20-02-16

In Memoriam Umberto Eco

 

In Memoriam Umberto Eco

De Italiaanse schrijver Umberto Eco is vrijdagavond op 84-jarige leeftijd overleden. Zijn familie heeft dat vrijdagnacht bekend gemaakt. Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: In de naam van de roos (Vertaald door Jenny Tuin en Pietha de Voogd)

“En terwijl ik mijn gefascineerde blik van die raadselachtige polyfonie van heilige ledematen en helse spierbundels afwendde, zag ik aan de zijkanten van het portaal, en onder het diepe gewelf van de bogen, soms gebeeldhouwd op de steunmuren in de ruimte tussen de ranke zuilen die ze schraagden en versierden, en verder op de dichte haag van hun kapitelen van waaruit ze zich vertakten naar het woudachtige gewelf van de talrijke bogen, nog meer visioenen, verschrikkelijk om te zien en op die plek alleen gerechtvaardigd door hun parabolische en allegorische kracht of om de zedelijke lering die ervan uitging: en ik zag een wellustige, naakte vrouw met een ontvleesd lichaam, aangevreten door smerige padden, leeggezogen door slangen, gepaard met een dikbuikige sater met ruige griffioens poten en een liederlijk opengesperde keel die zijn verdoemenis uitschreeuwde; en ik zag een vrek, verstijfd in de starheid van de dood op zijn protserige hemelbed, tot weerloze prooi geworden van een horde duivels, van wie één hem de ziel in de vorm van een zuigeling (die helaas nimmer meer tot het eeuwige leven geboren zou worden) uit zijn reutelende mond rukte, en ik zag een hoogmoedige op wiens schouders een duivel neerstreek en hem zijn klauwen in de ogen stak, terwijl elders twee vraatzuchtigen elkaar in een weerzinwekkende worsteling in stukken reten, en nog meer wezens, met bokkenpoten, leeuwenmanen en pantermuilen, gevangen in een woud van vlammen waarvan men de schroeilucht bijna kon ruiken. En rondom hen, tussen hen in, boven hen en onder hun voeten, nog meer gezichten en nog meer ledematen, een man en een vrouw die elkaar bij de haren grepen, twee adders die de ogen van een verdoemde uitzogen, een hoonlachende man die met zijn haakvormige handen de muil van een hydra opensperde, en alle andere dieren van satans bestiarium, in vergadering bijeen en als bewakers en erewacht geschaard om de troon tegenover hen, om met hun nederlaag Zijn lof te zingen, faunen, tweeslachtige wezens, beestmensen met zes vingers aan elke hand, sirenen, centauren, gorgonen, harpijen, maren, dracontopoden, minotauren, lynxen, pardels, climaeren, draken met hondenkoppen die uit hun neusgater vuur spuwden, getande reuzenhagedissen, veelstaartige monsters, harige slangen, salamanders, hoornadders, waterschildpadden, ringslangen, tweekoppige adelaars met tanden op hun rug, hyena's, otters, kraaien, krokedillen, zeemonsters met zaagvormige hoorns, kikkers, griffioenen, apen, bavianen, leeuw-hyena's, mantichora's, gieren, rendieren, wezels, draken, hoppen, steenuilen, basilisken, hypnalissen, praesters, schorpioenen, sauriërs, walvissen, rolslangen, ringelaars, pijlslangen, dispassen, smaragdhagedissen, zuigvissen, poliepen, murenen en schildpadden. De gehele bevolking van het dodenrijk scheen zich te hebben verzameld om, duister woud en troosteloze vlakte van uitgestotenen, als voorhal te dienen voor de verschijning op het timpaan van Hem die was gezeten, voor Zijn gelaat vol belofte en dreiging, zij, de verslagenen van Armageddon, voor het aangezicht van Hem die komen zal om voorgoed de levenden van de doden te scheiden.” 

 

 
Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

19-02-16

In Memoriam Harper Lee

 

In Memoriam Harper Lee

De Amerikaanse schrijfster Nelle Harper Lee, de schrijfster van het boek 'To Kill a Mockingbird' is op 89-jarige leeftijd overleden. Dat heeft haar uitgever Random House vrijdag bevestigd. Nelle Harper Lee werd geboren in Monroeville op 28 april 1926. Zie ook alle tags voor Harper Lee op dit blog.

