04-10-14

In Memoriam Ward Ruyslinck

 

In Memoriam Ward Ruyslinck

 

De Belgische schrijver Ward Ruyslinck is gisteren op 85-jarige leeftijd overleden. Ward Ruyslinck (pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.

Uit: Wierook en tranen

“Zij bad, rustig en ingetogen, geheel vervuld van een groot vertrouwen dat ik niet kende. Zij bad tot het witte wolkje, tot het kaarslicht dat in alle kapelletjes en kerken ter wereld eeuwigdurend brandde, tot de verre onbereikbare God van Vera, die beschikte over leven en dood. Ik wist zo bitter weinig van hem af en daarom begreep ik misschien ook niet om welke reden Hij me Vera ontnomen had, waarom Hij dit alles gedoogde, deze oorlog, deze tranen, dit nutteloze leed, dit voortdurend afscheid nemen van wie men liefhad. Of ik het nu begreep of niet, dat deed er niets toe, één ding had ik nu herhaaldelijk kunnen vaststellen: dat Hij een god was die de mensen meer verdriet dan blijdschap gaf. En wanneer de ene mens de andere verdriet gaf, werden ze gewoonlijk elkaars vijanden, maar niemand wilde de vijand van God worden. De mensen waren beducht voor Hem, ze lieten Hem gewoon zijn gang gaan, ze aanvaardden dit bijna als iets vanzelfsprekends en soms waren ze er Hem ook nog dankbaar voor.”
(…)

 
Daan Brouwers (Waldo) en Katelijne Verbeke (Vera) in de film uit 1977

 

“Gaan wij dan naar een klooster?…” “Neen,” antwoordde ze, “maar later, als ik oud genoeg ben, ga ik in het klooster leven, voorgoed, voor altijd. Ik word kloosterzuster. Vind ge dat niet heerlijk, Waldo?” Een schok voer door mij heen en ik bleef stilstaan. Hoe kon ze zoiets zeggen? Was ze dan waarlijk vergeten wat ze me gisteren nog had voorgespiegeld, over het huis in de duinen? Een groot ongenoegen kwam over mij, mijn wimpers begonnen te trillen en op dat ogenblik vergaf ik haar dit niet, deze ontrouw, deze smadelijke verbreking van een plechtige belofte. “Ik dacht,” zei ik ontdaan, “dat we een huis zouden bouwen in de duinen en daar blijven wonen totdat we dood gingen?” Ze knipperde met haar ogen en haar mond viel weer eventjes open, zoals ik haar dat gisteren had zien doen, toen ik haar op het plein ontmoette. “Totdat we doodgaan? Heb ik dat gezegd? Neen, o neen, totdat de oorlog gedaan is. Ge hebt me klaarblijkelijk verkeerd verstaan. Zodra de oorlog gedaan is, word ik kloosterzuster. Waarom kijkt ge zo…zo…? Vindt ge dat niet fijn?” “Neen,” zei ik uit het diepst van mijn hart.’

 

 
Ward Ruyslinck (17 juni 1929 – 3 oktober 2014)

04-09-14

In Memoriam Gerrit Kouwenaar

 

In Memoriam Gerrit Kouwenaar

 

De Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar is vandaag in zijn woonplaats Amsterdam op 91-jarige leeftijd overleden. De Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar werd op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Gerrit Kouwenaar op dit blog.

 

De tijd staat open

De tijd staat open, het hijgt aan weerszijden
of avond en donker elkander omarmen, het slaapt
dat het kraakt in de stokoude boomgaard, zwanger
van wanvruchten galappels wormen

in het huis het gemor van adem, van data
dat de nachtschade hangt aan zijn leven
dat de zaaier ontkiemt in zijn veldbed
dat de groene woorden als kersen bederven

bij vlagen het heden, de vragen, gesteun
van de lage eenmalige bomen om een lange totale
genadige zomer, om najaar, om winter -

 

 

Aankomst

Zoals men aankomt op een station
in een reiziger uitstapt, met zijn ballast
vastloopt in een passant, dit is

het ogenblik, men is vacant, op slag
beslaat de inhoud het glas, taal past
haarfijn haar mal, niet gemond, ongehoord, totaal
onoorbaar, vlees, zoals het hoort

dat men dit mangat moet instaan, dit niks
moet uitleven in een snik, eindelijk
de navel van zijn bestaan, men laat

zijn leeftocht vallen, niets klopt, alles
verpopt in het wachtglas, achter de adem
stilt zich de made.

