25-03-18

Jezus intrede in Jeruzalem (Nicolaas Beets)

 

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Anthony van Dyck, 1617

 

 

Jezus intrede in Jeruzalem
Matth. XXI. v. 1-9.

Wat feestelijk hozannagalmen,
Wat luid gewoel in Davids stad,
Gezwier van schaduwende palmen
En kleederspreiding over 't pad!
Wien groeten de opgetogen scharen?
Wiens statig' intocht viert haar drom?
Wien spreidt men bloem en groene blaren,
En voert Hem zegevierende om?

Een Zegepraler, wien, na 't strijden,
Een juichend volk met drift begroet?
Maar hij zou 't oorlogsros beschrijden,
Nog kleurig van vergoten bloed.
Een lijfwacht zou zijn zij' bekleeden,
De bloem van 't overwonnen heir
Zou in zijns kleppers voetspoor treden,
Een keten slepend, Hem ter eer.

Of is 't een uitgeroepen Koning,
Die 't rijk aanvaard heeft door zijn recht,
Ten dage, die met praalvertooning
De kroon Hem op den tulband legt?
Maar neen, geen stoet van vorstenmagen,
Die voor zijn schreden zich verdringt;
Geen schepter wordt vooruitgedragen;
Geen schelle feestbazuin weerklinkt.

En toch een Vorst, maar niet van de aarde,
Is Hij wien 't ezelveulen draagt;
Een prins, dien Davids dochter baarde,
Maar die geen zetel Davids vraagt,
Daar Hij zijn afkomst hooger rekent,
En hooger troon bestijgen zal;
Wiens naam Gezalfde Gods beteekent,
Wiens staf trekt over 't wijd heelal.

Wie kent, van die zijn intocht vieren,
In Davids zegenrijke stad,
Wier handen hem de meien zwieren,
En kleedren spreiden op zijn pad;
Schoon zij den grooten Meester eeren,
Den Wonderdoener en Profeet,
Wie kent in Hem den Heer der Heeren,
Die Satan op den gorgel treedt?

Die d' ijselijken strijd beginnen,
De schrikbre worstling aan zal gaan,
Waarin Hij Dood en Hel verwinnen,
En, zegevierder, op zal staan?
En hoe? Door lijden boven maten,
Door sterven, 't menschdom ten rantsoen, -
Die nu Hem toejuicht op de straten,
Een lot, dat gij Hem aan zult doen!

Wij weten van uw zegepralen,
O Heer, in wien ons hart gelooft!
Wij koestren ons in 't licht der stralen,
Die schittren om uw zeegrijk hoofd.
Wij heffen oog en hand en harte
Tot U, die op de wolken troont;
Gij waart op aarde een man van smarte,
Maar nu met hemelsche eer gekroond.

Hozanna! Koning, dien wij groeten;
Hozanna! Heer en Hoofd der Kerk!
Wij vallen needrig aan uw voeten,
Alleen door uw genade sterk.
Bekrachtig ons, gij Heer der Heeren,
Opdat wij, in uw naam gegord,
Verwinnaars, uit het strijdperk keeren,
Waarin ons zonde en dwaasheid stort.

 

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
De Nieuwe Kerk in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

 

Zie voor de schrijvers van de 25e maart ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

12:07 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: palmzondag, nicolaas beets, romenu |  Facebook |

Pol Hoste, Menno Van der Beek, Jung Chang, Paul Meeuws, Flannery O'Connor, Jaime Sabines, Peter Van Straaten, Toni Cade Bambara, Romenu

 

De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook alle tags voor Pol Hoste op dit blog.

