10-01-18

Antonio Muñoz Molina, Saskia Stehouwer, Annette von Droste-Hülshoff, Mies Bouhuys, Harrie Geelen, Dennis Cooper, Adrian Kasnitz, Jared Carter, Yasmina Khadra

 

De Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina werd geboren op 10 januari 1956 in Úbeda in de provincie Jaén. Zie ook alle tags voor Antonio Muñoz Molina op dit blog.

Uit: Der polnische Reiter (Vertaald door Willi Zurbrüggen)

“Ohne dass sie es merkten, wurde es Nacht in dem Zimmer, das sie seit vielen Stunden nicht verlassen hatten, in dem sie sich umarmt und mit immer leiserer Stimme unterhalten hatten, als hätten die Dämmerung und später die Dunkelheit, die sie nicht wahrnahmen, den Klang ihrer Stimmen gedämpft, nicht aber die gegenseitige Gier nach Worten, so wie auch die anfangs stürmische Art und Weise, in der sie ihr Verlangen befriedigten und zugleich nährten, gedämpfter geworden war, nach dem Essen in der irischen Kneipe, in der ihr bestrumpfter Fuß heimlich und ohne Scham unter dem unzureichenden Schutz der Tischdecke nach ihm getastet hatte, als sie danach durch den Schnee und die Kälte heimgegangen und im Fahrstuhl, vor der Tür, in der Diele, im Badezimmer beinah übereinander hergefallen waren, die Kleider in zärtlicher Raserei ungeduldig vom Leib gerissen und ihre Münder sich beißend, während beider Atem immer keuchender ging in der Hitze des Zimmers am frühen Nachmittag, im gestreiften Licht der Jalousien, durch die man auf der anderen Straßenseite eine Reihe von Bäumen mit kahlen Ästen sah, deren Namen sie ihm nicht zu nennen wusste, dahinter die Zeile der roten Ziegelsteinhäuser mit steinernen Stürzen, goldenen Türklopfern und glänzend schwarz gestrichenen Türen, die ihm das beruhigende Gefühl gaben, in London oder sonst einer angelsächsischen, leisen Stadt zu sein, obwohl der Verkehrslärm von den Straßen heraufdrang, die Sirenen von Polizeifahrzeugen und von den Löschzügen der Feuerwehr, ein dichtes Gebrodel, das sich um den Kern der Stille legte, in dem sie beide atmeten, so wie die grenzenlose, furchtbare Stadt sich um die kleine Wohnung legte, um die wie ein Unterseeboot so sichere Behausung, in der sie sich, wenn sie innehielten und darüber nachdachten, unter all den Millionen von Männern und Frauen, von Gesichtern und Namen, von Rufen und Sprachen und Telefongesprächen eigentlich unmöglich hätten begegnen können.“

 

 
Antonio Muñoz Molina (Úbeda, 10 januari 1956)


 

De Nederlandse dichteres Saskia Stehouwer werd geboren op 10 januari 1975 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Saskia Stehouwer op dit blog.

 

stroom

vandaag kwam het paard
met de dunne huid langs
beet een tand stuk op het hek
voelde het bloed langs zijn wang lopen
en begon voorgoed aan een sprong

het zwart van je ogen verandert
loopt een stukje mee met de tijd
ik ontsnap aan je blik
glip weg naar het beroerde bosje
waar ik mijn oor te luchten leg

ik herinner me
de eerste keer onder water
waar de tijd werd platgedrukt

we wisten iets wat we vergeten zijn
een stop in de gootsteen
waar water doorheen sijpelt
we gaan hardnekkig door met kijken
naar wie we waren

achter de donkere bomen
gaat steeds iemand anders schuil
je aarzelt of je het bed zult verschonen

voor het eerst versta ik wat je zegt

 

 

Lucht

op een dag word je een eiland
waar de zee aan knaagt

de bomen laten hun bladeren vallen
de dieren trekken zich terug in hun holen
ook al ben jij
de bomen en de dieren

een dichte mist trekt op
je kunt jezelf niet zien
herinnert je nog contouren
een enkele berg

de vogels scheren
door de zonsondergang
bedelven de zee
onder hun getetter

voorbij de woorden
waait een wind
die je zal opnemen

 

 
Saskia Stehouwer (Alkmaar, 10 januari 1975)

 

 

De Duitse dichteres en schrijfster Annette von Droste-Hülshoff werd op 10 januari 1797 op het slot Hülshoff in Westfalen geboren. Zie ook alle tags voor Annette von Droste-Hülshoff op dit blog.

