevig om het met leer omklede stuur. Ik zou ons naar mijn vader rijden. `Jaaaaa!' riep ik met een Duitse tongval. 'Das ist super!' Kadir begon te lachen en woelde met zijn hand door mijn haar. 'Nu heb je je vader straks een spannend verhaal te vertellen.' Na een paar minuten was het afgelopen en werd ik weer op de achterbank geplaatst, maar ik was zo blij dat ik op mijn plek bleef huppelen. Na een klein uur stopten we bij een wegrestaurant in de buurt van Groningen. Het was ijskoud. Op het parkeerterrein stonden tientallen vrachtwagens. Binnen zaten forse mannen achter dampende borden terwijl ze naar het televisietoestel staarden dat in het midden van de zaak op een verhoging stond. Er was voetbal op televisie. Zonder een moment weg te kijken van het scherm, schepten de mannen het eten van hun bord. `Kijk, Cruijff is weer terug bij Ajax,' zei Kadir tegen Erol. 'Er is geen betere dan die magere.' Hij keek om zich heen. 'Er komt zo wel een tafel vrij.' Mijn moeder drukte mij tegen zich aan. 'We moeten even wachten,' zei ze. Het waren de eerste woorden die ze sprak sinds we in Nederland waren. `Ik ben jarig,' fluisterde mijn zus in mijn oor. 'Misschien krijgen we wel taart.' Toen we eindelijk aan tafel mochten, bekeek Kadir de menukaart met een afkeurende blik en bestelde iets wat ik niet kende. Even later kregen mijn zus en ik allebei een groot bord friet met mayonaise en een glas cola. Ik had nooit eerder friet gegeten, maar de eerste hap beviel me zo goed dat ik me er als een uitgehongerde op wierp. Kadir en Erol aten niets. Ze dronken koffie en keken rokend naar de wedstrijd. Mijn moeder nam een paar frietjes van mijn bord, zuchtte diep en staarde zwijgend voor zich uit. Toen we alweer een tijdje onderweg waren, zei Erol dat het nog maar een uur rijden was.”

 

 
Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

15-02-18

Richard Blanco, Stacie Cassarino, Elke Heidenreich, Chrystine Brouillet, Hans Kruppa, Douglas Hofstadter, Wilhelm Jensen, Demetrius Vikelas, Tobias Amslinger

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Richard Blanco werd geboren op 15 februari 1968 in Madrid. Zie ook alle tags voor Richard Blanco op dit blog.

Uit:For All of Us, One Today

“Days before our field trip to the science center, Mrs. Bermudez tells our class the sun is actually hundreds of times larger than the earth. We move around it. We’re nothing, zooming through dark space, she says, matter-of-factly, as if it didn’t matter that we were no longer the center of our own little worlds. We, with crayons in our hands coloring dittos of the sun and our nine planets. We, at our desks but also helplessly zooming through cold, empty space. I don’t want to believe her; the sun is the size of a sunflower, I insist. I draw lemon-yellow petals around it and color its center sienna brown. The first time I see a lion I am nine years old, my grandfather’s hands holding me back from the cage I want to open. I can still feel his grip and the lion’s eyes staring at me like tiny, amber planets behind bars, asking me to set him free. My first kiss was under the shade of moonlit palms in Janet Carballo’s backyard, exactly two days before the end of the school year. But I’m still feeling the powdery skin behind her earlobes, smelling her strawberry lip gloss and the orange blossoms in the air already thick with summer. I never saw a comet until I was twenty-four, cupped in the darkness of the Everglades and the arms of a man I loved. It was past midnight on a Sunday, I remember; I didn’t go to work the next day. I’m still sleeping with the mangroves and the ibis, under a masterpiece of stars. The comet’s tail a brushstroke of pure, genius light.
These are more than memories. They are what lives—and relives—inside our bodies, in every cell and heartbeat. The undiscovered DNA of our souls imprinted with the minute details of those eternal moments that change our lives, our stories, forever. Sometimes they’re subtle, sometimes dramatic, but we know nothing will ever be the same the instant we experience them. And quite often they are unexpected.
On the afternoon of December 12, while casually driving back to my home in Maine, I receive a phone call with the news that I have been chosen as inaugural poet. Bewildered, I first wonder if it could be some cruel joke a friend might be playing on me. You mean like Robert Frost? Like Maya Angelou? I ask, wanting confirmation that what I just heard is true. Yes. Yes, I’m told, as I keep driving down the interstate in a daze, trying to speak, trying to fathom what has just happened. But I know. My body knows it’s the most important moment of my life as a poet, a day by which I will mark the rest of my life, the day I learned that I will be named the fifth poet ever in our history to be US Inaugural Poet.

