14-11-08

Astrid Lindgren, P.J. O'Rourke, Jonathan van het Reve, Jurga Ivanauskaitė, Karla Schneider, Herbert Zand, Taha Hussein, Jakob Schaffner, Aleardo Aleardi


Om onverklaarbare, en ondanks mijn verzoek ook nog niet opgehelderde redenen is Romenu geheel uit de statistieken verdwenen. Ik gun iedereen zijn plaatsje in welke top 15 of top 30 dan ook, maar er staan nu blogs in die duidelijk minder scoren dan Romenu al meer dan twee jaar doet. Eerdere problemen met ongewenste veranderingen bij Skynet hebben mij vorig jaar al naar een alternatief doen zoeken en vandaar dat ik nu zonder al te veel problemen kan uitwijken naar mijn blog op Seniorennet. Dezelfde opzet, en naar ik hoop, straks ook weer veel van dezelfde trouwe bezoekers. Voorlopig blijf ik, om het iedereen gemakkelijk te maken, hier nog even berichten plaatsen, zij het zeer summier en met een verwijzing naar „Romenu  II“ op Seniorennet.

 

 

 

 

De Zweedse schrijfster Astrid Lindgren werd als Astrid Ericsson geboren op 14 november 1907 en groeide op op de boerderij Näs in Vimmerby in Småland. Zie ook mijn blog van 14 november 2006 en ook mijn blog van 14 november 2007.

 

Uit: Pippi Longstocking

 

„Way out at the end of a tiny little town was an old overgrown garden, and in the garden was an old house, and in the house lived Pippi Longstocking. She was nine years old, and she lived there all alone. She had no mother and no father, and that was of course very nice because there was no one to tell her to go to bed just when she was having the most fun, and no one who could make her take cod liver oil when she much preferred caramel candy.

 

Once upon a time Pippi had had a father of whom she was extremely fond. Naturally she had had a mother too, but that was so long ago that Pippi didn't remember her at all. Her mother had died when Pippi was just a tiny baby and lay in a cradle and howled so that nobody could go anywhere near her. Pippi was sure that her mother was now up in Heaven, watching her little girl through a peephole in the sky, and Pippi often waved up at her and called, "Don't you worry about me. I'll always come out on top."

 

Pippi had not forgotten her father. He was a sea captain who sailed on the great ocean, and Pippi had sailed with him in his ship until one day her father was blown overboard in a storm and disappeared. But Pippi was absolutely certain that he would come back. She would never believe that he had drowned; she was sure he had floated until he landed on an island inhabited by cannibals. And she thought he had become the king of all the cannibals and went around with a golden crown on his head all day long.

 

"My papa is a cannibal king; it certainly isn't every child who has such a stylish papa," Pippi used to say with satisfaction. "And as soon as my papa has built himself a boat he will come and get me, and I'll be a cannibal princess. Heigh-ho, won't that be exciting?"

 

Her father had bought the old house in the garden many years ago. He thought he would live there with Pippi when he grew old and couldn't sail the seas any longer. And then this annoying thing had to happen, that he was blown into the ocean, and while Pippi was waiting for him to come back she went straight home to Villa Villekulla. That was the name of the house. It stood there ready and waiting for her. One lovely summer evening she had said good-by to all the sailors on her father's boat. They were all fond of Pippi, and she of them.“

 

 

 

 

 

Lindgren
Astrid Lindgren (14 november 1907 -  28 januari 2002)

 

 

 

 

Zie voor onderstaande schrijvers mijn andere blog, Romenu II van vandaag

 

 

De Amerikaanse journalist en schrijver P.J. O'Rourke werd geboren op 14 november 1947 in Toledo, Ohio.

 

De Nederlandse schrijver Jonathan van het Reve werd geboren op 14 november 1983 in Amsterdam.

 

De Duitse schrijfster Karla Schneider werd op 14 november 1938 geboren in Dresden.

 

De Litouwse schrijfster Jurga Ivanauskaitė werd geboren in Vilnius op 14 november 1961.

 

 

Zie ook voor onderstaande schrijvers mijn andere blog, Romenu II van vandaag.

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver, essayist en vertaler Herbert Zand werd geboren op 14 november 1923 in Knoppen.

 

De Egyptische schrijver Taha Hussein werd geboren in Al Minya in Egypte op 14 november 1889.

 

De Zwitserse schrijver Jakob Schaffner werd geboren op 14 november 1875 in Basel.

 

De Italiaanse dichter Aleardo Aleardi werd geboren op 14 november 1812 in Verona.

 

 

 

19-10-08

Thomas-Mann-Preis 2008 voor Daniel Kehlmann



Thomas-Mann-Preis 2008 voor Daniel Kehlmann

 

 

Aan de Duitse schrijver Daniel Kehlmann is de Thomas-Mann-Preis 2008 van de stad Lübeck uitgereikt. De prijs wordt sinds 1975, de honderdste geboortedag van Thomas Mann, toegekend aan personen die zich op literair of literatuurwetenschappelijk gebied verdienstelijk hebben gemaakt „im Geiste der Humanität, die das Werk von Thomas Mann prägte“.

 

In de verantwoording van de jury staat o.a.:

„“Die Ehrung gilt dem scharfsinnigen Essayisten und klugen Geschichtenerzähler, dessen Romane und Novellen mit artistischer Verve und in leichtfüßiger Nachfolge Thomas Manns mit Humor, Ironie und tieferer Bedeutung ihre sehr ernsten Scherze treiben.”

 

Zie ook mijn blog van 13 januari 2008.

 

Uit: Die Vermessung der Welt

 

“Im September 1828 verließ der größte Mathematiker des Landes zum erstenmal seit Jahren seine Heimatstadt, um am Deutschen Naturforscherkongreß in Berlin teilzunehmen. Selbstverständlich wollte er nicht dorthin. Monatelang hatte er sich geweigert, aber Alexander von Humboldt war hartnäckig geblieben, bis er in einem schwachen Moment und in der Hoffnung, der Tag käme nie, zugesagt hatte.

Nun also versteckte sich Professor Gauß im Bett. Als Minna ihn aufforderte aufzustehen, die Kutsche warte und der Weg sei weit, klammerte er sich ans Kissen und versuchte seine Frau zum Verschwinden zu bringen, indem er die Augen schloß. Als er sie wieder öffnete und Minna noch immer da war, nannte er sie lästig, beschränkt und das Unglück seiner späten Jahre. Da auch das nicht half, streifte er die Decke ab und setzte die Füße auf den Boden.

Grimmig und notdürftig gewaschen ging er die Treppe hinunter. Im Wohnzimmer wartete sein Sohn Eugen mit gepackter Reisetasche. Als Gauß ihn sah, bekam er einen Wutanfall: Er zerbrach einen auf dem Fensterbrett stehenden Krug, stampfte mit dem Fuß und schlug um sich. Er beruhigte sich nicht einmal, als Eugen von der einen und Minna von der anderen Seite ihre Hände auf seine Schultern legten und beteuerten, man werde gut für ihn sorgen, er werde bald wieder daheim sein, es werde so schnell vorbeigehen wie ein böser Traum. Erst als seine uralte Mutter, aufgestört vom Lärm, aus ihrem Zimmer kam, ihn in die Wange kniff und fragte, wo denn ihr tapferer Junge sei, faßte er sich. Ohne Herzlichkeit verabschiedete er sich von Minna; seiner Tochter und dem jüngsten Sohn strich er geistesabwesend über den Kopf.

Dann ließ er sich in die Kutsche helfen.

Die Fahrt war qualvoll. Er nannte Eugen einen Versager, nahm ihm den Knotenstock ab und stieß mit aller Kraft nach seinem Fuß. Eine Weile sah er mit gerunzelten Brauen aus dem Fenster, dann fragte er, wann seine Tochter endlich heiraten werde. Warum wolle die denn keiner, wo sei das Problem?

Eugen strich sich die langen Haare zurück, knetete mit beiden Händen seine rote Mütze und wollte nicht ant-worten.

Raus mit der Sprache, sagte Gauß.

Um ehrlich zu sein, sagte Eugen, die Schwester sei nicht eben hübsch.

Gauß nickte, die Antwort kam ihm plausibel vor. Erverlangte ein Buch.

Eugen gab ihm das, welches er gerade aufgeschlagen hatte: Friedrich Jahns Deutsche Turnkunst. Es war eines seiner Lieblingsbücher.

