James Fenimore Cooper

De Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper werd geboren in Burlington, New Jersey op 15 september 1789 als zoon van een Congreslid van de Verenigde Staten. Nog voor zijn eerste verjaardag verhuisde het gezin naar Westchester County, New York. Reeds op veertienjarige leeftijd vatte hij zijn studies aan op Yale, maar behaalde daar uiteindelijk geen universitaire graad. Hij werd matroos op de koopvaardij en ging op negentienjarige leeftijd bij de marine. Daar behaalde hij de graad van adelborst nog voor zijn vertrek in 1811. Toen hij 22 was huwde hij met Susan DeLancey. Samen hadden ze 7 kinderen. Zijn eerste boek “Precaution” (1820) publiceerde hij anoniem, daarop verschenen er verschillende andere van zijn hand. In 1823 publiceerde hij “The Pioneers”, de eerste uit de Leatherstocking-reeks met de woudloper Natty Bumppo (deze figuur is gebaseerd op het leven en de avonturen van Daniel Boone) in de hoofdrol, waarin hij deze volgt in zijn vriendschap met de Delaware indianen en opperhoofd Chingachgook. Coopers beroemdste roman zou echter “The Last of the Mohicans” (1826) worden, een van de meest gelezen boeken uit de 19e eeuw. In 1826 verhuisde Cooper met zijn gezin naar Europa, om daar als vertegenwoordiger van de regering van de Verenigde Staten te gaan werken. Tijdens zijn verblijf daar schreef hij het in Parijs gepubliceerde “The Red Rover”, “The Waterwitch—one” en andere zeeverhalen. Hij raakte ook erg betrokken in politieke discussies over de Verenigde Staten en publiceerde daarover onder meer in Le National. In zijn drie volgende romans “The Bravo” (1831), “The Heidenmauer” (1832) en “The Headsman: or the Abbaye of Vigneron” (1833) verwerkte hij ook zijn republikeinse overtuigingen. In 1833 keerde hij terug naar Amerika, waar hij onmiddellijk “A Letter to My Countrymen” publiceerde, waarin hij scherp uithaalde naar de betrokkenheid van de Verenigde Staten in een aantal controversiële zaken waar hij in Europa mee te maken had gekregen.

Uit: The Last of the Mohicans

“It was a feature peculiar to the colonial wars of North America, that the toils and dangers of the wilderness were to be encountered before the adverse hosts could meet. A wide and apparently an impervious boundary of forests severed the possessions of the hostile provinces of France and England. The hardy colonist, and the trained European who fought at his side, frequently expended months in struggling against the rapids of the streams, or in effecting the rugged passes of the mountains, in quest of an opportunity to exhibit their courage in a more martial conflict. But, emulating the patience and self-denial of the practiced native warriors, they learned to overcome every difficulty; and it would seem that, in time, there was no recess of the woods so dark, nor any secret place so lovely, that it might claim exemption from the inroads of those who had pledged their blood to satiate their vengeance, or to uphold the cold and selfish policy of the distant monarchs of Europe.
Perhaps no district throughout the wide extent of the intermediate frontiers can furnish a livelier picture of the cruelty and fierceness of the savage warfare of those periods than the country which lies between the head waters of the Hudson and the adjacent lakes.
The facilities which nature had there offered to the march of the combatants were too obvious to be neglected. The lengthened sheet of the Champlain stretched from the frontiers of Canada, deep within the borders of the neighboring province of New York, forming a natural passage across half the distance that the French were compelled to master in order to strike their enemies. Near its southern termination, it received the contributions of another lake, whose waters were so limpid as to have been exclusively selected by the Jesuit missionaries to perform the typical purification of baptism, and to obtain for it the title of lake “du Saint Sacrement.” The less zealous English thought they conferred a sufficient honor on its unsullied fountains, when they bestowed the name of their reigning prince, the second of the house of Hanover. The two united to rob the untutored possessors of its wooded scenery of their native right to perpetuate its original appellation of “Horican.”
Winding its way among countless islands, and imbedded in mountains, the “holy lake” extended a dozen leagues still further to the south. With the high plain that there interposed itself to the further passage of the water, commenced a portage of as many miles, which conducted the adventurer to the banks of the Hudson, at a point where, with the usual obstructions of the rapids, or rifts, as they were then termed in the language of the country, the river became navigable to the tide.”