Uit:To Kill a Mockingbird

“Boo's transition from the basement to back home was nebulous in Jem's memory. Miss Stephanie Crawford said some of the town council told Mr. Radley that if he didn't take Boo back, Boo would die of mold from the damp. Besides, Boo could not live forever on the bounty of the county.
Nobody knew what form of intimidation Mr. Radley employed to keep Boo out of sight, but Jem figured that Mr. Radley kept him chained to the bed most of the time. Atticus said no, it wasn't that sort of thing, that there were other ways of making people into ghosts.
My memory came alive to see Mrs. Radley occasionally open the front door, walk to the edge of the porch, and pour water on her cannas. But every day Jem and I would see Mr. Radley walking to and from town. He was a thin leathery man with colorless eyes, so colorless they did not reflect light. His cheekbones were sharp and his mouth was wide, with a thin upper lip and a full lower lip. Miss Stephanie Crawford said he was so upright he took the word of God as his only law, and we believed her, because Mr. Radley's posture was ramrod straight.
He never spoke to us. When he passed we would look at the ground and say, "Good morning, sir," and he would cough in reply. Mr. Radley's elder son lived in Pensacola; he came home at Christmas, and he was one of the few persons we ever saw enter or leave the place. From the day Mr. Radley took Arthur home, people said the house died.
But there came a day when Atticus told us he'd wear us out if we made any noise in the yard and commissioned Calpurnia to serve in his absence if she heard a sound out of us. Mr. Radley was dying.
He took his time about it. Wooden sawhorses blocked the road at each end of the Radley lot, straw was put down on the sidewalk, traffic was diverted to the back street. Dr. Reynolds parked his car in front of our house and walked to the Radley's every time he called. Jem and I crept around the yard for days. At last the sawhorses were taken away, and we stood watching from the front porch when Mr. Radley made his final journey past our house.”

 

 
Harper Lee (28 april 1926 – 19 februari 2016)

04-02-16

Else Kemps wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

 

De Nederlandse dichteres Else Kemps uit de Gelderse plaats Malden is de winnaar van de Turing Gedichtenwedstrijd, het grootste poëzieconcours in het Nederlandse taalgebied. Haar gedicht ’En of het zo door kan gaan’ kwam als beste uit de bus, maakte de jury woensdagavond bekend in de Stadsschouwburg Amsterdam. Aan de prijs is een bedrag van 10.000 euro verbonden. Zie ook alle tags voor Else Kemps op dit blog.

 

En of het zo door kan gaan

Het verschil tussen wachten en verwachten leerde je
van een kat die twee keer van huis liep en maar één keer terugkwam.

Je denkt aan de zuurstoffles die je opa kunstmatig in coma hield.
Of het zo door kon gaan, vroeg je tante steeds, en op Google Maps

heeft zijn fiets nog drie jaar voor de deur gestaan. Daarna was er
S, de man die zei niet verder te willen en daarom al die tijd gebleven is.

’s Nachts vertel je hem over de keer dat iemand je uitschold
voor ‘hoer’ omdat je stilstond op een zebrapad. Alles wat hij zegt

is dat ‘lopen’ in het Russisch twee werkwoordsvormen heeft,
afhankelijk van of men een bestemming heeft of niet.

 

 
Else Kemps (Malden, 1995)

27-01-16

Herman de Coninckprijs voor Ruth Lasters

 

Herman de Coninckprijs voor Ruth Lasters

De Vlaamse dichteres Ruth Lasters heeft met Lichtmeters de Herman de Coninckprijs 2016 voor beste dichtbundel gewonnen.Aan de prijs is een bedrag van 6000 euro verbonden. Ruth Lasters werd geboren in Antwerpen op 5 februari 1979. Zie ook alle tags voor Ruth Lasters op dit blog.

 

Woud

Of je het achteraf
van vuurwerk ooit zag. De takken van rook, niet

de vonken, maar de pluizige stammen op precies dezelfde
plaats waar net nog pijlen openknalden. het luchtwoud

dat daar na het doven enkele seconden voor je
ontstaat. De restwaarde die eigenlijk grootser is dan

de bedoelde fraaiheid van spetters kleurvuur. Zo is het ook,
nadat je hebt gezucht dat je me ondanks alles, ontrouw nog

liefhebt, wat daarna in de kamer hangt op een doordringendere,
verschrikkelijke, ongewilde manier mooier: de onherstelbaarheid

tussen ons.

 


Rijst

Bij grief groef ik mijn hand in een zak rijst
en stuurde in een omslag steeds een korrel terug naar herkomst,

naar een boer in Angkor die op zijn beurt keer op keer een klei-
knikker zond bij

onverhoopt geluk, als een mijnscherf wonderwel alleen
zijn vrouws wreef had verbrijzeld of zijn oogst niet was verloren door

een storm. De laatste korrel die ik naar hem zond: rond Pasen nadat jij
en ik weer knikkers voor elkaar verstopt hadden in huis in plaats

van eieren - wie in één dag al de zijne vond, mocht weggaan
voor altijd zonder verwijten - en je de mijne nauwelijks

verborgen had, alle zeven naast de plint, voor
het grijpen. 

 

 
Ruth Lasters (Antwerpen, 5 februari 1979)

20-01-16

In Memoriam Aristide von Bienefeldt

 

In Memoriam Aristide von Bienefeldt

De Nederlandse schrijver Aristide von Bienefeldt is op 56-jarige leeftijd overleden. Aristide von Bienefeldt (pseudoniem van Rijk de Jong) werd geboren op 24 oktober 1964 in Rozenburg bij Rotterdam. Zie ook alle tags voor Aristide von Bienefeldt op dit blog.