Uit: Thee

“Aan mijn broer heb ik een foto gestuurd van het huis. Ik heb hem geschreven dat ik kunstgeschiedenis studeer. Hij kan de keuken zien en de ramen van de kamers en mijn vrienden lachen hem toe. Het is zomer en in de achtertuin eten we gebraden vlees met look en veel ajuin zodat we gespaard blijven van wormen. Ik lust geen rauw vlees. Men zal geen bloed drinken. Maar als er bloedworst wordt opgediend, eet ik en klaag niet.
Of de brief zijn bestemming zal bereiken, weet ik niet. Waar mijn familie leeft is het oorlog. Mijn grootvader werd vervolgd en gedood. Wij waren prinsen. Nu woon ik hier. Zal mijn broer ooit zien hoe mijn vrienden en ik kefir drinken en tomaten eten met brood? Dit hier zijn de stallen van de buren.
- Ga verder.
- Als het zondag was zette ik thee voor mijn vrienden. Maar ik kwam er niet achter waarom ze niet graag thee dronken. Kan men vragen waarom? Ik dacht dat het aan het water lag. Hier is er veel kalk in het water.
Op de markt kocht ik een nieuw kannetje. Ik vertelde de handelaar dat het water veel kalk bevatte.
‘Waarom keert u niet terug naar uw land?’ zei hij. ‘Als het water hier niet deugt?’ Ik verzweeg voor hem dat mijn familie in de woestijn woonde.
‘In mijn land, meneer,’ zei ik, ‘kookt het water als men er vuur onder maakt. En daarom heb ik een kannetje nodig.’ Dit vond ik een goed antwoord.
Het kostte me moeite om op de oude markt een waterdicht kannetje te vinden. Hoe kon ik weten dat men zich alles in winkels aanschaft? Ik zag geen winkels waar men kannetjes verkoopt.
‘Wat u zoekt,’ zei de handelaar die zich warmde aan een flesje cognac, ‘vindt men enkel bij oude boeren op het platteland.’ Later heb ik begrepen dat hij de warenhuizen bedoelde die buiten de stad zijn gevestigd. Dat begreep ik niet.
Maar ook nadat ik het water in een nieuw kannetje had gekookt leken mijn vrienden niet graag thee met mij te drinken. Daarom kocht ik wijn voor hen, kefir of verse geitemelk, kaas, vijgen en tomaten. En als ze op bezoek kwamen begon ik zelf smakelijk te eten om te tonen dat alles lekker was en net van de markt kwam en dat er voor iedereen voldoende was.”

 

 
Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)

Lees meer...

Antonio Fogazzaro, Jacques Bens, Jacques Audiberti, Filip De Pillecyn, Erica Pedretti, Evliya Çelebi, Anne Fanshawe, Daniel Schiebeler, Mary Webb

 

De Italiaanse schrijver Antonio Fogazzaro werd geboren op 25 maart 1842 in Vicenza. Zie ook alle tags voor Antonio Fogazzaro op dit blog.

Uit: The Saint

“Nonsense,” answered the author. “It is not progressing at all.” He was making no headway, but was, in fact, floundering hopelessly in the shallows of a desperate situation. Two personages had stuck in the author’s throat, and could move neither up nor down; one fat and good-natured, the other thin and sarcastic, like Mademoiselle d’Arxel. He felt like a certain unfortunate Tuscan peasant, who had lately swallowed a fig with a bee upon it, and had died in consequence. The “bee” understood that he really wanted to talk of his book; she stung him again and again to such a degree that he actually did talk about it. His story was founded on a curious case of spiritual infection. The hero was a French priest, an octogenarian, pious, pure, and learned. French? Why French? Simply because the character must be possessed of a certain tinge of poetic fancy, a certain elasticity of sentiment, and according to Carlino, not one Italian priest in a thousand was likely to possess these exalted attributes. It happened one day that this priest received the confession of a man of great intellect whose faith was assailed by terrible doubts. His confession over, the penitent went his way completely reassured, leaving the confessor shaken in his own faith. Here would follow a long and minute analysis of the different phases through which the old man’s conscience passed. He lived in daily expectation of death with a feeling of dismay akin to that of the schoolboy who waits his turn for examination in the ante-room, conscious only of his empty head. The priest comes to Bruges. At this point the hostile critic exclaimed:
“To Bruges? Why?”
“Because,” answered Carlino, “I send him wherever I wish. Because at Bruges there is the silence of the ante-chamber of Eternity, and that carillon (which honestly is beginning to exasperate me) may pass for the voices of summoning angels. Finally, because at Bruges there is a dark young lady slight, tall, and whom we may also call intelligent, although she speaks Italian badly, and does not understand music.”
Noemi pursed her lips and wrinkled her nose.
“What nonsense,” she said.”

