04-08-08

In Memoriam Aleksandr Solzjenitsyn


In Memoriam Aleksandr Solzjenitsyn

 

De Russische schrijver Aleksandr Solzjenitsyn, Nobelprijswinnaar voor de literatuur en oud-dissident uit het Sovjettijdperk, is gisteren in Moskou overleden. Zie ook mijn blog van 11 december 2007.

 

Uit: The Gulag Archipelago

 

"Arrest is an instantaneous, shattering thrust, expulsion, somersault from one state into another.

"We have been happily borne _ or perhaps have unhappily dragged our weary way _ down the long and crooked streets of our lives, past all kinds of walls and fences made of rotting wood, rammed earth, brick, concrete, iron railings. We have never given a thought to what lies behind them. We have never tried to penetrate them with our vision or our understanding. But there is where the Gulag country begins, right next to us, two yards away from us. In addition, we have failed to notice an enormous number of closely fitted, well-disguised doors and gates in these fences. All those gates were prepared for us, every last one! And all of a sudden the fateful gate swings quickly open, and four white male hands, unaccustomed to physical labor but nonetheless strong and tenacious, grab us by the leg, arm, collar, cap, ear, and drag us in like a sack, and the gate behind us, the gate to our past life, is slammed shut once and for all."

___

"We have to condemn publicly the very idea that some people have the right to repress others. In keeping silent about evil, in burying it so deep within us that no sign of it appears on the surface, we are implanting it, and it will rise up a thousandfold in the future. When we neither punish nor reproach evildoers, we are not simply protecting their trivial old age, we are thereby ripping the foundations of justice from beneath new generations. It is for this reason, and not because of the `weakness of indoctrinational work,' that they are growing up `indifferent.' Young people are acquiring the conviction that foul deeds are never punished on earth, that they always bring prosperity.

"It is going to be uncomfortable, horrible, to live in such a country!"

 

solzhenitsyn_b
Aleksandr Solzjenitsyn (11 december 1918 – 3 augustus 2008)

 

 

09-07-08

In Memoriam Janwillem van de Wetering



In Memoriam Janwillem van de Wetering

 

 

De Nederlandse schrijver Janwillem van de Wetering is op vrijdag 4 juli overleden.

 

Van de Wetering werd geboren in Rotterdam op 12 februari 1931. Hij groeide op in Hillegersberg en volgde later een opleiding aan Nijenrode. In 1952 ging hij naar Zuid-Afrika, waar hij voor het bedrijf van zijn vader werkte. Hij leefde echter met zijn vader in onmin. Deze ontsloeg hem en de jonge Van de Wetering ging filosofie studeren in Londen. In Engeland kwam hij er achter dat zijn werkelijke belangstelling bij de oosterse filosofie lag. In die tijd klopte hij als westerling aan bij een Zen-klooster in Kyoto, waar men hem de zeer zware opleiding tot monnik toestond. Er zouden nog vele avonturen volgen.

De eerste boeken die Van de Wetering publiceerde gingen over Zen. Na zijn Japanse jaren, waar hij zich onder anderen verdiepte in Robert van Gulik, zou hij zich in een Zen-gemeenschap in het Amerikaanse Maine vestigen. Ondertussen had hij al naam gemaakt als auteur van misdaadromans. In Het lijk in de Haarlemmer Houttuinen (1975) verschijnt het duo Grijpstra & De Gier voor het eerst. Er zouden vele afleveringen volgen.

Van de Wetering was de laatste jaren ernstig ziek. Hij leed aan kanker. Het tijdstip van zijn dood heeft hij zelf bepaald. Als overtuigd Zen-volgeling zag hij de dood als een fase van het leven.

 

 

Uit: Wat eindigt begint

 

“De priester beheerde een kleine Zentempel, een eiland van stilte en schoonheid. een paar kilometer buiten Kyoto. De tempel was beroemd om haar tuin en de priester had de tempel gekregen omdat tuinieren zijn lust en zijn leven was. Naast zijn tempel was nog een andere, kleinere, tempel waar een hele oude Zenmeester woonde, de meester was zo oud dat hij geen discipelen meer kon opleiden, de priester zorgde voor de oude meester maar er was geen officiële meester/discipel relatie. De priester had zijn koanstudie al lang geleden opgegeven.

De priester zou gasten krijgen, en hij was de hele morgen in de weer geweest om zijn tuin puntgaaf te maken. Hij had alle losse bladeren opgeharkt en weggegooid, hij had water op het mos gesprenkeld. hij had het mos zelfs hier en daar gekamd, hij had weer wat bladeren op de juiste plaatsen neergelegd, en tenslotte stond hij op de veranda, bekeek de tuin en kon alleen maar tegen zichzelf zeggen dat zijn tuin volmaakt was. De oude Zenmeester had het werk van de priester met aandacht gadegeslagen terwijl hij op het hek leunde dat de twee tempels van  elkaar scheidde.

“Mooi he?” zei de priester tegen de meester. “Vindt u niet dat de tuin nu is zoals hij wezen moet? Straks komen mijn gasten en ik wil graag dat ze de tuin vinden zoals de monniken die hem vroeger hebben aangelegd het bedoeld hadden.”
De meester knikte. “Ja”, zei hij, “je tuin is mooi maar er mankeert nog iets aan, als je me even over het hek wilt tillen en in je tuin neer· zetten dan zal ik je werk afmaken”.
De priester aarzelde want hij kende de meester zo langzamerhand en wist dat de oude man zonderlinge ideeën kon hebben. Hij kon echter niet weigeren, de wil van een meester is wet, en dal deze meester gepensioneerd was deed niet ter zake.