 

Das vierzehnjährige Herz

Er ist so schön! - sein lichtes Haar
Das möcht' ich mit keinem vertauschen,
Wie seidene Fäden so weich und klar,
Wenn zarte Löckchen sich bauschen;
Oft streichl' ich es, dann lacht er traun,
Nennt mich »seine alberne Barbe«;
Es ist nicht schwarz, nicht blond, nicht braun,
Nun ratet, wie nennt sich die Farbe?

Und seine Gebärde ist königlich,
Geht majestätisch zu Herzen,
Zuckt er die Braue, dann fürcht' ich mich,
Und möchte auch weinen vor Schmerzen;
Und wieder seh' ich sein Lächeln blühn,
So klar wie das reine Gewissen,
Da möchte ich gleich auf den Schemel knien,
Und die guten Hände ihm küssen.

Heut' bin ich in aller Frühe erwacht,
Beim ersten Glitzern der Sonnen,
Und habe mich gleich auf die Sohlen gemacht,
Zum Hügel drüben am Bronnen;
Erdbeeren fand ich, glüh wie Rubin,
Schau, wie im Korbe sie lachen!
Die stell' ich ihm nun an das Lager hin,
Da sieht er sie gleich beim Erwachen.

Ich weiß, er denkt mit dem ersten Blick,
»Das tat meine alberne Barbe!«
Und freundlich streicht er das Haar zurück
Von seiner rühmlichen Narbe,
Ruft mich bei Namen, und zieht mich nah,
Daß Tränen die Augen mir trüben;
Ach, er ist mein herrlicher Vater ja,
Soll ich ihn denn nicht lieben, nicht lieben?

 

 

Die Unbesungenen

′s gibt Gräber wo die Klage schweigt,
Und nur das Herz von innen blutet,
Kein Tropfen in die Wimper steigt,
Und doch die Lava drinnen flutet;
′s gibt Gräber, die wie Wetternacht
An unserm Horizonte stehn
Und alles Leben niederhalten,
Und doch, wenn Abendrot erwacht,
Mit ihren goldnen Flügeln wehn
Wie milde Seraphimgestalten.

Zu heilig sind sie für das Lied,
Und mächtge Redner doch vor allen,
Sie nennen dir was nimmer schied,
Was nie und nimmer kann zerfallen;
O, wenn dich Zweifel drückt herab,
Und möchtest atmen Ätherluft,
Und möchtest schauen Seraphsflügel,
Dann tritt an deines Vaters Grab!
Dann tritt an deines Bruders Gruft!
Dann tritt an deines Kindes Hügel!

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Borstbeeld aan de Promenade in Münster

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Mies Bouhuys werd geboren op 10 januari 1927 in Weesp. Zie ook alle tags voor Mies Bouhuys op dit blog.