 

 
Antonio Fogazzaro (25 maart 1842 – 7 maart 1911)
Cover 

Lees meer...

24-03-18

Peter Bichsel, Joy Ladin, Martin Walser, Dario Fo, Lawrence Ferlinghetti, Jacob van Lennep, Jeroen Mettes, Harry Prenen, Willem van Iependaal

 

De Zwitserse schrijver Peter Bichsel werd geboren op 24 maart 1935 in Luzern. Zie ook alle tags voor Peter Bichsel op dit blog.

Uit: Ein Tisch ist ein Tisch

„Er lächelte.
„Jetzt wird sich alles ändern“, dachte er. Er öffnete den obersten Hemdknopf, nahm den Hut in die Hand, beschleunigte seinen Gang, wippte sogar beim Gehen in den Knien und freute sich.
Er kam in seine Straße, nickte den Kindern zu, ging vor sein Haus, stieg die Treppe hoch, nahm die Schlüssel aus der Tasche und schloss sein Zimmer auf.
Aber im Zimmer war alles gleich, ein Tisch, zwei Stühle, ein Bett. Und wie er sicht hinsetzte, hörte er wieder das Ticken, und alle Freude war vorbei, denn nichts hatte sich geändert. Und den Mann überkam eine große Wut. Er sah im Spiegel sein Gesicht rot anlaufen, sah, wie er die Augen zukniff; dann verkrampfte er seine Hände zu Fäusten, hob sie und schlug mit ihnen auf die Tischplatte, erst nur einen Schlag, dann noch einen, und dann begann er auf den Tisch zu trommeln und schrie dazu immer wieder:
„Es muss sich etwas ändern.“ Und er hörte den Wecker nicht mehr. Dann begannen seine Hände zu schmerzen, seine Stimme versagte, dann hörte er den Wecker wieder, und nichts änderte sich.
„Immer derselbe Tisch“, sagte der Mann, „dieselben Stühle, das Bett, das Bild. Und zu dem Tisch sage ich Tisch, zu dem Bild sage ich Bild, das Bett heißt Bett, und den Stuhl nennt man Stuhl. Warum denn eigentlich?“ Die Franzosen sagen zu dem Bett „li“ , zu dem Tisch „tabl“, nennen das Bild „tablo“ und den Stuhl „schäs“, und sie verstehen sich. Und die Chinesen verstehen sich auch. „Warum heißt das Bett nicht Bild“, dachte der Mann und lächelte, dann lachte er, lachte, bis die Nachbarn an die Wand klopften und „Ruhe“ riefen.
„Jetzt ändert es sich“, rief er, und er sagte von nun an zu dem Bett „Bild“.
Ich bin müde, ich will ins Bild“, sagte er, und morgens blieb er oft lange im Bild liegen und überlegte, wie er nun zu dem Stuhl sagen wolle, und er nannte den Stuhl „Wecker“. Hie und da träumte er schon in der neuen Sprache, und dann übersetzte er die Lieder aus seiner Schulzeit in seine Sprache, und er sang sie leise vor sich hin.
Er stand also auf, zog sich an, setzte sich auf den Wecker und stützte die Arme auf den Tisch.“

 

 
Peter Bichsel (Luzern, 24 maart 1935)

Lees meer...

Top Naeff, Robert Hamerling, Fanny Lewald, Christian Schubart, Gabriele von Baumberg, Olive Schreiner, William Morris, Richard Leising

 

De Nederlandse schrijfster Top Naeff (eig. Anthonetta van Rhijn-Naeff) werd geboren op 24 maart 1878 in Dordrecht. Zie ook alle tags voor Top Naeff op dit blog.