Toen hij de meester omzichtig in de tuin gezet had liep deze langzaam naar een boom toe die midden in een mooie rots- en mospartij groeide. Het was herfst en de bladeren zaten los. De meester hoefde alleen maar een beetje te schudden en de tuin lag weer vol met in ordeloze stramienen verspreide bladeren. “Nu is het goed”, zei de meester, “je kan me nu weer terugzetten”.

 

 

 

 

VandeWeetering
Janwillem van de Wetering (12 februari 1931 – 4 juli 2008)

 

 

 

30-06-08

In Memoriam Mies Bouhuys



In Memoriam Mies Bouhuys

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Mies Bouhuys is overleden.

 

Maria Albertha ("Mies") Bouhuys werd geboren in Weesp op 10 januari 1927. Mies Bouhuys was bekend als scenario-, toneel- en kinderboekenschrijfster. Zij was gehuwd met de Nederlandse dichter en schrijver  Ed Hoornik. Ze werd opgeleid tot onderwijzeres, maar stond nooit voor de klas. In 1958 trad Bouhuys in dienst van de AVRO als regisseuse en schrijfster van kinderprogramma's op tv. Ze was enkele jaren bestuurslid van de Vereniging voor Letterkundigen (VVL). Mies Bouhuys debuteerde in 1948 bij D.A. Daamen's Uitgeversmaatschappij met de gedichtenbundel Ariadne op Naxos waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving. Hoewel ze ook daarna nog poëzie publiceerde, Blijven kijken (1971), werd ze vooral bekend door de vele boeken en versjes voor kinderen. In 1966 werd Kinderverhalen (Uitgeverij Holland) door het CPNB bekroond als Kinderboek van het jaar, de voorloper van de huidige Gouden Griffel. In 1982 publiceerde zij Anne Frank is niet van gisteren. In 2002 verscheen een bloemlezing uit haar kinderboekenwerk ter gelegenheid van haar 75e verjaardag, getiteld Voetje van de vloer, vijftig verhalen en versjes van toen en nu. Mies Bouhuys woonde in Amsterdam. Overigens was de schrijfster niet alleen bekend door haar (kinder)boeken, en musicals, maar ook door haar politieke engagement. Ze was onder meer betrokken bij de Dwaze Moeders in Argentinië.

 

 

Op reis

 

De kleine zwaluw kan niet slapen,

al doet hij ook zijn best,

al knijpt hij zijn twee oogjes dicht

hij woelt maar in het nest.

 

‘Vooruit, geen kik meer, nu is 't uit,’

piept moeder zwaluw wijs,

‘want anders mag je morgen niet

mee op de grote reis!’

 

En denk je nu eens even in,

dat je een zwaluw bent,

die van de wereld enkel maar

één stukje weiland kent.

 

Opeens mag je dan mee op reis,

de zomer achterna;

als hier het natte weer begint,

ben jij in Afrika.

 

Gelukkig ga je niet alleen,

dat zou niet leuk zijn, nee.

Familie, vriendjes, kennissen,

wat zwaluw is, gaat mee.

 

Je snapt wel dat dat zwaluwtje

daar niet van slapen kan,

en àls hij eindlijk, eindlijk slaapt,

waar denk je, droomt hij van?

 

 

 

 

 

Bouhuys
Mies Bouhuys (10 januari 1927 - 30 juni 2008)

 

 

 

15-06-08

In memoriam Kees Fens



In memoriam Kees Fens

 

 

De Nederlandse literair criticus en essayist Kees Fens is zaterdag overleden.

 

Cornelis Walterus Antonius (Kees) Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929.Hij volgde zijn middelbare schoolopleiding aan het St. Ignatiuscollege in Amsterdam, waar hij in 1948 zijn A-diploma behaalde. Daarna volgde hij in de avonduren een studie Nederlands-MO. Tussen 1959 en 1982 werkte hij als leraar Nederlands, eerst aan het Triniteitslyceum in Haarlem, vanaf 1964 aan de Frederik Muller Academie in Amsterdam. In 1982 werd hij, als eerste niet-academicus, benoemd tot hoogleraar in de moderne letterkunde aan het instituut Nederlands van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Na zijn emeritaat in 1994 volgde nog een benoeming tot bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan diezelfde universiteit. In 2001 legde hij ook die functie neer.

Tegelijkertijd schreef Fens literaire kritieken, vanaf 1955 voor het weekblad De Linie, van 1960 tot 1968 voor het dagblad De Tijd en van 1968 tot 1978 voor de Volkskrant. Voor die laatste krant is hij tot 2007 blijven schrijven, meest over literaire onderwerpen, hoewel hij er ook een tijdlang een sport-column voor verzorgde. Tussen 1976 en 1989, toen het blad ophield te bestaan, schreef Fens voor de Tijd een wekelijkse column onder het pseudoniem A.L. Boom.

Samen met J.J. Oversteegen en H.U. Jessurun d'Oliveira richtte hij in 1962 het literair tijdschrift Merlyn op.