Uit: Martinus Nijhoff: vriend en meester

“Hij merkt het niet; hij schijnt integendeel teleurgesteld. Ineens herinnert hij zich een winkel veel verderop, die nòg beter is, een winkel waar we dan eindeloos naar zoeken [als naar een versregel] maar die hij niet meer kan vinden.
Mijn eerste ontmoeting met hem. Ik was elf jaar en luisterend naar een man die tegen een afgeschermde kachel in een gymnastieklokaal stond en gedichten voordroeg. Ik keek meer naar zijn zwarte schaduw op de witgekalkte muur dan dat ik luisterde. Het liep tegen Pasen en de man declameerde De Soldaat die Jezus kruisigde, een gedicht van M. Nijhoff. Door dat gedicht kwam ik tot het lezen van zijn bundel Vormen, de eerste gedichtenbundel die ik uit eigen beweging ter hand nam. ‘Zou je zo iemand als Nijhoff wel eens kunnen zien?’ vroeg ik me af en ik verlangde er even sterk naar als naar het zien van een prins in een koets, een echt zeeschip en bergen tot in de wolken. Ik heb ze gezien, die prins, Nijhoff, dat zeeschip en die bergen; ze waren allemaal minder schokkend dan ik had verwacht en toch, iedere keer, dat ik Martinus Nijhoff ontmoette, of als ik wist dat hij komen zou, had ik het kinderlijke gevoel dat er iets ging gebeuren. Er gebeurde nooit iets, althans niet in de zin van een dramatisch effect. Er groeide iets. We werden vrienden. Hij, zijn vrouw en ik.
Vrienden ontving hij niet in zijn werkkamer of in de kleine salon, maar in het keukentje, waar hij zelf zo graag zat en ook wel kokkerelde. Terugdenken aan dat keukentje, betekent: op een krukje tegenover hem zitten, terwijl, zoals hij het zo prachtig uitdrukt in het sonnet Impasse, de damp geur wordt. In mijn bewondering voor hem deed ik niets liever dan daar te zitten en te luisteren, vooral wanneer hij spraakzaam werd over zijn eigen werk. Op een gegeven ogenblik stond hij dan op en haalde hij uit zijn kamer een vel papier, waarop onder elkaar tien, twintig versregels stonden, die elk een andere expressie waren van eenzelfde gedachte of eenzelfde gevoel. Spelend met zijn kleine potloodje, vroeg hij dan: ‘kùn je zeggen....?’ en dan volgden die regels, die hem in hun bijna-gelijkwaardigheid verwarden. Als er dan in dat keukentje was gewikt en gewogen, eindigde de discussie steevast met het verscheuren van die bladzijde en met de verzuchting ‘had ik maar talent’. Maar opeens - en nu krijgen de critici die hem ‘Spielerei’ verweten gelijk - kwam uit zijn binnenzak een heel klein papiertje en met het triomfantelijke gebaar van een tovenaar die het wonder heeft verricht, legde hij het voor mij neer.”

 
Mies Bouhuys (10 januari 1927 – 30 juni 2008)

 

 

De Nederlandse schrijver, dichter, tekenaar, illustrator, regisseur, animator, en vertaler Harrie Geelen werd geboren in Heerlen op 10 januari 1939. Zie ook alle tags voor Harrie Geelen op dit blog.

Uit: Ooms en tantes. Tantes en ooms

“Eigenlijk dient men alle verdriet voor een verhaal niet aan het begin boven het hoofd van de lezers om te keren als een zak met brood boven eendjes. Want men jaagt ze daarmee weg.
Maar het is niet anders.
Al mijn ooms en tantes zijn dood. In hun huizen wonen anderen. Niemand in hun straten heeft hen meer tot buur gehad, in winkels, kerken en café's hangt hooguit de geur van hun naam.
Mijn sierlijke tante Tine met haar ene oog. Ze is begraven in haar bontjas die door niemand is betaald. Haar rekening staat voor eeuwig open bij Maison Widdershoven-Tulipe.
Mijn oom Leonard. Nog steeds herkent hem, zegt men, in het Sint Gerardushuis een kwade, kindse kastelein in elke jonge arts.
Mijn ooms Eugène en Louis. In de achterste bank van de kerk (aan de vrouwenkant, zou mijn tante Lili zeggen) staan hun namen gekerfd in een leesbare hand en met een vraagteken achter beide. Ze hebben elkaar een leven lang beloerd uit hun hokkige huizen recht tegenover elkaar in een straat waar zelfs de wind niet vaak kwam.
Voilà. Vier namen te grabbel. En zijn de hompen al niet veel te groot?
Ook met de dood van een moeder die in het leven nauwelijks vóórkomt moet men eigenlijk niemand lastig vallen. Maar zulk verdriet is als oud brood. Als niemand er meer om huilt, als het droog en brokkelig wordt, gooit men het toch met moeite weg.
Men geeft het liever aan de eenden.
De zussen van mijn vader hadden hem mijn moeder nooit vergeven. Hij was altijd hun prinsje geweest. Ze hadden hem toen mijn grootouders kort na elkaar stierven (mijn grootmoeder in het kraambed, mijn opa de dag daarna in de Maas) samen ruziënd grootgebracht.”

