27-01-11

VSB Poëzieprijs 2011 voor Armando

 

VSB Poëzieprijs 2011 voor Armando

 

 

De Nederlandse dichter en kunstenaar Armando is de winnaar van de VSB Poëzieprijs 2011. Hij krijgt de jaarlijkse prijs voor Nederlandstalige poëzie voor zijn dichtbundel “Gedichten 2009”. Dat maakte de organisatie woensdag bekend tijdens de prijsuitreiking in het stadhuis van Utrecht. Armando ontving een geldbedrag van 25.000 euro en een glaskunstwerk van kunstenares Maria Roosen. Zie ook mijn blog van 18 september 2006.en ook mijn blog van 18 september 2009 en ook mijn blog van 18 september 2010.

 

 

Voorzichtig


Ze liepen voorzichtig,
en lieten het landschap binnenkomen,
ze merkten dat hun tred bewonderd werd.
Heel voorzichtig gingen ze door de deuren,
langs het lusteloze strand, bezichtigden de bomen,
ze dachten dat de struiken ontvlambaar waren
en de hemel onder handbereik.
Zie, ze houden zich voorzichtig vast.

 

 

 

Nooit meer

Nergens is de lente.
Onverschrokken de helden van weleer.
Nooit meer. Nooit meer.

Geen geestverwanten, geen drempel van de oogst.
Je denkt toch niet dat sneeuw nog smelt.
Met z’n hoevelen waren ze.


 

 


Armando (Amsterdam, 18 september 1929)

  

10:11 Gepost door Romenu in Actualiteit, Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: vsb poëzieprijs, armando, romenu |  Facebook |

Turing Nationale Gedichtenwedstrijd gewonnen door Henk van Loenen

 

Henk van Loenen wint Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

 

 

De Nederlandse dichter Henk van Loenen die onder het pseudoniem Juliën Holtrigter vier dichtbundels heeft gepubliceerd, heeft met het gedicht ‘Onder de sterren’ de tweede editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd gewonnen. De prijs werd gisteren in de Amsterdamse Stadsschouwburg aan hem uitgereikt. Aan de prijs is een bedrag van 10.000 euro verbonden. Henk van Loenen (Hilversum, 1946), publiceerde al in 1969 in het tijdschrift Kentering. Hij debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij uitgeverij Mozaïek. In 2004 verscheen Het verlangen te verdwalen en in 2006 Het stilteregister, beide bij uitgeverij De Harmonie. In april komt zijn vierde bundel uit met als werktitel De onaanraakbaarheid van de ruimte. Hij was werkzaam in het onderwijs als tekendocent, maar is altijd blijven schrijven.

 
Onder de sterren

Onder de sterren geslapen. Lang in de tijd
liggen kijken, in de ijlende, krijsende ruimte.
De vreemde vreugde die dat ondenkbare schept.

Ik zag een foto die iemand vanuit een kuil had genomen.
Uitzicht vanuit een graf, stond eronder. Je zag
een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen.

Ik denk aan mijn vader, heel ver van huis, niet meer
bij machte terug te keren.
En aan mijn ex die ik plots bij mijn tandarts aantrof
boven mijn wijdopen mond, mooier en harder dan ooit,
met een slang in haar hand om het gruis en het vocht
weg te zuigen. Daar lag ik.

Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak
niet meer dan wat kleren, een veldfles, een pen
en papier
 

 

 

 

 

Henk van Loenen (Hilversum, 1946)

   

15-12-10

P.C. Hooftprijs 2011 voor Henk Hofland

 

P.C. Hooftprijs 2011 voor Henk Hofland

 

 

De Nederlandse schrijver, journalist, commentator, essayist en columnist Henk Hofland krijgt de P.C. Hooftprijs 2011. Dat heeft het bestuur van de Stichting P.C. Hooftprijs voor Letterkunde dinsdag bekendgemaakt. Zie ook mijn blog van 20 juli 2010.

 

Uit: Lezen en schrijven (Column)

 

„De verbreiding van internet betekent niet dat in de digitale bovenlagen ideale democratische verhoudingen zullen heersen. Het is waar: wat we aan het begin van deze eeuw de digitale snelweg noemden, heeft de vrijheid van meningsuiting op een toen nog onvoorstelbare manier bevorderd. Het wereldwijde web heeft een onafzienbare hoeveelheid informatie voor iedereen die met een laptop kan werken toegankelijk gemaakt. Bovendien kan iedereen laten weten wat hij van alles vindt. Nooit zijn zoveel mensen in staat geweest over zoveel zaken een zo groot publiek te laten weten wat ze ervan denken. Iedere dag wordt er bij wijze van spreken een paddestoelwolk van opinies de digitale wereld ingestuurd. Met Facebook en Hyves kun je desnoods duizenden vrienden maken. Internetkranten stellen je in de gelegenheid uit de onkwetsbaarheid van je anonimiteit de machtigsten ter wereld ongenadig uit te schelden. Met Twitter laat je in 140 tekens je diepste wijsheid van het moment weten.

Maar dit wil niet zeggen dat de gebruikers van al deze fantastische faciliteiten weten waar ze het over hebben. Om goed van de schatkamers van informatie gebruik te kunnen maken, moet je weten waar je moet zoeken en datgene te begrijpen wat je hebt gevonden. Dit alles vooronderstelt kennis van zaken die een mens nu eenmaal vergaart in een vooropleiding die toewijding, energie en jaren vergt. Daaraan ontbreekt het al diegenen voor wie de wetenschap van internet wel bereikbaar is, maar de inhoud abracadabra.

De formule die Menno ter Braak in 1937 in zijn Het nationaal-socialisme als rancuneleer gebruikte, heeft een nieuwe actualiteit gekregen. „Naarmate het bezit van cultuur meer als een recht wordt gevoeld, wordt de afstand die er bestaat tussen dat recht op alles en het bezit van weinig in de praktijk, meer beseft als een onrecht.” Degene die hier het slachtoffer is „kan het meerdere bezit van de ander niet verdragen. Het maakt hem hels, de ander bevoorrecht te zien. Hij wrokt omdat hij in de wrok althans de lust van de permanente ontevredenheid beleeft.”

Heeft de schijn van gelijkheid die door de verbreiding van internet is ontstaan deze wrok tot een eigentijds verschijnsel gemoderniseerd? Ligt hier de verklaring van de wijdverbreide haat tegen de ‘elite’, bestaande uit mensen die het dankzij hun opleiding en ervaring op een grote verscheidenheid van gebieden beter weten dan wat vroeger de ‘leek’ werd genoemd? Als van iemand nu gezegd wordt dat hij ‘tot de elite hoort’, is dat in negen van de tien gevallen een verdachtmaking. Elite is een scheldwoord geworden, niet alleen hier; ook in Amerikaanse populistische kringen. ‘Linkse elite’, nog erger – terwijl toch president George W. Bush, de neoconservatieven en de bankiers aan de wortel van onze tegenwoordige problemen hebben gestaan.“

 

 

 


Henk Hofland (Rotterdam, 20 juli 1927)

 

 

13-10-10

Booker Prize voor Howard Jacobson

 

Booker Prize voor Howard Jacobson

 

 

De Britse schrijver Howard Jacobson heeft dinsdag de Man Booker Prize 2010 gekregen voor zijn roman The Finkler Question. De uitreiking werd rechtstreeks uitgezonden door de omroep BBC. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 50.000 pond (ruim 56.000 euro).