 

Uit: Het beslissende boek

 

Enkele weken later, zo herinner ik me, las ik in dezelfde bloemlezing stiekem een gedicht dat ik eigenlijk heel mooi vond en nog steeds een schitterend gedicht vind. Het is er een van Gezelle. Ik weet dat ik met het uitspreken van die naam al een bepaald beeld van mijzelf oproep, omdat allerlei kalenders deze dichter een totaal verkeerde gestalte hebben gegeven. Hij behoort tot de allergrootste die we ooit gehad hebben, en dat zeg ik niet om mijn oordeel te rechtvaardigen. Dat gedicht heet Winterstilte, en daarvan wist ik: dát is mijn wereld. Het gaat natuurlijk ook weer over sneeuw, zoals bij Nijhoff:

 

Winterstilte

 

Een witte spree

ligt overal

gespreid op 's werelds akker;

geen mensche en is,

men zegge zou,

geen levend herte wakker.

 

Het vogelvolk,

verlegen en

verlaten, in de takken

des perebooms

te piepen hangt,

daar niets en is te pakken!

 

't Is even stille

en stom, alhier

aldaar; en, ondertusschen,

en hoore ik maar

het kreunen meer,

en 't kriepen, van de musschen.

 

Toen ik dat gelezen had, wist ik dat ik ooit van die Gezelle alles zou willen lezen. Ik ben ervan overtuigd dat de schok die ik toen kreeg, na de schok van nog een ander gedicht, alles te maken had met die leeservaringen van vroeger; ook weet ik zeker dat de ervaring met Winterstilte eveneens thuishoorde in dat domein, die halve cirkel, die ik al  voor mijzelf had uitgebouwd. De ervaring met het gedicht van Nijhoff kwam voor mij van buiten en was mij vreemd; de ervaring met Gezelle's gedicht, daarentegen, was van vroeger, die was van mij en behoorde in die tweede cirkelhelft die mijn eerdere cirkelhelft completeerde.

 

 

 

 

 

fens
Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008)

 

 

11-06-08

In Memoriam Adriaan Jaeggi

 

In memoriam Adriaan Jaeggi 

 

De Nederlandse schrijver, dichter en columnist Adriaan Jaeggi is overleden.

 

  
jaeggi
Adriaan Jaeggi (3 april 1963 – 10 juni 2008)
   

 

 

 

Adriaan Jaeggi werd geboren op 3 april 1963 in Wassenaar. Hij studeerde Engelse taal- en letterkunde in Leiden. Tijdens zijn studie werkte hij o.a. als trombonist, duikinstructeur, vorkheftruckchauffeur en snackbarhouder. Vlak voor zijn afstuderen werd hij redacteur van Propria Cures. Na zijn afstuderen (met een scriptie over Amerikaanse zwarte muziek en zwarte literatuur) trad hij in 1995 als redacteur in dienst bij de Thomas Rap. In dat jaar publiceerde hij ook zijn eerste roman, De tol van de roem.  Na de dood van Thomas Rap in 1999 verhuisde hij met de inboedel mee naar uitgeverij De Bezige, waar hij tweeëneenhalf jaar werkte als redacteur.


In 1999 verscheen zijn tweede roman, Held van beroep. Deze beleefde vijf drukken, werd genomineerd voor de longlist van de AKO- en de LIBRIS-prijs, bekroond met de literatuurprijs van de stad Roermond, in het Duits vertaald en door de pers in binnen- en buitenland geroemd om toon en stijl.  In 2002 verscheen zijn eerste officiële dichtbundel, Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten. Twee gedichten hieruit werden opgenomen in Gerrit Komrij's befaamde bloemlezing. In januari 2005 werd hij benoemd tot eerste stadsdichter van Amsterdam.

Jaeggi schreef als columnist voor De Groene Amsterdammer, de Volkskrant en Volkskrant magazine. In 2004 verscheen een verzameling van zijn columns onder de titel Luxeproblemen. In de Boekenweek van 2006 verscheen het autobiografische Tromboneliefde, dat na een maand herdrukt werd. Zijn derde roman, Edele dieren, is net verschenen.

 Ode aan een nachtegaal 

Ineens stopte hij met praten.
Hij bezat informatie die onschuldige levens kon redden
dus waren wij gedwongen nieuwe procedures
toe te passen. Na toepassing van de
nieuwe procedures begon hij te zingen.
Als een nachtegaal. Hij liep blauw aan
en werd zacht in het midden
conform de nieuwe procedures. 
 

Hij werd per vliegtuig vervoerd naar bondgenoten
die beschikken over de allernieuwste procedures.
Wij verwachten dat hij bij toepassing van de
nieuwste procedures zal blijven praten.
En praten. En praten.
 

Dit was onmogelijk geweest zonder jullie steun.

 

 

Zie ook mijn blog van 3 april 2008.

 

 

08-05-08

In Memoriam Willem Brakman



In memoriam Willem Brakman

 

 

De Nederlandse schrijver Willem Brakman is donderdag op vijfentachtig jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn uitgeverij Querido laten weten. Zie ook mijn blog van 13 juni 2007.

 

Uit: De reis van de douanier naar Bentheim

"Toen de douanier zich echter bukte merkte hij dat het zware tralieluik van het zwarte gat was weggeklapt en ernaast plat op de vloer lag. Dat was ongetwijfeld een heel karwei geweest, want de hoed was de parelgrijze erbij van het hoofd gevallen en lag daar nog van te getuigen in een schemerige streep schietgatlicht. De douanier schudde het hoofd om deze levensgevaarlijke toestand, hij legde de poot op de vloer en wilde het luik weer terugklappen, maar behalve dat het loodzwaar was zat het op de een of andere manier ook muurvast. Het zweet parelde de douanebeambte buiten dienst op het voorhoofd, maar hoe hij ook rukte en trok, meer beweging dan een paar knarsende centimeters kon hij niet voor elkaar brengen. Bezorgd krabbelde hij overeind en draafde de toren uit om te waarschuwen: kasteeltuin, folterkamer, ergens moest dat onmogelijke paar toch te vinden zijn. Maar dat viel tegen, alle trappen, portalen en binnenplaatsen waren luguber leeg, het enige geluid dat hij hoorde was de muziek van beneden uit het stadje. Met de bedoeling dan maar iedereen te waarschuwen dribbelde hij haastig richting feest en was de eerste lampionnen net gepasseerd toen een abnormale rauwe gil weerklonk. Iedereen keek omhoog naar de toren en naar de heer Van Kol die daar op de borstwering was verschenen. Jasje en vest had de leraar uitgedaan en in zijn witte overhemd en met zijn geheven armen zag hij er uit als een figuur uit een schilderij van Goya.