Uit: En weer zat er een Paul Newman in de keuken

“Ene Jaap uit Mijnsherenland heeft een reusachtige hoeveelheid houtblokken opgehaald. Ik had die blokken te koop gezet op Marktplaats, en Jaap was de eerste bieder. We hebben ze één voor één - ze lagen opgeslagen op de graanzolder - naar beneden gegooid; daarna heb ik geholpen - nou ja, ik deed alsof, hij had al betaald dus erg gemotiveerd was ik niet - om ze in het busje te stouwen dat hij speciaal voor het vervoer gehuurd had. Ik ben bang dat het busje meer gekost heeft dan het hout. Op het busje kon hij niet afdingen.
Sinds 1973, het jaar van de oliecrisis, lagen die blokken hun lot af te wachten. Mijn vader, die een ‘stel dat’-mens was, vreesde dat onze kachel op een dag niet meer zou branden.
‘Stel dat’-mensen sluiten nooit iets uit. ‘Stel dat de Arabieren de oliekraan diehtdraaien,’ rechtvaardigde hij zijn hamsterwoede, ‘dan hoeven wij van de winter geen kou te lijden.’
Dat die houtblokken veertig jaar later zouden verpulveren in een open haard in Mijnsherenland, kon hij niet vermoeden. Dat kon niemand vermoeden. Het kacheltje, bedoeld om in actie te komen als mijn vaders ‘stel dat’-scenario uitkwam, staat ook te koop. Ik vond het naast de houtberg, in een plastic zak, afgesloten met vlastouw.
‘Hout naar het bos dragen,’ dacht ik terwijl ik de blokken naar beneden gooide, samen met Jaap uit Mijnsherenland. Een quote van Erasmus, geloof ik.
Ik probeerde de quote van Erasmus in overeenstemming te brengen met onze bezigheden, of met wat mijn vader bedoeld had toen hij, bijna veertig jaar geleden, die houtvoorraad aanlegde. Vergeefse moeite.”

 


Aristide von Bienefeldt (24 oktober 1964 - 20 januari 2016)

19-01-16

In Memoriam Michel Tournier

 

In Memoriam Michel Tournier

De Franse schrijver Michel Tournier is maandag op 91-jarige leeftijd thuis in Choisel overleden, meldden Franse media. Michel Tournier werd geboren op 19 december 1924 in Parijs. Zie ook alle tags voor Michel Tournier op dit blog.

Uit: Les météores

« J'ai le temps de me poser la vieille question qui surgit fatalement en voyage dans le cœur sédentaire que je suis : pourquoi ne pas m'arrêter ici ? Des hommes, des femmes, des enfants considèrent ces lieux fugitifs comme leur pays. Ils y sont nés. Certains n'imaginent sans doute aucune autre terre au-delà de l'horizon. A lors pourquoi pas moi ? De quel droit suis-je ici et vais-je repartir en ignorant tout de North Bend, de ses rues, de ses maisons, de ses habitants ? N'y-a-t-il pas dans mon passage nocturne pire que du mépris, une négation de l'existence de ce pays, une condamnation au néant prononcée implicitement à l'encontre de North Bend ? Cette question douloureuse se pose souvent en moi lorsque je traverse en tempête un village, une campagne, une ville, et que je vois le temps d'un éclair des jeunes gens qui rient sur une place, un vieil homme conduisant ses chevaux à l'abreuvoir, une femme suspendant son linge sur une corde tandis qu'un petit enfant s'accroche à ses jambes. La vie est là, simple et paisible, et moi je la bafoue, je la gifle de ma stupide vitesse...
Mais cette fois encore, je vais passer outre, le train rouge fonce vers la montagne nocturne en hululant, et le quai glisse et emporte deux jeunes filles qui se parlaient gravement, et je ne saurai jamais rien d'elles, et rien non plus de North Bend.
(…)

"L'Esprit-Saint est vent, tempête, souffle, il a un corps météorologique. Les météores sont sacrés. La science qui prétend en épuiser l'analyse et les enfermer dans des lois n'est que blasphème et dérision. "Le vent souffle où il veut et tu entends sa voix, mais tune sais ni d'où il vient, ni où il va", a dit Jésus à Nicodème. C'est pourquoi la météorologie est vouée à l'échec. ses prévisions sont constamment ridiculisées par les faits, parce qu'elles constituent une atteinte au libre arbitre de l'Esprit. Et il ne faut pas s'étonner de cette sanctification des météores que je revendique. En vérité tout est sacré. Vouloir distinguer parmi les choses un domaine profane et matériel au-dessus duquel planerait le monde sacré, c'est simplement avouer une certaine cécité et en cerner les limites. Le ciel mathématique des astronomes est sacré parce que c'est le lieu du Père. La terre des hommes est sacré, parce que que c'est le lieu du Fils. Entre les deux, le ciel est brouillé et imprévisible de la météorologie est le lieu de l'Esprit et fait lien entre le ciel paternel et la terre filiale. C'est une sphère vivante et bruissante qui enveloppe la terre comme un manchon plein d'humeurs et de tourbillons, et ce manchon est esprit, semence et parole."