Uit: School-ydillen

“En alle vier stelden zij zich haar voor als Kaatje, 't Brebis. - 't Model, verrukt over 't effect van den nu glimmenden armband aan haar fijn blank polsje, verbrak 't eerst de stilte: ‘Is 't de volgende week Woensdag of Donderdag groote lijst?’
Noes dook op: ‘Woensdag al,’ zei ze.
‘O hemel,’ zuchtte Jeanne en Jet trommelde fanfares.
Met 'n vinnigen blik op Jeanne, zei Lien: ‘Jij hoeft niet te zuchten, jij hebt altijd goeje cijfers en iedereen weet, dat je je best doet. Maar wij, hé Noes?’
‘Wij hebben altijd slechte cijfers, en iedereen weet, dat wij niet ons best doen,’ beaamde deze gelaten. ‘En we krijgen altijd zoo'n standje van ma.’
‘Vooral ik, ik zit voor 't tweede jaar,’ en Lien's gezicht werd meer en meer benauwd.
‘'t Kan jou niet schelen, hé Jet?’
Jet was juist aan haar derde fanfare. Zij draaide zich met een vaartje op den pianostoel om, stopte de veters van haar laarzen in, en met 'n allergenoeglijkst gezichtje zei ze:
‘Ik? kind ben je mal! als ik me dat allemaal aan moest trekken, kon ik wel aan den gang blijven. Laat eens zien.... ik was zes jaar toen ik op school kwam, 'k ben nou vijftien, dus negen jaar op school geweest, en in al die negen jaren heb ik nog nooit, zegge nooit, een goed rapport gehad. Dat kan ik me toch niet voortdurend aan blijven trekken, 't zou compleet geen leven zijn!.... Och, 'n mensch went aan alles, en men moet zich in 't onvermijdelijke leeren schikken....’
Jeanne keek met heimelijke bewondering naar haar op:
‘Vindt je dan 't oogenblik, dat de lijst wordt opgelezen en juffrouw Prior je zoo woedend aankijkt ook niet akelig? Je ziet er toch altijd net uit of je 't je erg aantrekt.’
‘Dat's mijn “groote-lijst-gezicht”, dat zet ik altijd bij die gelegenheid.’ Jet maakte de mimiek er bij. ‘Ik houd m'n hoofd zoo'n beetje scheef, kijk zóó en dan staar ik stijf op één punt, meestal naar 't lintje om Mies Vermeulen's vlecht. Dan vouw ik m'n handen zedig over elkaar, zet m'n boventanden in m'n onderlip en trek m'n kin 'n beetje in. Zóó. 't Is heel gemakkelijk te leeren, als....’

 

 
Top Naeff (24 maart 1878 – 21 april 1953)
Illustratie uit School-ydillen

 

Lees meer...

23-03-18

Cri Stellweg, Jonathan Ames, Yō,ko Tawada, Gary Whitehead, Mitch Cullin, Roger Martin du Gard, Madison Cawein, Nils-Aslak Valkeapää, Federica de Cesco

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Margaretha Hendrika (Cri) Stellweg (alias Saartje Burgerhart) werd geboren in Nijmegen op 23 maart 1922. Zie ook alle tags voor Cri Stellweg op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2006.

Uit: Ontbijten in je eentje

Het was 1939, een oorlog dreigde. Beneden in de kelder stonden blikken met pakjes koffie, met thee. Dozen met zeep. Vele krakende zakjes gedroogde groenten, die later door vader in zijn pijp gestopt opgerookt zouden worden omdat proefondervindelijk bewezen was dat er echt niets anders, iets eetbaars van te bereiden viel. De moeder had goed gezorgd; zo, dacht zij, zou het uit vijf personen bestaande gezin een oorlog wel doorkomen. Dat pakte dus anders uit. Maar hoe had zij kunnen voorzien dat zij voor vier jaren vet, olie, suiker, zout, naaigaren, pantoffels, breiwol, worst en brandstof had moeten inslaan? Twee grote wasmanden vol turven in de kelder voor je-weet-maar-nooit, alla. Maar mudden antraciet, nootjes nr. 4, voor vier winters achtereen? En water? Had ze soms water moeten en kunnen hamsteren? Terwijl toch de tijd kwam dat vier personen hun tandenborstel uitspoelden in een en hetzelfde bekertje water, waarna de vijfde er het kunstgebit in te weken legde. Nee, de moeder kon dat niet helpen, het was de schuld van een Tommy die zijn bom liet vallen op de waterinstallatie van de stad, denkend dat hij al boven Duitsland was, terwijl dat net een krappe vijftig kilometer verderop lag. Een tankwagen kwam tweemaal daags op de hoek van de straat, de bewoners groepten eromheen met emmers, teilen, kannen en soms met een door twee man aangezeulde wasketel.
Toch werd eind april 1945 levend gehaald, mede dankzij de hamstervoorraad, hoewel de rijst muf begon te smaken en de bonen tenslotte boontje voor boontje moesten worden ontdaan van een wittige uitslag. Dankzij groezelige handeltjes met familiesieraden, moeders bontjas en beddengoed, dankzij ook de Centrale Keuken, maar vooral God was het die luid en langdurig dank diende te worden gezegd.”