Ontsteld liep de douanier met de feestgangers mee om te zien wat er allemaal was gebeurd, maar hij koos om niet voortdurend te worden geduwd en aangestoten een zijpoortje en werd daar onverwacht tegengehouden door de parelgrijze.

‘Ze is in het gat geduveld,’ zei ik, ‘in één klap hasjewijne.’

‘Was dat nou nodig?’ riep de douanier verbolgen, ‘zo'n mooie, gevulde vrouw.’

‘Dat viel aardig tegen,’ zei ik, ‘van buiten bol, van binnen hol.’

‘De arme man,’ riep de douanier stampvoetend.

‘Denk toch eens aan dat hoofd,’ zei ik, ‘dat lijdende bekje, die man wil niet anders, heus, daar liggen zijn talenten. Héé, waar is mijn hoed?’

‘Die ligt naast het gat,’ zei de douanier, ‘en naast mijn paardepoot.’

‘Ach,’ zei ik glimlachend, ‘wat een aardige combinatie, hoe komt u overigens op een paardepoot?’

‘Ik denk door Lochem,’ zei de douanier, ‘Staring en al die dingen.’

‘Luister,’ zei ik.

Uit het kasteel, uit het stadje, ja voor mijn gevoel ook uit de lucht klonk een zacht stompend geluid: wom, wom, wom... bom, bom, bom... drom, drom, drom...

‘Ze weten toch niet dat ik hier ben?’ vroeg ik.

‘Ik denk het wel,’ zei de douanier en ja hoor, daar waren ze weer, ik ken ze, o ik ken ze die koppen. Even later was het weer zo ver: paardekopers, stamineebazen, kleine neringdoenden, natuurlijk weer een antiekhandelaar, de hele troep.

Daar ging ik: in mijn gat getrapt, aan mijn haren gerukt, om de oren geslagen, maar één moedige daad wil ik hier toch niet onvermeld laten, met uiterste krachtsinspanning draaide ik mijn hoofd om en schalde achter mij: ‘Heer tollenaar!... wij zien elkander weder!!..."

 

 

 

 

 

Brakman2
Willem Brakman (13 juni 1922 – 8 mei 2008)

 

 

 

 

 

Zie ook voor de schrijvers van vandaag, 8 mei 2008, mijn vorige posting.

 

 

05-05-08

In Memoriam J.J. Voskuil



In Memoriam J.J. Voskuil

 

 

De Nederlandse schrijver Johannes Jacobus (Han) Voskuil is op 1 mei op 81-jarige leeftijd in zijn woning in Amsterdam overleden. Dat werd vandaag bekend gemaakt.

 

Uit: Bij nader inzien

 

“De hemel was stralend blauw geworden. Het water schitterde. "Natuurlijk heeft hij gelijk," zei hij boos. "Waarom anders? Omdat ik gereformeerd ben soms?" Ze klemde haar kaken op elkaar en gaf een ruk aan zijn arm. "Omdat je niet wil!" zei ze, bijna zonder haar lippen van elkaar te doen. Hij haalde zijn schouders op. "En waarom wil ik niet? Omdat ik van zo'n meid moet kotsen?" Hij begon steeds harder en sneller te praten. "Omdat ik te geremd ben! En waarom ben ik te geremd? God weet het, maar ik ben het." "Zak!" zei ze vol minachting. "Grote zak!" "Godverdomme!" viel hij boos uit. "Je begrijpt er niets van." "Normaal vinden om met meiden naar bed te gaan, hè," ging ze verder, zonder naar hem te luisteren. "Natuurlijk is dat normaal," zei hij kwaad. "Wat denk je anders dat normaal is? Normaal is toch wat iedereen doet. Dacht je da er een primitieve idioot is die hier een woord van begrijpt." "Te geremd, hè." Ze lachte schamper. "Als er iemand abnormaal is, dan zijn wij dat," overstemde hij haar. "Maar dat bén ik dan ook. Ik heb alleen geen zin om me erop voor te staan. Daar gaat het om." "Als ze zich maar aanbieden," zei ze. Hij stond met een ruk stil, pakte haar bij de schouder en boog zich naar haar toe. "Nou moet jij eens goed luisteren," zei hij met zijn gezicht woedend bij het hare. "Als een meid zich aanbiedt, dan ben ik te geremd! Hoor je dat?" Ze kreeg iets angstigs in haar ogen en knipperde even, maar hield haar hoofd krampachtig op dezelfde plaats. "Te geremd! En dat denk ik omdat ik geremd ben! Begrijp je dat? Het is moeilijk, maar probeer het te volgen." Hij schudde haar heen en weer. "Dat is essentieel, weet je! Als ik niet geremd zou zijn, dan zou ik weer een heel ander zijn. Begrijp je? En aangezien ik geen ander ben, ben ik geremd! Duidelijk? En dat kan me helemaal niets schelen dat ik geremd ben, integendeel, maar ik verdom het dan om te doen of ik het eigenlijk wel kan, maar niet wil. Ik kan niet! Dus ik wil niet! Punt!" Hij greep naar zijn achterzak en haalde zijn sleutels te voorschijn. "En hier heb je mijn sleutels en daarmee ga je maar in je eentje wandelen. Ik zal wel zien wanneer ik kom." Hij wendde zich kwaad af, maar draaide zich onmiddellijk weer om. "Naar een meid!" zei hij kwaad en liep toen snel weg, linksaf de Magere Brug op, terwijl Nicolien zich resoluut omdraaide, zonder nog één keer om te kijken."