Gauß versuchte zu lesen, sah jedoch schon Sekunden später auf und beklagte sich über die neumodische Lederfederung der Kutsche; da werde einem ja noch übler, als man es gewohnt sei. Bald, erklärte er, würden Maschinen die Menschen mit der Geschwindigkeit eines abgeschossenen Projektils von Stadt zu Stadt tragen. Dann komme man von Göttingen in einer halben Stunde nach Berlin. Eugen wiegte zweifelnd den Kopf.”

 

 

 

 
kehlmann
Daniel Kehlmann (München, 13 januari 1975)

 

 

14-10-08

Deutscher Buchpreis voor Uwe Tellkamp


De Duitse schrijver Uwe Tellkamp heeft voor zijn dit jaar verschenen roman Der Turm de Deutsche Buchpreis 2008 gewonnen voor de beste roman in de Duitse taal, een prijs die te vergelijken is met de Prix Goncourt of de Man Booker Prize. Uwe Tellkamp werd geboren op 28 oktober 1968 in Dresden. Zijn eerste satirische tekst verscheen al in in 1987 in het blad Eulenspiegel, dus nog in de tijd van de DDR. Na zijn gymnasiumopleiding diende Tellkamp in het leger van de DDR. Daarin bleef hij tot 1989 ook als onderofficier werkzaam tot hij het bevel kreeg uit te rukken tegen „de oppositie“, waaronder ook een broer van de schrijver. Dat weigerde hij. Hij verloor zijn studieplaats medicijnen en moest twee weken de gevangenis in. Zijn studie medicijnen voltooide hij later in Dresden, Leipzig en New York. Na zijn afstuderen werkte hij een tijd in een kliniek München, maar in 2004 gaf hij dit beroep op ten gunste van zijn schrijverschap. Bij een breder publiek bekend werd Tellkamp door een lezing uit zijn roman Der Schlaf in den Uhren in 2004 in Klagenfurt, waarvoor hij de  Ingeborg-Bachmann-Preis won. Ook opzien baarde zijn roman Der Eisvogel uit 2005.

 

Uit: Der Turm

“1. Auffahrt

Die elektrischen Zitronen aus dem VEB »Narva«, mit denen der Baum dekoriert war, hatten einen Defekt, flackerten ackerten hin und wieder auf und löschten die elbabwärts liegende Silhouette Dres­dens. Christian zog die feucht gewordenen, an den wollenen In­nenseiten mit Eiskügelchen bedeckten Fäustlinge aus und rieb die vor Kälte fast taub gewordenen Finger rasch gegeneinander, hauchte sie an – der Atem verging als Nebelstreif vor dem finster liegenden, in den Fels gehauenen Eingang des Buchensteigs, der hinauf zu Arbogasts Instituten führte. Die Häuser der Schiller­straße verloren sich im Dunkel; vom nächstgelegenen, einem Fachwerkhaus mit verriegelten Fensterläden, lief eine Stromlei­tung ins Geäst einer der Buchen über dem Felsdurchgang, ein Ad­ventsstern brannte dort, hell und reglos. Christian, der über das Blaue Wunder und den Körnerplatz gekommen war, ging weiter stadtauswärts, in Richtung Grundstraße, und erreichte bald die Standseilbahn. Vor den Schaufenstern der Geschäfte, an denen er vorüberging – ein Bäcker, Molkereiwaren, ein Fischladen –, waren die Rolläden herabgelassen; düster und mit aschigen Kon­turen, halb schon in Schatten, lagen die Häuser. Es schien ihm, als ob sie sich aneinanderdrängten, Schutz beieinander suchten vor etwas Unbestimmtem, noch nicht Ergründbarem, das vielleicht aufgleiten würde aus der Dunkelheit – wie der Eismond aufge­glitten war über der Elbe vorhin, als Christian auf der menschen­leeren Brücke stehengeblieben war und auf den Fluß geblickt hatte, den dicken, von seiner Mutter gestrickten Wollschal über Ohren und Wangen gezogen gegen den frostscharfen Wind. Der Mond war langsam gestiegen und hatte sich von der kaltträgen, wie flüssige Erde wirkenden Masse des Stroms gelöst, um allein über den Wiesen mit ihren in Nebelgespinste gehüllten Weiden, dem Bootshaus auf der Altstädter Elbseite zu stehen, den gegen Pillnitz zu sich verlierenden Höhenzügen. Von einem Kirchturm in der Ferne schlug es vier, was Christian wunderte.

Er ging den Weg zur Standseilbahn hinauf, stellte seine Reise­tasche auf die verwitterte Bank vor dem Gatter, das den Bahn­steig abschloß, und wartete, die Hände samt Handschuhen in die Taschen seiner militärgrünen Parka gesteckt. Die Zeiger der Bahnhofsuhr über dem Schaffnerhäuschen schienen sehr lang­sam vorzurücken. Außer ihm wartete niemand auf die Stand­seilbahn, und um sich die Zeit zu vertreiben, musterte er die Anzeigentafeln. Lange waren sie nicht mehr gesäubert worden. Eine warb für das Café Toscana auf der Altstädter Elbseite, eine für das weiter in Richtung Schillerplatz liegende Geschäft Näh­ter, eine andere für das Restaurant Sibyllenhof an der Bergstati­on. In Gedanken begann Christian Fingersatz und Melodiefolge des italienischen Stücks zu wiederholen, das auf der Geburts­tagsfeier für den Vater gespielt werden sollte. Dann sah er in die Dunkelheit des Tunnels. Ein schwacher Schein wuchs, füllte all­mählich die Tunnelhöhlung wie steigendes Wasser einen Brun­nen; zugleich wuchs das Geräusch: ein schieferiges Knarren und Ächzen, das Führungsseil aus Stahldrähten knackte unter der Last, ruckend näherte sich die Bahn, eine mit Meereslicht gefüll­te Kapsel; zwei Scheinwerferaugen beleuchteten die Strecke. Im Wagenquader waren die unscharf umrissenen Körper einzelner Fahrgäste zu sehen; in der Mitte der verfließende Schatten des graubärtigen Schaffners, der seit Jahren auf dieser Strecke fuhr: hinauf und hinab, hinab und hinauf immer im Wechsel, viel­leicht schloß er die Augen dabei, um dem Anblick des allzu Ver­trauten zu entgehen oder um es innerlich zu sehen und es dann zu verdrängen, um Geister zu bannen. Wahrscheinlich aber sah er schon mit dem Gehör, jeder Ruck während der Fahrt mußte ihm bekannt sein.

 

 

 

Tellkamp
Uwe Tellkamp (Dresden, 28 oktober 1968)

 

 

09-10-08

Nobelprijs voor Jean-Marie Gustave Le Clézio


Nobelprijs voor Jean-Marie Gustave Le Clézio

 

 

De Franse schrijver Jean-Marie Gustave Le Clézio heeft dit jaar de Nobelprijs voor literatuur gewonnen. Le Clézio werd geboren op 13 april 1940 in Nice. Daar studeerde hij aan het Collège littéraire universitaire en promoveerde in de literatuurwetenschappen. Bekend werd hij met zijn roman Procès-verbal uit 1963, waarvoor hij in dat jaar de Prix Renaudot kreeg. Le Clézio heeft intussen meer dan dertig werken op zijn naam staan, waaronder romans, essays, verhalen, novellen en vertalingen. In 1980 kreeg hij als eerste de Prix Paul-Morand voor Désert. Zie ook mijn blog van 13 april 2008.

 

Uit: Désert

 

„Ils sont apparus, comme dans un rêve, au sommet de la dune, à demi cachés par la brume de sable que leurs pieds soulevaient. Lentement ils sont descendus dans la vallée, en suivant la piste presque invisible. En tête de la caravane, il y avait les hommes, enveloppés dans leurs manteaux de laine, leurs visages masqués par le voile bleu. Avec eux marchaient deux ou trois dromadaires, puis les chèvres et les moutons harcelés par les jeunes garçons. Les femmes fermaient la marche. C’étaient des silhouettes alourdies, encombrées par les lourds manteaux, et la peau de leurs bras et de leurs fronts semblait encore plus sombre dans les voiles d’indigo.

 

Ils marchaient sans bruit dans le sable, lentement, sans regarder où ils allaient. Le vent soufflait continûment, le vent du désert, chaud le jour, froid la nuit. Le sable fuyait autour d’eux, entre les pattes des chameaux, fouettait le visage des femmes qui rabattaient la toile bleue sur leurs yeux. Les jeunes enfants couraient, les bébés pleuraient, enroulés dans la toile bleue sur le dos de leur mère. Les chameaux grommelaient, éternuaient. Personne ne savait où on allait.