 

Howard Jacobson werd geboren op 25 augustus 1942 in Manchester. Hij is opgegroeid in Prestwich en werd opgeleid aan Stand Grammar School in Whitefield, alvorens Engels te gaan studeren op Downing College, Cambridge. Hij doceerde gedurende drie jaar aan de Universiteit van Sydney voordat hij terugkeerde naar Engeland om les te geven aan Selwyn College in Cambridge.

Zijn fictie, met name de vijf romans die hij heeft gepubliceerd sinds 1998, wordt vooral gekenmerkt door een discursieve en humoristische stijl. Terugkerende onderwerpen in zijn werk zijn man-vrouw verhoudingen en de Joodse ervaring in Groot-Brittannië in de midden-tot laat-20e eeuw. Jacobson is wel vergeleken met vooraanstaande Joods-Amerikaanse schrijvers als Philip Roth. 

Zijn roman The Mighty Walzer uit 1999 over een tiener tafeltenniskampioen, won de Bollinger Everyman Wodehouse Prize for comic writing. Hij speelt in het Manchester van de jaren 1950 en Jacobson, zelf als tiener een ping pong fan, geeft toe dat er meer dan een autobiografisch element in zit. Zijn romans Who's Sorry Now uit 2002  en Kalooki Nights uit 2006 kwamen al eerder op de long list van de Man Booker Prize. Jacobson werkte ook als columnist voor The Independent en voor de televisie. Twee tv-programma's waren Channel 4's Howard Jacobson Takes on the Turner uit 2000 Why the Novel Matters uit 2002.

 

Uit: The Finkler Question

 

„He should have seen it coming.

His life had been one mishap after another. So he should have been prepared for this one.

He was a man who saw things coming. Not shadowy premonitions before and after sleep, but real and present dangers in the daylit world. Lamp posts and trees reared up at him, splintering his shins. Speeding cars lost control and rode on to the footpath leaving him lying in a pile of torn tissue and mangled bones. Sharp objects dropped from scaffolding and pierced his skull.

Women worst of all. When a woman of the sort Julian Treslove found beautiful crossed his path it wasn’t his body that took the force but his mind. She shattered his calm.

True, he had no calm, but she shattered whatever calm there was to look forward to in the future. She was the future.

People who see what’s coming have faulty chronology, that is all. Treslove’s clocks were all wrong. He no sooner saw the woman than he saw the aftermath of her — his marriage proposal and her acceptance, the home they would set up together, the drawn rich silk curtains leaking purple light, the bed sheets billowing like clouds, the wisp of aromatic smoke winding from the chimney — only for every wrack of it — its lattice of crimson roof tiles, its gables and dormer windows, his happiness, his future — to come crashing down on him in the moment of her walking past.

She didn’t leave him for another man, or tell him she was sick of him and of their life together, she passed away in a perfected dream of tragic love — consumptive, wet-eyelashed, and as often as not singing her goodbyes to him in phrases borrowed from popular Italian opera.

There was no child. Children spoilt the story.

Between the rearing lamp posts and the falling masonry he would sometimes catch himself rehearsing his last words to her — also as often as not borrowed from the popular Italian operas — as though time had concertinaed, his heart had smashed, and she was dying even before he had met her.

There was something exquisite to Treslove in the presentiment of a woman he loved expiring in his arms. On occasions he died in hers, but her dying in his was better. It was how he knew he was in love: no presentiment of her expiry, no proposal.

That was the poetry of his life. In reality it had all been women accusing him of stifling their creativity and walking out on him.“

 

 

 

 
Howard Jacobson (Manchester, 25 augustus 1942)

 

07-10-10

Nobelprijs literatuur voor Mario Vargas Llosa

 

Nobelprijs literatuur voor Mario Vargas Llosa

 

 

De Nobelprijs voor de Literatuur is dit jaar toegekend aan de Peruaanse schrijver en oud-politicus Mario Vargas Llosa. Dat heeft de Zweedse Academie donderdag bekendgemaakt. Hij is de eerste Peruaan die de prijs heeft gekregen. De laatste Spaanstalige schrijver aan wie de prijs werd toegekend, was in 1990 de Mexicaan Octavio Paz. De prijs, waaraan een bedrag van 10 miljoen Zweedse kronen (1,5 miljoen euro) is verbonden is aan Vargas Llosa toegekend voor ,,de manier waarop hij machtsstructuren in kaart brengt en zijn scherpzinnige beelden van het verzet, de opstandigheid en de nederlaag van het individu.'' Vargas Llosa is de elfde Spaanstalige winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur. De eerste was de Spanjaard José Echegaray in 1904. Andere Spaanstalige winnaars waren onder anderen Pablo Neruda (1971) en Gabriel Garcia Márquez (1982).

 

Mario Vargas Llosa in Arequipa werd geboren op 28 maart 1936. Zie ook mijn blog van 28 maart 2007 en ook mijn blog van 28 maart 2008.en ook mijn blog van 28 maart 2009 en eveneens mijn blog van 28 maart 2010.

 

Uit: The Feast of the Goat (Vertaald door Edith Grossman)

 

But the colonial city has not been modernized, and neither has Gazcue, her neighborhood. And she is absolutely certain her house has hardly changed at all. It must be the same, with its small garden, old mango tree, and the flamboyán with red flowers bending over the terrace where they used to have lunch outdoors on weekends; the sloping roof and the little balcony outside her bedroom, where she would go to wait for her cousins Lucinda and Manolita, and, during that last year, 1961, spy on the boy who rode past on his bicycle, watching her out of the comer of his eye and not daring to speak. Would it be the same inside? The Austrian clock that sounded the hours had Gothic numerals and a hunting scene. Would her father be the same? No. You've seen him failing in the photos sent to you every few months or years by Aunt Adelina and other relatives who continued to write even though you never answered their letters. 

She drops into an armchair. The rising sun penetrates to the center of the city; the dome of the National Palace and its pale ocher walls sparkle gently under a curve of blue. Go now, soon the heat will be unbearable. She closes her eyes, overcome by a rare inertia, for she is accustomed to always being active and not wasting time in what, since her return to Dominican soil, has occupied her day and night: remembering. "This daughter of mine is always working, she even repeats her lessons when she's asleep" That's what Senator Agustín Cabral, Minister Cabral, Egghead Cabral used to say about you when he boasted to his friends about the girl who won all the prizes, the student the sisters always held up as an example. Did he boast to the Chief about Urania's scholarly achievements? "I'd like so much for you to know her, she has won the Prize for Excellence every year since she enrolled at Santo Domingo. It would make her so happy to meet you and shake your hand. Urania prays every night for God to protect that iron health of yours. And for Dona Julia and Dona María as well. Do us this honor. The most loyal of your dogs asks, begs, implores you. You can't refuse: receive her. Excellency! Chief!" 