 

 

De winter staat stil

Schrijf de winter staat stil, lees een dag zonder dood
spel de sneeuw als een kind, smelt de tijd
als een klok die zich spiegelt in ijs

het is ijskoud vandaag, dus vertaal wat men schrijft
in een klok die niet loopt, in het vlees
dat bestaat als sneeuw voor de zon

en schrijf hoe haar lichaam bestond en zich boog
gelenigd in vlees en keek achterom
in het oog van vandaag, en lees wat hier staat

de zon op de sneeuw, het kind in de slee
het dichtgewaaid spoor, de onleesbare dood

 

 

 
Gerrit Kouwenaar (9 augustus 1923 – 4 september 2014)

 

13-06-14

C.Buddingh’-Prijs 2014 voor Maarten van der Graaff

 

De C.Buddingh’-Prijs, de prijs voor de beste debuutbundel van het jaar, is op Poetry International aan de Nederlandse dichter Maarten van der Graaff toegekend voor zijn bundel “Vluchtautogedichten”. Zie ook alle tags voor Maarten van der Graaff op dit blog.

 

Boven de kringloop van regen en baby's vliegt de roerdomp.
De roerdomp heeft niets met dat alles te maken.
Met de kringloop van granaten, bananen, offers, slijtage
heeft de roerdomp niets te maken. Daar moet duidelijkheid over bestaan.
Hij gelooft zelfs niet in kringlopen, de roerdomp.
'Ieder rad is bedoeld om iemand voor ogen te draaien,'
zingt hij (wat schor van de kou op die hoogte).

 

 

 
Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)

14-05-14

Libris Literatuur Prijs 2014 voor Ilja Leonard Pfeijffer

 

De Nederlandse schrijver Ilja Leonard Pfeijffer heeft de Libris Literatuur Prijs 2014 gewonnen met het boek “La Superba”. De Nederlander kreeg de prijs voor de beste Nederlandstalige roman gisteravond in het Amstel Hotel in Amsterdam. Aan de prijs is een geldbedrag van 50.000 euro verbonden. Zie ook alle tags voor Ilja leonard Pheijffer op dit blog.

Uit: La Superba

“Het mooiste meisje van Genua werkt in de Bar met de Spiegels. Ze draagt dezelfde nette kleren als alle meisjes die daar werken. Ze heeft ook een vriendje dat haar af en toe opzoekt wanneer zij werkt. Hij heeft gel in zijn haar en draagt een T-shirt zonder mouwen waar SO-HO op staat. Hij is een klootzak. Soms zie ik via de spiegels hoe zij elkaar stiekem zoenen in het hokje waar zij de hapjes voor het aperitief klaarmaakt.
Vanochtend heb ik bij de Via della Maddalena iemand gezien die bestolen was. 'Alladro!’ riep hij. 'Alladro!’ Toen kwam er een jongetje de hoek omrennen. De man rende achter hem aan. Hij droeg een wit hemd zonder mouwen en hij had een dikke kop en een dikke buik. Hij leek mij een eerlijk man die van jongs af aan heeft geleerd te zwoegen voor een schamel loon. Het jongetje rende naar boven, naar de Via Garibaldi, langs de zonnewijzer en vanaf daar verder omhoog over de trappen van de Salita San Francesco. De dikke bestolen man was kansloos.
Later dronk ik op Piazza delle Erbe. Dat is zo'n zeldzame plek waar het vanzelf avond wordt zonder dat ik daar iets voor hoef te organiseren. De oranje tafeltjes zijn van Bar Berto, de oudste pub van het plein, beroemd om zijn aperitief. De witte tafeltjes horen bij de trattoria zonder naam waar je onmogelijk kunt eten zonder te reserveren. De rode en gele tafeltjes zijn van verschillende cafes en daarachter is nog een terras, een beetje beneden. Ik zou de namen kunnen opzoeken als je dat zou willen. Ik zat aan een blauw tafeltje, op het hoge deel van het plein, met uitzicht op het terras van Bar Berto. De blauwe tafeltjes horen bij Threegaio,ooit opgericht door drie homo-seksuelen die na nachten brainstormen geen betere naam konden bedenken dan deze. Ik dronk Vermentino van de Golfo di Tigullio. Op de barkruk tegen de gevel zat een imposant manwijf met een pikzwarte zonnebril. Dat stelde mij gerust, want daar zit zij altijd.”