 

 

 

 

VOSKUIL
J. J. Voskuil (1 juli 1926 - 1 mei 2008)

 

 

 

Zie ook het In Memoriam in de krant Trouw van vandaag.

 

 

Zie ook voor de schrijvers van vandaag, 5 mei 2008,  mijn vorige posting

 

 

21-03-08

In Memoriam Ed Leeflang



 

In Memoriam Ed Leeflang

 

Afgelopen maandag 17 maart stierf in zijn woonplaats Amsterdam dichter en docent Nederlands Ed Leeflang. Het moment van overlijden heeft hijzelf verkozen; Leeflang was al geruime tijd ernstig ziek en hij had veel pijn. Leeflang heeft nog tot het laatst aan een nieuwe bundel poëzie gewerkt, maar helaas heeft hij die niet meer kunnen voltooien. Zijn laatste publicatie is de bibliofiele bundel Eenden op één nacht ijs (2000). Zie ook mijn blog van 21 juni 2007.

 

 

Waarom de wind zo boos is

Waarom de wind zo boos is
weet ook zij niet, evenmin

waarom de vaders weggaan

en de moeders weer zijn opgenomen.

 

Ze raapt veel op.

 

Ze zegt: dit is mijn lievelingsmuziek
en laat het horen.

 

Ze zingt dwars door de klas: waarom
is het hier nu zo druk,

ik praat mezelf een ongeluk

 

Ze moeten lachen.

 

Wie het bangste is
om weer naar huis te gaan

mag helpen opruimen;

dan valt de avond minder

plompverloren.

 

Al haar lesstof is geordend
om de vraag, op geen examen

ooit gesteld: hoe leer je ze

vergeten dat ze in verkeerde

plannen zijn geboren.

 

Het moorden kent zijn tijd,
na vieren, zijn plaats, op straat,

zijn doel, tweemaal per week

de ondergang van iemand die

ook kind is, maar in doodsnood

niet eens vlucht of bijt.

 

 

 

 

 

De vader van de baby Constantijn

 

De vader van de baby Constantijn, wat hem
voor ogen zweefde stuit en kalmeert mij niet.
Precieze dromen moet ik ’s nachts wel uit,
naar de keuken en ik wil dan nog een uur
op een bevriende stoel.

Niet de geringste engel zou er voor
hebben gevoeld verder te gaan
met haar broze, bedreigde lichaam.

Hij heeft veel te veel bedoeld.
Ik kom niet uit met zijn stoïsch verdriet
en niet met zijn troostrijke orde.

Hoe waar zijn die in zijn huis
trouwens geworden?

Want de moeder schreef het niet.

 

 

 

 

 

Hij stelt het elke dag geërgerd vast

 

Hij stelt het elke dag geërgerd vast;
zij zijn niet multicultureel geboren,

vormen geen symbiose maar een klas

Hij kent van hun thuislanden de folklore

en de Verlichting heeft hem achteraf verrast.

 

Wil hij het westen nog wel toebehoren,
want dat stelt boven vroomheid intellect;

nog  nooit heeft hij een kind verwekt,

deed hij het, liefst zou hij het

historieloos en statenloos een goede

wilde van de Randstad laten.

 

Een leerplan van toevalligheden
zou van de dagen leerstof moeten maken,

de koning der analfabeten zou bevelen

de maanstand, de eetbare planten,

de kunst van het sterven te weten.

 

 

 

 

leeflang
Ed Leeflang (21 juni 1929 – 17 maart 2008)

 

 

19-03-08

In Memoriam Hugo Claus




In Memoriam Hugo Claus

 

In het Middelheimziekenhuis in Antwerpen is vanmiddag Hugo Claus overleden. De Belgische schrijver-kunstenaar-filmer leed aan Alzheimer en heeft zelf het tijdstip van zijn dood gekozen, zo maakte zijn weduwe, Veerle Claus, bekend. Zie ook mijn blog van 5 april 2007.

 

Dichter

 

Herfst. Hoor. Geknetter. Hoor je dat zwaar geratel?

Het nadert in onze kleren, in onze haren.

Luizen van geluid. Wat is dit melaats geprevel?

Kind, het zijn de dichters buiten die klappertanden.

 

Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken

Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.

In de ochtendmist waarin hun beelden smelten

Bevriezen de dichters in een herkenbaar colbert.

 

Hoor hoe koortsig zij hun naderend vergaan verklaren

Want hun laatste gereutel moet doorzichtig zijn,

Hun weduwen van lezers doen snikken.

 

‘O, ons ego was te duister!’ klagen zij.

‘Dat vroeg de tijd, polyinterpretabel als wij!’

En kijk, zij kruipen uit de windsels van hun ziel,

De mond vol kroket en gebed om genade

Voor hun prostaat, hun plagiaat.