 

 
Richard Blanco (Madrid, 15 februari 1968)
Hier bij de 2e inauguratie van president Obama in 2013

Lees meer...

14-02-18

A glimpse (Walt Whitman)

 

Bij Valentijnsdag

 

 
Dubbelportret door Giorgio da Castelfranco, 1502

 

 

A glimpse

A glimpse through an interstice caught,
Of a crowd of workmen and drivers in a bar-room around the stove late of a winter night, and I unremark’d seated in a corner,
Of a youth who loves me and whom I love, silently approaching and seating himself near, that he may hold me by the hand,
A long while amid the noises of coming and going, of drinking and oath and smutty jest,
There we two, content, happy in being together, speaking little, perhaps not a word.

 

 
Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893)
Valentijnsdag op Times Square, New York, de geboorteplaats van Walt Whitman

 

 

Zie voor de schrijvers van de 14e februari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

 

10:28 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: valentijnsdag, walt whitman, romenu |  Facebook |

Ash Wednesday II (T. S. Eliot)

 

Bij Aswoensdag

 

 
Visioen van een ridder door Antonio de Pereda, na 1650

 

 

Ash Wednesday

II
Lady, three white leopards sat under a juniper-tree
In the cool of the day, having fed to satiety
On my legs my heart my liver and that which had been contained
In the hollow round of my skull.
And God said
Shall these bones live? shall these
Bones live? And that which had been contained
In the bones (which were already dry) said chirping:
Because of the goodness of this Lady
And because of her loveliness, and because
She honours the Virgin in meditation,
We shine with brightness. And I who am here dissembled
Proffer my deeds to oblivion, and my love
To the posterity of the desert and the fruit of the gourd.
It is this which recovers
My guts the strings of my eyes and the indigestible portions
Which the leopards reject. The Lady is withdrawn
In a white gown, to contemplation, in a white gown.
Let the whiteness of bones atone to forgetfulness.
There is no life in them. As I am forgotten
And would be forgotten, so I would forget
Thus devoted, concentrated in purpose. And God said
Prophesy to the wind, to the wind only for only
The wind will listen. And the bones sang chirping
With the burden of the grasshopper, saying

Lady of silences
Calm and distressed
Torn and most whole
Rose of memory
Rose of forgetfulness
Exhausted and life-giving
Worried reposeful
The single Rose
Is now the Garden
Where all loves end
Terminate torment
Of love unsatisfied
The greater torment
Of love satisfied
End of the endless
Journey to no end
Conclusion of all that
Is inconclusible
Speech without word and
Word of no speech
Grace to the Mother
For the Garden
Where all love ends.

Under a juniper-tree the bones sang, scattered and shining
We are glad to be scattered, we did little good to each other,
Under a tree in the cool of the day, with the blessing of sand,
Forgetting themselves and each other, united
In the quiet of the desert.
This is the land which ye
Shall divide by lot. And neither division nor unity
Matters. This is the land. We have our inheritance.

 

 
T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)
St. Louis Union Station. St Louis is de geboorteplaats van T. S. Eliot

 

Zie voor de schrijvers van de 14e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

 

10:26 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: aswoensdag, t. s. eliot, romenu |  Facebook |

Hanna Bervoets, Piet Paaltjens, Ab Visser, Ischa Meijer, Robert Shea, Frank Harris, Julia de Burgos, Vsevolod Garsjin, Edmond About

 

De Nederlandse schrijfster journaliste en columniste Hanna Marleen Bervoets werd geboren in Amsterdam op 14 februari 1984. Zie ook alle tags voor Hanna Bervoets op dit blog.