Do you despise him? Do you hate him? Still? "Not anymore," she says aloud. You wouldn't have come back if the rancor were still sizzling, the wound still bleeding, the deception still crushing her, poisoning her, the way it did in your youth, when studying and working became an obsessive defense against remembering. Back then you did hate him. With every atom of your being, with all the thought and feeling your body could hold. You wanted him to suffer misfortunes, diseases, accidents. God granted your wish, Urania. Or rather, the devil did. Isn't it enough that the cerebral hemorrhage brought him a living death? A sweet revenge that he has spent the last ten years in a wheelchair, not walking or talking, depending on a nurse to eat, lie down, dress, undress, trim his nails, shave, urinate, defecate? Do you feel avenged? "No." 

 

 

Mario Vargas Llosa (Arequipa, 28 maart 1936)

11-05-10

Libris Literatuurprijs voor Bernard Dewulf, Ida Gerhardt, Camilo José Cela, Rose Ausländer


Libris Literatuurprijs voor Bernard Dewulf

 

 

De Vlaamse dichter, schrijver en columnist Bernard Dewulf heeft de Libris Literatuurprijs 2010 gewonnen met zijn novelle Kleine dagen. Juryvoorzitter Hans Wijers maakte dat maandagavond bekend in het Amstel Hotel in Amsterdam. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden. Kleine dagen bestaat uit een een reeks columnachtige stukken waarin de schrijver zijn eigen dagelijkse omgeving, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn huis en zijn tuin beschrijft. Bernard Dewulf werd geboren op 30 januari 1960 in Brussel. Zie ook mijn blog van 30 januari 2009.

 

Uit: Kleine dagen

 

“Er groeit een vrouw in mijn huis. Een-twee-drie is ze vijf geworden. Op een ochtend kwam ze de keuken binnen. Ze zei dag en het was anders. Ze gaf een zoen en hij verschilde. Haar haar hing los, ze had een rokje aan en daaronder lange kousen. Daarin waren haar benen gestegen en ze stapte, ik zocht in verwarring het woord, pront. Parmantig. Koket. Er was iets opgeschoven in haar. Samen met de lengte van haar benen. Ik stond ernaar te kijken: zo dus groeit er een vrouw in mijn huis. Later zal ik misschien zeggen: ik heb jou zien worden. Ik heb jou uit de grond van een vrouw zien komen. Op een dag kwam je de keuken binnen, toen zag ik het beginnen.”

(…)

 

„De tram wiegt ons door een onbegrijpelijk mooie dag. Dag meisje in de tram met het ijsje in de lente. En de beentjes bengelend in het niets van het geluk. Zullen we vragen of hij doorrijdt en eindeloos rondjes maakt in vandaag? De gekke tram van 3 april 2005, die maar bleef rijden met dat meisje en die man aan boord. Morgen in de krant.“

 

 

 

Dewulf

Bernard Dewulf (Brussel, 30 januari 1960)

 

 

 

 

De Nederlandse dichteres Ida Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook mijn blog van 11 mei 2009. en mijn blog van 11 mei 2008 en ook mijn blog van 11 mei 2007, mijn blog van 11 mei 2006 en mijn blog van 4 mei 2006.

 

 

Kwatrijn I

's Nachts wakker in het uitgestorven huis
hoorde ik het bezig water van de sluis.
Toen riep men mij met name - twee, drie maal.
Een slaan van luiken en een groot geruis.

 

 

 

 

Christus als hovenier

Zij dacht dat het de hovenier was. Joh. 20:15

 

Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was de hovenier.

En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en - wat terzijde - in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud --
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.

 

 

 

 

Vernomen tijdens een onweer

Vijf vuurstenen gaf ik u in de hand:
een harde jeugd, die ziel en ribben treft,
een sterk talent, in eenzaamheid beseft:
aanstoot blijft het voor vrienden en verwant.
Het ongeëerd zijn in uw eigen land.
Dat zich de minste boven u verheft.

Vijf oerstenen: vijf kansen die ik gaf.
Mijn wet is: kwarts of kwarts en hard op hard.
Vuur schuilt in stenen, van de schepping af.
Het slaapt tot het wakker wordt getart.

 

 

 

 

 

Gerhardt
Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)

 

 

 

 

De Spaanse schrijver Camilo José Cela werd geboren op 11 mei 1916 in Iria Flavia. Zie ook mijn blog van 11 mei 2007 en ook mijn blog van 11 mei 2008 en ook mijn blog van 11 mei 2009.

 

Uit: The Family of Pascual Duarte (Vertaald door Anthony Kerrigan)

 

I AM NOT, sir, a bad person, though in all truth I am not lacking in reasons for being one. We are all born naked, and yet, as we begin to grow up, it pleases Destiny to vary us, as if we were made of wax. Then, we are all sent down various paths to the same end: death. Some men are ordered down a path lined with flowers, others are asked to advance along a road sown with thistles and prickly pears. The first gaze about serenely and in the aroma of their joyfulness they smile the smile of the innocent, while the latter writhe under the violent sun of the plain and knit their brows like varmints at bay. There is a world of difference between adorning one’s flesh with rouge and eau-de-cologne and doing it with tattoos that later will never wear off . . .

 I was born a great many years ago, a good fifty-five at least, in a small village lost in the province of Badajoz. It lay, that village, some two leagues from Almendralejo, squatting athwart a road as empty and endless as a day without bread, as empty and endless — an emptiness and endlessness that you, luckily for you, cannot even imagine — as the days of a man condemned to death.

 It was a hot and sunlit village, rich enough in olive trees, and (begging your pardon) hogs, its houses so bright with whitewash that the memory of them still makes me blink, a plaza all paved with cobblestone, and a fine three-spouted fountain in the middle of the plaza. No water had flowed from the three mouths of the fountain for some years before I left the village, and yet it was elegant, and a proud symbol in our eyes; its crest was topped with the figure of a naked boy, and the basin was scalloped around the edges like the shells of the pilgrims from Santiago de Compostela. The town hall stood at one side of the plaza; it was shaped like a cigar box, with a tower in the middle, and a clock in the tower; the face of the clock was as white as the Host raised during Mass, and its hands were stopped forever at nine o’clock, as if the town had no need of its services but only wanted it for decoration.”

 

 

 

cela
Camilo José Cela (11 mei 1916 – 17 januari 2002)

Standbeeld in Padrón, Spanje

 

 

 

 

De Oostenrijks-Roemeens-joods-Amerikaanse dichteres Rose Ausländer werd geboren in Czernowitz op 11 mei 1901. Zie ook mijn blog van 11 mei 2007 en ook mijn blog van 11 mei 2008 en ook mijn blog van 11 mei 2009.