 

Ei op sterven na ontdekken de dichters plots

De bedarende mirakels van goden, aforismen,

Aspirines, tederheden. Voor het eerst kan hun lief

Iets van haar lief met haar lippen lezen.

 

En voordat de dichters, loze winterappels

Door de plukkers als ondermaats versmaad

Uiteindelijk ook vallen in november

Willen zij voor eeuwig voor de buren verstaanbaar

Vallen. In melkboerentaal, als ooft natuurlijk beurs.

Zij blijven bitter luisteren naar het gefrommel

Van de krant die hun naam verkeerd blijft spellen

En zij vullen hun kruiswoordraadsels in

Vol anekdotes, angst en struikelende liefdes.

 

Maar te laat, te doof, worden de dichters gewaar

Dat wat duister en bot was in hun verzen

Niet lichter wordt door sleet, door de duur,

Maar dat het blijft bederven. Ondoorgrondelijk

Blijven hun huis, hun woord, de evenaar, het azuur.

Hun stuurse donkerte blijft gemeen als geld

En als de dood zo vluchtig.

 

‘Maar apropos, jij zelf? Ja, jij! Vereerde jij ook niet

De splitsing, de gisting eerder dan het monument?

Zocht jij ook niet in elk motet een epitaaf?

Wrong jij niet een embleem uit elk letsel?

Vond jij je geblutste ik niet in elk bord zwezerik?’

 

- ‘Jawel. Nog overeind droom ik van het letterlijke.

Zeker. Tot het einde toe die muizenissen, rozen,

Paradijzen, radijzen, voze gelijkenissen. Met

Tot op dit papier deze lijken van letters.’

 

Adieu schrijven de dichters een leven lang

En vergrijzend als lavendel in november

Blijven zij, gangreen en grap een raadsel,

Erbarmelijk bedelen om mededogen,

Zoals ik voor de sleet op mijn oren en ogen

Die jou beminden, beminnen.

 

 

 

 

Het Land (Egyptisch)

De wondere wagens der zon gaan onder,
Bereiken nog - de wind wordt lichter en dit gerstig land is
laag -
De vluchtelingen, gedoken in hun nood.

Nederknielende, sparende, biddende, buigende
Zijn zij steeds ongedeerd.
Hun spaden staan, hun spannen rijden.

Maar wacht, wacht. Als een schot in de twijgen
Waarin geofferd wordt, gesmeekt, gehunkerd,
Slaat het uur der huursoldaten.

Ietwat later - vloeit de beek? en de halmen, de zachte, buigen zij?
En de stemmen, sterven zij? - schrijven de laatste bevlekte
vingers
Letters en namen van kindermoordenaars.

Weerloos is de tijd, ongenadig de aarde.

In de straat van genade. De parkiet schreeuwde
De nacht lang. Wie weet wat de wezel riep?
De parkiet schreeuwde en vijf soldaten braakten.

In de straat van genade een uil en een rat.
De dieren wankelden in hun schonken, de rechter was verschrikt
Toen zijn bebloede dochter vluchtte over de vlammende weide.

In hun korenbed liggen de boeren. Gesloten is hun biddend oog.
Hun land kraakt.
Het water vloeit er niet meer binnen.

 

 

De moeder

 

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

(Mijn moeder, gevangen in haar vel,
Verandert naar de maat der jaren.

Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.

Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar gewrichtn waren jonge katten,

Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.

‘Je bent mij ontgroeid’, zegt ze traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
Als een vrouw zonder mond.)

Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.

En nu, mannelijk word ik u vreemd.
Ge ziet mij naar u komen, gij denkt: ‘Hij is
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.’

Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet naar mij terug, van u herstel ik niet.

 

 

 

 

 

hugo_claus
Hugo Claus (5 april 1929 – 19 maart 2008)

 

 

 

 

Zie voor de schrijvers van vandaag mijn vorige bericht.

 

 

28-02-08

In Memoriam Jan Eijkelboom


In Memoriam Jan Eijkelboom

 

 

De Nederlandse dichter, vertaler en journalist  Jan Eijkelboom is vandaag overleden. Hij is 81 jaar geworden.

 

 

Er was die droom

 

Er was die droom. Ik kwam van 't veer,
liep halfbevreesd al op de Nieuwe Haven.
Opeens moest ik gaan hollen toen de pont
een kwaaie zwaan geworden was
die met een rode bek en zwarte ogen
aan eindeloze hals mij sissend achtervolgde.
Mijn jongensbenen konden die zware
angst bijna niet tillen. Traag rende
ik een lange smalle brug op, 't water over,
maar middenin ging net de klep omhoog.

 

Ook jij had eens die droom,
vertelde je me later.
Had ik hem jou verteld omdat je jonger was
en ik je bang wou maken?
Ik loop nu onbedreigd over dezelfde brug
en kan je niet meer vragen
of we die angst ooit samen deelden
of dat je 't toen je toch al stierf
weer was vergeten.