 

 
Harrie Geelen (Heerlen, 10 januari 1939)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Dennis Cooper werd geboren op 10 januari 1953 in Arcadia, Californië. Zie ook alle tags voor Dennis Cooper op dit blog.

Uit: The Sluts

“There are usually a few street hustlers working the blocks around a local bar here in Long Beach called Pumper’s. That’s where they like to hang out and play pool between tricks. It’s a pretty sad scene, so I couldn’t believe my eyes when I saw this beautiful, skinny kid with a backpack who told me his name was Brad. He didn’t look a day over fourteen, but his ID said 18 so I’ll let it stand at that.
I took him back to my place. He was very quiet and didn’t seem to want to talk. He wouldn’t give me a price or say what he was into. He also had a slight twitch where he’d crane his neck and open his mouth. I took that to be a drug reaction since he was obviously on something. There were warning signs everywhere but Brad was so hot that I just ignored them. I’m glad I did, but keep reading.
He asked if I had any alcohol. I thought he was high enough already, but he said he had to be ‘fucked up to do it.’ So I gave him some whiskey and he proceeded to get quite drunk but not loud and obnoxious. If anything he got even quieter. He still wouldn’t talk money or specifics. He gave me the impression that whatever I wanted to do and pay him was fine. After about thirty minutes of steady drinking, I decided to make a move.
Here’s the thing. The sex was unbelievable. Brad will do anything as far I can tell, but he’s definitely a bottom. He never got hard, but he sure acted like he was into it. He has the hottest, sweetest little ass, especially if you like them a little used like I do. I must have eaten out his hole for an hour. I got four fingers inside him. I couldn’t fuck him hard and deep enough. I spanked him, and not softly either. I pinched and twisted the hell out of his nipples. Nothing fazed him. All the time his cute boy face looked at me with his mouth wide open and made these sounds like he was scared to death and turned on at the same time. I came twice, first in his mouth and then up his ass. I should say that I never practice unsafe sex, but I just couldn’t help it. I’m HIV-, however.
Here’s where the problems started. He didn’t want to stop. It’s like he couldn’t get himself out of whatever zone he was in. I was afraid he’d lost his mind. It was very spooky. I didn’t know what to do with him. I let him sleep over because he didn’t seem dangerous, but I fell asleep to the sound of him whimpering and thrashing around. I left $200 for him on the dresser, and when I woke up, he and the money were gone. There was a note from him with his phone number on it saying to please call him or tell my friends about him. Overall, it was great, but once is enough for me.”

 
Dennis Cooper (Arcadia, 10 januari 1953)
Cover

 

 

De Duitse dichter en schrijver Adrian Kasnitz werd geboren op 10 januari 1974 in Orneta, Polen. Zie ook alle tags voor Adrian Kasnitz op dit blog.

 

Aschewolken

Die Asche von Island über unseren Köpfen
und in unseren Triebwerken
                        mir ist schon länger, als sei
Sand in meinen Gedanken, das Einschalten
des Rechners, das Lesen der Nachrichten
das Aufpoppen von Meldungen
                                   leise rieselt herunter
der feine Ascheregen an den Scheiben
der Wagen, die mit immer demselben Geräusch
gegen die Wand donnern
                        in meinen Träumen
halte ich dich fest und befühle dich
wie die Packung eines Schokoriegels
            es knistert über unseren Köpfen
wenn die Treibwerke aussetzen und die
ungelenken Maschinen sich im Segelflug üben
            mir ist schon länger, als wären wir
nicht allein, sondern jemand hinter der Kamera
würde uns unermüdlich zuwinken
            wie aber kann ich ihm antworten   

 

 

Kanadagänse

Kanadagänse vermehren sich, hocken am Ufer, reißen Gras
Kanadagänse stehen in Gruppen, lassen keinen passieren, filzen
Kanadagänse werden bald regieren

bald werden wir alle Gras reißen und Passanten filzen
wir werden eine Runde über den Park fliegen und dann wassern
wir werden stolze Kanadagänse sein

leg dich nicht mit uns an

 

 
Adrian Kasnitz (Ometa, 10 januari 1974)

 

 

De Amerikaanse dichter Jared Carter werd geboren op 10 januari 1939 in Elwood, een dorpje in Indiana, VS. Zie ook alle tags voor Jared Carter op dit blog.