James Fenimore Cooper (15 september 1789 - 14 september 1851)
Portret door John Wesley Jarvis, 1822

18:00 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: james fenimore cooper, romenu |  Facebook |

Sergio Esteban Vélez Peláez


De Colombiaanse dichter, schrijver, hoogleraar en journalist Sergio Esteban Vélez Peláez werd geboren op 15 september 1983 in Medellín. Hij publiceerde zijn eerste gedichtenbundel, "Destellos nocturnos" in 1996, toen hij 12 jaar oud was. Vélez studeerde rechten en politieke wetenschappen aan de Bolivariaanse Pontificale Universiteit en studeerde moderne talen aan Sherbrooke University, Hij is wekelijkse columnist voor de krant El Mundo. Hij was de oprichter van de Academia Antioqueña de Letras, samen met Octavio Arizmendi Posada, voormalig minister van Onderwijs van Colombia. In 2002 werd Vélez aangesteld als cultuurdirecteur van de Colegio Altos Estudios de Quirama. Hij won de Premio Nacional de Periodismo Simón Bolívar 2010 (de nationale journalistiekprijs Simon Bolivar), de Premio Internacional de Periodismo José María Heredia 2010 (Internationale prijs voor journalistiek Jose Maria Heredia 2010).) en de Premio Cipa a La Excelencia Periodística 2012. De dichter Olga Elena Mattei zegt dat Vélez het Andes-aspect van de huidige Colombiaanse poëzie vertegenwoordigt. Vélez werkt aan de Universiteit van Antioquia, Colombia.


Interior Orbit

In the center of the sacred enclosure,
the genius,
imprisoned in the orbit of himself,
was lost in the night of time
and insisted on seeking the theory
of the liquid abysses
in the confusing layers
of the intimate nature
of his ego



Theology Of Man

Image and likeness
of God
the Scriptures
that we were made.
And I wonder
if we have,
the radiance of the divinity,
the universal rhythm
of balance,
the existential transparency,
the perfect metaphysical calligraphy,
the rational power,
the dimensional knowledge,
in the theological
of God


Sergio Esteban Vélez (Medellín, 15 september 1983)

17:50 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: sergio esteban vélez, romenu |  Facebook |


Dolce far niente, Algernon Swinburne, Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty, Ivan Klíma


Dolce far niente


Hot Day door Sergej Sovkov, 2014



A Swimmer's Dream

A dream, a dream is it all — the season,
The sky, the water, the wind, the shore?
A day-born dream of divine unreason,
A marvel moulded of sleep — no more?
For the cloudlike wave that my limbs while cleaving
Feel as in slumber beneath them heaving
Soothes the sense as to slumber, leaving
Sense of nought that was known of yore.

A purer passion, a lordlier leisure,
A peace more happy than lives on land,
Fulfils with pulse of diviner pleasure
The dreaming head and the steering hand.
I lean my cheek to the cold grey pillow,
The deep soft swell of the full broad pillow,
And close mine eyes for delight past measure,
And wish the wheel of the world would stand.

The wild-winged hour that we fain would capture
Falls as from heaven that its light feet clomb,
So brief, so soft, and so full the rapture
Was felt that soothed me with sense of home.
To sleep, to swim, and to dream, for ever —
Such joy the vision of man saw never;
For here too soon will a dark day sever
The sea-bird's wing from the sea-wave's foam.

A dream, and more than a dream, and dimmer
At once and brighter than dreams that flee,
The moment's joy of the seaward swimmer
Abides, remembered as truth may be.
Not all the joy and not all the glory
Must fade as leaves when the woods wax hoary;
For there the downs and the sea-banks glimmer,
And here to south of them swells the sea.


Algernon Swinburne (5 april 1837 – 10 april 1909)
Een zomers Londen. Swinburne werd geboren in Londen.

Lees meer...


Dolce far niente, Novalis, Tõnu Õnnepalu, Roald Dahl, Janusz Glowacki, Jac. van Looy, Nicolaas Beets, Marie von Ebner-Eschenbach


Dolce far niente


Baigneurs sur les rives de la Cure door Maximilien Luce, z.j.




Auf Freunde, herunter das heiße Gewand
Und tauchet in kühlende Flut
Die Glieder, die matt von der Sonne gebrannt,
Und holet von neuem euch Mut.

Die Hitze erschlaffet, macht träge uns nur,
Nicht munter und tätig und frisch,
Doch Leben gibt uns und der ganzen Natur
Die Quelle im kühlen Gebüsch.

Vielleicht daß sich hier auch ein Mädchen gekühlt
Mit rosichten Wangen und Mund,
Am niedlichen Leibe dies Wellchen gespielt,
Am Busen so weiß und so rund.