 

 
Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk, 17 janauari 1968)

25-04-14

In Memoriam Ilse Gräfin von Bredow

 

In Memoriam Ilse Gräfin von Bredow

 

De Duitse schrijfster Ilse Gräfin von Bredow is afgelopem maandag 20 april overleden. Ilse Gräfin v. Bredow werd geboren op 5 juli 1922 in Teichenau. Zie ook alle tags voor Ilse Gräfin von Bredow op dit blog.

Uit: Nach mir die Sintflut

„Doch jetzt im hohen Alter hat sich das Blatt gewendet. Wir werden wegen jeder Kleinigkeit bewundert. Und dazu haben wir noch die Aura des Zeitzeugen, der, was meine Generation betrifft, ja tatsächlich eine Menge erlebt hat. Die kleinste Leistung findet Beifall:»Sie ziehen Ihre Markise noch alleine hoch?! Alle Achtung! Sie gehen noch im Dunkeln im Park spazieren?! Ist ja mutig! Sie fahren noch Rad?! Bewundernswert!«
Die Uroma alten Stils ganz in Schwarz und ohne jedes Make-up gibt es zwar nicht mehr, doch irgendwie spuken sie und ihre altersbedingte Rückständigkeit immer noch in den Köpfen mancher Jüngeren herum. Dabei sind wir keineswegs von gestern, ebenso wenig, wie es damals unsere Mütter waren, die zwei Kriege über sich ergehen lassen mussten. Wir schwimmen wacker im Mainstream mit und bemühen uns zu verstehen, dass der, wie man früher gesagt hätte, überarbeitete Urenkel eine »Auszeit« braucht, um ein »Burn-out« zu vermeiden. Auch wir lieben inzwischen leider das Wort »Depression« und sprechen nicht mehr von »schlechter Laune« oder »Verstimmtheit«. Auch wir besitzen selbstverständlich ein Handy und behaupten, es sei kinderleicht zu bedienen, obwohl es meist in der Schublade bleibt. Aber insgesamt – tief in unserem Innern – hängen wir doch noch am Althergebrachten, finden den angedeuteten Knicks der zukünftigen Frau des Enkels einfach zu reizend und denken, wenn uns der Urenkel lässig die linke Pfote reicht: »Wo ist das brave Händchen?« Wir tragen innere Kämpfe aus, nicht gekränkt zu sein, wenn uns zum Geburtstag nur per Telefon und SMS gratuliert wird statt mit langen Briefen oder ausgesuchten Blumenkarten. Und wir sind uneins mit uns, ob wir das kurze »Hi!« der jungen Nachbarin unmöglich finden sollen oder nicht.
Aber einem Problem entwachsen wir von Jahr zu Jahr mehr und mehr – dem nachteiligen Vergleich mit anderen Familienmitgliedern unserer Generation, denn von denen gibt es immer weniger, und die Jahrgänge davor kennt zum Glück niemand mehr. Jetzt haben wir endlich die Chance, uns unsere Ähnlichkeit selbst auszusuchen. In meinem Fall empfinde ich eine tiefe Seelenverwandtschaft mit Wuffi, dem Hund meiner verstorbenen Freunde, den aber auch schon seit etlichen Jahren der grüne Rasen deckt. Er starb so angenehm, wie es sich jeder Mensch nur wünschen kann, an einem Frühlingstag unter blühenden Bäumen. Und das Letzte, was ich von ihm hörte, war ein zufriedenes »Wuff«.