 

 

Sprache

 

Halt mich in deinem Dienst

lebenslang

in dir will ich atmen

 

Ich dürste nach dir

trinke dich Wort für Wort

mein Quell

 

Dein zorniges Funkeln

Winterwort

 

Fliederfein

blühst du in mir

Frühlingswort

 

Ich folge dir

bis in den Schlaf

buchstabieren deine Träume

 

Wir verstehn uns aufs Wort

 

wir lieben einander

 

 

 

 

Prag

 

Immer träume ich nach Prag

immer kam etwas dazwischen

Zeitnot Krankheit Krieg

 

Kafka stand

vor dem Hradschin

verirrter Himmelsbote

 

Ich schwöre

beim heiligen Franz

ich kann die Mauern

nicht durchbrechen

die Zauberkünste schlafen

 

Dort träumen Dichter

ihre Wunder

Gut mit ihnen

Kirschen essen

 

Trauert Prag

um meinen Traum?

Mein Traum

trauert um Prag

 

 

 

 

auslaender-rose
Rose Ausländer (11 mei 1901 - 3 januari 1988)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

28-01-10

Gedichtendag 2010, Nationale Gedichten Wedstrijd



Gedichtendag 2010

 

 

De eerste prijs in de Turing Nationale Gedichten Wedstrijd ging gisteren naar het gedicht Misbruik van Gerwin van der Werf. Dat werd in Amsterdam bekendgemaakt.

 

De Nederlandse dichter, schrijver, songwriter, componist en arrangeur Gerwin van der Werf werd geboren in Elburg op 30 juni 1969.  Van der Werf studeerde van 1989 tot 1994 muziekwetenschap in Utrecht en kreeg een aanstelling als muziekdocent aan de internationale school in Oegstgeest. Hij schreef liedteksten, verhalen en een roman die begin 2010 uitgegeven wordt bij Uitgeverij Contact. Met vijf korte verhalen won hij prijzen bij Trouw, Volkskrant, 1000 woorden en Schrijven Magazine. Van der Werf woont in Leiden.

 

 

Misbruik

 

Met de pen roer ik mijn koffie

met de schaar krab ik mijn kop

met een mouw veeg ik mijn snot weg

dweil met mijn sok een melkvlek op

 

Mijn nagel drukt in ’t tafelblad

een diepe kloof groeit daar gestaag

woorden weeg ik met het vreten

dat retour komt uit mijn maag

 

Met mijn tanden bijt ik splinters

uit de poten van mijn stoel

uit mijn tenen vloek ik psalmen

tot ik er niets meer bij voel

 

Zelfhaat weeg ik bij het opstaan

in jouw levenloze blik

woede meet ik met mijn knokkels

en mijn schaamte met mijn pik

 

Licht verpulver ik met vuurwerk

herrie met een spijkerboor

waanzin smoor ik in mijn verzen

waar zijn die dingen anders voor?

 

 

 

 

Hieronder een fragment uit een van Van der Werfs verhalen.

 

Uit: De verdwijning van Jonathan Prins

 

Motregen danst op de wind, ragfijne druppels die niet vallen maar zweven, ze strelen het mos, dringen in de poriën van het gesteente. Er is geen hemel, alleen aarde, zij heeft zich gehuld in grijze sluiers waar de wind mee speelt.

De eenzame loper draagt zwartleren motorkleding en legerkisten, zijn bagage bestaat uit een kleine rugzak en een slaapzak in een hoes ter grootte van een rol beschuit. Hij heeft zelfs een opvouwbare damesparaplu van oranje nylon opgestoken, er schuilen plukjes muggen onder. De paar hikers die hij tegenkomt op het wandelspoor dragen balen van groteske omvang op hun rug, gore-tex jassen, bergschoenen en hoedjes met gaas tegen de muggen. Hij leest verbazing in hun ogen, verontwaardiging zelfs, omdat hij met zijn verschijning lijkt te zeggen: kijk, zo kan het ook, jullie zijn enorme aanstellers met je dure uitrusting. Misschien houden ze hem voor krankzinnig. Want niets wijst er op dat de voetganger in het zwart alles tot in de puntjes heeft voorbereid. Alles is volgens plan verlopen, op een paar kleine rimpelingen na. Hij heeft ze eenvoudig kunnen gladstrijken. Ze zijn hem niet komen zoeken. Ze hebben het begrepen. Hij moet niet teveel aan ze denken, hij heeft zijn twee vrienden achtergelaten, net als zijn motor en zijn twijfel.

Voordat hij aan de laatste klim begint raadpleegt hij zijn horloge. Half acht. Het is zondagmorgen, de derde dag sinds hij alleen is. Een bewolkte zomerdag boven de poolcirkel is een dag zonder begin of einde, een dag, even contourloos als de zompige bodem in het dal. Een reiziger zonder uurwerk is in deze wildernis een drenkeling in een zee van tijd.

 

 

 

 

VanDerWerf
Gerwin van der Werf (Elburg, 30 juni 1969) 

 

 

 

 

 

De dichters Arjen Duinker, Hester Knibbe en Nachoem M. Wijnberg zijn de winnaars van de Gedichtendagprijzen 2010, de prijs die jaarlijks op Gedichtendag wordt uitgereikt aan de beste drie gedichten van het voorgaande jaar. Arjen Duinker krijgt de prijs voor zijn gedicht ‘Leve de camouflage!’ uit de bundel Buurtkinderen, Hester Knibbe voor het gedicht ‘Oogsteen’ uit haar gelijknamige bundel en Nachoem M. Wijnberg voor ‘En wat gaan we dan doen? Zou ik dat op de muur kunnen schrijven?’ uit de bundel Divan van Ghalib. Hier het gedicht van Nachoem M. Wijnberg

 

 

 

En wat gaan we dan doen? Zou ik dat op de muur kunnen
schrijven?

 

Ik leer schrijven door met mijn vinger de vorm van de letters na te
voelen,
_____
ik ken die letters al, maar wil zo nog wel een keer leren
schrijven.

 

Ik sta op een bed en schrijf op de muur,
_____
spring op het bed op en neer om de woorden waarmee ik wil
beginnen zo hoog mogelijk op de muur te schrijven.

 

De maan in de lucht als een letter uit een doos letters,
_____ als ik misschien geen tijd meer heb om te leren schrijven.

 

Als het te donker is om het papier te zien en ik geen licht wil maken
_____ schrijf ik steeds grotere letters, ver uit elkaar

 

 

 

 

 

Print_Nachoen_Wijnberg
Nachoem M. Wijnberg  (Amsterdam, 13 april 1961)

15-12-09

P. C. Hooftprijs 2010 voor Charlotte Mutsaers

 

De Nederlandse schrijfster en schilderes  Charlotte Mutsaers krijgt de P.C. Hooftprijs 2010 voor proza. De 67-jarige auteur van romans als Koetsier herfst en Rachels Rokje is de eerste vrouw sinds Hella Haasse (1983) die de prijs voor proza krijgt. Zie ook mijn blog van 2 november 2009.

 

Uit:  Koetsier Herfst

 

“De dag na mijn vijftigste verjaardag droomde ik dat ik gewurgd werd. Ik wou de wurgende handen losmaken van mijn nek maar dat ging niet, het waren de handen van mijzelf. Toen heb ik gedacht: ik leef verkeerd. Als ik zo doorga, verknal iik gegarandeerd mijn hele toekomst.
Nog geen uur later ben ik mijn geluk gaan zoeken in het Vondelpark. En blijkbaar was ik erg gemotiveerd want ik had het in no time gevonden.
Ach, als geluk toch eens iets blijvends was. Maar wacht, laat ik me eerst even voorstellen.