 

 
Michel Tournier (19 december 1924 – 18 januari 2016)

15-12-15

P.C. Hooftprijs 2016 voor Astrid Roemer

 

P.C. Hooftprijs 2016 voor Astrid Roemer

De P.C. Hooftprijs voor proza wordt dit jaar toegekend aan de Surinaams-Nederlandse schrijfster Astrid Roemer. Dat heeft de jury van de prijs vandaag bekendgemaakt. De P.C. Hooftprijs wordt elk jaar uitgereikt aan een auteur van achtereenvolgend essays, poëzie en proza. Roemer zal de prijs, waaraan een bedrag is verbonden van 60 duizend euro in mei volgend jaar uitgereikt krijgen in Den Haag. Astrid Roemer werd in Paramaribo geboren op 27 april 1947. Zie ook alle tags voor Astrid Roemer op dit blog.

Uit: Lola of het lied van de lente

"Ze hadden leren leven met de ander die in hun moeder verborgen zit - ze wisten precies wanneer die zou verschijnen; en behalve hun moeder was er een gast aan wie zij waren overgeleverd als aan de staat. De gast had hun regels opgelegd en hun bescherming geboden. En ze waren vrij zich daaraan te onttrekken maar dat ging nooit zonder een knagend gevoel van schuld.
Waren ze met ongewassen voeten, handen en gezicht naar de slaapkamer van hun moeder gestormd omdat de schaafijskar weer eens in de straat stond?! Of, hadden ze menstruerende kennissen binnengelaten terwijl hun moeder in consult zat -. En: zat er echt geen varkensvlees in het broodje sambal van de Javaan?! Of, hoe weet een jongen die altijd door de stad zwerft op welke straathoeken hij beslist niet mag blijven staan -.
Bovendien: hoe houd je een moeder en nog een stem in haar een leven lang verborgen voor anderen. Dus, toen de kinderen nog dachten dat ze een bloeddoorlopen geheim achter de huig bewaakten, wisten hun buurtvriendjes en -vriendinnetjes al, waarom er dagelijks allerlei personen op nummer zeventien aanklopten. Maar ze waren doodsbang daar zelfs met elkaar over te praten want, zo'n vak van medicijnvrouw reikt immers verder dan de pillen, zalfjes, drankjes en spuiten van de dokters die het uit boeken haalden.
Bovendien - de vrouw op nummer zeventien had zo vaak haar diensten bewezen aan de buurtbewoners dat ook de volwassenen haar even intens vreesden als hun kinderen en het lot waaraan zij zich overgeleverd voelden. Ze was geliefd - en, ze werd gehaat en het liefste als het noodlot zelf gemeden omdat ze vooral de pijnlijke geheimen van anderen achter haar zwartglanzende jukbeenderen draagt. Het had jaren geduurd - en uiteindelijk was ze met haar roeping samengegroeid tot een vakvrouw met gezag.
Dromen worden bij haar neergelegd -; verlangens waar geen bevrediging voor bestaat -; gedachten te schaamteloos voor woorden - en pijn: ongeneeslijk en te ver weg.
De ziel van een volwassen mens ligt verborgen achter een sporen-net van herinneringen waar niemand zonder te verongelukken doorheen komt.
Zij met haar honderden consulten heeft meer dan duizend mensenlevens moeten lijden om zoiets te weten te komen. Daarom wil ze ophouden met het werk - en, ze is er klaar voor."

 

 
Astrid Roemer (Paramaribo, 27 april 1947)

13-11-15

ECI Literatuurprijs voor Jeroen Brouwers

 

ECI Literatuurprijs voor Jeroen Brouwers

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers ontvangt de ECI Literatuurprijs (de vroegere AKO-Literatuurprijs) voor zijn roman “Het hout”. Dat maakte juryvoorzitter Andrée van Es donderdag bekend op het Crossing Border Festival in de Koninklijke Schouwburg van Den Haag. Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Het hout

“Er komt wit in mijn hersens, eindeloos horizonloos. Ik kijk, zonder dat er een spier in mijn gezicht vertrekt, naar de een, naar de ander. Gaan jullie je Jezus maar zelf begraven. Ik heb het lijk daarstraks gewassen, het kan zo nederdalen ter helle.
Je kunt gaan Bonaventura. Verdere instructies krijg je van Amadeo.
Dat boek had ik te leen, zeg ik nog. Meneer Woltgens zou het graag terug hebben.
Benedictus stempelt met zijn vuist opnieuw een bons op de rode omkafting en laat er een vochtplek op achter. Zorgen wij voor. Schuift Umbrië met de nagel van zijn pink naar Amadeo. Nog iets Amadeo? Het plaaginsect neemt de afgehandelde papiertjes van hem over en legt een nieuw papiertje voor hem neer. Dat Hyacintus daarjuist weer was binnengekomen met een klacht over
medebroeder Olaf. Straks, zegt Benedictus. De ouwe is zichtbaar afgemat.
In de gang loop ik over de witte tegels, ontheven van mijn taken. Rochus die gebogen achteruitlopend de dweil met brede bogen heen en weer beweegt groet mij niet. Ik hem ook niet. Onder de secondenklok, zestien uur zeventien, zie ik de speelplaats. Voetballen in de hitte. Wil van Lanschot die niet met zijn vriend Mark Freelink mag praten praat met Mark Freelink, dwingend gesticulerend, in de dode hoek naast de gymzaal, niet te bespieden vanuit het  rechterraam tweede verdieping schoolgebouw. Verboden plek dus. Hij durft, zo goed als vogelvrij als hij is. Mark, brekelijk albastwit als het engeltje boven zijn bed, schone kleren, beide schoenen aan, knikt, zegt iets terug, knikt. In zijn
ene bruine schoen zit een zwarte veter, dat merk ik op als ex-surveillant. Guido Weytjens komt erbij, wat in ieder geval in orde is met het kostschoolreglement dat contact tussen twee jongens verbiedt, altijd ten minste met zijn drieën om gore praatjes uit te wisselen. Wil toont Guido de paarse achterkant van zijn been. Guido reageert met een stap achteruit en roept iets, wat ik vanop deze afstand achter het raam natuurlijk niet kan verstaan. Tienduizendmiljard bommen en granaten, de grote kraakvis zal hem kraken die basjiboezoek! Ik weet dat hij verwerpelijke stripboeken leest. Ik zag altijd alles door de vingers, maar nu heeft Remigius het overgenomen. Die schreeuwt en koestert het hout in de binnenborstzak van zijn kloostervacht. De clubactiviteiten zijn voorbij, nu begint de studie en daarna, van vrijdag verplaatst naar vandaag, staat de leerlingen het doucheritueel te wachten, want morgen komt hoog kerkelijk bezoek, het lichaam moet schoon, alles wordt gecontroleerd.
Niets meer te doen, ik heb er niets meer mee te maken. U loof ik die mijn schepper zijt die met uw liefde mij geleidt.”