 

Le soleil était encore haut dans le ciel nu, le vent emportait les bruits et les odeurs. La sueur coulait lentement sur le visage des voyageurs, et leur peau sombre avait pris le reflet de l’indigo, sur leurs joues, sur leurs bras, le long de leurs jambes. Les tatouages bleus sur le front des femmes brillaient comme des scarabées. Les yeux noirs, pareils à des gouttes de métal, regardaient à peine l’étendue de sable, cherchaient la trace de la piste entre les vagues des dunes.

 

Il n’y avait rien d’autre sur la terre, rien, ni personne. Ils étaient nés du désert, aucun autre chemin ne pouvait les conduire. Ils ne disaient rien. Ils ne voulaient rien. Le vent passait sur eux, à travers eux, comme s’il n’y avait personne sur les dunes. Ils marchaient depuis la première aube, sans s’arrêter, la fatigue et la soif les enveloppaient comme une gangue. La sécheresse avait durci leurs lèvres et leur langue. Ma faim les rongeait. Ils n’auraient pas pu parler. Ils étaient devenus, depuis si longtemps, muets comme le désert, pleins de lumière quand le soleil brûle au centre du ciel vide, et glacés de la nuit aux étoiles figées.“

 

 

 

 

LeClezio
Jean-Marie Gustave Le Clézio (Nice, 13 april 1940)

 

16-09-08

Jan Slauerhoff, Computerproblemen


Het einde

 

Vroeger toen ’k woonde diep in t land,

Vrat mij onstilbaar wee;

Zooals een gier de lever, want

Ik wist: geen streek geeft mij bestand,

En ’k zocht het ver op zee.

 

Maar nu ik ver gevaren heb

En lag op den oceaan alleen,

Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen

Niet boren door de kimmen heen,

Voel ik het trekken als een eb

 

Naar ’t verre, vaste, bruine land...

Nu weet ik: nergens vind ik vree,

Op aarde niet en niet op zee,

Pas aan die laatste smalle ree

Van hout in zand.

 

 

Jan Slauerhoff

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898.

 

 

Slauerhoff
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)

 

  

Nee niet het einde van dit blog, maar veel problemen met mijn computer maakten het vandaag (dat wil zeggen: de 15e september) onmogelijk een normaal bericht te plaatsen. Morgen beter hoop ik!

 

00:41 Gepost door Romenu in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: computer, jan slauerhoff, romenu |  Facebook |

06-05-08

D. Hooijer wint Libris Literatuurprijs


De Nederlandse schrijfster D. Hooijer heeft de Libris literatuurprijs 2008 gekregen voor haar verhalenbundel Sleur is een roofdier.”  Hooijer (eig. Kitty Ruys) werd geboren op 10 juni 1939 in Hilversum. Zij debuteerde in 2001 met de verhalenbundel 'Kruik en kling'. Ook schrijft ze poëzie en ze tekent, zowel bij haar eigen werk als bij dat van anderen, zoals bij het verhaal 'Opa Perenboom van Kreek Daey Ouwens'. In het najaar van 2004 verscheen haar tweede verhalenbundel: 'Zuidwester meningen'.

 

Haar uitgeverij van Oorschot prijst het titelverhaal van de winnende bundel als volgt aan: “Altijd gedacht dat sleur synoniem is met saaiheid en stilstand? Een vergissing – sleur is een roofdier! Het ligt op de loer, bespringt je onverhoeds en scheurt de grootste liefde kapot met zijn scherpe tanden. In het titelverhaal van deze bundel van D. Hooijer is alles zoals het bij Hooijer altijd is: anders dan je zou denken. Anders dan gewoon. Hoofdpersoon Rolf trouwt er met Gwenn, hecht zich aan haar zoontje en ontdekt vervolgens dat Gwenn intieme brieven van haar ex ontvangt en met hem naar bed gaat om hem zogenaamd te leren hoe dat ook alweer moet. Bij Hooijer explodeert dan niet meteen het huwelijk, nee, eerst gaan de mannen samen eten, dan wordt er een lijst gemaakt met hoe de ex zich seksueel kan verbeteren en pas dán – springt de sleur alsnog uit zijn schuilhoek.”

 

 

Uit: ZUIDWESTER MENINGEN

 

“Ik win een negertje van wit aardewerk en daarna hetzelfde poppetje maar nu zwart. Zwarter zelfs dan ik.
‘Had ik nou geen hoofdprijs, alles raak,’ vraag ik aan het meisje.
‘Daar ga ik niet over, alles gaat electronisch.’
Voor de volgende drie keer raak geeft ze me een eekhoorntje van plastic met opgespoten pluche. Tien euro heb ik nog. Ik verdenk de meid van pesterij en dat maakt me link. Ik vraag haar dringend om de wolfachtige beer niet weg te geven. Die! Ik wijs op de vijfde in de rij. Ze knikt meer uit de hoogte dan geruststellend. Ik ga pinnen.
Weer goed stampend lopen naar de automaat. Opschieten. De flinke pas weer, daarna ga ik draven. Verdomd ik voel dat er iets zwaars uit mijn hoofd weg is.
Eerst wil ik mijn rekening leeghalen maar ik bedenk me dat ik nog twee weken door moet en geen pils en aardappelen in huis heb. Ik pin tweehonderd euro en draaf terug naar de schiettent met het mooie meisje. Van alle mooie meisjes is zij de lelijkste en van alle lelijke zou zij weer de mooiste zijn. Ze is dus doorsnee. Ze heeft wel heel mooie paarse natte lippen; nou ja alsof ze dood is, dat wel. Maar ze leeft en ze noemt me schat en kijkt me koud aan. Jammer dat ze me het beest niet geeft.

Moet ik me eerst waarmaken? Hoe moet dat, hoe waar ben ik, laat ik dat eens bedenken. Aardig ben ik, en niet lui maar niet helemaal aardig en niet helemaal lui. Zeg maar gerust dat ik ook doorsnee ben.
Omdat ik deze keer een recht geweer krijg terwijl ik net aan het kromme gewend was, moet ik weer inschieten. Daarna schiet ik een kwartier lang de sterren uit de hemel. Laat ik het beter zeggen. Ik schiet twee gele beren die me niet blij maken, ik schiet drie van die eekhoorntjes en een prachtig konijn alleen moet ik hem niet. De mensen blijven staan kijken want ik zet alle dieren aan mijn voeten. Elke keer vraag ik eerst om de wolf.
‘Geef die jongen toch die herdershond,’ roept een man.
‘Nee, waarom. Het gaat electronisch.
‘Gelul je hoeft alleen maar af te haken.’
Er komen meer mensen bij. Ik schiet en schiet, mijn bloed kookt. Al moet ik terug voor de rest van mijn uitkering, al moet ik een lening afsluiten, ik zal me door de pluchetroep heenschieten om de wolf te krijgen. Hij kijkt steeds verstandiger, hij kijkt of hij dit verwacht heeft, dit bloedig gevecht voor hij los mag. Mijn handen beginnen te trillen.
‘Ik moet even ontspannen. Hem niet weggeven hé?’
Ik geef het geweer terug.”

 

 

 

 

Hooijer
D. Hooijer (Hilversum, 10 juni 1939)

 

Zie ook voor de schrijvers van vandaag, 6 mei 2008, mijn vorige posting.

 

 

12-04-08

VSB Poëzieprijs voor Leonard Nolens


De Vlaamse dichter en schrijver  Leonard Nolens heeft gisteravond in De Rode Hoed in Amsterdam de vijftiende VSB Poëzieprijs gekregen voor zijn vorig jaar verschenen bundel Bres. De VSB Poëzieprijs is de belangrijkste dichtersprijs in het Nederlandse taalgebied. De prijs omvat 25.000 euro en een beeldje van Linda Verkaaik. Zie ook mijn blog van gisteren, 11 april 2008.

 

Zonder mij

 

Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden.

Met die muziek heb ik ons huis gebouwd, mijn leven

Vernield om toe te zien of dood de moeite waard is,

Of ik daar weg mee kan zonder te moeten sterven.

 

Wat kan ik voor je doen, ik moet toch van je blijven.

Ik heb je toch op mij genomen zonder je te nemen,

Zonder me te geven want ik ben alleen maar jij.

Ik ben alleen maar jij geweest om niet te moeten zijn.

 

Ik ben alleen maar jij geworden om niet ik te zijn.

Dat is een laffe liefde, Zoet, vergeef het mij.

Wat kan ik voor je doen, ik ben alleen maar woorden,

Wou je worden, wou ons worden zonder mij.