Gegroet lezer. Ik draag geen pacemaker, ik voel overal nattigheid, ik draag altijd pyjama’s in bed, mijn zwarte haar wordt nog nauwelijks grijs, ik zwem in oud geld en ontbeer dus diplomatie en handelsgeest, ik voel me van geen enkel dier de meerdere, ik ben van mening dat Jorma Ollila een van de grootste denkers is van deze tijd, ik heb een vrouw bemind die wegliep met Bin Laden, mijn heftigste angst is bij mijn dood door niemand omringd te zijn, mijn beroep is schrijver en ik heet MauriceMaillot. Aangenaam.

Mijn ouders behoorden tot de eerste prisoners of compassion. Ik hield zielsveel van ze maar heb ze helaas niet anders gekend dan in het gevang. Ze hadden levenslang omdat ze in de zomer van 1953 het Duitse circus Kalthoff hadden opgeblazen. Het ging om een nijlpaard. Zijn naam was Benkali. De circusdirectie wou van hem af omdat hij vanwege zijn vergevorderde leeftijd geen kunstjes meer kon vertonen, en had zijn bassin opgewarmd tot meer dan honderd graden. Zo werd Benkali levend gekookt en kon Kalthoff een forse poet van de verzekering incasseren.
Bij deze aanslag kwamen eenenzestigmensen om. Spijt hebben mijn ouders nooit betuigd. Al hun medeleven is naar het nijlpaard uitgegaan.
Ik was nog maar net geboren. Mijn familie wou toen niets meer van me weten en transporteerde me met wieg en al naar Ruud en Agaath van Zanten-Kolf, een kinderloos patriciërsechtpaar in de Amsterdamse Lomanstraat.
Voor het leven getekend maar wel met een bankrekening.

Zodra ik groot genoeg was, mocht ikmee naar de gevangenis. Dan zei ik: ‘Dag Pappa, dag Mamma, hier ben ik. ’Maar zijzelf waren er niet, dat wil zeggen, er was haast niets meer van ze over. Achter het glas troonden twee geslachtloze schimmen met de armen omelkaar heen, een zwijgzaamrotsblok vanmedeplichtigheid. Het enige wat er nog uitkwam was: ocharmen.
Toch is het dit rotsblok geweest dat mij nog kracht en levensmoed heeft geschonken. Omdat ik merkte dat het ommij gaf, dat hetmetmemeeleefde, dat het zich hoe dan ook ommij bekommerde. Een rotsblok blijft niettemin een rotsblok.
Het is hard.“

 



MUTSAERS

Charlotte Mutsaes (Utrecht, 2 november 1942)



11-11-09

AKO Literatuurprijs 2009 voor Erwin Mortier


De Vlaamse schrijver Erwin Mortier heeft de AKO Literatuurprijs 2009 gewonnen met zijn roman Godenslaap. Dat maakte de organisatie dinsdagavond bekend. Mortier ontvangt een sculptuur van Eugène Peters en een cheque ter waarde van 50.000 euro. Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook mijn blog van 28 november 2006 en mijn blog van 28 november 2007 en ook mijn blog van 28 november 2008.

 

Uit: Godenslaap

 

‘Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg – hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.’

(...)

 

‘Jaloers op de schilders, op hun woordenschat van coloriet. Jaloers omdat ik de taal niet kan fijnstampen in een mortier en naar goeddunken vloeiend of pasteus kan maken door er olie doorheen te mengen, noch een nieuwe kleur kan scheppen door wat poeder van het ene woord aan wat poeder van het andere toe te voegen. Jaloers ook, omdat er geen taal bestaat waarmee je eerst een ondergrond kunt aanbrengen, die door het kleurenweefsel dat je erboven legt heen blijft schemeren. Jaloers omdat ik een taal zou willen die geen betekenis draagt, maar bovenal intensiteit, een betekenis die aan betekenis ontstijgt, en die je hier niet zozeer zou moeten lezen, als wel bezien, met de geletterdheid van het oog, de eruditie van het netvlies'

(...)

 

‘Alleen dieren konden de middag recht in de ogen zien, blind voor zijn smeltgloed, doof voor het doodstille tumult der dingen dat het midden van het etmaal ontketende en dat in mijn oren luider klonk dan het kanongebulder aan de horizon, dat we steeds vaker pas hoorden wanneer het luwde. De middag legde van de wereld de naaktheid bloot, hij liet zijn gat zien, de obscene – het woord blijft me bespoken – grimlach van zijn botte onverschilligheid. Hij tikte in de voegen van de stenen, ritselde op hagedissenpoten over de ranken van klimop tegen de zijgevel van het huis achter mijn rug..’

(...)

 

'Een deur ging open, van de speelzaal die ik me vaag herinnerde uit vroeger jaren. Het rook er beslapen. De hoge ramen wierpen schuine balken van maanlicht op de vloeren, haalden uit de duisternis het plooienspel van dekens, een mouw, een hand, een hoofd tevoorschijn. Her en der lagen soldaten te slapen, alleen of tegen elkaar aan gekropen. Uit hun schoeisel, dat tegen de speeltafels aan lag waarop hun rugzakken rustten, steeg de lucht op van aarde, zomerse aarde, van tentzeil, geolied staan en gras op naar de zoldering met haar frivole stucwerk, dat sureëel boven de slapende gestalten hing.'

 

 

 

 

 

mortier
Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

13-10-09

Deutscher Buchpreis voor Kathrin Schmidt, Herman Franke, Colin Channer, Migjeni, Arna Wendell Bontemps, Conrad Richter

 

In het kader van de Frankfurter Buchmesse is aan de  Duitse schrijfster Kathrin Schmidt de Deutsche Buchpreis 2009 toegekend voor haar roman Du stirbst nicht. Zie ook mijn blog van 12 maart 2009.

 

Uit:Du stirbst nicht

 

„Es klappert um sie herum._ Als ihre Schwester heiratete, hatte die Mutter das Silberbesteck in eine Blechschüssel gelegt, auf eine Alufolie. Heißes Salzwasser darüber. Das saubere Besteck wurde nach einiger Zeit aus der Schüssel genommen und abgetrocknet: Es hatte genauso geklappert.

Wer heiratet denn? Sie versucht die Augen zu öffnen. Fehlanzeige. Mehr als Augenöffnen versucht sie nicht. Ist genügsam. Sie kann aber sehr deutlich die Stimme ihrer Mutter hören. Ah, also doch das Besteck! Was sagt ihre Mutter?

Die rechte Hand ist aber viel kälter als die linke, sagt sie, und der rechte Fuß genauso.

Warum hat die Mutter eine kalte rechte Hand?, fragt sie sich. Muss lächeln, als sie sich vorstellt, sie überprüfe die Temperatur ihrer Füße.

Sie lacht!, sagt ihre Mutter.

Sie verzieht nur das Gesicht.

Hat das ihr Vater gesagt? Aber ja, das war unzweifelhaft die Stimme ihres Vaters! Jetzt möchte sie doch die Augen öffnen. Was hat sie in der Küche ihrer Eltern zu suchen, wo mit Besteck geklappert und die Hand- und Fußtemperatur untersucht wird und sie ihre Augen nicht öffnen kann?