 

 
Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

15-10-15

Man Booker Prize 2015 voor Marlon James

 

Man Booker Prize 2015 voor Marlon James

De Jamaicaanse schrijver Marlon James heeft de Man Booker Prize 2015 gewonnen voor “Een beknopte geschiedenis van zeven moorden”. Zie ook alle tags voor Marlon James op dit blog.

UitA Brief History of Seven Killings

““Listen.
Dead people never stop talking. Maybe because death is not death at all, just a detention after school. You know where you’re coming from and you’re always returning from it. You know where you’re going though you never seem to get there and you’re just dead. Dead. It sounds final but it’s a word missing an ing. You come across men longer dead than you, walking all the time though heading nowhere and you listen to them howl and hiss because we’re all spirits or we think we are all spirits but we’re all just dead. Spirits that slip inside other spirits. Sometimes a woman slips inside a man and wails like the memory of making love. They moan and keen loud but it comes through the window like a whistle or a whisper under the bed, and little children think there’s a monster. The dead love lying under the living for three reasons. (1) We’re lying most of the time. (2) Under the bed looks like the top of a coffin, but (3) There is weight, human weight on top that you can slip into and make heavier, and you listen to the heart beat while you watch it pump and hear the nostrils hiss when their lungs press air and envy even the shortest breath. I have no memory of coffins.
But the dead never stop talking and sometimes the living hear. This is what I wanted to say. When you’re dead speech is nothing but tangents and detours and there’s nothing to do but stray and wander awhile. Well, that’s at least what the others do. My point being that the expired learn from the expired, but that’s tricky. I could listen to myself, still claiming to anybody that would hear that I didn’t fall, I was pushed over the balcony at the Sunset Beach Hotel in Montego Bay. And I can’t say shut your trap, Artie Jennings, because every morning I wake up having to put my pumpkin-smashed head back together. And even as I talk now I can hear how I sounded then, can you dig it, dingledoodies? meaning that the afterlife is just not a happening scene, not a groovy shindig, Daddy-O, see those cool cats on the mat? They could never dig it, and there’s nothing to do but wait for the man that killed me, but he won’t die, he only gets older and older and trades out wives for younger and younger and breeding a whole brood of slow-witted boys and running the country down into the ground.”

 

 
Marlon James (Kingston, 24 november 1970)

13-10-15

Deutscher Buchpreis voor Frank Witzel

 

Deutscher Buchppreis voor Frank Witzel

De Duitse schrijver Frank Witzel heeft verrassend de Deutscher Buchppreis gewonnen voor zijn roman „Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch depressiven Teenager im Sommer 1969“ Dat meldt de organisatie. Het verhaal speelt zich af in de oude Bondsrepubliek in de periode na de Tweede Wereldoorlog. De auteur beschrijft een reeks episoden vanuit de ogen van een 13-jarig kind in Wiesbaden.Zie ook alle tags voor Frank Witzel op dit blog.