 

 
Cri Stellweg (23 maart 1922 - 26 november 2006)
Cover

Lees meer...

22-03-18

Billy Collins, Theo Kars, Eveline Hasler, Érik Orsenna, Arnold Sauwen, Wolfgang Bächler, Ilse Kleberger, Léon Deubel, Karel Poláček

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Billy Collins werd geboren in New York op 22 maart 1941. Zie ook alle tags voor Billy Collins op dit blog.

 

The Only Day In Existence

The early sun is so pale and shadowy,
I could be looking up at a ghost
in the shape of a window,
a tall, rectangular spirit
looking down at me in bed,
about to demand that I avenge
the murder of my father.
But the morning light is only the first line
in the play of this day--
the only day in existence--
the opening chord of its long song,
or think of what is permeating
the thin bedroom curtains

as the beginning of a lecture
I will listen to until it is dark,
a curious student in a V-neck sweater,
angled into the wooden chair of his life,
ready with notebook and a chewed-up pencil,
quiet as a goldfish in winter,
serious as a compass at sea,
eager to absorb whatever lesson
this damp, overcast Tuesday
has to teach me,
here in the spacious classroom of the world
with its long walls of glass,
its heavy, low-hung ceiling.

 

 

The Five Spot

There’s always a lesson to be learned,
whether in a hotel bar
or over tea in a teahouse,
no matter which way it goes,
for you or against,
what you want to hear or what you don’t.

Seeing Roland Kirk, for example,
with two then three saxophones
in his mouth at once
and a kazoo, no less,
hanging from his neck at the ready.

Even in my youth I saw
this not as a lesson in keeping busy
with one thing or another,
but as a joyous impossible lesson
in how to do it all at once,

pleasing and displeasing yourself
with harmony here and discord there.
But what else did I know
as the waitress lit the candle
on my round table in the dark?
What did I know about anything?

 

 
Billy Collins (New York, 22 maart 1941)

Lees meer...

21-03-18

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Kees van Beijnum, Hamid Skif, Jean Paul

 

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies twaalf jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit Blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en voor het overige de Willem de Mérode tags op dit blog bij Skynet.

 

 
The Blue Boy door Thomas Gainsborough, 1779

 

 

The blue boy

Ik draag het leven in zijn rijksten tooi,
Gelijk mijn zachte blauwe zijden kleeren.
Een weelge wappering van koele veeren
Is ’t aan mijn oren: ’t leven is zoo mooi!

Zie mijn gestalte: kostelijk en trotsch
De kloeke bouw der lenig jonge leden.
Nog ken ik niet dan moeders teederheden
En ben zoo rein gelijk een engel Gods.

Maar om mijn mond schemert het weeke smachten
Naar liefde, die mijn droomen slechts vermoeden,
En in mijn oogen leeft de glans van nachten,

Wier heerlijkheid geen daglicht kan vergoeden.
En rustig wacht ik vreugden, die nog komen,
’t Leven is heerlijk als het wordt genòmen!

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

Lees meer...

Hubert Fichte, Peter Hacks, Michel Bartosik, Youssef Rzouga, Günter Vallaster, Siegfried Kapper

 

De Duitse schrijver Hubert Fichte werd geboren op 21 maart 1935 in Perleberg, Brandenburg. Zie ook alle tags voor Hubert Fichte op dit blog.