O, where do you come from? From London?

Das hat sie zu ihrer Tochter gesagt. Hat sie? Ein Auge kann sie öffnen. Sie tut es. Vierzehn ist das Mädchen und heute auf eine Sprachreise nach England gefahren. Warum ist sie schon wieder da? Sie heult. Aus irgendeinem Grund heult sie. Deshalb hat sie ja auch englisch sprechen wollen, um sie aufzumuntern. Es scheint nichts zu nützen, dass sie fröhlich ist. Das Mädchen hat Kummer. Aber welchen?

Wen könnte sie fragen? Der Blick wandert. Da! Neben der Tochter steht ihr Mann. My husband, sagt sie. Darüber wird aber doch hoffentlich gelacht werden …

Nichts.

Wenigstens lächelt der Mann. Je länger sie ihn anschaut, umso seltsamer findet sie sein Lächeln. Angepflockt hängt es zwischen den Wangenknochen wie eine Salzgurke.

Salt cucumber, sagt sie. Gibt es das überhaupt auf Englisch?

… geboren am 3. 12. 1972, wohnt in Hückelhoven …

Halt! Das ist sie aber nicht! Warum kann sie das nicht so laut ausrufen, wie sie möchte? Verdammt, das muss doch gehen!

Nun regen Sie sich aber mal schön ab, wir kommen ja gleich zu Ihnen!

Wer hat das gesagt? Der junge Mann da? Sie kann, glaubt sie, beide Augen gleichzeitig öffnen. Es geht ein bisschen schwer, irgendetwas scheint auf den Lidern zu liegen. Der junge Mann lächelt, aber das beruhigt sie kaum.

Das ist sie doch nicht! Sie ist vierzehn Jahre älter und wohnt doch nicht in Hückelhoven!

I don’t … I don’t …

Warum kommt sie nicht weiter mit dem Satz? Jetzt sagt der junge Mann den anderen Männern in blauen Kitteln, dass es beinahe so klinge, als ob sie englisch zu sprechen versuche, seit sie hin und wieder wach werde. Die Männer lachen. Sie sucht nach einer Frau. Hinter den Männern steht eine, aber die scheint mit irgendetwas beschäftigt zu sein.

Einer der Männer beugt sich über sie.

Können Sie mich hören?

Sie wird dem doch nicht sagen, ob sie ihn hören kann. Soll er ruhig weiter so brüllen.

Augen zu.

 

 

kathrin_schmidt
Kathrin Schmidt (Gotha, 12 maart 1958)

 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Herman Franke werd geboren op 13 oktober 1948 in Groningen. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2006 en ook mijn blog van 13 oktober 2007 en ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

Uit: Weg van loze dromen 

 

„Een dodelijk sombere proloog

Het was in de herfst van een buitengewoon zomers jaar dat Lucien een Amsterdams allemanscafé binnen stapte en een dodelijk sombere monoloog afstak, eerst tegen een mooi meisje dat niet wilde luisteren, toen tegen een jongen met krullend haar en droevige ogen die alleen in ruil voor veel drank bereid bleek hem tot het uitzichtloze einde aan te horen. Het was de herfst die volgde op de herfst waarin de Berlijnse muur viel. De tussenliggende zomer was zo heet geweest dat de damp nog van de daken sloeg, alsof Nederland zojuist uit de oven was gehaald. Het was een monoloog die eerder Luciens beste vriend Jos Oldemonnikhof fataal was geworden en die nog veel en veel eerder romantische jongelingen uit Weltschmerz tot zelfmoord bracht. De monoloog had ook het leven van Sanne ingrijpend beïnvloed. Op een krakende stoel aan een tafeltje met een truttig rood-wit geblokt kleedje bracht Lucien plompverloren de beste van alle mogelijke werelden van de grote Duitse filosoof Leibniz ter sprake. Om het moeilijke gespreksonderwerp toch nog een beetje in overeenstemming te brengen met de volkse entourage, sprak hij de beroemde naam Amsterdams uit. Lààpnis. Dat was een voorbarige tegemoetkoming aan het vermeende intellectuele peil van zijn gesprekspartner want voor een werkende jongere bleek deze redelijk ontwikkeld te zijn. Hij had uit vrije wil boeken gelezen, wat lang niet alle studenten van zichzelf konden zeggen. Lucien putte er moed uit. `Als het alwetende onbewuste, God voor mijn part, zich een betere wereld had kunnen voorstellen, dan was die wereld er wel geweest,' zei hij tegen de argeloze krullekop. Daar viel geen speld tussen te krijgen. Het probleem was dat de best mogelijke wereld heel goed een puinhoop kon zijn vol verdriet en ellende. En als de best mogelijke wereld meer ongeluk dan geluk voortbracht, kon zij beter niet bestaan.“

 

 

Franke
Herman Franke (Groningen, 13 oktober 1946)

 

 

 

 

De Jamaicaanse schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

Uit: Satisfy My Soul

 

„Up ahead a herd of cattle toddle down a path. They moo and jostle as they splash into the ocher river, triggering the flowers on a tree festooned with Spanish moss to burst into a spray of screeching birds.

In theory this is stunning. But in Jamaica, an island that produces elemental drama daily, no one stops to look. Not the women spreading clothes on white boulders. Not the naked children swinging out on leafy vines. Not the men in trunks and soccer shorts who wade upstream, waist deep, empty bamboo rafts in tow, hunched against the current, delivering the vessels to the starting point for tips.

Fifteen feet away from us the captain of our raft is punting with a slender pole. The braided muscles in his back are coiling. His navy polo shirt is snug. Water tongues the grooves between the knuckled stems that form the hull. In essence we are sailing on a fence.

People are watching me. Waiting. A bead of perspiration stretches from my beard and bursts against my shirt.

Then as the captain steers around a bar of silt I find a question.

“Okay, Chadwick, on the night before you’re set to go to the gallows you get a set of choices. A last book. A last song. A last meal with any writer living or dead. And the chance to sleep with anyone in the whole wide world—a living anyone, of course.”

The producer on the raft beside us smiles and makes a fist. This is how she told me that she wants the show to be—arch and energetic.

I am a guest on Trapped in Transit, a travel show on A&E.

Each week on TIT, as all the members of the crew appear to call it, an odd couple chosen from the worlds of politics and entertainment take a journey: Howard Stern and Yasir Arafat canoeing in Mongolia. Martha Stewart and Biz Markie on a llama in Peru.

Chadwick is a congressman. If his reparations bill is passed, every black American will receive a million dollars in exchange for relocation to Liberia.

I’m a playwright and director whose grandfather moved to Harlem from West Africa in the twenties. Chadwick is fifty. I am thirty-eight. Chadwick is married. I will never be. He is a Republican. I like to call myself a negro. He is bald. My locks are wrapped around my head to form a turban.

His freckled cheeks are settling into jowls. His nose is sharp and owlish. He does not have an upper lip. His forehead lasts forever.