 

 
Ilse Gräfin v. Bredow (5 juli 1922 – 20 april 2014)

Gouden Boekenuil voor Joost de Vries

 

Gouden Boekenuil voor Joost de Vries

 

De Nederlandse schrijver Joost de Vries heeft met zijn roman “De republiek” de Gouden Boekenuil gewonnen, een Vlaamse boekenprijs van 25 duizend euro die jaarlijks wordt uitgereikt.Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: De republiek

“Pas later las ik haar studie en kwam ik ook nog de verwijzing naar De papegaai van de Luitenant (1965) tegen, de enige roman van Gabriel Garcia Marquez die zich in Chili afspeelde, waarin drie rivaliserende dorpszonen naar de hand dingen van de dochter van de burgemeester; Minimaxi Gonzalez en Ivanho Sucre verliezen het gevecht, terwijl Donalduk Marinha uiteindelijk met de mooie Ariel Bulnes op de zonsondergang af rijdt. Ladida, zo gaat het liedje.
Volgens Romero waren dit soort onorthodoxe namen het gevolg van een antiklerikale golf die in de jaren twintig en dertig door de Chileense politiek en media ging: ‘Je moet je voorstellen hoe het Chileens staatsburgerschap eruitzag in de vroege twintigste eeuw. Enorme hoeveelheden immigranten kwamen dit land binnen, de grote steden waren een melting pot van Duits, Italiaans, Spaans, Iers, Grieks, noem maar op. Om geen religie te bevoordelen en zo etnische spanningen in de hand te werken, voerde de overheid al vroeg een rigide beleid van scheiding van kerk en staat. Wat je ziet is dat de gebruikelijke namen — veelal verwijzingen naar heiligen en martelaren — in die tijd massaal verdwenen, ten faveure van seculiere namen, soms ingegeven door politiek, maar vaker ingegeven door de Amerikaanse popcultuur die vanaf de jaren veertig een ongekende opmars maakte. Zo’n big deal was Hitler niet.’
Haar theorie kwam overeen met een onderzoek uitgevoerd door een van Briks studenten, die behalve Hitlers ook vijf Stalins, drie Churchills en twee Mussolini’s in het telefoonboek telde. Alsnog liep de snelheid van mijn aantekeningen achter bij Romero’s privecollege, waardoor ze soms moest pauzeren. Ik dacht niet dat ze oog had voor mijn jetlag en vond dat het niet heel flink zou zijn om erover te beginnen, maar opeens doorbrak ze haar vacante gezicht met een glimlach en zei: ‘Hee chico, ga toch lekker slapen.’ Ik knikte, ik straalde, ik was altijd bereid me te laten bemoederen. — Morgen moet ik naar Aquila rijden.
— Dat is heel ver.
— Ik heb een interview met iemand die Hitler heet, en die zijn zoon ook Hitler heeft genoemd. Hitler Lima.
— Dat is best een beruchte naam, zei ze. Doe voorzichtig.
Hij gold als de bekendste Hitler in Chili en er waren er best wat.”

 

 
Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)

18-04-14

In Memoriam Gabriel García Márquez

 

In Memoriam Gabriel García Márquez

De Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez, bekend van zijn boeken 'Honderd jaar eenzaamheid' en 'Liefde in de tijd van cholera', is overleden in Mexico. De winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur is 87 jaar geworden. Gabriel García Márquez werd op 6 maart 1928 in de kustplaats Aracataca geboren. Zie ook alle tags voor Gabriel García Márquez op dit blog.

 Uit: Chronicle of a Death Foretold (Vertaald door Gregory Rabassa).