 

 

 

 

Schatplichtig

 

Ze slaapt en dat is stil. Dan sneeuwt het in de kamers
Van het huis waarin ik slaap met mijn vriendin.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen,
Een groot en lastig beeld waaraan ik mij moet stoten,
Een scherp gewicht dat ik moet dragen alle dagen,
Alle nachten dat haar slaap me uit de slaap houdt.

 

Ik ben met haar alleen. Alleen met haar kom ik
De jaren afgewandeld want haar naam wijst me de weg
En in haar blik zie ik mijn blinde tijd weerspiegeld.
Ze ligt er naakt en wit, een ademende steen
Waaraan ik heel mijn bot bestaan geslepen heb
En slijp, ook als ik slaap en roepend van haar droom.

 

 

 

 

Uit de tijd

 

Ik rijd naar huis in de bellende leegte
Van de laatste tram. Het wordt mijn tijd.

 

Verlaten straten komen samen, gaan uiteen
Op steeds dezelfde, stroevende punten.

 

Ik zit in mijn ijzer, lees de haltes, steeds
Dezelfde, door het raam dat wie weerkaatst.

 

Ik zoen de koude naam op de achterkant
Van mijn adres, verscheur de enige brief.

 

Het maanwit heeft weer niets verklaard.
De nacht bezit geen grond om op te rusten.

 

Het is vroeg in de slapende stad.
Het is laat in mijn slapeloos leven.

 

 

 

 

nolens2
Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

 

11:06 Gepost door Romenu in Actualiteit | Permalink | Commentaren (1) | Tags: leonard nolens, vsb poezieprijs, romenu |  Facebook |

02-02-08

Hella Haasse 90 jaar! James Joyce, Eriek Verpale, James Dickey, Xuân Diệu, Ayn Rand


Hella Haasse 90 jaar!

De Nederlands schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Dat is vandaag precies 90 jaar geleden. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

Uit: Oeroeg

 

‘Je moet maar een verlanglijst maken,’ begon mijn vader. Ik knikte. Ik was van plan voor Oeroeg en mij buksen te vragen, die wij mee op jacht zouden kunnen nemen, maar ik betwijfelde sterk, of mijn vader de noodzaak van een dergelijk geschenk zou inzien. ‘Over een paar maanden krijg ik verlof,’ ging mijn vader voort. ‘Ik wil graag wat gaan reizen, wat van de wereld zien, nu ik het me nog kan permitteren. Je begrijpt wel, dat ik je niet mee kan nemen. Ik heb er over gedacht om je naar Holland te sturen, naar een kostschool of iets dergelijks. Aan het eind van deze cursus doe je toelatingsexamen, dan zul je toch naar de HBS moeten. En het leven hier...’ hij maakte een gebaar om zich heen. ‘Je komt veel te kort, op deze manier. Je verindischt helemaal, dat hindert me.’ Ik zette me schrap bij de wastafel. ‘Ik wil niet naar Holland,’ stootte ik uit. De verhalen van Gerard flitsten mij door het hoofd: regen en kou, bedompte kamers, saaie stadsstraten. ‘Ik wil hier blijven,’ herhaalde ik, ‘en Oeroeg...’ Mijn vader onderbrak me met een ongeduldige beweging. ‘Oeroeg, Oeroeg,’ zei hij, ‘altijd Oeroeg. Je zult ééns zonder Oeroeg moeten. Die vriendschap duurt me lang genoeg. Ga je nooit om met jongens uit je klas? Vraag er een paar hier, als je jarig bent. Ze kunnen gehaald en thuisgebracht worden met de auto. Ik begrijp wel, dat je aan Oeroeg gehecht bent,’ voegde hij er aan toe, toen hij mijn gezicht zag. ‘Het was ook onvermijdelijk. Ik moest iets voor die jongen doen. Maar Oeroeg gaat aan het werk, als hij van school komt, en jij moet verder leren. Bovendien -’ hij aarzelde even, vóór hij er aan toevoegde: ‘Je kunt dat toch begrijpen, jongen. Jij bent een Europeaan.’ - Ik dacht er over, maar de belangrijkheid van dit laatste feit, dat ik een Europeaan was, vermocht niet tot mij door te dringen.

 

(……)

 

‘Oeroeg zei ik, halfluid. De woudduif vloog klapwiekend uit de bomen. Ik weet niet echt hoe lang wij daar tegenover elkaar stonden, zonder te spreken. Ik verroerde me niet, hij evenmin. Ik wachtte, maar zonder angst, in volkomen ontspanning. Het kwam mij voor dat dit het moment was waartoe alle gebeurtenissen, sinds de geboorte van Oeroeg en mij, onherroepelijk geleid hadden. Hier was, voor het eerst, het kruispunt waarop wij elkaar in uiterste eerlijkheid konden ontmoeten. Hij hief zijn wapen. ‘Ik ben niet alleen; zei ik, hoewel ik niet geloof dat het angst was die me daartoe dreef.Het liet mij werkelijk onverschillig of hij me neer zou schieten of niet. ‘Ga weg; zei hij in het Soendanees, ‘ga weg, anders schiet ik. Je hebt hier niets te maken.’

 

 

 

Haasse2
Hella Haasse (Batavia, 2 februari 1918)

 

 

 

 

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007 en mijn blog van 16 juni 2006.

 

Uit: Ulysses

 

He mounted to the parapet again and gazed out over Dublin bay, his fair oakpale hair stirring slightly.--
----
--God, he said quietly. Isn't the sea what Algy calls it: a grey sweet mother? The snotgreen sea. The scrotumtightening sea. Epi oinopa ponton. Ah, Dedalus, the Greeks. I must teach you. You must read them in the original. Thalatta! Thalatta! She is our great sweet mother. Come and look.

Stephen stood up and went over to the parapet. Leaning on it he looked down on the water and on the mailboat clearing the harbour mouth of Kingstown.

--Our mighty mother, Buck Mulligan said.

He turned abruptly his great searching eyes from the sea to Stephen's face.

--The aunt thinks you killed your mother, he said. That's why she won't let me have anything to do with you.

--Someone killed her, Stephen said gloomily.

--You could have knelt down, damn it, Kinch, when your dying mother asked you, Buck Mulligan said. I'm hyperborean as much as you. But to think of your mother begging you with her last breath to kneel down and pray for her. And you refused. There is something sinister in you . . .

He broke off and lathered again lightly his farther cheek. A tolerant smile curled his lips.

--But a lovely mummer, he murmured to himself. Kinch, the loveliest mummer of them all.

He shaved evenly and with care, in silence, seriously.

Stephen, an elbow rested on the jagged granite, leaned his palm against his brow and gazed at the fraying edge of his shiny black coat-sleeve. Pain, that was not yet the pain of love, fretted his heart. Silently, in a dream she had come to him after her death, her wasted body within its loose brown grave-clothes giving off an odour of wax and rosewood, her breath, that had bent upon him, mute, reproachful, a faint odour of wetted ashes. Across the threadbare cuffedge he saw the sea hailed as a great sweet mother by the wellfed voice beside him. The ring of bay and skyline held a dull green mass of liquid. A bowl of white china had stood beside her deathbed holding the green sluggish bile which she had torn up from her rotting liver by fits of loud groaning vomiting.

 

 

 

james-joyce-by-jacque-emile-blanche
James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)

Geschilderd door Jacque Emile Blanche

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

 

Lied der scheepvaart

 

Ze wilden wel nog iets zeggen

maar niet zoveel: met andere woorden

misschien scherpe ankers slaan

in het dure weefwerk van hun geweten.

 

En ze dróómden het natuurlijk nog wel:

elkander met een voorzichtige hand

binnen praaiafstand naar oud verlangen

loodsen.

 

Nog een oceaan van tijd, dachten ze,

ligt voor ons open. In het vooronder van een rok

zouden weldra weer handen streng de wacht

of wild van stapel lopen.

 

Maar ik zag het inmiddels wel:

hoe overboord gegooid

en buiten enterbereik reeds

hun laatste gebaren dreven,

zodat ik wist: aan dit tij

valt niets meer te keren.