“I think I’d have a rack of lamb,” he answers. “And it is always hard for me to sleep without my wife. My favorite book has always been Heart of Darkness. Conrad is amazing. You should read him. I would dine with Rudy Kipling. As a boy in Oklahoma I felt connected to his stories . . . all the Indians. I know that our natives aren’t the same as Kipling’s Hindus, but I could still relate. As far as music is concerned I think I’d listen to Aretha Franklin. And you—you asked the question. What would you do?”

 

 

colinchanner
Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

 

 

 

De Albanese dichter Migjeni (eigen. Millosh Gjergj Nikolla) werd geboren op 13 oktober 1911 in Shkodra. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

 

Autumn on parade

 

Autumn in nature and autumn in our faces.

The sultry breeze enfeebles, the glowering sun

Oppresses the ailing spirit in our breasts,

Shrivels the life trembling among the twigs of a poplar.

The yellow colours twirl in the final dance,

(A frantic desire of leaves dying one by one).

Our joys, passions, our ultimate desires

Fall and are trampled in the autumn mud.

 

An oak tree, reflected in the tears of heaven,

Tosses and bleeds in gigantic passion.

"To live! I want to live!" - it fights for breath,

Piercing the storm with cries of grief.

 

The horizon, drowned in fog, joins in

The lamentation. In prayer dejected fruit trees

Fold imploring branches - but in vain, they know.

Tomorrow they will die... Is there nowhere hope?

 

The eye is saddened. Saddened, too, the heart

At the hour of death, when silent fall the veins

And from the grave to the highest heavens soar

Despairing cries of long-unheeded pain.

 

Autumn in nature and autumn in our faces.

Moan, desires, offspring of poverty,

Groan in lamentation, bewail the corpses,

That adorn this autumn among the withered branches.

 

 

 

Vertaald door Robert Elsie

 

 

 

Migjeni
Migjeni
(13 oktober 1911 – 26 augustus 1938)

 

 

 

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Arna Wendell Bontemps werd geboren op 13 oktober 1902 in Alexandria in Louisiana. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

 

Reconnaissance

 

After the cloud embankments,

the lamentation of wind

and the starry descent into time,

we came to the flashing waters and shaded our eyes

from the glare.

 

Alone with the shore and the harbor,

the stems of the cocoanut trees,

the fronds of silence and hushed music,

we cried for the new revelation

and waited for miracles to rise.

 

Where elements touch and merge,

where shadows swoon like outcasts on the sand

and the tried moment waits, its courage gone--

there were we

 

in latitudes where storms are born.

 

 

 

 

Length of Moon

 

Then the golden hour

Will tick its last

And the flame will go down in the flower.

A briefer length of moon

Will mark the sea-line and the yellow dune.

Then we may think of this, yet

There will be something forgotten

And something we should forget.

It will be like all things we know: .

A stone will fail; a rose is sure to go.

It will be quiet then and we may stay Long at the picket gate

But there will be less to say.

 

 

 

bontemps
Arna Wendell Bontemps (13 oktober 1902 – 4 juni 1973)

 

 

 

 

De Amerikaanse schrijver Conrad Richter werd geboren op 13 oktober 1890 in Pine Grove, Pennsylvania. Zie ook mijn blog van 13 oktober 2008.

 

Uit: The Trees

 

And still Worth wouldn't stop. Not till he had worked out his mind. He had to make a last splurge. This would be a mortal handy thing for a house, something you had to pay tax on if you had one down in Pennsylvania. He steadied the logs with wedges, marked them with a straight edge and chopped out a hole, dressing it smooth with axe and knife. Over the hole he plastered a few cross sticks and fast to the sticks the marriage paper the Conestoga dominie had given them. Worth had always plagued Jary for lugging such a useless thing around with her. But now that he greased it with bear's oil, he reckoned it might be of some account. It let the sun through like glass. Oh, then it was a sight to see in that dark cabin, a window light blazing up like it was a fire and making all the cubbyholes and corners plain as outside till you could see the marks the barkworms left on the logs.”

 

 

richter
Conrad Richter (13 oktober 1890 – 30 oktober 1968)

 

08-10-09

Nobelpijs Literatuur voor Herta Müller


De Nobelpijs Literatuur gaat dit jaar naar de Duitse schrijfster Herta Müller.

 

De Duitse schrijfster Herta Müller werd geboren op 17 augustus 1953 in Nitzkydorf, Roemenië.  Zij studeerde germanistiek en Roemeense literatuur aan de universiteit van het westen in Timişoara. Vanaf 1976 werkte zij als vertaalster in een machinefabriek, maar toen ze in 1979 niet wilde samenwerken met de Securitate werd zij ontslagen. Zij werkte tijdelijk als docente en privélerares. In 1982 kon haar eerste roman slechts in een gecensureerde versie verschijnen. In 1987 emigreerde zij met haar man naar de BRD. Ze kreeg in de volgende jaren verschillende leeropdrachten als writer in residence. Zie ook mijn blog van 17 augustus 2009 en mijn blog van 17 augustus 2008.

 

Arbeitstag (uit: Niederungen)

 

„Morgens um halb sechs. Der Wecker läutet. Ich stehe auf, ziehe mein Kleid aus, lege es aufs Kissen, ziehe meinen Pyjama an, gehe in die Küche, steige in die Badewanne, nehme das Handtuch, wasche damit mein Gesicht, nehme den Kamm, trockne mich damit ab, nehme die Zahnbürste, kämme mich damit, nehme den Badeschwamm, putze mir damit die Zähne. Dann gehe ich ins Badezimmer, esse eine Scheibe Tee und trinke eine Tasse Brot.
Ich lege meine Armbanduhr und die Ringe ab. Ich ziehe meine Schuhe aus.
Ich gehe ins Stiegenhaus, dann öffne ich die Wohnungstür.
Ich fahre mit dem Lift vom fünften Stock in den ersten Stock.
Dann steige ich neun Treppen hoch und bin auf der Straße.
Im Lebensmittelladen kaufe ich mir eine Zeitung, dann gehe ich bis zur Haltestelle und kaufe mir Kipfel, und, am Zeitungskiosk angelangt, steige ich in die Straßenbahn.
Drei Haltestellen vor dem Einsteigen steige ich aus.
Ich erwidere den Gruß des Pförtners, dann grüßt der Pförtner und meint, es ist wieder mal Montag, und wieder mal eine Woche zu Ende.
Ich trete ins Büro, sage auf Wiedersehen, hänge meine Jacke an den Schreibtisch, setze mich an den Kleiderständer und beginne zu arbeiten. Ich arbeite acht Stunden.“

 

 

 

 

HertaMueller
Herta Müller (Nitzkydorf, 17 augustus 1953)

12-05-09

Libris Literatuurprijs voor Dimitri Verhulst



Libris Literatuurprijs voor Dimitri Verhulst

 

 

De Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst heeft maandagavond de Libris Literatuurprijs gekregen voor zijn roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol.  Uit handen van juryvoorzitter Ivo Opstelten ontving hij in het Amsterdamse Amstel Hotel een cheque van 50.000 euro. die aan de prijs is verbonden. Het is na Hugo Claus de eerste keer dat een Vlaming bekroond wordt met deze prestigieuze literatuurprijs. Verhulst haalde twee jaar geleden al de longlist van de Libris Literatuurprijs met zijn boeken De helaasheid der dingen en Mevrouw Verona daalt de heuvel af.