 « The only thing he left intact in the parlor was the spiral staircase rescued from some shipwreck. On the upper floor, where the customs offices had been before, he built two large bedrooms and five cubbyholes for the many children he intended having, and he constructed a wooden balcony that overlooked the almond trees on the square, where Plácida Linero would sit on March afternoons to console herself for her solitude. In the front he kept the main door and built two full-length windows with lathe-turned bars. He also kept the rear door, except a bit taller so that a horse could enter through it, and he kept a part of the old pier in use. That was always the door most used, not only because it was the natural entry to the mangers and the kitchen, but because it opened onto the street that led to the new docks without going through the square. The front door, except for festive occasions, remained closed and barred. Nevertheless, it was there, and not at the rear door, that the men who were going to kill him waited for Santiago Nasar, and it was through there that he went out to receive the bishop, despite the fact that he would have to walk completely around the house in order to reach the docks.
No one could understand such fatal coincidences. The investigating judge who came from Riohacha must have sensed them without daring to admit it, for his impulse to give them a rational explanation was obvious in his report. The door to the square was cited several times with a dime-novel title: "The Fatal Door." In reality, the only valid explanation seemed to be that of Plácida Linero, who answered the question with her mother wisdom: "My son never went out the back door when he was dressed up." It seemed to be such an easy truth that the investigator wrote it down as a marginal note, but he didn't include it in the report.
Victoria Guzmán, for her part, had been categorical with her answer that neither she nor her daughter knew that the men were waiting for Santiago Nasar to kill him. But in the course of her years she admitted that both knew it when he came into the kitchen to have his coffee. They had been told it by a woman who had passed by after five o'clock to beg a bit of milk, and who in addition had revealed the motives and the place where they were waiting. "I didn't warn him because I thought it was drunkards' talk," she told me. Nevertheless, Divina Flor confessed to me on a later visit, after her mother had died, that the latter hadn't said anything to Santiago Nasar because in the depths of her heart she wanted them to kill him. She, on the other hand, didn't warn him because she was nothing but a frightened child at the time, incapable of a decision of her own, and she'd been all the more frightened when he grabbed her by the wrist with a hand that felt frozen and stony, like the hand of a dead man.”

 

 
Gabriel García Márquez (6 maart 1928 – 17 april 2014)

03-04-14

In Memoriam Urs Widmer

 

In Memoriam Urs Widmer

De Zwitserse schrijver Urs Widmer is gisteren op 75-jarige leeftijd overleden. Urs Widmer werd geboren op 21 mei 1938 in Basel. Zie ook alle tags voor Urs Widmer op dit blog.

Uit: Ein Leben als Zwerg

„Links ist ein Regal voller Bücher, gerade- aus ein Fenster, durch das ich so etwas wie einen Bambushain erahne – hie und da, selten, eine Amsel oder einen Spatz – , und rechts ein weiteres Regal mit roten, blauen oder gelben Ordnern. „Einnahmen“, „Ausgaben“, „Texte“, „Briefe“, „Verträge“. Ein Bild, das eine Siphonflasche zeigt, und ein anderes, auf dem ein Mann mit einer wie holzgeschnitzten Nase zu sehen ist. Gerümpel am Boden, der Grammophon zum Beispiel, der die Nadeln bräuchte, wäre er jemals in Betrieb, und ein Ständer mit zwei drei Dutzend 78-Touren-Platten. Ja, manchmal sitzt an dem Tisch der Mann, dem ich gehöre. Der mir gehört. Er ist mein Schicksal, ich bin seins. Ich weiss es, er nicht.
Wenn ich es nicht zweifelsfrei wüsste, ich würde es nicht glauben: dass dieser alte Mann mit seiner Glatze, seinem bizarren Haargewusel auf den Schädelseiten (Putzwolle oder sowas, grau), seinem Schnauz, seinen Tränensäcken unter den stierglotzenden Augen jener verwandelte Bub mit den schwarzen Wuschelhaaren und der hellen Stimme ist! Hätte ich nicht jeden Tag seiner Verwandlung miterlebt, ich schwöre bei Gott – Zwerge haben keinen Gott – dass der da ein ganz anderer ist. Keinerlei Ähnlichkeit mit jenem Jungen, nicht so viel. Der da ist gewiss sterblich, das sieht ein Blinder. Seine Tage sind gezählt, die Wetten gehen nur noch, ob 300 oder 3000. Der kleine Junge wirkte durchaus so, als könnte er ewig bleiben. Ein Zwerg auch er, ein Riesenzwerg von allem Anfang an allerdings. Aber das blieb er nicht. Er wurde wahrhaftig ein Riese, ein durch die weite Welt pflügender Gigant, und tat Dinge, die mit mir gar nichts mehr zu tun hatten, obwohl er mich oft – später erst seltener – in seiner Hosentasche mitnahm. Mich zuweilen, mitten in seinem Erwachsenengetöse, heimlich mit den Fingern betastete. Er lärmte in Gaststätten herum und saß stundenlang in Flugzeugen. Trotzdem: ich war sein Liebling und bin es vielleicht immer noch. Warum sonst behielte er mich immer bei sich, in meinem Zustand!, während die andern Zwerge irgendwo in einer Schachtel auf einem Estrich verrotten oder längst in der Abfalltonne gelandet sind, niemand mehr weiß wann, wo, mein großer Bub nicht, und ich schon gar nicht.
Wer einen Zwerg der Müllabfuhr mitgibt, kann seinen Körper nicht töten; sein Herz sehr wohl. – „