 

 

 

 

Verpale
Eriek Verpale (Zelzate, 2 februari 1952)

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

For the last wolverine

 

They will soon be down

To one, but he still will be
For a little while still will be stopping

The flakes in the air with a look,
Surrounding himself with the silence
Of whitening snarls. Let him eat
The last red meal of the condemned

To extinction, tearing the guts

From an elk. Yet that is not enough
For me. I would have him eat

The heart, and, from it, have an idea
Stream into his gnawing head
That he no longer has a thing
To lose, and so can walk

Out into the open, in the full

Pale of the sub-Arctic sun
Where a single spruce tree is dying

Higher and higher. Let him climb it
With all his meanness and strength.
Lord, we have come to the end
Of this kind of vision of heaven,

As the sky breaks open

Its fans around him and shimmers
And into its northern gates he rises

Snarling complete in the joy of a weasel
With an elk's horned heart in his stomach
Looking straight into the eternal
Blue, where he hauls his kind. I would have it all

My way: at the top of that tree I place

The New World's last eagle
Hunched in mangy feathers giving

Up on the theory of flight.
Dear God of the wildness of poetry, let them mate
To the death in the rotten branches,
Let the tree sway and burst into flame

And mingle them, crackling with feathers,

In crownfire. Let something come
Of it something gigantic legendary

Rise beyond reason over hills
Of ice SCREAMING that it cannot die,
That it has come back, this time
On wings, and will spare no earthly thing:

That it will hover, made purely of northern

Lights, at dusk and fall
On men building roads: will perch

On the moose's horn like a falcon
Riding into battle into holy war against
Screaming railroad crews: will pull
Whole traplines like fibers from the snow

In the long-jawed night of fur trappers.

But, small, filthy, unwinged,
You will soon be crouching

Alone, with maybe some dim racial notion
Of being the last, but none of how much
Your unnoticed going will mean:
How much the timid poem needs

The mindless explosion of your rage,

The glutton's internal fire the elk's
Heart in the belly, sprouting wings,

The pact of the "blind swallowing
Thing," with himself, to eat
The world, and not to be driven off it
Until it is gone, even if it takes

Forever. I take you as you are

And make of you what I will,
Skunk-bear, carcajou, bloodthirsty

Non-survivor.

Lord, let me die but not die
Out.

 

 

 

 

JamesDickey
James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

 

 

 

De Viëtnamese dichter Xuân Diệu werd geboren op 2 februari 1916 in Gò Bồi, gemeente Tùng Giản. Zie ook mijn blog van 2 februari 2007.

 

 

Orange in green skin

When Autumn nears,
I like the scent of the orange's skin,
Still green, on my hand after peeling,
The perfume lingers.

Oh! Yellow flesh is sweet,
And the skin is not in a hurry,
Bitterness breaks in the nose
Like a wave of perfume.

In my youth, out of duty,
I returned from far away
Like Autumn nearing,
Crazy with first love.

My hand is eager,
Across thousands of miles of missing love.
For the excitement of peeling
An orange in green skin.

 

 

 

Dieu2
Xuân Diệu (2 februari 1916 - 18 december 1985)

 

 

 

 

 

Voor onderstaande schrijver zie ook mijn blog van 2 februari 2007

 

De Amerikaanse schrijfster van Russische komaf Ayn Rand (eig. Alissa "Alice" Zinovievna Rosenbaum) werd geboren in Sint-Petersburg op  2 februari 1905.

 

 

09-01-08

Honderd jaar Simone de Beauvoir , Bas Heijne, Benjamin Lebert, Karel Čapek


De Franse schrijfster Simone de Beauvoir werd geboren op 9 januari 1908 in Parijs. Dat is vandaag dus precies honderd jaar geleden. Zie ook mijn blog van 9 januari 2007.

 

Uit: Une mort très douce

 

“Le jeudi 24 octobre 1963, à quatre heures de l'après-midi, je me trouvais à Rome, dans ma chambre de l'hôtel Minerva; je devais rentrer chez moi le lendemain par avion et je rangeais des papiers quand le téléphone a sonné. Bost m'appelait de Paris : "Votre mère a eu un accident", me dit-il. J'ai pensé : une auto l'a renversée. Elle se hissait péniblement de la chaussée sur le trottoir, appuyée sur sa canne, et une auto l'avait renversée. "Elle est tombée dans sa salle de bains; elle s'est cassé le col du fémur", me dit Bost. Il habitait dans le même immeuble qu'elle. La veille, vers dix heures du soir, montant l'escalier avec Olga, il avaient remarqué trois personnes qui les précédaient : une dame et deux agents. "C'est au deuxième étage et demi", disait la dame. Etait-il arrivé quelque chose à Mme de Beauvoir? Oui. Une chute. Pendant deux heures elle avait rampé sur le plancher avant d'atteindre le téléphone; elle avait demandé à une amie, Mme Tardieu de faire enfoncer la porte. Bost et Olga avaient accompagné le groupe jusqu'à l'appartement. Ils avaient trouvé maman couchée par terre dans sa robe de chambre rouge en velours côtelé. La doctoresse Lacroix, qui loge dans la maison, avait diagnostiqué une rupture du col du fémur; transportée au services des urgences de l'hôpital Boucicaut, maman avait passé la nuit dans une salle commune…

 

…"Mais je l'emmène à la clinique C. me dit Bost. C'est là qu'opère un des meilleurs chirurgiens des os, le professeur B. Elle a protesté, elle avait peur que ça ne vous coûte trop cher. Mais j'ai fini par la convaincre."

Pauvre maman ! J'avais déjeuné avec elle à mon retour de Moscou, cinq semaines plus tôt; comme d'habitude elle avait mauvaise mine. Il y avait eu un temps, pas bien lointain, où elle se flattait de ne pas paraître son âge; maintenant on ne pouvait plus s'y tromper : c'était une femme de soixante-dix sept ans, très usée. L'arthrose des hanches, qui s'était déclarée après la guerre, avait empiré d'année en année, malgré les cures à Aix-les-Bains et les massages : elle mettait une heure à faire le tour d'un pâté de maisons. Elle souffrait, elle dormait mal, en dépit des six cachets d'aspirine qu'elle avalait chaque jour. Depuis deux ou trois ans, depuis l'hiver dernier surtout, je lui voyais toujours ces cernes violets, ce nez pincé, ces joues creuses. Rien de grave, disait son médecin, le docteur D. : des troubles du foie, de la paresse intestinale; il prescrivait quelques drogues, de la confiture de tamarine contre la constipation. Je ne m'étonnai pas, ce jour-là, qu'elle se sentît "patraque"; ce qui me peina, c'est qu'elle eût passé un mauvais été. Elle aurait pu villégiaturer fans un hôtel ou dans un couvent qui acceptait des pensionnaires…”

 

 

 

BeauvoirSimoneDe
Simone de Beauvoir (9 januari 1908 – 14 april 1986)

 

 

 

 

De Nederlandse publicist, schrijver en vertaler Bas Heijne werd geboren op 9 januari 1960 in Nijmegen. Heijne studeerde Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 1984 debuteerde hij met de roman Laatste woorden. Hij schreef tussen 1984 en 1992 reisverhalen voor het tijdschrift De Tijd. Een deel van deze verhalen werd later gebundeld in Vreemde reis. Zijn tweede roman, Suez, verscheen in 1992. Heijne is sinds 1991 als essayist verbonden aan NRC Handelsblad, voor welke krant hij sinds 2001 ook om de week een column verzorgt. Zijn essaybundel De wijde wereld werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Hij heeft werk vertaald van Evelyn Waugh, E.M. Forster en Joseph Conrad. In 2003 heeft hij het toneelstuk Van Gogh geschreven dat werd gespeeld door ZT Hollandia.

 

Uit: Staat Nederland weer in brand?

 

“In Mimesis, de klassieke studie van Erich Auerbach over hoe de werkelijkheid in de westerse literatuur door de eeuwen heen is verbeeld, wordt een stukje van een zekere Ammianus geciteerd, die een volksopstand beschrijft. Ammianus leefde in de vierde eeuw na Christus, in de nadagen van het Romeinse Rijk, en Auerbach laat zien hoe zijn opzwepende taal zich heeft losgemaakt van de werkelijkheid; het is een en al hyperbool en verbale uitzinnigheid in zijn reportage. Ammianus beschrijft de opstand van de massa in zuiver zintuiglijke taal, zonder enige analyse of distantie. Tacitus was al beklemmend, zegt Auerbach, maar ‘hier bij Ammianus is het echter tot een magische en zintuiglijke ontmenselijking gekomen’.