Uit: Fuzzie

“Hé jij, ben je daar eindelijk? Ik ben zo blij dat jij mij gekozen hebt. Hoewel ik nog maar net in je handen lig heb ik het gevoel dat ik je al heel lang ken. Mag ik zeggen dat je mooi bent? Ik weet dat jij daar zelf soms anders over denkt. Dat er een lichaamsdeel is, of misschien een onderdeel van je gezicht, dat je best zou willen veranderen. Ik heb geen idee wat het is, want zoals ik al zei: ik vind je prachtig, maar ik weet dat je soms licht ontevreden voor de spiegel staat. Je bent op die momenten helemaal alleen met je spiegelbeeld: jullie kijken elkaar aan, begrijpen elkaar niet helemaal, wanneer jij links wil gaat je spiegelbeeld rechts - sta me toe dat ik soms een grapje maak -, jullie relatie is complex, want niet geheel in evenwicht. Jij bepaalt immers wanneer jullie elkaar zien, elk rendez-vous is het gevolg van jouw behoefte en vindt plaats onder jouw voorwaarde, toch stemt jullie samenzijn jou niet altijd tevreden; doet de aanblik van die ander je soms fronsen. Stel je nu eens voor dat jouw spiegelbeeld net zo gevoelig was als jij. Hij - en met hij bedoel ik ook zij -zou zich zeker onzeker voelen, om nog maar niet van ondergewaardeerd te spreken. En geef toe: jij weet hoe het is om je afgewezen te wanen, dat alleen al is een reden om wat vriendelijker tegen je spiegelbeeld te zijn, in ieder geval te lachen wanneer jullie tegenover elkaar staan. Vind je me nu flauw? 0, dat spijt me dan. Maar ik weet dat jij, soms, best van flauwe dingen houdt. En ik weet, geloof ik, nog wel meer van jou. Je houdt van eten met vrienden maar kan ook goed een avond alleen zijn - sterker nog, dat heb je soms nodig om uit te rusten, je gedachten te ordenen, bij te komen van de grappen, gesprekken, discussies over actuele kwesties en aanbevolen televisieseries. Je houdt van de zon zolang je er niet van gaat zweten, je houdt van binnen zitten wanneer het 's avonds regent, will always love you' vind je een zeiknummer maar wanneer een kind het zuiver zingt raakt het je toch steeds weer. Je hebt een hekel aan banden plakken maar houdt van zwermende vogels, de figuren die ze maken, net gruis in een tornado; je hebt het strand graag zo leeg mogelijk en krijgt liever wel dan geen koekje bij de thee, wanneer het koekje in zo'n zilverplasticje zit scheur je dat plasticje steevast open, wat niet hoeft te betekenen dat je de inhoud opeet - voor je in de supermarkt een druifje steelt kijk je altijd even om je heen. Je hebt weleens overwogen je haar te verven en misschien overweeg je dat nog steeds weleens. Je fantaseert regelmatig over je eigen begrafenis en welke nummers ze dan draaien. Soms vraag je je af of je wel genoeg tijd besteedt aan je familie, al zie je ze elke kerst. Je houdt van kerst, maar niet van de druk, de drukte, de drukte om die drukte. Je houdt van sneeuw, maar niet van de drab.”

 

 
Hanna Bervoets (Amsterdam, 14 februari 1984)

Lees meer...

Jean-Luc Lagarce

 