 

 
Urs Widmer (21 mei 1938 – 2 april 2014)

01-04-14

In Memoriam Erik Menkveld

 

In Memoriam Erik Menkveld

Op zondag 30 maart is de Nederlandse dichter en schrijver Erik Menkveld overleden. Erik Menkveld werd geboren in Eindhoven op 25 april 1959. Zie ook alle tags voor Erik Merkveld op dit blog.

 

Ik ben al bijna bij je

Hoe nabij ik ook toesla, na een tijdje
lijk ik weer verdwenen als altijd.

Maar hoe ver ik ook wegtrek uit je veilige
heden, altijd ben ik naar je onderweg

en blijf ik in je aan het woord, net
niet verstaan door je schichtige oren

die van geen stilte mij onderscheiden.
En voor je het weet ga ik weer in je

tekeer en flakkert je denken als kaarslicht
onder mijn maanloze vlagen. Hoor maar.

Kom ik als ziekte dan snoep ik al aan je.
Kom ik als diepte, dan zul je mijn bodem

nooit raken. Kom ik als water dan lijken
mijn oevers in niets op een kade.

Ik ben al bijna bij je. Als een zuigeling
een wereldoorlog zul je mij smaken.

 

 

 
Erik Menkveld (25 april 1959 – 30 maart 2014)

01-03-14

In Memoriam Hugo Brandt Corstius

 

In Memoriam Hugo Brandt Corstius

 

De Nederlandse schrijver en taalwetenschapper Hugo Brandt Corstius is gisteren op 78-jarige leeftijd overleden. Hugo Brandt Corstius werd geboren in Eindhoven op 29 augustus 1935. Bekend werd hij ook onder de pseudoniemen Piet Grijs, Stoker, Raoul Chapkis en Battus. Zie ook alle tags voor Hugo Brandt Corstius op dit blog.

Uit: Nieuwe Missiereizen van Pater Key (als Raoul Chapkis)

“Hij verlaat het strand en neemt de bus naar de hoofdstad. Daar komt hij langs het huis van de kantonrechter en hoort de vrouw van de kantonrechter naar beneden roepen:
‘Liefje, kom je slapen?’. ‘Nee, vrouw ik moet nog wat stukken doornemen, ik heb er maar twee weken de tijd voor, en er is heel wat aan door te nemen’ is het harteloze antwoord. Voor hem op tafel ligt een ets van de heer A. Veldhoen waarop een fragment van een coïtus is afgebeeld. De kantonrechter neemt dit stuk aandachtig door. Zijn vrouw boven bijt in het kussen. Key loopt mistroostig door. Deze reis is het al te gek. Hij heeft veel meegemaakt. Een dag sudderen in een kookpot waar de inboorlingen vergeten hebben zout in te doen, Het gezelschap van de doorzichtige uitwerpselen der Worstelbormen. Het treiteren van brandnetels en viooltjes. Alles had hij verdragen. Maar deze toestanden werkten hem op de zenuwen. Gezonde volwassen mensen die zich door kledings- en gerechtelijke stukken laten weerhouden van hun natuurlijke functies, het vervult Key met weerzin.
Ten einde raad neemt hij de trein naar 's-Hertogenbosch en belt aan bij monseigneur Bekkers, de bisschop die al zoveel priesters uit hun gewetensnood heeft verlost, dat het niet onwaarschijnlijk is dat hij een zoon is van God, door Hem in de gedaante van een priester naar de aarde gezonden om de priesters te verlossen. Key vertelt Bekkers de laatste negen hoofdstukken. Ze gaan samen naar de televisiestudio van de K.R.O. en hier houdt monseigneur Bekkers een opzienbarende toespraak. ‘Gelovigen’ zegt hij ‘uw grote nood is mij ter ore gekomen. Ik heb goed nieuws voor u: van nu af aan kunt u er mee ophouden. Ik hou er zelf ook mee op. Niet alleen de Jezuieten laat ik vrij, allemaal wordt u losgelaten. Laat de kruisbeelden maar hangen, anders komt er zo'n lelijke plek op het behang, maar denk er verder niet meer aan. Het is mooi geweest. U bent van alles af.’ Pater Key mag met vacantie naar Tristan da Cunha. Maar dat hoort thuis in het volgende hoofdstuk.”