Und welches Entzücken! dies Wellchen bespült
Auch meine entkleidete Brust.
O! wahrlich, wer diesen Gedanken nur fühlt,
Hat süße entzückende Lust.


Novalis (2 mei 1772 - 25 maart 1801)
Schloss Oberwiederstedt, geboortehuis van Novalis


Lees meer...

Otokar Březina


De Tsjechische dichter Otokar Březina werd geboren op 13 september 1868 in Počátky, Bohemen. Březina was de tweede zoon van Ignaz Jebavy en zijn derde vrouw Catherine Fáková. Na zijn eindexamen aan de middelbare school in Telč was hij 1887-1888 docent in Jinošov. In 1888 behaalde hij zijn lerarendiploma en werkte vervolgens als basisschoolleraar tot 1901 in Nová, vervolgens tot 1925 in Jaroměřice. In 1919 ontving hij een eredoctoraat van de Karelsuniversiteit en in hetzelfde jaar werd hij lid van de Tsjechische Academie. In 1925 gaf hij het beroep van leraar op, dat hij als een noodzakelijk kwaad beschouwde. In 1928 ontving hij de Nationale Prijs voor Literatuur, schreef voor de Moderne Revue en studeerde daarnaast filosofie en moderne natuurwetenwetenschappen. Hij stierf aan een aangeboren hartafwijking. Březina werd twee keer (1924, 1928) genomineerd voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Březina behoorde tot de literaire kring Česká Moderna. Hij begon onder de invloed van Baudelaire als symbolist, en gaf een specifiek Tsjechisch tintje aan deze internationale kunstbeweging. Maar hij overwon snel zijn eerste pessimisme en wendde zich tot een metafysische idealisme, uitgedrukt in mystieke-extatische hymnen. Naast zijn poëzie schreef Březina ook filosofische essays, die hij introduceerde als nieuw genre in de Tsjechische literatuur.


Es sangen die brennenden Sterne

Jede Sekunde, stets treu unserem Posten
Im mystischen Tanze der Welten
Kreisen wir im Kosmos.
In die strahlenden Sphären der Geister hauchen wir verführerisch
Um unsere Häupter,
In Aureolen
Funkeln goldene Haare
Gespannt wie klingende Lassos
Von der Windsbraut des Fluges.

Auf unsere Wangen, extatisch erglühend,
Kühlende Zeiten uns wehen
Und ermattet vom Glücke unseres Fluges,
Vom Glanze schmerzlicher Wonne entkräftet,
Mit einem Aufschrei, der fliegt durch das Weltall,
Harmonisch und jauchzend,
Sinken wir, mystische Tänzerinnen,
Und in unserem Blute, wie in Rosen begraben,
Sterben wir.

Eintreten Schwestern auf unsere Plätze,
Und in dem Liede, das durch der Ewigkeit Zwielicht dahinströmt,
In stets wachsenden Wogen,
In neue, stets neue Räume, dringt vorwärts,
In der Nebelgestirne erhobenem Staube,
Der strahlende Vortrab des Mysterium.


Vertaald door Emil Saudek




I lit a cigarette, by window sitting,
lost in my thoughts my gaze before me drifted,
around my head smoke clouds to dusk retreating,
my soul by florid reminiscence wafted.

When – maybe by the flight of thought uplifted
or with the rising blue smoke tide abetting –
a young girl’s form my far off gaze was greeting,
pouting, a pair of smiling lips she shifted…

How beauty charmed her locks forever sable!
To kiss, to kiss, to kiss, her sensual calling –
what strained in twain beneath lace braiding able.

How in a joyful dream the head spins, reeling…
I blew the smoke… Oh woe, oh woe apalling!
Dusk coldly barren squinted back, unfeeling.


Vertaald door Václav Z J Pinkava


Otokar Březina (13 september 1868 - 25 maart 1929)

18:05 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: otokar březina, romenu |  Facebook |


Dolce far niente, Vachel Lindsay, Michael Ondaatje, James Frey, Louis MacNeice, Hannes Meinkema, Eduard Elias, Jan Willem Schulte Nordholt


Dolce far niente


Indian Summer in the White Mountains door Sanford Gifford, 1862



An Indian Summer Day on the Prarie

(In The Beginning)

THE sun is a huntress young,
The sun is a red, red joy,
The sun is an indian girl,
Of the tribe of the Illinois.