Uit: Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch-depressiven Teenager im Sommer 1969

“Es ist ein verschneiter Tag im Januar. Ich stehe auf einem schmalen und verschneiten Hügel, schaue in ein verschlafenes und ebenfalls verschneites Dorf, das unterhalb des Hügels liegt und versuche, mich zu erinnern wie es war, dort unten in einer kaum möblierten und ungeheizten Wohnung zweieinhalb Monate zuzubringen, in einem Haus, das eher einem Schuppen ähnelte, dicht neben einem Bach, der halb zufror in diesem Winter vor so vielen Jahren. Ich stehe auf dem Hügel und schaue meinem gefrorenen Atem hinterher und dem Eichelhäher, der kurz auf einem der verschneiten Äste aufsetzt und dann in den grauen Himmel fliegt und hinter der nächsten Kuppe verschwindet.
Die Landstraße schlängelt sich wie auf einer Kinderzeichnung vom grauweißen Horizont zu dem Feld vor meinen Füßen. Und da kommt auch schon ein Auto angefahren. Es ist kein Ferrari 250 GT 12 Zylinder 4 Takt Hubraum 2953 cm³ mit 240 PS und 230 Stundenkilometern, noch nicht mal ein Porsche 501 6 Zylinder 4 Takt Hubraum 1995 cm³ mit 120 PS und 200 Kilometern, son-dern nur ein NSU Prinz 2 Zylinder 4 Takt 578 cm³ mit 30 PS, der gerade mal 120 macht, mit Rückenwind, und hier geht es bergauf, raus aus dem verschneiten Dorf, und ich habe noch nicht mal den Mopedführerschein, und Claudia brüllt und Bernd schreit, ich soll mich weiter rechts halten, damit uns die Bullen in den Kurven aus den Augen verlieren, aber das ist gar nicht so leicht, denn unser NSU Prinz hat hinten schlecht aufgepumpte Reifen, sodass ich kaum die Balance halten kann. Trotzdem liegen wir ein ganzes Stück vorn. Hinter uns die Bullen mit ihrem vollbesetzten Mannschaftswagen VW T2 fangen an zu ballern. Die Kugeln schlagen in die Schneewehen und springen vom Straßenasphalt gegen den zitronengelben Lack der Kotflügel. Claudia kramt im Handschuhfach nach einer Waffe. Die ist nicht geladen, sage ich. Wie, nicht geladen? Kein Wasser drin. Wasser? Das ist meine Wasserpistole. Sag mal, spinnst du? schreit Bernd. Wo ist denn die Erbsenpistole? Vergessen, aber die Wasserpistole ist echt gut, die hat vorne einen Ring, da kannst du um die Ecke schießen. Ihr seid Spinner, vollkommene Spinner, ich denk, ihr habt euch das Luftgewehr von Achim geliehen. Der war nicht da, nur seine Oma, und die wollte es nicht rausrücken. Pass auf! Ich schlingere nach links, und fast wären wir umgekippt, aber Claudia und Bernd werfen sich geistesgegenwärtig auf die andere Seite, und ich komme nur für einen Moment von der Fahrbahn ab. Der Schnee spritzt an den Scheiben hoch. Die Scheibenwischer arbeiten wie wild. Vielleicht sollten wir einfach drehen, ruft Claudia, damit rechnen die nie im Leben.”

 

 
Frank Witzel (Wiesbaden, 1955)

08-10-15

Nobelprijs voor Literatuur 2015 voor Svetlana Aleksijevitsj

 

Nobelprijs voor Literatuur 2015 voor Svetlana Aleksijevitsj

 

De Wit-Russische onderzoeksjournaliste, ornithologe en schrijfster Svetlana Aleksijevitsj werd bekroond met de 2015 Nobelprijs voor Literatuur "voor haar polyfone geschriften, een monument voor het lijden en de moed in onze tijd". Zij is de eerste journalist en de eerste schrijver uit Wit-Rusland die deze prijs wint. Zie ook alle tags voor Svetlana Aleksijevitsj op dit blog.

Uit: Der Krieg hat kein weibliches Gesicht (vertaald door Ganna-Maria Braungard)

„Ich schreibe ein Buch über den Krieg... Ich, die ich keine Kriegsbücher mochte, obwohl sie in meiner Kindheit und Jugend die gängige Lieblingslektüre waren. Bei allen meinen Altersgenossen.
Das ist nicht weiter erstaunlich – wir waren Kinder des Sieges. Kinder der Sieger. Was erinnere ich noch vom Krieg? Mein kindliches Unbehagen vor unbekannten und furchteinf lößenden Worten. Über den Krieg wurde unentwegt gesprochen: in der Schule und zu Hause, bei Hochzeiten und Taufen, an Feiertagen und auf dem Friedhof. Sogar unter Kindern. Der Krieg blieb auch nach dem Krieg die Heimstatt unserer Seele. Alle lebten dort, alles hatte seinen Ursprung in dieser schrecklichen Zeit, auch in unserer Familie: Mein ukrainischer Großvater, der Vater meiner Mutter, ist an der Front
gefallen, meine weißrussische Großmutter, die Mutter meines Vaters, ist bei den Partisanen an Typhus gestorben, zwei ihrer Söhne sind verschollen, von den dreien, die sie an die Front geschickt hatte, kam nur einer zurück... Mein Vater...
Schon als Kinder kannten wir keine Welt ohne Krieg, die Welt des Krieges war die einzige Welt, die wir kannten, und die Menschen des Krieges die einzigen Menschen, die wir kannten. Ich kenne auch
heute keine andere Welt und keine anderen Menschen. Hat es sie überhaupt je gegeben?
***
Es lässt sich wohl kaum zählen, wie viele Kriegsbücher auf der ganzen Welt bereits geschrieben wurden. Vor kurzem las ich irgendwo, auf der Erde seien schon über dreitausend Kriege geführt
worden. Und Bücher darüber gibt es noch mehr... Doch alles, was wir über den Krieg wissen, haben uns Männer erzählt. Wir sind Gefangene der „männlichen“ Vorstellungen und der „männlichen“
Empfindungen. „Männlicher“ Worte. Die Frauen schweigen, und wenn sie einmal darüber reden, dann erzählen sie nicht ihren eigenen Krieg, sondern einen fremden. Passen sich einer ihnen fremden Sprache an - dem festgeschriebenen männlichen Kanon.
Nur zu Hause oder im Kreis ihrer Frontfreundinnen weinen sie und erzählen (das habe ich bei meinen Reisen als Journalistin oft erlebt) von einem Krieg, der das Herz stocken lässt. Man wird innerlich ganz still - was man da erfährt, ist nichts Entlegenes und Vergangenes, das sind Erkenntnisse über den Menschen, die immer vonnöten sind.
Selbst im Paradiesgarten. Weil der menschliche Geist nicht so stark und geschützt ist, braucht er ständig Unterstützung.“