Magisch en somber zintuiglijk, star beeldend en gebarend, noemt Auerbach de stijl van de oude Romein. Die kwalificaties gaan op voor de taal die nu in Nederland gemeengoed is geworden. De grootste Nederlander aller tijden, de puinhopen van acht jaar paars, de vijfde colonne van de geitenneukers, afgeslacht!, ik lust ze rauw, Nederland staat in brand! Het is taal die moet opzwepen, die voor de emotie moet zorgen. Geen wonder dat in zo'n klimaat de hysterische jihadtaal van islamitische extremisten Marokkaans-Nederlandse tieners aanspreekt. Voeg daar nog de eindeloze uitzinnigheid van door verbale doodsdrift bevangen rappers als Tupac aan toe en je begint te begrijpen waarom het in Nederland steeds weer uit de hand loopt. Iedereen doet eraan mee, de actualiteitenkermis van de televisie, de krantenjournalistiek, de politieke celebrities van het nieuwe Nederland, de rabiate loonies op internet. Alleen Ali B. houdt de boel nog een beetje bij elkaar.

In het voortsukkelende debat over de vrijheid van meningsuiting dat na de moord op Van Gogh is ontstaan, draait het vooral om hoever je zou mogen gaan - mag je iemand keer op keer tot op het bot beledigen? De vraag waarom je eigenlijk iemand tot op het bot zou willen beledigen, wordt nauwelijks gesteld. Stel hem wel en je krijgt ongetwijfeld een antwoord vol grote gebaren: het woord moet vrij zijn, niet vogelvrij, enzovoort. Maar dat alles verhult alleen maar wat er in werkelijkheid aan de hand is, dat wat Nederland op dit moment in het buitenland niet zozeer lachwekkend maakt, als wel onrustbarend: dat het woord in Nederland volledig tot emotie geworden is. Oproepen tot matiging heeft dan ook geen zin, want de betekenis van al die snoeiharde taal schuilt nu juist in de woedende heftigheid ervan. Zet de televisie aan en je belandt in een orgie van verbaal geweld. Daarachter: een angstwekkende leegte.”

 

 

 

 

Bas_Heijne
Bas Heijne (
Nijmegen, 9 januari 1960)

 

 

 

 

 

De Duitse schrijver Benjamin Lebert werd geboren op 9 januari 1982 in Freiburg im Breisgau. Zijn vader stond aan de wieg van de jeugbijlage van de Süddeutschen Zeitung, waar de jonge Benjamin ook enkele bijdragen voor schreef. Door de lector van een bekende Duitse uitgeverij werd de jongen aangemoedigd om een roman te schrijven. Deze roman, Crazy, verscheen al toen Lebert zestien jaar was. Hij beschrijft erin typische adolescentenproplemen, maar ook zijn handicap. De schrijver is aan een kant verlamd. Na het verschijnen van het boek gaf hij aan de New York University een cursus Creative Writing. Intussen verschenen er nog twee romans: Der Vogel ist ein Rabe (2003) und Kannst du (juni 2006). Tegenwoordig woont Lebert in Hamburg.

 

 

Uit: Kannst du

Immer wenn ich traurig bin, versuche ich an Fotoalben zu denken. Immer, wenn ich daran zweifle, ob es gut ist, daß ich existiere, blättere ich in meinem Geiste all die Fotoalben durch, Fotoalben verschiedenster Menschen aus verschiedensten Ländern, in denen zufällig und ohne daß diese Menschen Notiz davon nehmen würden, ein Foto klebt, auf dem ich zu sehen bin.

Fünf japanische Männer vor einem Brunnen in München. Im Hintergrund, am Brunnenrand sitzend: eine dicke, ältere Frau in einer blauen Bluse, die gerade ein Eis schleckt. Zu ihren Füßen, sehnsuchtsvoll zu ihr herauf blickend: ein kleiner Jack-Russel-Terrier. Rechts neben ihr, zwar nicht in ihre Richtung, nicht in Richtung des Eises, doch mindestens genauso sehnsuchtsvoll dreinblickend wie der Hund: ich.

Zwei Schülerinnen an einem winterlichen Tag, an Deck einer Fähre. Um sie herum Leute in dicken Jacken oder Mänteln. Die meisten haben Mützen auf dem Kopf, ihre Hände stecken in Handschuhen. Und alle haben verkniffene Gesichter, weil ihnen der Wind so um die Ohren pfeift. Einer dieser Leute, ein dünner junger Kerl mit blauen Augen und Walkman-Stöpseln im Ohr: ich.

Ein älteres Ehepaar an einem herrlichen Sommertag an der französischen Atlantikküste. Sie hat einen weißen Strohhut auf dem Kopf, er ein Basecap. Beide tragen Strandkleidung und Sonnenbrillen. Er hat seinen Arm um sie gelegt. Über ihnen azurblauer Himmel, hinter ihnen heranrollende Wellen. Seitlich barfuß ins Bild rennend, mit einem Bodysurfbrett unterm Arm, einem von der Sonne verbrannten Oberkörper und einer engen roten Badehose: ich.“

 

 

 

 

Lebert
Benjamin Lebert (
Freiburg im Breisgau, 9 januari 1982)

 

 

 

 

Zie voor ondertsaande schrijver ook mijn blog van 9 januari 2007.

 

 

De Tsjechische schrijver Karel Čapek werd geboren op 9 januari 1890 in Malé Svatoňovice, Bohemen, in de toenmalige dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije.

 

 

15-12-07

P.C. Hooftprijs 2008 voor Abram de Swaan


De P.C. Hooftprijs 2008 is vrijdag toegekend aan schrijver en socioloog Abram de Swaan.

 

De Nederlandse schrijver en socioloog Abram de Swaan werd geboren op 8 januari 1942. De Swaan studeerde politicologie aan de UvA en aan twee Amerikaanse universiteiten: Yale en Berkeley. Hij was redactielid van het studentenblad Propria Cures (1963-'65) en van De Gids. In 1973 promoveerde hij cum laude op het onderwerp coalitievorming, om in hetzelfde jaar nog lector en in 1977 hoogleraar te worden. Tussendoor studeerde hij psychoanalyse en hij werkte daadwerkelijk als psychotherapeut van 1973 tot 1984. Later publiceerde hij over dit onderwerp. Ook heeft hij verschillende gasthoogleraarschappen aan buitenlandse universiteiten bekleed. De Swaan is lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen.

 

 

Uit: Amerika in termijnen

 

Vulgariteit

 

“Amerika was het land van de techniek en Europa bezat cultuur. Dat was zo ongeveer de taakverdeling die de westerse mensheid voor de continenten had gemaakt. En als dan de Amerikaanse toeristen kwamen, uiteraard met sigaar en fototoestel en een or-di-nair overhemd, dan gingen wij vlug op de stoep van onze oude kathedraal staan en medelijdend toekijken hoe weinig die Amerikanen wel van onze cultuur begrepen. Het was wel even slikken als ze na het maken van de foto's wegsuisden in hun 8-cilinder slee, maar wij hadden dan nog altijd onze kathedraal en onze paleizen, .ook al waren we er nooit of in geen jaren binnen geweest. Maar eerlijk is eerlijk, zij geld en techniek en wij geschiedenis en cultuur. De Amerikanen wilden geen spelbrekers zijn en lieten het maar zo. Ze geloofden er eigenlijk zelf ook wel in. Alleen, zo langzamerhand hingen er meer impressionisten in New York dan in Parijs. Goed dat was gekocht met een overvloed van harde dollars, kunst, met geweld. Dat zei nog niets over Amerika's cultuur. Nog een tijdje later speelden ze Shakespeare beter op Broadway dan in Londen. En er kwamen veel meer mensen kijken. Maar dat was Broadway en dat zat vol neon en bioscopen, dat telt dus niet, dat is commercie, geen cultuur, maar het begon er al wel vervaarlijk op te lijken. Dat de grootste bibliotheken in Amerika staan, dat komt natuurlijk alleen door de dollars, liefde voor de grote getallen en verzameldrift. Dat de beste universiteiten in de Verenigde Staten zijn, dat is uiteraard enkel maar te danken aan de Europese immigranten uit de jaren dertig.
Maar gastvrij was het wel. En hoe komt het dat ze dertig jaar later nóg beter zijn? Alleen maar technisch, raketten, weetje wel. Dat is geen echte cultuur. Dat is meer knutselen met computers. Computers ! Zodra ze overweg konden met het toetsenbord begonnen bijbelgeleerden aan een computeronderzoek naar het auteurschap van de Pentateuch, anderen zochten naar de geheime grondslagen van het schaakspel door het met de machine uit te spelen. Psychologen ontrafelden de motieven voor zelfmoord, taaigeleerden onderzochten gewoonten in het taalgebruik. Bijbel, schaak, zelfmoord en taal, met cultuur heeft dit alles niets van doen: de Amerikanen weten er niets beters mee uit te richten dan optellen en aftrekken, ze willen alles uitrekenen met machines. Het doet er niet toe wat er uit komt, ze missen het wezen van de taal, het wezen van de dingen. Want het wezen is van ons, van Europa.”