The sun is a smouldering fire,
That creeps through the high gray plain,
And leaves not a bush of cloud
To blossom with flowers of rain.


The sun is a wounded deer,
That treads pale grass in the skies,
Shaking his golden horns,
Flashing his baleful eyes.


The sun is an eagle old,
There in the windless west.
Atop of the spirit-cliffs
He builds him a crimson nest.


Vachel Lindsay (10 november 1879 - 5 december 1931)
Springfield. Vachel Lindsay werd geboren in Springfield.

Lees meer...

Chris van Geel


De Nederlandse dichter en tekenaar Christiaan Johannes van Geel werd geboren op 12 september 1917 in Amsterdam. In de oorlogsjaren leverde hij bijdragen aan het baldadige en surrealistische maandblad met een oplage van één exemplaar De Schone Zakdoek. Pas in 1958, dus op 40-jarige leeftijd, verscheen zijn eerste bundel, “Spinroc en andere verzen”. Zijn werk wordt door sommigen tot het beste van de naoorlogse poëzie gerekend. Van Geel was een bevlogen redactielid van het tijdschrift Barbarber. Hij werkte ook mee aan literaire bladen als Tirade en Hollands Maandblad. Pas na de publicatie van de bundel “Enkele gedichten” (1973) kreeg hij ruimere bekendheid. Van Geel richtte zijn aandacht op het Noord-Hollandse duinlandschap waarin hij woonde. Van deze intieme beschouwing deed hij verslag in zijn gedichten. Vóór 1940 maakte hij surrealistische objecten; daarna schilderijen en tekeningen. Veel van zijn tekeningen verschenen in het tijdschrift Barbarber. Tot begin jaren zestig was Van Geel gehuwd met de later als Proust-vertaalster bekend geworden Thérèse Cornips. Later woonde hij samen met de dichteres Elly de Waard.



Kaal als wat jong is, ouder dan de eiken,
zijn keel gespikkeld hulstblad waar zijn hart
in klopt, dat ook na jaren niet zijn nerf
laat zien, maar grijs werd en zo zacht als verse
blaadjes die geleerden vergelijken.

Zijn rug chinees, zijn poten tand des tijds,
voor liefde ongeschikte korte armen,
een vleugel van geduld, een ster van spijt,
een ruiterlijke veinzer stil te zitten,

een vikingschip, een put, een gouden stoel.

Ik buk, hij maakt zich breder om te spreken.
Hij springt over mijn vinger op een teken
van mij, en vreemd, ik denk, dat is geluk.




Een tekst zo mooi en helder
als in een juninacht de polder
door in de grond begraven mensen uitgedacht,
door schrikdraad en door sloot omheind.

Een reiger langs de waterkant.
Een lange slak met uitgestoken horens. Overal
onzichtbare nesten in het gras.
De nacht valt nooit in slaap.




Prachtig en langzaam bloeit de tuin,
in jong gras ligt de stilte,
een handvol bloesem, een handschoen groen
om takken van de winter.

Het raam staat open, het gordijn
beweegt, de wind gluurt binnen,
zijn armen om de schaduw van
de nacht die hem moet tillen.

Zij slaapt, een zwaan, een vlinder
door blad hoor ik zijn voeten gaan.


Chris van Geel (12 september 1917 – 8 maart 1974)

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: chris van geel, romenu |  Facebook |


Dolce far niente, Martinus Nijhoff, David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III


Dolce far niente


Sunday Morning door Asher Brown Durand, 1839




In 't stille, bleeke water drijven booten:
Zij wachten in de oneindigheid der grijze
Rivier, maar in hun buik zwelt zwaar het groote
Verlangen naar den horizon te reizen.
Ver, in een dorp, begon een klok te luiden,
Een carillon-lied uit den toren kwam -
Een warme wind gaat waaien uit het zuiden,
En ginder rijst het parallellogram
Der ophaalbrug - De klokken luiden, luiden.


Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Den Haag. De Turfmarkt en Nieuwe Kerk rond 1900. Nijhoff werd geboren in Den Haag.

Lees meer...

Tomas Venclova, Merill Moore, Barbara Bongartz, O. Henry, Joachim Fernau, Peter Hille


De Litouwse dichter, schrijver en vertaler Tomas Venclova werd geboren op 11 september 1937 in Klaipeda, Litouwen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Tomas Venclova op dit blog.



Since early September we have been caught in the pull of the cosmos.
Close your eyes, and you'll know how a leaf that brushes your face
Rubs against the shutters, by mistake touches a cloud,
And sticks between the rooftiles to escape the touch of our hands.