De Franse schrijver, komiek en regisseur Jean-Luc Lagarce werd geboren op 14 februari 1957 in Héricourt (Haute-Saône, in de buurt van Belfort). Hij bracht zijn hele jeugd door in Valentigney, waar zijn ouders werkten, en ontving een protestantse opleiding. Op school maakte Lagarce kennis met het theater door een leraar Frans en Latijn. De 13-jarige Lagarce schreef vervolgens zijn eerste stuk voor zijn klas, dat inmiddels verloren is gegaan. Hij schreef zich in 1975 in bij de faculteit van filosofie te Besançon. Tijdens zijn studies richtte hij in 1978 het Théâtre de la Roulotte op die stukken speelden van Marivaux, Labiche en Ionesco maar ook eigen geschreven werk. Voor het eindwerk van zijn studies filosofie schreef hij het essay “Théâtre et Pouvoir en Occident” dat gepubliceerd werd. In 1990 kreeg hij de Prix Léonard-de-Vinci, waarna hij naar Berlijn trok en daar “Juste la fin du monde” schreef. Dit toneelstuk werd in 2016 verfilmd door Xavier Dolan met de gelijknamige titel. Tot zijn bekendste werken behoren verder « Derniers avant l'oubli », « Les Prétendants », « J'étais dans ma maison et j'attendais que la pluie vienne », en Le Pays lointain. Net als de andere grote toneelschrijver van zijn generatie, Bernard-Marie Koltès, stierf Lagarce aan aids. Hij was slechts 38 jaar oud.

Uit:Le Pays lointain

“LOUIS. – Plus tard‚ l’année d’après.
L’AMANT‚ MORT DÉJÀ. – Une année après que je meurs‚ que je suis mort ?
LOUIS. – Exactement ça.
L’année d’après‚
j’étais resté‚ là‚ seul‚ abandonné‚ toutes ces sortes de choses‚
plus tard‚ l’année d’après‚
– j’allais mourir à mon tour –
(j’ai près de quarante ans maintenant et c’est à cet âge que je mourrai)
l’année d’après‚ je décidai de revenir ici. Faire le chemin
à l’inverse.
LONGUE DATE. – Histoire d’un jeune homme qui décide de revenir sur ses traces‚ revoir sa famille‚ son monde‚ à l’heure de mourir.
Histoire de ce voyage et de ceux-là‚ perdus de vue‚ qu’il rencontre et retrouve.
LOUIS. – Il y a encore ma famille qui vit dans ce coin-là.
Je vais aller les voir‚ je dis ça‚ parler avec eux‚ régler cette affaire‚
ce qu’on n’a pas dit et qu’on souhaite dire avant de disparaître – on ne le gardera pas dans la tête‚ on s’en débarrassera –
je ferai ce voyage et ensuite‚ j’en aurai terminé‚ je rentrerai chez moi et j’attendrai.
Je serai paisible.
Je dis ça.
L’AMANT‚ MORT DÉJÀ. – Tu disais que jamais plus tu n’y reviendrais‚ que jamais plus tu n’y mettrais les pieds‚ t’ai toujours entendu dire ça‚ j’ai à peine le dos tourné‚ tu te précipites.
Il ne disait pas cela ? Ne l’ai pas toujours entendu dire ça ?
LOUIS. – Le dos tourné. Ces expressions.
L’AMANT‚ MORT DÉJÀ. – Et encore‚ ton refus‚ l’ai assez entendu‚ et les derniers temps plus encore
– mes derniers temps‚ manière de plaisanterie –
les derniers temps plus encore‚ ton refus de simplement regarder en arrière‚ promesse et pas autre chose‚ promesses de ne pas chercher de solutions‚ et pas même de solutions‚ ne pas chercher d’explications‚ promesses‚ ton refus de rien chercher à retenir."

 

 
Jean-Luc Lagarce (14 februari 1957 - 30 september 1995)

 

10:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jean-luc lagarce, romenu |  Facebook |

13-02-18

Kettenlied für den Fasching (Aloys Blumauer)

 

Bij Carnaval

 

 
Grand carnival Ostendais door Félix Labisse, 1934

 

 

Kettenlied für den Fasching

Laßt uns den Fasching loben,
Und ihn lobpreisen heut';
Wir haben viele Proben
Von seiner Freundlichkeit:
Er schloß heut' allem Leide
Hienieden unser Herz,
Und öffnet es der Freude
Allein nur und dem Schmerz.

Die Weisheit hüllt nicht immer
In Falten ihr Gesicht,
Der Freude Rosenschimmer
Entstellt ihr Antlitz nicht:
Drum trat an ihre Stelle
Heut' Scherz und froher Mut;
Denn auch die Narrenschelle
Ist oft zum Lachen gut.