 

 
Hugo Brandt Corstius (29 augustus 1935 – 28 februari 2014)

22-02-14

In Memoriam Leo Vroman

 

In Memoriam Leo Vroman

De Nederlandse dichter en schrijver Leo Vroman is vanochtend op 98-jarige leeftijd overleden in zijn woonplaats Fort Worth in de Verenigde Staten. Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

 

Uitstel van het einde

Het advies in dit stakkergebouw
is: Blijf zo lang mogelijk bezig,
maar ik neem dat niet zo nauw
en ben dus flakkerend aanwezig.

Zo voel ik mij soms naar buiten zweven
als ik naar ons uitzicht kijk,
en ben, Bezig, dan weer even
in twee kamers tegelijk.

Dan weer, graag bij bliksemlicht,
moet ik nodig een gedicht
en ben een vleugelsinterklaas,
een onweerbare huispoweet
van fladderend meesterwerk, helaas
niet wetend hoe het onweer heet.

Duikelend schaam ik mij dan weer
voor mijn vlegelachtigheid
en de draad noodlottig kwijt
schrijf ik mij neer.

 

 

Steen

Drie stenen zitten op een steen.
Acht stenen liggen er om heen.
Daar onder liggen er nog negen.
Andere daar naast en tegen.
Een steen steekt half uit het zand naar buiten
om zich nog eventjes te uiten.
Leert, kinderen, dit uit zijnen mond:
houdt steeds een vuist boven de grond.

 

 

Sluiting

Als ik morgen niet opsta
moet je niet schrikken:
per slot, elke opera
en alle toneelstukken
hebben hun ogenblikken,
het vallen van gordijnen
of andere ongelukken.
Dit is dan het mijne.

Sluit dus mijn gezicht,
doe die mond en twee ogen
maar netjes dicht
en ik ben voltooid.

Laat zo maar gaan,
en die oren mogen
nog openstaan,
want je weet nooit

 

 

 
Leo Vroman (10 april 1915 - 22 februari 2014)

06-02-14

Mieke van Zonneveld wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

 

De Nederlandse dichteres Mieke van Zonneveld is de winnaar van de vijfde editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, het grootste poëzieconcours van Nederland. In de Zuiderkerk in Amsterdam kreeg zij de hoofdprijs van 10.000 euro voor haar gedicht 'Nee'. De Turing Nationale Gedichtenwedstrijd is de poëzieprijs met de grootste geldprijs ter wereld voor één gedicht. Zie ook alle tags voor Mieke van Zonneveld op dit blog.