A tree drains the day. The sky is white and blind.
The voice withdraws, having waded into the ebbing valley.
Everything gathers within me so I would know how wearied Atreus
Rejoiced at the castle's silence and the steaming waters.

Will you pass this threshold? Fate, weir, gravel,
Niggardly shabby churches, triangular mires.
The wide hour rushes into rot and loam,
The city circles, and the twelve winds rise in a row.

Will you win me or lose methus far no one knows.
The fallows have eroded, the constellations have been pruned.
I attract misfortune, like true north the magnet,
Like a magnet a magnet, misfortune attracts me.


Vertaald door Jonas Zdanys


Tomas Venclova (Klaipeda, 11 september 1937)

Lees meer...

Adam Asnyk, James Thomson, Thomas Parnell, Fitz Hugh Ludlow, Johann Jakob Engel


De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz. Zie ook alle tags voor Adam Asnyk op dit blog en ook mijn blog van 11 september 2010.


No, nothing happened there between us two

No, nothing happened there between us two.
Confessions none, no secrets to reveal.
No obligations had we to pursue,
But for the springtide fancies so unreal;

But for the fragrances and colors bright
That floated freely in the mirthful air,
But for the singing groves by day or night,
And all the green and fragrant meadows there;

But for the brooks and waterfalls up high
That cheerfully sprinkled every gorge and dell,
But for the clouds and rainbows in the sky,
But for the nature’s of all sweetest spell.

But for the lucid fountains we did share,
Wherefrom our hearts would drink delights so true,
But for the primroses and bindweeds there,
No, nothing happened there between us two.

Vertaald door Jarek Zawadzki


Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)
Adam Asnyk en de muze, geschilderd door Jacek Malczewski 

Lees meer...


Dolce far niente, Clara Müller-Jahnke, Andreï Makine, Franz Werfel, Paweł Huelle, Mary Oliver


Dolce far niente


Beach Scene door Aiden Lassell Ripley, ca. 1935



Spätsommer am Strand

Da weht von Süd ein sanfter Hauch
aus sonnenlichten Tagen;
die goldbelaubten Äste dehnt
der Ahorn voll Behagen.
Kein Vogelsang, – kein Blütenduft, -
die weiche, warme Sommerluft
säuselt in allen Hagen.

Nun schaun sich schier verwundert an
die schweigenden Zypressen;
es ist, als habe der flüchtige Lenz
sein Lebewohl vergessen
und ginge noch einmal über das Feld,
die blasse, sommermüde Welt
an seine Brust zu pressen.

Durch nackte Zweige schweift der Blick
auf graue Wellenpfade:
die weißen Wasser tummeln sich
am träumenden Gestade;
sie flüstern und raunen wie Liebesgruß,
sie kosen und spielen um deinen Fuß,
leuchten und locken zum Bade.


Clara Müller-Jahnke (5 februari 1860 - 4 november 1905)
Lenzen (Nu: Łęczno). De kerk is een monument gewijd aan de dorpelingen die in WO I zijn omgekomen.Clara Müller – Jahnke werd geboren in Lenzen


Lees meer...

Eddy Pinas, Jeppe Aakjær, Viktor Paskov, Hilda Doolittle, Reinhard Lettau, George Bataille


De Surinaamse dichter en schrijver Eddy Louis Pinas werd geboren in Paramaribo op 10 september 1939. Zie ook alle tags voor Eddy Pinas op dit blog.


Ook ik heb het gezien

ook ik heb het gezien
ook ik heb het
beloofde land gezien
braambessen gegeten

papieren behang

vijf centimeter textiel
op mijn huid
witte bedelaar
bezige kalverstraat
als maden krioelen mensen
om mensen
op poten
zonder emotie
zonder stem
de fabriek bevrucht de tram
het station baart elk uur
een duizendling


Eddy Pinas (Paramaribo, 10 september 1939)

Lees meer...