Es leb' in unserm Kreise
Die Weisheit, welche lacht,
Und die des Lebens Reise
Uns angenehmer macht!
Es leben alle Brüder,
Die Hand an Hand in Reih'n
Auch dieses Jahr sich wieder
Wie wir, des Faschings freu'n!

 

 
Aloys Blumauer (21 december 1755 - 16 maart 1798)
Steyr in Oostenrijk, de geboorteplaats van Aloys Blumauer

 

 

Zie voor de schrijvers van de 13e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

09:48 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: carnaval, aloys blumauer, romenu |  Facebook |

M. Vasalis, Jan Arend, Arjan Visser, Gerard Keller, Georges Simenon, Nynke van Hichtum, Friedrich Christian Delius, Urs Faes, Katja Lange-Müller

 

De Nederlandse dichteres en psychiater M. Vasalis werd geboren in Den Haag op 13 februari 1909. Zie ook alle tags voor M. Vasalis op dit blog.

 

Felix was blank met bruine haren en een zachte g.

Felix was blank met bruine haren en een zachte g.
En: hij was kleurenblind, hij keek met scheef
getild gezicht en toegeknepen ogen naar de lucht.
Ik deed het heimelijk na. Wat heb ik hem bemind
toen ik vijf jaar was. Hij was negen.
Er is een bruine foto van ons allen aan de waterkant
gezeten in het gras, en daarop houd ik vlak
boven zijn hoofd, zijn verend haar mijn hand,
kijk met ZIJN toegeknepen ogen (onherroepelijk kleurenblind)
omhoog, je ziet de ouders en de kinderen en de zomerwind
die het gras scheef waait en in al die haren woelt -
je ziet dat ogenblik dat toentertijd nog eeuwig was.

 

 

Rebus in de bus

Wie zaten er vanochtend in de bus
behalve de chauffeur wiens roze wang
zo vloekte met zijn mooie rooie haar.
Een woeste oude boer met grijze ogen
en zijn gezicht in aanslag, en een woelig kind
doofstom, dat met zijn eigen dunne vingers praatte.
Een vrouw van vijftig, een zigeunerin of zo
ze stapte uit bij het woonwagenkamp
ze had een luipaard-jasje aan en kleine oren.
Een papoea-familie, drents van spraak
zo lief, zo lelijk en zo onbevangen.
Ik zat en luisterde en zag het aan
eerlijk gezegd en tegen beter weten in
verwachtend dat nu eindelijk 'De Zin'
zichzelf in deze bus zou openbaren
van al die raadselachtige aanwezigheden.
Maar nee - natuurlijk nee. De enige conclusie was:
ik houd van mensen in een bus, ik houd van gras
en lucht. Ik rij van Groningen naar Roden.
Ik leef een tijdje. Ik begrijp het niet,
zelfs niet als 'Het' zo duidelijk wordt aangeboden.

 

 

Steen

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie,
o sla de rots, opdat ik ween.

 

 
M. Vasalis (13 februari 1909 - 6 oktober 1998)

Lees meer...

80 jaar Jan Siebelink

 

80 jaar Jan Siebelink

De Nederlandse schrijver Jan Siebelink werd geboren op 13 februari 1938 in Velp in een streng religieus gezin. Zijn vader had een bloemenkwekerij. Na de lagere school ging Siebelink naar de ULO en vervolgens naar de Kweekschool (de huidige Pabo). Hij werd onderwijzer in Laag-Soeren en studeerde in zijn vrije tijd Franse taal-en letterkunde. Tijdens zijn studie Frans raakte hij geïnteresseerd in de Franse schrijver van Nederlandse afkomst Huysmans, en hij vertaalde een van zijn boeken 'A rebours' in het Nederlands als 'Tegen de Keer'. Daarnaast begon hij zelf te schrijven. Zijn eerste verhaal was 'Witte Chrysanthen’. Dit verhaal vormt samen met vier andere verhalen de bundel “Nachtschade”, het literaire debuut van Siebelink. In die eerste verhalen zitten meteen al de thema's die later steeds terug zullen komen in zijn werk: zijn streng religieuze, maar niettemin sympathieke vader, de kwekerij, de streek uit zijn jeugd, het middelbaar onderwijs, de rangorde in het zogenaamd genivelleerde Nederland. In 1977 verscheen zijn eerst roman 'Een lust voor het oog. Zijn belangrijkste romans zijn “De herfst zal schitterend zijn”, “En joeg de vossen door het staande koren”, “De overkant van de rivier”, “Vera”, “Margaretha” en de bestseller “Knielen op een bed violen”. In het laatstgenoemde boek vertelt Siebelink over de godsdienstige kring waar zijn vader toe behoorde en hoe hij daar zelf bij betrokken werd. Van “Knielen op een bed violen” waren in 2009 meer dan 700.000 exemplaren verkocht. In september 2009 kwam de vijftigste druk uit. Naast zijn literaire werk schreef Siebelink ook essays over decadente Franse literatuur. In 2009 werd Siebelink geridderd, hij werd Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Uit: Margje