 

 
Svetlana Aleksijevitsj (Stanyslaviv, 31 mei 1948)

02-10-15

In Memoriam Frans Pointl

 

In Memoriam Frans Pointl

 

De Nederlandse schrijver Frans Pointl is gisteren in Amsterdam op 82-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn uitgeverij Nijgh & Van Ditmar laten weten. Frans Pointl werd geboren in Amsterdam op 1 augustus 1933.Zie ook mijn blog van 1 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Frans Pointl op dit blog.

Uit: De Laatste kamer (Afscheid)

“Tweemaal per maand gingen mijn moeder en ik naar mijn grootvader in Zandvoort. Hij woonde daar in een pension. Mijn oom, de dokter, betaalde dat en hij kreeg ook nog een bescheiden zakcentje. Daarvoor woonde hij alleen in een duur huurhuis in de Amsterdamse Lomanstraat. Hij was achtenzeventig en had geen enkele bron van inkomsten. Mijn oom vond dat een pension aan zee een goede oplossing was.
Hij had zijn vader onderzocht en hem nog kerngezond bevonden.
Ik herinner me dat ik een jaar of zeven was. Vanuit Heemstede gingen we met de tram naar de Tempelierstraat in Haarlem. Daar stapten we over op de ‘blauwe tram’ die uit Amsterdam kwam. Het waren brede logge wagons, gebouwd in Hongarije, daarom werden ze ook wel ‘Budapesters’ genoemd. Vanbinnen waren ze heel ruim, de banken waren met een soort van fluweel bekleed en de ramen waren groot. Er waren drie of vier wagons aan elkaar gekoppeld.
De tram reed langzaam en schommelde enigszins. Er waren veel haltes zodat de ‘Budapester’ maar langzaam vorderde. Voor mij was het steeds weer een feest erin te rijden. De trein was veel sneller maar ook veel duurder.
Moeder had een groot pak van bruin pakpapier bij zich, dichtgebonden met een dun touwtje.
Eindelijk in Zandvoort aangekomen moesten we nog een stuk lopen alvorens we het pension aan de boulevard bereikten. De huizen daar hadden vergeelde, door zoute zeelucht en regen uitgebeten deuren en raamkozijnen. Ik zag grootvader al op het balkon zitten.
Moeder belde aan en de kostjuffrouw deed open. We liepen de smalle trap op, want het waren oude huizen.
‘Kan ik u even spreken?’ vroeg ze aan moeder.
Natuurlijk begreep ik weinig van hun gesprek, maar toen ik ouder was vertelde moeder het mij.
‘Uw vader doet zo vreemd,’ zei de kostjuffrouw. ‘Ik weet niet meer wat ik hem te eten moet geven.’
‘Hoezo?’ vroeg moeder.
‘Hij heeft gezegd dat hij niets meer wil eten wat een gezicht heeft, dus geen vlees meer.’ Ze aarzelde. ‘Heeft een vis ook een gezicht?’
‘Ik denk van wel,’ antwoordde moeder. ‘Hij is op zijn oude dag dus ineens vegetariër geworden.’
‘Wat moet ik hem dan voorzetten?’ vroeg ze.
‘Aardappels, groenten, kapucijners en vla, daar is hij dol op.’

 

 
Frans Pointl (1 augustus 1933 – 1 oktober 2015)

30-09-15

In Memoriam Hellmuth Karasek

 

In Memoriam Hellmuth Karasek

De Duitse journalist, schrijver, film- en literair criticus en hoogleraar theaterwetenschapHellmuth Karasek is op 81-jarige leeftijd overleden. Hellmuth Karasek werd geboren op 4 januari 1934 in Brno, Moravië, Tsjechoslowakije. Zie ook alle tags voor Hellmuth Karasek op dit blog.