Edmund de Waal


De Britse schrijver, keramist en hoogleraar Edmund Arthur Lowndes de Waal werd geboren op 10 september 1964 in Nottingham. De Waal is een zoon van de deken van Canterbury Cathedral, Victor de Waal. De Waal's grootmoeder, Elisabeth de Waal, stamde uit de Weense, joodse familie Ephrussi. Ze trouwde met de Nederlander Hendrick de Waal en trol met hem door Europa om tijdens WO II tenslotte in Emgeland terecht te komen. Hij doorliep de King’s School in Canterbury voordat hij een beurs kreeg voor de studie Engels aan Trinity Hall in Cambridge. Tijdens zijn schooljaren in Canterbury de Waal leerde het ambacht van pottenbakker. Dus het was niet meer dan logisch dat hij na zijn afstuderen zijn eigen pottenbakkerij opende in het westen van Engeland in de buurt van de grens met Wales. Tegelijkertijd leerde hij de Japanse taal aan de Universiteit van Sheffield en kreeg een tweejarige werkbeurs ​​van de stichting van het Japanse beursbedrijf Daiwa Shōken Group Honda, die hem in staat stelde om te werken in de Mejiro Ceramics Studio in Tokio. In 2010 werd de Waasl familiegeschiedenis “The Hare with the Amber Eyes: a Hidden Inheritance” gepubliceerd en in hetzelfde jaar won het boek de Costa Book Award in de categorie biografie. De titel verwijst naar een van de 264 Netsukefiguren die de Waal van zijn oudoom Iggy (Ignaz / Ignace) Leo Ephrussi had geërfd. Het verhaal beschrijft het leven van zijn voorouders, de joodse familie Ephrussi, die als Griekse Sephardim door handel en banktransacties in heel Europabekend werd, maar werden vervolgens echter als Joden werden vervolgd in de tijd van het nationaal-socialisme.

Uit: The Hare With Amber Eyes: A Hidden Inheritance

“One sunny April day I set out to find Charles. Rue de Monceau is a long Parisian street bisected by the grand boulevard Malesherbes that charges off towards the boulevard Pereire. It is a hill of golden stone houses, a series of hotels playing discreetly on neoclassical themes, each a minor Florentine palace with heavily rusticated ground floors and an array of heads, caryatids and cartouches. Number 81 rue de Monceau, the Hôtel Ephrussi, where my netsuke start their journey, is near the top of the hill. I pass the headquarters of Christian Lacroix and then, next door, there it is. It is now, rather crushingly, an office for medical insurance.
It is utterly beautiful. As a boy I used to draw buildings like this, spending afternoons carefully inking in shadows so that you could see the rise and fall of the depth of the windows and pillars. There is something musical in this kind of elevation. You take classical elements and try to bring them into rhythmic life: four Corinthian pilasters rising up to pace the façade, four massive stone urns on the parapet, five storeys high, eight windows wide. The street level is made up of great blocks of stone worked to look as if they have been weathered. I walk past a couple of times and, on the third, notice that there is the double back-to-back E of the Ephrussi family incorporated into the metal grilles over the street windows, the tendrils of the letters reaching into the spaces of the oval. It is barely there. I try to work out this rectitude and what it says about their confidence. I duck through the passageway to a courtyard, then through another arch to a stable block of red brick with servants’ quarters above; a pleasing diminuendo of materials and textures.
A delivery man carries boxes of Speedy-Go Pizza into the medical insurers. The door into the entrance hall is open. I walk into the hall, its staircase curling up like a coil of smoke through the whole house, black cast iron and gold filigree stretching up to a lantern at the top. There is a marble urn in a deep niche, chequerboard marble tiles. Executives are coming down the stairs, heels hard on marble, and I retreat in embarrassment. How can I start to explain this idiotic quest? I stand in the street and watch the house and take some photographs, apologetic Parisians ducking past me. House-watching is an art. You have to develop a way of seeing how a building sits in its landscape or streetscape. You have to discover how much room it takes up in the world, how much of the world it displaces. Number 81, for instance, is a house that cannily disappears into its neighbours: there are other houses that are grander, some are plainer, but few are more discreet.”


Edmund de Waal (Nottingham, 10 september 1964)

11:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: edmund de waal, romenu |  Facebook |


Dolce far niente, Herman de Coninck, C. O. Jellema, Wim Huijser, Cesare Pavese, Leo Tolstoj, Gentil Th. Antheunis, Gaston Durnez


Dolce far niente


Summer Vacation door Edward Potthast, begin jaren 1900




Zomeravond. We hebben woorden en tijd.
Behaaglijk is het om van mening en geslacht
te verschillen, waarna alleen nog van geslacht,
een verschil van dag en nacht, waarna nacht.

Laat je strelen, kom.
Ik hou ervan je lichaam te verdelen
in van alles twee, zoals ik deze zomer
de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.


Herman de Coninck (21 februari 1944 - 22 mei 1997)
Mechelen, strand in de stad. Herman de Coninck werd geboren in Mechelen.

Lees meer...