“Ruben wachtte op zijn broer, keek vanuit de voorkamer de straat af. Deze oudejaarsdag zouden ze samen het graf van hun ouders bezoeken.
Ruben was er zeker van dat Thomas zou komen. Het was altijd een genot geweest om naar hem te kijken. Een mooie jongen. Nog steeds was die schoonheid zichtbaar, ondanks de lege oogkassen. Een ernstig ongeluk, langer dan een jaar geleden, had Thomas blind gemaakt. Ook zijn spraakvermogen was aangetast.
Na lange revalidatie had hij het schilderen weer opgepakt. In het blindeninstituut had hij alle medewerking gekregen. Hij leerde snel en werd behendiger in het op de tast omgaan met verf. Op zijn kamer stond een schildersezel. Het eerste wat hij schilderde na het ongeluk was een veld dahlia’s waarover de vorst was gegaan. De bloemen waren pikzwart, hingen naar beneden, want de stelen waren vlak onder de knop geknakt. Maar één bloem, op een beschutte plek, was niet door de nachtvorst aangetast. Ze was helrood, van dat intense rood als de natuur voor de winter invalt nog één keer uithaalt.
Hij toonde het Ruben. Een glimlach verscheen op zijn gezicht, heel kort. De eerste na het afschuwelijke drama. Hij had hem omhelsd en ze bleven lang in elkaars armen.
Die ene bloem, die de vorst heeft overleefd, die extra schitterde, dat felrode bij alle zwart. Zo kon een dahliaveld er in november uitzien.

Opnieuw liep Ruben de voorkamer in, keek de steil aflopende Bergweg af. Uit een grijze lucht dwarrelde wat sneeuw. Tegen de avond was door opvriezing gladheid voorspeld.
Gisteren had Ruben Thomas nog bezocht. Hij was niet op zijn kamer. Er stond ook geen nieuw schilderij op de ezel. Op tafel lag het blauwlinnen zakbijbeltje dat hij aan het eind van de zondagsschool had ontvangen. Ruben bezat zijn eigen exemplaar niet meer. Dat van Thomas lag opengeslagen bij het evangelie van Lucas. Enkele regels waren rood onderstreept. Hij streek er licht met zijn vinger over. ‘Op de eerste dag van de week gingen de vrouwen al vroeg in de morgen naar het graf. Ze vonden de steen afgewenteld.’ Thomas, zolang Ruben hem kende, had niets opgehad met het transcendente.
Hij dwaalde door de lange, glazen gangen van Bartiméus.”

 

 
Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)

09:40 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jan siebelink, romenu |  Facebook |

12-02-18

II. Fastnacht, Bern, March 7, 1987 (William Irwin Thompson)

 

Bij Carnaval

 

 
Carnival door David Ter-Avanesyan, 2011

 

 