 

 

 

 

 

abramdeswaan
Abram de Swaan (8 januari 1942)

 

 

18:26 Gepost door Romenu in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: romenu, p c hooftprijs, abram de swaan |  Facebook |

16-10-07

Günter Grass tachtig jaar! Oscar Wilde, Dimitri Verhulst


De Duitse schrijver Günter Grass werd geboren in Danzig (tegenwoordig Gdansk, Polen) op 16 oktober 1927. Hij is vandaag dus tachtig jaar geworden. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006.

 

 

Uit: Im Krebsgang

 

»Warum erst jetzt?« sagte jemand, der nicht ich bin. Weil Mutter mir immer wieder ... Weil ich wie damals, als der Schrei überm Wasser lag, schreien wollte, aber nicht konnte ... Weil die Wahrheit kaum mehr als drei Zeilen ... Weil jetzt erst ...
Noch haben die Wörter Schwierigkeiten mit mir. Jemand, der keine Ausreden mag, nagelt mich auf meinen Beruf fest. Schon als junger Spund hätte ich, fix mit Worten, bei einer Springer-Zeitung volontiert, bald gekonnt die Kurve gekriegt, später für die »taz« Zeilen gegen Springer geschunden, mich dann als Söldner von Nachrichtenagenturen kurz gefaßt und lange Zeit freiberuflich all das zu Artikeln verknappt, was frisch vom Messer gesprungen sei: Täglich Neues. Neues vom Tage.
Mag schon sein, sagte ich. Aber nichts anderes hat unsereins gelernt. Wenn ich jetzt beginnen muß, mich selber abzuwickeln, wird alles, was mir schiefgegangen ist, dem Untergang eines Schiffes eingeschrieben sein, weil nämlich, weil Mutter damals hochschwanger, weil ich überhaupt nur zufällig lebe.
Und schon bin ich abermals jemand zu Diensten, darf aber vorerst von meinem bißchen Ich absehen, denn diese Geschichte fing lange vor mir, vor mehr als hundert Jahren an, und zwar in der mecklenburgischen Residenzstadt Schwerin, die sich zwischen sieben Seen erstreckt, mit der Schelfstadt und einem vieltürmigen Schloß auf Postkarten ausgewiesen ist und über die Kriege hinweg äußerlich heil blieb.
Anfangs glaubte ich nicht, daß ein von der Geschichte längst abgehaktes Provinznest irgendwen, außer Touristen, anlocken könnte, doch dann wurde der Ausgangsort meiner Story plötzlich im Internet aktuell. Ein Namenloser gab mit Daten, Straßennamen und Schulzeugnissen personenbezogene Auskunft, wollte für einen Vergangenheitskrämer wie mich unbedingt eine Fundgrube aufdecken.
Bereits als die Dinger auf den Markt kamen, habe ich mir einen Mac mit Modem angeschafft. Mein Beruf verlangt diesen Abruf weltweit vagabundierender Informationen. Lernte leidlich, mit meinem Computer umzugehen. Bald waren mir Wörter wie Browser und Hyperlink nicht mehr böhmisch. Holte Infos für den Gebrauch oder zum Wegschmeißen per Mausklick rein, begann aus Laune oder Langeweile von einem Chatroom zum anderen zu hüpfen und auf die blödeste Junk-Mail zu reagieren, war auch kurz auf zwei, drei Pornosites und stieß nach ziellosem Surfen schließlich auf Homepages, in denen sogenannte Vorgestrige, aber auch frischgebackene Jungnazis ihren Stumpfsinn auf Haßseiten abließen. Und plötzlich - mit einem Schiffsnamen als Suchwort - hatte ich die richtige Adresse angeklickt: »www.blutzeuge.de«. In gotischen Lettern klopfte eine »Kameradschaft Schwerin« markige Sprüche. Lauter nachträgliches Zeug. Mehr zum Lachen als zum Kotzen.
Seitdem steht fest, wessen Blut zeugen soll. Aber noch weiß ich nicht, ob, wie gelernt, erst das eine, dann das andere und danach dieser oder jener Lebenslauf abgespult werden soll oder ob ich der Zeit eher schrägläufig in die Quere kommen muß, etwa nach Art der Krebse, die den Rückwärtsgang seitlich ausscherend vortäuschen, doch ziemlich schnell vorankommen. Nur soviel ist sicher: Die Natur oder genauer gesagt die Ostsee hat zu all dem, was hier zu berichten sein wird, schon vor länger als einem halben Jahrhundert ihr Ja und Amen gesagt.

 

 

 

 

Grass
Günter Grass (Danzig, 16 okober 1927)

 

 

 

 

De Iers-Engelse schrijver Oscar Wilde werd geboren op 16 oktober 1854 in Dublin. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006.

 

 

Sonnet to Liberty

 

Not that I love thy children, whose dull eyes
See nothing save their own unlovely woe,
Whose minds know nothing, nothing care to know, -
But that the roar of thy Democracies,
Thy reigns of Terror, thy great Anarchies,
Mirror my wildest passions like the sea
And give my rage a brother -! Liberty!
For this sake only do thy dissonant cries
Delight my discreet soul, else might all kings
By bloody knout or treacherous cannonades
Rob nations of their rights inviolate
And I remain unmoved - and yet, and yet,
These Christs that die upon the barricades,
God knows it I am with them, in some things.

 

 

 

Holy Week At Genoa

 

I wandered through Scoglietto's far retreat,
The oranges on each o'erhanging spray
Burned as bright lamps of gold to shame the day;
Some startled bird with fluttering wings and fleet
Made snow of all the blossoms; at my feet
Like silver moons the pale narcissi lay:
And the curved waves that streaked the great green bay
Laughed i' the sun, and life seemed very sweet.
Outside the young boy-priest passed singing clear,
'Jesus the son of Mary has been slain,
O come and fill His sepulchre with flowers.'
Ah, God! Ah, God! those dear Hellenic hours
Had drowned all memory of Thy bitter pain,
The Cross, the Crown, the Soldiers and the Spear.

 

 

 

 

 

wilde
Oscar Wilde (16 oktober 1854 – 30 november 1900)

 

 

 

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Dimitri Verhulst werd in 1972 geboren in Aalst. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006.

 

 

Kroniek van een zwangerschap

 

Wij zijn met elkaar gaan leven, in elkaar gaan beven.
We trekken elk ons eigen voordeel uit de twijfel en blijven

namen op dezelfde bel, bedriegers langs dezelfde brievenbus.


Ondanks mijn kortademige vreugde en mijn wreedste vrede,

mijn synoniemen die elkander trachten schoon te spreken

en mijn luidste leugens die ik molenwiekend heb geluid,

ondanks mijn ondanksen, hoop ik dat jij me goed verteert.


Je leert me af nog terwijl je mij ontmantelt,

mijn vragen bekampt met jouw Kempische stiltes.


We zijn begonnen ons verlangen te verlappen aan een ander.

Wie is hij dat jij hem plechtig medeplichtig maakte

aan je nagemaakte overgave in onze laatste lakens?

Ik weet het, hij woont in Zemst, zwemt Olympische lengten in zijn geld

en belt voortdurend op jouw gsm.

Maar dat kind, is dat ook van hem?

 

 

 

 

Verhulst_Koppe
Dimitri Verhulst (Aalst, 1972)

 

 

14-10-07

Friedenspreis des Deutschen Buchhandels voor Saul Friedländer

 

De Israelische historicus Saul Friedländer ontving vandaag de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels. Saul Friedländer schreef vele boeken over nazi-Duitsland en de jodenvervolging en geldt als een grote deskundige op dit gebied. Hij ontving talrijke prijzen en onderscheidingen. Friedländer is hoogleraar geschiedenis aan de University of California en emeritus hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Tel Aviv. Hij werd op 11 oktober 1932 geboren in de Tsjechische hoofdstad Praag. Zijn ouders waren Duitstalige Joden, die later in Auschwitz om het leven zijn gebracht. Hij overleefde de Tweede Wereldoorlog onder een valse naam in Frankrijk.Begin 1939, toen duidelijk werd dat Hitler Tsjechoslowakije zou bezetten, vertrok het gezin naar Frankrijk. De negenjarige Friedländer werd op een streng katholieke kostschool geplaatst. Gescheiden van zijn ouders gaf hij zich geheel over aan het katholicisme. Pas nadat duidelijk was geworden dat zijn ouders in Auschwitz vermoord waren, zocht hij toenadering tot het zionisme.In het boek Herinneringen schetste hij zijn jeugd onder de dreiging van het nazisme.