 

Nee

Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand
die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben
niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je
vies geworden, overal ligt zand. Ik werd ellendig
wakker. Op al mijn wegen nooit één teken maar
in dromen worden ze bij menigtes gegeven.
Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en
zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel
de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug
verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te
temmen, het joeg mij op, beloofde mij een weelderig
bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het
kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het
te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me
uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede
geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld
nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar
tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij
nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

 

 
Mieke van Zonneveld (Hilversum, 5 april 1989)
Mieke wordt toegesproken door John Jansen van Galen, links jurylid David Troch

31-01-14

VSB Poëzieprijs 2014 voor Antoine de Kom

De VSB Poëzieprijs 2014 is toegekend aan de Nederlandse dichter Antoine de Kom. De Kom krijgt de jaarlijkse prijs voor de beste Nederlandstalige dichtbundel voor haar bundel “Ritmisch zonder string.” Aan de prijs is een geldbedrag van 25.000 euro verbonden en een glaskunstwerk van kunstenares Maria Roosen. Antoine de Kom ontving de prijs op 29 januari tijdens een feestelijke avond in het Stadhuis van Rotterdam uit handen van burgemeester en juryvoorzitter Ahmed Aboutaleb. Zie ook alle tags voor Antoine de Kom op dit blog.

 

nu de zon

nu de zon
lager staat is ze des
te heter en vrees ik ergens
dat – de jongste
van onze honden at zojuist een duif op.
kleine bruine veren over steen
verspreid. ik heb mezelf gisteren
uitgezwaaid. ik zal morgen
vroeg in de ochtend het land verlaten
op blote voeten.
de honden doen alsof ze slapen.
mijn hangmat is leeg. boven de kust
drijft rood en wit van vogels
door het groen. ik ruik naar hout
wat zurig wel. en verder is er stof
en natuurlijk het gevoel eindelijk
van hier te zijn: bij de cambio waren er
de kleine wisselvingers van een bruid zij
verrichtte handelingen en zei
nog net even iets liefs over pinnen
pin maar en kijk
zei ze staande op schelpzand bij de zee.
vanuit de verte woei een dreunende techno
beat aan. en ik zal zo dadelijk
worden aangesproken dan
zal blijken dat ik niet besta dat familie
voor mij in de plaats is gekomen in
kleren uit een heel andere tijd dan de onze
hun kleur en tongval overvallen me net als
de beat op de wind
die laat in de middag opstak toen
tegen de auto omgevallen lege dozen streelde
terwijl er laos in de zon ligt te drogen
op een betegelde tafel

 

 

 
Antoine de Kom (Den Haag, 13 augustus 1956)

24-01-14

BNG Bank Literatuurprijs 2014 voor Wytske Versteeg

 

BNG Bank Literatuurprijs 2014 voor Wytske Versteeg

 

De BNG Bank Literatuurprijs is dit jaar gewonnen door de Nederlandse schrijfster Wytske Versteeg. Zij ontvangt 15.000 euro en een kunstwerk. Wytske Versteeg werd geboren op 2 mei 1983. Zie ook alle tags voor Wytske Versteeg op dit blog.

Uit: De wezenlozen

“Het was geen kwade wil, alleen maar onvermogen, zo langzaam waren alle afstanden gegroeid. Als in een zwart, kwaadaardig sprookje waarin niemand nog hun huis had kunnen vinden, ook haar ouders en haar broers niet die haar gewaarschuwd hadden, nooit begrepen hadden wat ze moest met zo’n oude vent, zo’n intellectueel, en uit hun mond was dat een scheldwoord. Wat overbleef was de vraag hoe het had kunnen gebeuren.
(...)

Zijn moeder had altijd verlangd naar iets wat buiten het bereik lag van zijn vader, en misschien was het alleen een tijd die hij belichaamde, was hij alleen het stolsel van momenten die voor haar al lang voorbij waren. Veel later pas begreep hij werkelijk hoe zoiets wordt genoemd, en hij besloot dat het de woorden moesten zijn geweest die alles zwaar en onherroepelijk hadden gemaakt wat eerder vluchtig leek en bijna teer. Woorden hadden hen uit elkaar getrokken, prikkeldraad gespannen, onontkoombare grenzen vastgelegd. Wat hij niet begreep was hoe die woorden iets hadden gedefinieerd en ingekleurd wat hijzelf niet begreep, hoe ze het donkere, het roze hijgen hadden blootgelegd, maar de verwarring en de tederheid verborgen achter meedogenloos stenen geboden. Ze namen hem af wat er eerder was geweest, hoe bijzonder zijn moeder hem had gemaakt, een uitverkorene.”

 

 
Wytske Versteeg (2 mei 1983)