Dimitri Verhulst werd op 2 oktober 1972 geboren in Aalst. Zie ook mijn blog van 16 oktober 2006 en ook mijn blog van 16 oktober 2007 en eveneens mijn blog van 2 oktober 2008.

 

Uit: Godverdomse dagen op een godverdomse bol

 

„Alle begin is moeilijk. Kijk maar. ’t Kruipt uit het water zonder om te zien. ’t Zou nog een laatste blik kunnen werpen op de oceanen, heimwee voelen uit eerbied, maar dat doet ’t niet. ’t Heeft er namelijk genoeg van te moeten kruipen over de zandbodems der wateren, genoeg van de eikelwormen en de pijlwormen en de chordadieren en de manteldieren en de koplozen waarmee ’t zoveel eeuwen de zeeën heeft gedeeld. ’t Zegt saluut tegen de kwastvinnigen, de mosselen en de schollen, vaarwel tegen de knorhanen, de alen en de brasems, ’t wil van geen samenleven meer weten met de zalmen en de karpers. ’t Doet de groeten aan de rietvoorn en ’t wenst ook de baarzen nog het beste, maar ’t kan niet meer weerstaan aan de veelbelovendheid van z’n bestaan en verlaat het sop. Wel toe, ’t schijt nog een laatste keer hevig in de zee, zijn symbolisch geladen manier om een beslissing te onderstrepen, legt zich te druipen en te drogen waar de parelgierst vlot kiemt en trekt dan de rimboe in om er zich te vormen tot een bekijkelijk monster met dikke knokkels, talgklieren, een hele eind darmen en een speklaag. En haar, wreed veel haar van onder tot boven waarin de vlooien en de teken simpel overleven door hun gastheer jeuk te bezorgen, zodat die moet krabben tot zijn vel aan vodden hangt en zij kunnen zuipen van zijn bloed. Hoe laat is het?

Vroeg, het is nog vroeg. Vroeger is welhaast onmogelijk.
De dag is jong en wel en niets staat vast. En wanneer het weer dan eindelijk wat zachter wordt, verlaat ’t op zijn gemak de vochtige donkerte van het tropische regenwoud en sluipt ’t over de vlakten, in en uit de bomen van de savannen.”

 

 

 

 

verhuslt
Dimitri Verhulst
(Aalst, 2 oktober 1972)

 

 

06-05-09

Gouden Uil 2009 voor Robert Vuijsje

 

Gouden Uil 2009 voor Robert Vuijsje

 

 

De Gouden Uil 2009 is toegekend aan de roman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje. Het boek is zijn debuut en gaat over een jonge Joodse Amsterdammer die eruit ziet als een Marokkaan en op zoek gaat naar een zwarte vrouw. Volgens de jury van de Belgische literatuurprijs is het boek „brandend actueel, verfrissend, hartverwarmend en zeer geestig.”

De Nederlandse schrijver en journalist Robert Vuijsje werd in 1970 in Amsterdam geboren. Na het Barlaeus Gymnasium-A in Amsterdam en de UvA te hebben doorlopen, waar hij zijn propedeuse Sociologie behaalde en vervolgens overstapte naar de bovenbouwstudie Amerikanistiek bracht hij een jaar door op de Amerikaanse University of Memphis. Vanaf 1997 wijdde hij zich geheel aan de journalistiek middels verhalen voor o.a. Nieuwe Revu.

 

Uit Alleen maar nette mensen

 

“Dag schoonheid,’ zei ik. ‘Ik ben David. Wie ben jij?’
‘Wie ik?’ vroeg ze. ‘Hier, kijk op m’n tanden.’
Dit was het echte leven. De ene echte mens die aan de andere echte mens liet zien wat er op haar gouden tanden stond geschreven. Op de rechtervoortand stond in kleine letters row en op de linkertand anda.
‘Ro-wan-da?’ vroeg ik.
‘Zo heet ik,’ zei ze. ‘Rowanda.’
Ik vroeg waarom ze die gouden tanden had genomen.
‘Status?’ Ze deed haar mond open, zodat ik goed kon kijken. ‘Dat ze zien dat ik elite ben?’
Ik vroeg of Rowanda goed kon koken.
Dat kon ze niet. Ze woonde bij haar moeder. Die kookte altijd. Rowanda wilde wel graag leren.
Haar wenkbrauwen waren weggeschoren. Er zaten alleen twee getatoeëerde zwarte streepjes. ‘Die heb ik laten zetten,’ zei ze.
Ik vroeg waarom.
‘Ik weet niet.’ Rowanda haalde haar schouders op.
‘Mijn moeder heeft het ook.’

 

 

 

 

Vuijsje
Robert Vuijsje (Amsterdam, 1970)

 

 

19:05 Gepost door Romenu in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: gouden uil, romenu, robert vuijsje |  Facebook |

10-04-09

VSB Poëzieprijs voor Nachoem Wijnberg


VSB Poëzieprijs voor Nachoem Wijnberg

 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Nachoem M. Wijnberg heeft de VSB Poëzieprijs 2009 gewonnen voor de vorig jaar verschenen bundel Het leven van.

 

De VSB Poëzieprijs is de belangrijkste poezieprijs in het Nederlandse taalgebied en bestaat uit een geldbedrag van 25.000 euro en een bronzen sculptuur van Linda Verkaaik. Zie ook mijn blog van 13 april 2008.

 

 

Niet als een vogel

 

In vrouwen zijn

kleinere vrouwen,

soms grotere vrouwen

en nog grotere vrouwen in die vrouwen.

 

De mannen

laten zien aan wie het niet kan

door te doen alsof zij bijna niet kunnen:

tussen schaduwen stil zitten.

 

Zij laten het zien aan wie kan vliegen,

niet als een vogel

maar als een vogel die uit een vogel

gehaald wordt en weer teruggezet.

 

 

 

 

 

Eerst dit dan dat

 

Allebei de schoenen?
Een schoen doe je uit
als een vrouw bij je op bezoek komt
en je niet met haar wilt trouwen.

Eerst stilte, dan uitleg;
eerst duidelijk, dan verbazend;
eerst de rechterschoen, dan de linkerschoen,
dan de linkersok, dan de rechtersok.

Is er iemand die daarover geen gedicht zou willen schrijven?
Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken.

 

 

 

 

 

Tweede man

 

Als een man met een tweede man

in een trein gereisd heeft en die

tweede man sterft dan neemt de ander

de rest van zijn leven in ontvangst.

 

Hij stapt uit nadat de trein aangekomen

is en loopt met openhangende jas door

de koude nachtlucht naar de uiterste

en verboden zijkant van het station.

 

Van daaruit kijkt hij naar de rails

en de lichten en een locomotief die

los op de rails geparkeerd staat.

 

Groot en ondoorzichtig. Een man die

met een andere man, die stierf, samen

gereisd heeft is hem dit schuldig.

 

 

 

 

 

NachoemWijnberg
Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)