II. Fastnacht, Bern, March 7, 1987
For Ralph Abraham

We, on the other side of dreamless sleep,
Still live out wholly unknown, enormous
Intangent, galactically extended lives;
And we're not supposed to know otherwise.
If only for one night I'd like to be
Other-wise, to see undark and entire
Eros, to look back at Eurydice
To know what other god she beds down.
Earth's flowers cannot twist to see their stems,
Even our moon has its darkness all turned out,
And mind is strapped to know what god intends
On riding the saddle of our time-bound thought.
In the night-time half is there another half,
Nesting like those painted Russian dolls?
Then each half could contain another whole
Half-life relatively timed in fractals.
Well, there's Einstein's House across the street,
And here's the crowd in which I am content
To say farewell to flesh, hello to Lent,
Unmasked, ordinary, not even indiscreet.
If each half of a half is never breached,
For all the other lives inside of me,
Then each creature dreams asymptotically
Until fractal infinity is finely reached.
Coiled in the smallest possible fragments spring,
Abundant in every dream-drenched sod –
den piece of life becoming everything,
The brute fact possible remains of God.
In other words, we're everybody every night
And live all the lives there are at once,
Rich man, poor whore, wise man, and dunce,
And only then come dumb again in light.
When we finally guess who we really con
It's bound to be good for a good long laugh;
Small wonder we like carnival's riff-raff,
Pretending with masks to put each other on.

 

 
William Irwin Thompson (Chicago, 16 juli 1938)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 12e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

 

09:47 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: william irwin thompson, romenu, carnaval |  Facebook |

Barbara Honigmann, Detlev Meyer, Mariana Leky, Lou Andreas-Salomé, Sabahattin Ali, Friedrich de la Motte-Fouqué, Janwillem van de Wetering, Joachim Meyerhoff, John Hennessy

 

De Duitse schrijfster Barbara Honigmann werd geboren op 12 februari 1949 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Barbara Honigmann op dit blog.

Uit: Das überirdische Licht

„Touristische Pflichten habe ich mir nicht auferlegt, die habe ich schon bei früheren Besuchen erfüllt. Am Ende meiner Residenzzeit werde ich dann feststellen, daß ich eigentlich nie aus dem Village herausgekommen bin, und meine Dorfgenossen werden mir bestätigen, das geht hier allen so! Weil es ja ein Dorf ist, wenn auch ein größeres, kann man es, wenn man gute Schuhe hat, auch zu Fuß erlaufen, die kleinen Streets hinauf und die mittleren Streets hinunter, und dabei sogar einige Avenues überqueren. Natürlich bleibe ich dauernd stehen, weil ich vieles näher betrachten will, Buchläden, Galerien, Drogerien und ihre customers, ein petshop, in dessen Auslage eine Handvoll ganz kleiner Hunde in einem Körbchen unter einem Infrarotstrahler wachsen. Am Union Square habe ich dann sogar ein ganzes Pet-Kaufhaus, mehrstöckig, mit einer Abteilung für Hundemode im basement entdeckt. Für Katzen gibt es aber keine Modeabteilung, die würden sich so etwas Affiges auch nicht bieten lassen.
Meine Dorfgenossen stehen der Vielgestaltigkeit ihrer Stadtlandschaft in nichts nach, so multiverschieden, multi-ethnisch und multisozial, multiform und multifarbig wie sie sind und ausschauen und dahergehen. Was sie anhaben, tun und wie sie sich benehmen. Manche laufen ganz wild aussehend herum, manche picobello wie vom Laufsteg weg, einige richtig bohèmehaft, andere mehr gepflegt vernächlassigt, viele ganz schön exzentrisch und ein jeder mit dem festen Willen zur Gestaltung, das ist unübersehbar. Deeply superficial, hat Andy Warhol alle diese Leute und sich selbst treffend beschrieben; der hat hier auch irgendwo gewohnt. Richtig Meschuggene, die laut deklarieren und wild gestikulieren, laufen auch mehr als in anderen Städten herum, obwohl sich der Unterschied zu denen, die einfach laut mit ihrem cell herumtelefonieren, verringert haben dürfte. Den Hauptpreis für Exzentrik spreche ich innerlich einer ganz großen, gertenschlanken Frau von tiefschwarzer Hautfarbe zu, die im schneeweißen Pelzmantel mit schneeweißer Pelzkappe und schneeweißen Stiefeletten auf 10 cm hohen Absätzen einher- stöckelt und ihren schneeweißen Pudel spazierenführt.“

 

 
Barbara Honigmann (Oost-Berlijn, 12 februari 1949)

Lees meer...