 

 

 

 
janEijkelboom
Jan Eijkelboom (1 maart 1926 – 28 februari 2008)

 

04-12-07

In memoriam Elisabeth Eybers


De Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers is op zaterdag, 1 december, overleden. Zij is 92 jaar geworden. Eybers verruilde Zuid-Afrika in 1961, na haar echtscheiding, voor Nederland. Ze nam ook de Nederlandse nationaliteit aan, maar ze schreef in het Afrikaans en in het Engels. De dood was geen onwelkome gast voor haar, schreef ze ruim twee jaar terug, nadat een zoon van haar was gestorven: ‘Noudat jy swyg is daar niks meer vir my om ooit nog te begeer buiten die tydstip waarop ek dieselfde stilte mag betrek. Elisabeth Françoise Eybers werd geboren in Klerksdorp, Transvaal,  op 16 februari 1915. Ze woonde als kind in een West-Transvaals dorp. Haar vader was daar Nederduits gereformeerd predikant en haar moeder was docente en hoofd van een middelbare meisjesschool. Eybers studeerde van 1932 tot 1936 moderne talen aan de universiteit van Witwatersrand in Johannesburg. Zij ontving diverse onderscheidingen voor haar werk, in Nederland onder meer de PC Hooftprijs in 1991. Zie ook mijn blog van 16 februari 2007.

 

 

 

Immigrant

 

Niks as my hande en voete het ek hier,
die res het met die oortog soek geraak:
die katswink hart, die prikkelbare klier,
wat moet mens bowendien met hulle maak?

 

Om wat verlore is te vergelyk
met die omringende, om klank en lig
te gryp sonder te luister of te kyk
het ek tog nog sintuie aan my gesig.

 

Ook aan my bors en buikruimte gewaar
ek dat daar vroeër wel iets anders was.
wie het geweet dat leegte ooit so swaar
sou word en onbelemmerdheid so ’n las?

 

 

 

 

Ouer word

 

'n Eindigheid sprei langsaam, ongevra,

'n stipter onderskeiding word van krag.

Wat ek verloor het suig my terug in drome,

hul nagtelike helende verwarring;

wat oorbly dwing my voorwaarts, stoot of dra

my onversetliker van dag tot dag

met afgepaste tydverdryf en werk.

Ek hul my heelheidshalwe in 'n huis

wat stuksgewyse toeslik tot 'n kluis.

 

Iets wat 'k onthou: eens was ek 'n beminde

kind, tintelend van hiernamaalse onkunde,

deur louter eindeloosheid ingeperk.

 

 

 

 

Uitsig op die kade

 

Nouliks vertolkbaar wat hulle my vertel,

spreeus, eksters, meeue, eende, kraaie, al

die ywerige dagloners van die wal,

die reier so afgetrokke opgestel.

 

Ek mis myself steeds minder. Ek bedoel:

as steeds meer buitedinge my gaan boei

dan sintels van inwendige gevoel

tintel dit of ek selfafstotend groei.

 

Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop

om te voldoen aan omgekeerde bloei

en leeg genoeg te loop om vol te loop

met wat vanuit hierbuite binnevloei.

 

 

 

 

 

 

Elisabeth_Eybers
Elisabeth Eybers (16 februari 1915 – 1 december 2007
)

 

 

30-11-07

In memoriam August Willemsen


De Nederlandse vertaler en schrijver August Willemsen is gisteren overleden. Hij is 71 jaar oud geworden. Na zijn middelbare school in Amsterdam, ging Willemsen in dezelfde stad naar het conservatorium, richting piano. Dit bleek geen succes en op vrij late leeftijd startte hij een studie Portugees. Door zijn vertalingen van de Portugese dichter Fernando Pessoa raakte hij bekend als een vooraanstaand vertaler. In 1983 werden zijn vertalingen bekroond met de Martinus Nijhoff-prijs. Willemsen maakte ook naam als schrijver. In 1985 publiceerde hij Braziliaanse Brieven over zijn verblijf in Brazilië. In 1986 ontving hij daar de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor. In 1991 verscheen De val, over zijn drankverslaving en zijn revalidatie na een ongeval en in 1994 De goddelijke kanarie, een lyrische geschiedenis van het Braziliaanse voetbal. Hij werkte aan een biografie van de tragische Braziliaanse stervoetballer Garrincha en aan een vertaling van het volledige werk van Pessoa. Zie ook mijn blog van 16 juni 2006 en mijn blog van 16 juni 2007.

.

 

'Programma voor na mijn dood'

 

Wanneer ik, na mijn sterven, aankom in de andere wereld,
Zal ik eerst mijn vader en moeder willen kussen, mijn broers en zusjes, mijn opa en oma,
ooms en tantes, neefjes en nichtjes.
Daarna zal ik langdurig een paar vrienden omhelzen – Vasconcelos, Ovalle, Mário…
Ook zou ik graag de heilige Franciscus van Assisi ontmoeten.
Maar wie ben ik? Teveel eer.
Dit gedaan zijnd zal ik verzinken in de aanschouwing van God en zijn glorie,
Vergeten, voor altijd, alle heerlijkheden, pijnen en verbijsteringen
Van dit andere leven aan deze zijde van het graf.

 

 

 

 

Manuel Bandeira (vertaald door August Willemsen)

 

 

 

 

wilemsen
August Willemsen (16 juni 1936 - 29 november 2007)

 

 

29-11-07

In Memoriam Boeli van Leeuwen


De Curaçaose schrijver Willem Christiaan Jacobus (Boeli) van Leeuwen is woensdagavond (lokale tijd) op 85-jarige leeftijd overleden. Hij overleed na een kort ziekbed. Van Leeuwen werd op Curaçao geboren op 10 oktober 1922 en was een zoon van de voormalige gouverneur van het eiland. Hij debuteerde in 1959 met ‘De rots der struikeling', een roman die in 1960 in Nederland werd bekroond met de prestigieuze Vijverbergprijs, de huidige Bordewijkprijs. Van Leeuwen heeft diverse romans geschreven, waaronder ‘Het teken van Jona’ en de verhalenbundel ‘Geniale anarchie’. Op zijn 85ste verjaardag kreeg hij de bijzondere oeuvreprijs van het Nederlandse Fonds voor de Letteren. Zie ook mijn blog van 10 oktober 2006.