Uit: Detlevs Imitationen „Grünspan”

„Oder vielleicht ist auch alles verbrannt. Der junge und die Fotografien. Die Buchstaben schmolzen. Bücher verbrannten. Die Gehirne, die Buchstaben zusammenfügten, verbrannten.
Es gibt neue Buchstaben, mit dmm über das Verbrennen berichtet wird.
Ziffirn.
70000.
Einige behaupten.·
-240000.
Gibt es einen Ausdruck dafür?
Buchstaben verbrennen lassen. Bleilettern schmelzen ? Keine Ulanen daraus gießen?
Sollen sich Schriftsteller anzünden?
Oder Ideogramme nfindm wie Kaiser Njoja für die Bamum?
Lateinische Buchstaben und arabische Ziffern vermitteln nur Mengenangaben und Entfernungen-Unterschiede.
Vermitteln Ideogramme das Feuer selbst und die Asche?
- Die BBkellerschrumpjleiche.
Vermitteln Ideogramme das Gefühl des ertrinkenden Matrosen Paul oder das Verbrennen
seines Sohnes?
Zwei Seiten dieses Buches schwarz ein.fiirben:
- Dies sei die Zerstörung!
Oder einen schwarzen, Jettglänundm Fleck auf zwei Seiten des Buches drucken - in der Mitte, winzig. den fünfzackigen Stern der Amerikaner aussparen, den Glücksstern an den Waffin - und am Rande des Kleckses Silben rausgucken lassen - ev, ma, o - oder Frau Wichmanns Ohrläppchen?
War in der Literatur eine große Kühnheit, wäre als Grafik wahrscheinlich ziemlich dünn.
Die Buchstaben sind nicht alle verbrannt.“

 

 
Hubert Fichte (21 maart 1935 – 8 maart 1986)
Cover 

Lees meer...

20-03-18

David Malouf, Katharina Hartwell, Ricus van de Coevering, Roman Libbertz, Jens Petersen, Benoît Duteurtre, Friedrich Hölderlin, Ralph Giordano, Henrik Johan Ibsen

 

De Australische schrijver David Malouf werd geboren op 20 maart 1934 in Brisbane. Zie alle tags voor David Malouf op dit blog.

Uit: Ransom

„He was five then, six. She was his secret. He floated in the long soft swirlings of her hair.
But she had warned him from the beginning that she would not always be with him. She had given him up. That was the hard condition of his being and of all commerce between them. One day when he put his foot down on the earth he knew at once that something was different. A gift he had taken as natural to him, the play of a dual self that had allowed him, in a moment, to slip out of his hard boyish nature and become eel-like, fluid, weightless, without substance in his mother's arms, had been withdrawn. From now on she would be no more than a faint far-off echo to his senses, an underwater humming.
He had grieved. But silently, never permitting himself to betray to others what he felt.
Somewhere in the depths of sleep his spirit had made a crossing and not come back, or it had been snatched up and transformed. When he bent and chose a stone for his slingshot it had a new weight in his hand, and the sling had a different tension. He was his father's son and mortal. He had entered the rough world of men, where a man's acts follow him wherever he goes in the form of story. A world of pain, loss, dependency, bursts of violence and elation; of fatality and fatal contradictions, breathless leaps into the unknown; at last of death-a hero's death out there in full sunlight under the gaze of gods and men, for which the hardened self, the hardened body, had daily to be exercised and prepared.
A breeze touches his brow. Far out where the gulf deepens, small waves kick up, gather, then collapse, and new ones replace them; and this, even as he watches, repeats itself, and will do endlessly whether he is here or not to observe it: that is what he sees. In the long vista of time he might already be gone. It is time, not space, he is staring into.
For nine years winter and summer they have been cooped up here on the beach, all the vast horde of them, Greeks of every clan and kingdom, from Argos and Sparta and Boeotia, from Euboea, Crete, Ithaca, Cos and the other islands, or like himself and his men, his Myrmidons, from Phthia. Days, years, season after season; an endless interim of keeping your weapons in good trim and your keener self taut as a bowstring through long stretches of idleness, of restless, patient waiting, and shameful quarrels and unmanly bragging and talk.”

 

 
David Malouf (Brisbane, 20 maart 1934)

Lees meer...

19-03-18

Mano Bouzamour, Hans Mayer, Philip Roth, Noud Bles, Lynne Sharon Schwartz, Lina Kostenko, Kirsten Boie, William Allingham, Ion Barbu

 

De Nederlandse schrijver Mano Bouzamour werd geboren op 19 maart 1991 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Mano Bouzamour op dit blog.