 

Uit het dankwoord bij het ontvangen van de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels

 

'Madame', schrieb mein Vater auf Französisch, 'ich schreibe Ihnen dies aus dem Zug, der uns nach Deutschland bringt. Im letzten Moment habe ich einem Vertreter der Quäker 6000 Francs und ein Armband mit Anhängern sowie einer Dame ein Briefmarkenalbum zur Weitersendung an Sie übergeben. Heben Sie alles für den Kleinen auf und nehmen Sie zum letzten Mal unseren unendlichen Dank und die herzlichen Wünsche für Sie und die ganze Familie entgegen. Verlassen Sie nicht den Kleinen! Gott möge Ihnen alles vergelten und Sie und Ihre ganze Familie segnen! Elli und Jan Friedländer.' (...)

Sechzig Jahre sind vergangen, seit diese und zahllose andere Stimmen zu vernehmen waren. Und doch berühren sie uns, mag auch noch so lange Zeit verstrichen sein, mit einer ungewöhnlichen Stärke und Unmittelbarkeit, die weit über die Grenzen der jüdischen Gemeinschaft hinaus fortwirkt und die große Teile und mehrere Generationen der abendländischen Gesellschaft bewegt hat. Wenn wir diesen Schreien lauschen, dann haben wir es nicht mit einem ritualisierten Gedenken zu tun, und wir werden auch nicht durch kommerzielle Darstellungen des Geschehens manipuliert.

Vielmehr erschüttern uns diese individuellen Stimmen infolge der Arglosigkeit der Opfer, die nichts von ihrem Schicksal ahnten, während viele rings um sie das Ergebnis kannten und manchmal an seiner Herbeiführung beteiligt waren. Vor allem jedoch bewegen uns die Stimmen der Menschen, deren Vernichtung bevorstand, bis auf den heutigen Tag gerade wegen ihrer völligen Hilflosigkeit, ihrer Unschuld und der Einsamkeit ihrer Verzweiflung. Diese Stimmen bewegen uns unabhängig von aller rationalen Argumentation, da sie den Glauben an die Existenz einer menschlichen Solidarität stets von neuem einer Zerreißprobe aussetzen und in Frage stellen."

 

 

 

friedlaender
 Saul Friedländer (Praag, 11 oktober 1932)

 

 

11-10-07

Nobelprijs voor Doris Lessing


De Engelse schrijfster Doris Lessing heeft de 104de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen. Dit heeft de Zweedse Academie van Wetenschappen vanmiddag bekendgemaakt. De auteur van romans als The Grass Is Singing (1950), The Golden Notebook (1962) en The Good Terrorist (1985) is de elfde vrouw en de negende Brit die de prijs ontvangt.

Lessing krijgt de prijs voor haar met "scepsis, vuur en visionaire kracht geschreven heldenverhalen over de ervaringen van vrouwen, waarmee zij een verdeelde beschaving tegen het licht houdt".

 

Zie ook mijn blog van 22 oktober 2006.

 

Uit: The Grandmothers

 

“On either side of a little promontory loaded with cafés and restaurants was a frisky but decorous sea, nothing like the real ocean that roared and rumbled outside the gape of the enclosing bay and barrier rocks known by everyone -- and it was even on the charts -- as Baxter's Teeth. Who was Baxter? A good question, often asked, and answered by a framed sheet of skilfully antiqued paper on the wall of the restaurant at the end of the promontory, the one in the best, highest and most prestigious position. Baxter's, it was called, claiming that the inner room of thin brick and reed had been Bill Baxter's shack, built by his own hands. He had been a restless voyager, a seaman who had chanced on this paradise of a bay with its little tongue of rocky land. Earlier versions of the tale hinted at pacific and welcoming natives. Where did the Teeth come into it? Baxter remained an inveterate explorer of nearby shores and islands, and then, having entrusted himself to a little leaf of a boat built out of driftwood and expertise, he was wrecked one moony night on those seven black rocks, well within the sight of his little house where a storm lantern, as reliable as a lighthouse, welcomed in ships small enough to get into the bay, having negotiated the reef.

Baxter's was now well planted with big trees that sheltered tables and attendant chairs, and on three sides below was the friendly sea.

A path wandered up through shrubs, coming to a stop in Baxter's Gardens, and one afternoon six people were making the gentle ascent, four adults and two little girls, whose shrieks of pleasure echoed the noises of the gulls.

Two handsome men came first, not young, but only malice could call them middle-aged. One limped. Then two as handsome women of about sixty -- but no one would dream of calling them elderly. At a table evidently well-known to them, they deposited bags and wraps and toys, sleek and shining people, as they are who know how to use the sun. They arranged themselves, the women's brown and silky legs ending in negligent sandals, their competent hands temporarily at rest. Women on one side, men on the other, the little girls fidgeting: six fair heads? Surely they were related? Those had to be the mothers of the men; they had to be their sons. The little girls, clamouring for the beach, which was down a rocky path, were told by their grandmothers, and then their fathers, to behave and play nicely. They squatted and made patterns with fingers and little sticks in the dust. Pretty little girls: so they should be with such good-looking progenitors.

From a window of Baxter's a girl called to them, 'The usual? Shall I bring your usual?' One of the women waved to her, meaning yes. Soon appeared a tray where fresh fruit juices and wholemeal sandwiches asserted that these were people careful of their health.

Theresa, who had just taken her school-leaving exams, was on her year away from England, where she would be returning to university. This information had been offered months ago, and in return she was kept up to date with the progress of the little girls at their first school. Now she enquired how school was going along, and first one child and then the other piped up to say their school was cool. The pretty waitress ran back to her station inside Baxter's with a smile at the two men which made the women smile at each other and then at their sons, one of whom, Tom, remarked, 'But she'll never make it back to Britain, all the boys are after her to stay.'

'More fool her if she marries and throws all that away,' said one of the women, Roz -- in fact Rozeanne, the mother of Tom. But the other woman, Lil (or Liliane), the mother of Ian, said, 'Oh, I don't know,' and she was smiling at Tom. This concession, or compliment, to their, after all, claim to existence, made the men nod to each other, lips compressed, humorously, as at an often-heard exchange, or one like it.”

 

 

 

 
Lessing
Doris Lessing (Kermanshah, Perzië, 22 oktober 1919)

 

 

20:37 Gepost door Romenu in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: doris lessing, romenu, nobelprijs |  Facebook |

10-11-06

Ako Literatuurprijs voor Hans Münstermann


De Nederlandse schrijver Hans Münstermann heeft de Ako Literatuurprijs 2006 gewonnen voor De Bekoring. In de jury zaten naast prinses Laurentien (voorzitster) de recensenten Jos Borré (De Standaard), Johan de Haes (VRT), Elsbeth Etty (NRC Handelsblad) en Rob Schouten (Trouw, Vrij Nederland).

 

BOEKMUNSTERMANN

Zo luidt de presentatie van zijn boek op de AKO site:

De bekoring

”In De bekoring laat Hans Münstermann ons de beschimmelde benauwenis van een aflopend tijdperk voelen. De 'sixties' gloren aan de horizon, maar het zeven kinderen tellende gezin van de Duitser Joachim Klein en diens echtgenote Marianne Petersen leeft nog in het keurslijf van de naoorlogse wederopbouw. Andreas Klein is hun vierde kind en degene die later als schrijver de geschiedenis van het gezin te boek stelt. In De bekoring grijpt hij de sterfdag van zijn moeder aan om zijn herinneringen aan een jeugd in Amsterdam-Zuid te evoceren. Alles in die jeugd draait om de dag dat de moeder man en kinderen verliet met de mededeling nooit meer te zullen terugkeren. Aan haar sterfbed reconstrueert Andreas wat zijn moeder tot haar 'verraad' aan man en kinderen heeft gedreven.
De compositie van De bekoring is meesterlijk. Vanuit het perspectief van het verlaten kind schetst hij in een fraaie, suggestieve stijl het wezen van een radeloze vrouw, een twintigste-eeuwse Madame Bovary.”

 

HansMunstermann
Hans Münstermann (Arnhem, 1947 (Ik gok op 16 juli want dat is de verjaardag van de jonge Andreas uit de bekroonde roman))
 

Zie ook mijn blog van 23 oktober.

19:36 Gepost door Romenu in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: hans munstermann |  Facebook |