 

 

Uit: Geniale Anarchie

 

“Miljoenen jaren geleden spoot een machtige fontein vanuit het binnenste der aarde dwars door de zeebodem gloeiende lava sissend omhoog en liet twee stukken diabaas achter, die daarna door microscopisch kleine koraaldiertjes aan elkaar zijn geborduurd. Duizend meter steil omhoogrijzend van de bodem van de oceaan, in de zee geboren en niet afgebrokkeld van het Zuidamerikaanse continent, geeft het eiland aan niemand een claim: in de tijd gezien zijn mens en dier hier gisteren aan komen drijven.
De Spanjaarden noemden het la Isla de los Gigantes en nadat alle bomen waren omgehakt en de indieros de reuzen hadden weggevoerd of doodgeknuppeld zodat er niets meer te stelen viel: la Isla Inútil. Corossol, curacan, corazón, curacao, wie kan vandaag de oorsprong van je naam nog vinden?
Maar terwijl de Spanjaard te gronde is gegaan aan het waanidee dat goud en zilver intrinsieke waarde hebben, is de Hollander hier zout komen halen om zijn haring te behoeden voor bederf. Amsterdam kreeg verlof van de Heren Negentien ‘tot bemachtiginge van het Eylandt Curaçao om te hebben een bequaeme plaetse, daar men sout mocht becomen’, weshalve ik Anno Domini 1989 op het eiland een verhaal voor u zit te schrijven...

 

 

 

 

 

VanLeeuwen
Boeli  van Leeuwen (10 oktober 1922 - 28 november 2007)

 

 

 

09-11-07

In Memoriam Aad Nuis


De Nederlandse dichter, criticus, socioloog en politicus Aad Nuis overleed gisteren, 8 november 2007, op 74-jarige leeftijd. Zie ook mijn blog van 18 juli 2007. 

 

Uit: Vrijgevochten en toch gebonden
Walschap in brieven

 

           “Hoofdschuddend bladerde mijn kennis de antiquaar in de delen Walschap op mijn werktafel. Het is vreemd, zei hij, maar daar is in Nederland geen vraag meer naar. Wel naar Streuvels, Timmermans, Boon ook, maar niet naar Walschap. Terwijl het toch zulke mooie boeken zijn.

Nu is het in het algemeen niet verstandig, veel aandacht te besteden aan de dagkoersen van schrijverspopulariteit. Zolang een schrijver toegewijde lezers heeft, ook al zijn het er weinig, dan raakt hij niet vergeten en kan de aandacht altijd weer opvlammen. Dat geldt zeker voor Walschap. Zijn vertellende stem en zijn memorabele personages zijn nog steeds overtuigend genoeg om nieuwe lezers te strikken als ze eenmaal in het net van zijn verbeelding terecht zijn gekomen. Maar óf ze daar in groten getale terechtkomen, hangt van vluchtiger omstandigheden af. Daarvoor moet een schrijver, op welke manier ook, een beetje in het nieuws zijn.

Walschap is zijn leven lang uitbundig in het nieuws geweest. Meer dan hem lief was. Maar dat was vooral in Vlaanderen. In Nederland werd hij met belangstelling gevolgd in de jaren voor de oorlog; daarna viel die belangstelling grotendeels weg. Naast zijn generatiegenoten Elsschot en Gijsen en de jongeren Boon en Claus leek voor hem geen plaats meer in de algemene Nederlandse aandacht.

Vanwaar die plotselinge breuk? De dood van een aantal Nederlandse vrienden en wegbereiders, in de eerste plaats zijn uitgever Doeke Zijlstra, maar ook Ter Braak, Du Perron en Marsman had er zeker iets mee te maken, evenals de omstandigheid dat de Nederlandse vriend die hij het meest bewonderde, Victor E. van Vriesland, zich na 1945 tegen hem keerde vanwege Walschaps houding in de oorlog; een conflict dat achteraf als een bijna onvermijdelijk misverstand kan worden beschouwd, maar dat ertoe moet hebben bijgedragen dat Walschap als het ware met zijn rug naar het noorden kwam te staan. Hij bleef verwikkeld in allerlei stormen en stormpjes, maar die betroffen vrijwel steeds de Vlaamse politieke en literaire actualiteit, niet de Nederlandse.

In zekere zin geldt dit ook voor het grote thema dat de eerste helft van zijn schrijversleven beheerste, maar dat thema was een lokale variant van een verhaal dat van alle tijden en veel plaatsen is. Het verhaal van de oprechte deserteur, die moeizaam op weg gaat uit een gesloten levensbeschouwelijk en sociaal systeem met universele pretentie, begint als voorvechter en geestdriftig hervormer van dat systeem, voortgaat in groeiende twijfel, dubbelzinnigheid en isolement, tot hij onvoorwaardelijk en strijdbaar toetreedt tot het kamp van de voormalige tegenstander. De vorm waarin dit gegeven bij Walschap aan de orde komt, heeft uiteraard alles te maken met het overheersende Vlaamse katholicisme van de eerste helft van deze eeuw, versus de eveneens historisch bepaalde verschijningsvormen van wat in Vlaanderen nog steeds vrijzinnigheid heet.”

 

 

   

   

Nuis2
Aad Nuis (18 juli 1933 – 8 november 2007)