Uit: Samir, genannt Sam (De belofte van Pisa, vertaald door Bettina Bach)

»Nee? Echt jetz?« Er sah meinen Bruder an: »Soll ich denen mal Bescheid stoßen? Willste das? Ich geh da gleich mal rein, mir doch egal, das macht mich noch ganz meschugge!« Soussi klappte die Sitzbank seines Rollers hoch, steckte den Kopf halb ins Staufach und wühlte darin herum. Mein Bruder fragte: »Was hast du vor? Dem Direktor ins Bein schießen?« »Wenns sein muss.« »Ach, hör doch auf.« »Es sind doch alles nur miese Faschos. Wäre ich bloß mitgekommen, aber nee: >Wart mal kurz<, war die Ansage. Ihr schämt euch wohl für mich!« »Sam hat einen Platz bekommen.« Soussi schaute auf. »Echt?« Ich nickte eifrig. »Wusst ichs doch! Ich hab euch gleich durchschaut. Komm mal her, Kleiner.« Er umarmte mich und sagte: »Das muss gefeiert werden, gehn wir Eis essen?« Soussi schielte schelmisch auf eine Gruppe fröhlich hüpfender Sommerkleider, wahrscheinlich Abiturientinnen, angesichts der Tatsache, dass sie über alle weiblichen Attribute verfügten. »Kannste gleich mal mit dem Eis üben, hier an der Schule wirste die nächsten Jahre garantiert ne Menge lecken, das sag ich dir.« »Bäh«, sagte ich. »Der muss die nächsten Jahre einen Keuschheitsgürtel tragen. Dann kann er sich auf die Schule konzentrieren, stimmt's, Sam?« Soussi ignorierte meinen Bruder und schaute mich an: »Bäh? Magst du kein Eis?« Jetzt erst wandte er sich an meinen Bruder: »Dir sollte man sonen Keuschheitsgürtel oder was umschnallen. Möchte ja gern wissen, wann dein Schwanz mal schlappmacht.« »Dafür sollte man dich lebenslang in eine Zwangsjacke stecken, Soussi. In die Geschlossene gehörst du, aber echt. Du wolltest dich gerade an einer unschuldigen Lehrerin vergreifen.« »Keiner ist unschuldig. Lehrer schon gar nicht. Wozu wären sie sonst Lehrer? Für Sam ist son Keuschheitsgürtel trotzdem ne geile Idee.« »Mann, du bist so versaut«, sagte mein Bruder. »Selber.« »Kein Wunder, dass du immer nur deine rechte Hand vögelst.« »Du kennst mich schon dein ganzes mickriges Leben, du Penner, ich wichse mit links. Aber jetz mal Klartext, wo geht's hin? Pisa oder Venezia?« »Sam darf es sich aussuchen, heute ist sein Tag.« »Fahr bei mir mit, kleiner Tiger«, sagte Soussi, »erzähl ich dir ne krasse Geschichte von deiner zukünftigen Schule.« Ich stieg hinten auf und sagte: »Bei Venezia schmeckt es ekelhaft. Ich will zu Pisa.«
Während wir über den Stadionweg fuhren, drehte sich Soussi immer wieder zur Seite und erzählte mir, im Zweiten Weltkrieg sei der Direktor des Hervormd Lyceum Zuid ein mieser Landesverräter gewesen, ein Faschist. Und dass ich aufpassen sollte, vielleicht wäre der jetzige Direktor ja sein Enkel. »Weißte, was du machst? Du findest raus, ob ers is, und wenn ja, dann fackeln wir sein Auto ab. Mit ihm drin, logo.« Soussi war der Geschichtsexperte schlechthin und total fasziniert vom Zweiten Weltkrieg. Er arbeitete schon seit Jahren für einen bekannten Händler auf dem Albert-Cuyp-Markt. Sein Chef, Benjamin der Jude, erzählte ihm bei der Arbeit faszinierende Geschichten über den Holocaust.“

 

 
Mano Bouzamour (Amsterdam, 19 maart 1991)

Lees meer...