11-02-18

Karneval (Ludwig Thoma)

 

Bij Carnaval

 

 
Karneval door Fritz Steisslinger, 1934

 

 

Karneval

Väter, hört mich, Mütter, hört die Mahnung,
Jetzt kommt wieder jene Zeit – versteht! –,
Wo so manche Tugend ohne Ahnung
Der Besitzerin abhanden geht.

Beutesuchend schleicht umher das Laster;
Wer ist sicher, daß ihm nichts geschieht,
Wenn man jetzt der Busen Alabaster
Und beim Hofball auch die Nabel sieht?

Von den Blicken kommt es zur Berührung,
Irgendwo zu einem Druck der Hand,
Und so manches Mittel der Verführung
Sei aus Scham hier lieber nicht genannt!

Wenn an hochgewölbte Männerbrüste
Sich das zarte Fleisch der Mädchen drängt,
Regen sich von selbst die bösen Lüste
Und was sonst damit zusammenhängt.

Darum Eltern, wenn die Geigen klingen
Und die Klarinette schrillend pfeift,
Hütet eure Tochter vor den Dingen,
Die sie hoffentlich noch nicht begreift!

 

 
Ludwig Thoma (21 januari 1867 – 26 augustus 1921)
Oberammergau, de geboorteplaats van Ludwig Thoma

 

 

Zie voor de schrijvers van de 11e februari ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

10:29 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: carnaval, ludwig thoma, romenu |  Facebook |

Maryse Condé, Else Lasker-Schüler, Kazys Bradūnas, Gerhard Kofler, Roy Fuller, Karoline von Günderrode, Hermann Allmers

 

De Franse schrijfster Maryse Condé werd op 11 februari 1937 in Pointe-à-Pitre op Guadeloupe geboren. Zie ook alle tags voor Maryse Condé op dit blog.

Uit: Wie Spreu im Wind (Vertaald door Uli Wittmann)

„Abdullahi trat ein. Sein Blick streifte Abdel Salam nur leicht. Und doch wusste das Kind, dass dem Vater nichts entgangen war. Weder die Tränenspuren auf seinen Wangen noch Maryems Verwirrung oder ihre durcheinandergeratenen Schleier. Abdel Salam hob seine Holztafel auf, die er auf den Boden gelegt hatte, und ging hinaus. Als Maryem und Abdullahi allein waren, sagte dieser erbost: »Wenn das so weitergeht, schicke ich ihn zu meinem Bruder nach Daura. Er bittet mich schon seit einem Jahr darum. Aus Schwäche habe ich bisher noch gezögert. Aber du gehst zu weit. Was willst du aus dem Jungen machen? Einen Weichling, der meinem Namen Schande macht?« Maryem nahm die Zurechtweisung demütig hin. Denn sie hatte große Angst davor, ihr Mann könnte seine Drohung wahr machen und sie erneut den Ängsten aussetzen, die sie vierzehn Jahre zuvor ausgestanden hatte, als ihr erster Mann, Tiekoro, sie von ihrem Sohn Mohammed getrennt hatte. Um das zu vermeiden, war sie zu allem bereit und setzte eine Maske völliger Ergebenheit auf. Abdullahi sagte versöhnlicher: »Ich habe unserem Sohn eine bewaffnete Eskorte entgegengeschickt, damit ihm bei all diesen Maradawa3, die die Straßen unsicher machen, nichts zustößt.« Wie aufmerksam Abdullahi doch trotz all seiner Starrheit und Sittenstrenge war! Und wie zartfühlend sein Herz sein konnte! Voller Dankbarkeit fragte sie ihn: »Wann, glaubst du, wird er bei uns sein?« Aber obwohl sie versuchte, sich zu beherrschen, lag auch diesmal noch zu viel Leidenschaft in ihrer Frage, und Abdullahi, erneut verstimmt, entfernte sich mit den Worten: »Das weiß Allah allein!«

 

 
Maryse Condé (Pointe-à-Pitre, 11 februari 1937)
Cover

Lees meer...