Uit: Auf der Flucht

“Weihnachten 1944 war besonders kalt, weiß war es in den  Beskiden ohnehin. Die Wohnung war warm, ich hatte zur Eisenbahn noch einen Metallbaukasten bekommen und Bausteine.
Aber leider war mir sterbenselend, ich war das üppig fette Essen,  die Weihnachtsgans, nicht gewohnt und habe mich über  dem glatten, glänzenden Parkettboden übergeben. Meine Mutter  steckte mich ins Bett und gab mir Tee.  Ein paar Tage später hieß es, die Mutter müsse mit uns Kindern  Bielitz verlassen. Vorübergehend. Die Russen hätten in  einer Offensive die deutsche Front gebrochen und seien im  Vorstoß auf das Kohle- und Industrierevier um Kattowitz.
Mein Vater müsse an der Heimatfront bleiben.
Wir packten ein paar Koffer, so viel, wie ich und meine Mutter  gerade tragen konnten, und mein Vater fuhr uns zum Bahn-hof, der von Schneestürmen umtobt war. Meine kleinen Geschwister, mein fünfjähriger Bruder Horst, meine vierjährige Schwester Ingrid und meine zweijährige Schwester Heidrun hielten wir an der Hand. Nach stundenlangem Warten auf dem  Bahnsteig, der immer wieder von Schneeverwehungen freigeschaufelt werden musste, drängten wir uns in einen überfüllten Zug, der uns, »vorübergehend«, so beschwichtigte mein Vater meine Mutter, auf ein Gut in Niederschlesien bringen sollte.
Ich erinnere mich an das erleichtert freudige Gefühl, das ich empfand, weil ich nach den Ferien nun doch nicht mehr in meine gehasste Schule mit ihrem Drill zurückkehren musste. Ich wusste noch nichts von den Wochen, in denen wir uns immer wieder in eisige Züge kämpfen und drängen, auf vereisten Straßen auf Lastwagen warten, in überfüllten Wartesälen  oder Schulen auf dem Boden schlafen, in Gestank, Geschrei, unter Verzweifelten und dumpf Verstummten, im Dreck, in Angst und Panik, die Tage in Hunger und Kälte verbringen mussten. Es war der totale Zusammenbruch. Dass es eine Befreiung war, lernte ich erst Jahre später. Nur manchmal hätte  ich gerne gewusst, wer später an Weihnachten von den Tellern gegessen hat, die wir zurückließen. Welche Bilder an den Wänden hingen. Und was aus der Märklin-Eisenbahn geworden  ist, mit der ich nur zwei Tage gespielt hatte.“

 

 
Hellmuth Karasek (4 januari 1934 - 29 september 2015)

28-09-15

In Memoriam Frank Martinus Arion

 

In Memoriam Frank Martinus Arion

De Curaçaose dichter en schrijver Frank Martinus Arion, pseudoniem van Frank Efraim Martinus, is zondagavond op 78-jarige leeftijd overleden. Frank Martinus Arion werd geboren op 17 december 1936 op Curaçao. Zie ook alle tags voor Frank Martinus Arion op dit blog.

Uit: Nobele wilden

“Jij bent van buiten Europa, maar je bent ook jong. We gaan terug naar de natuur ja, waar sympathie en goede nabuurschap, zoals jij dat zo mooi noemt, mogelijk zijn. Rousseau was trouwens niet tegen de stad op zich. Hij wilde niet terug naar de natuur omwille van de planten en bomen en beekjes, te veel mensen denken dat, maar om de andere kwaliteiten van het menselijk leven, die in die omgeving beter mogelijk schijnen te zijn. Het is niet zo, zegt hij ergens, dat de mensen vroeger beter waren, ze waren wel warmer en liever voor elkaar. Dat is het wat wij in de zg. primitieve volkeren altijd bewonderd hebben, de warmte. Om het algemener te zeggen, in de gemeenschappen en perioden waarin de mens boven de materie stond, haar beheerste, al klinkt dat vreemd in onze technocratische eeuw, en deze geen doel was tot meerder bezit. Zo'n periode kent iedereen in zijn jeugd. Wat curieus als die alliantie er ooit komt, tussen de vroegere Nobele Wilden en onze moderne jeugd. Maar terecht. De jeugd is wild en de jeugd is nobel. Wat de meest opvallende karakteristieken zijn van de revolutionair.
(…)

Hij sterft eigenlijk nooit, de banaan. Hij is eeuwig. Elke stam groeit tot zo'n twee of drie meters, bij bepaalde soorten zelfs hoger, geeft een tros bananen en sterft dan af. Of je kapt die stam om. Maar onderaan staat, zelfs vóór de tros er is, altijd een aantal jonge bananestruikjes klaar om zijn taak opnieuw te volbrengen. In het creools zeggen we:
De banaan is stervende: Haar kinderen zijn er al!
Daarom zeg ik: Het bananeleven is oneindig! Er is nauwelijks individualisering. De jonge lootjes groeien nadrukkelijk aan en uit de stam van de moederplant. We halen ze soms wel weg en planten ze apart, maar dat is menselijke kunstmatigheid. Bovendien is ook de bestemming van de banaan zo wonderlijk. De trossen komen, de bananen rijpen, worden gegeten of vergaan. Zonder bijbedoelingen! Zuiver belangeloze esthetiek van de natuur!”

 

 
Frank Martinus Arion (17 december 1936 - 27 september 2015)