 

The Solitude Of The Soul

'In stone, four life-sized nude figures, two male
and two female, posed around and halfway emerging
from, or captured by, an indistinct central volume.
By the American sculptor Lorado Taft,1860-1936.
In the collection of the Art Institute of Chicago.'

Silence made tangible, serenely caught
In bounded space. Pure form revealed, stripped bare,
Bereft of guises and disguises. Ought
Matters not, nor might have been. They wear
Each other's presence like a flower, yet find
No comfort in the vine of outstretched hands
That draws them close. No mortal sleep could bind
Such distances. In dreams, we understand
But cannot have. Awake, we strive to know
But still must journey on. Yet here, a flame
Moves warily among these polished forms,
Seeking through art what life cannot bestow -
The moment come again, the touch, the name.
As lightning's torch is herald to the storm.

 

 

Kafka

Right at the end he could not speak
but wrote brief notes -
Hello, goodbye, the coffee's weak,
a favorite quote

Imperfectly remembered from
a time before.
The others who were there would come
and go; a door

Led off somewhere. Flowers became
what mattered most -
The way each blue or yellow flame
harbored its ghost.

 

 
Jared Carter (Elwood, 10 januari 1939)
Cover 

 

 

De Algerijnse schrijver Yasmina Khadra (pseudoniem van Mohammed Moulessehoul) werd geboren op 10 januari 1955 in Kenadsa. Zie ook alle tags voor Yasmina Khadra op dit blog.

Uit: Die Engel sterben an unseren Wunden (Vertaald door Claudia Steinitz)

„Ich heisse Turambo und bei Sonnenaufgang kommen sie mich holen.
»Du wirst nichts merken«, hat mir Chef Borselli versichert.
Was weiß der schon! Sein Grips füllt keinen Fingerhut.
Ich würde ihn am liebsten anschreien, er solle die Schnauze halten, aber ich bin fix und fertig. Seine näselnde Stimme macht mir genauso Angst wie die Minuten, die den Rest meines Daseins verkürzen.
Chef Borselli fühlt sich nicht wohl in seiner Haut. Er weiß nicht, wie man jemanden beruhigt. Sein Wortschatz beschränkt sich auf ein paar Flüche, mit denen er seine Knüppelhiebe begleitet. »Ich zerschlag deine Fresse wie einen Spiegel«, meinte er neulich, »dann hast du sieben Jahre Pech, wann immer du sie siehst!« In meiner Zelle gibt es keinen Spiegel, und an der Schwelle des Todes zählt man den Aufschub nicht in Jahren.
Heute Abend muss Chef Borselli Geifer und Flüche wohl oder übel runterschlucken. Das wirft ihn aus der Bahn. Die hilflose Freundlichkeit passt überhaupt nicht zu seinem brutalen Wesen; ich würde sogar sagen, sie entstellt ihn. Ich finde ihn ­lächerlich, abstoßend und so lästig wie einen Schnupfen. Er ist es einfach nicht gewohnt, fürsorglich zu einem Sträfling zu sein, den er sonst täglich verdrischt, um nicht aus der Übung zu kommen. Vor zwei Tagen erst hat er mich zur Wand gedreht und mein Gesicht dagegengeschmettert – man sieht es meiner Stirn noch an. »Ich reiß dir die Glubschaugen aus und schieb sie dir in den Arsch«, hat er gebrüllt, damit es auch alle hören. »Dann hast du vier Eier und kannst mich nicht mehr so unverschämt anstarren.« Ein Hohlkopf mit einem Knüppel, den er nach Belieben tanzen lassen darf. Ein Zwerghahn, der sich noch so aufplustern könnte und mir doch nicht bis zum Nabel reichen würde. Aber sein Knüppel zwingt jeden Riesen in die Knie.
Seit Chef Borselli seinen Stuhl vor meine Zelle gestellt hat, wischt er sich ständig mit dem Taschentuch die Stirn und erzählt irgendwelches Zeug, das er selbst nicht begreift. Klar wäre er lieber woanders, in den Armen einer stockbesoffenen Nutte, in einem Stadion mit tausend anderen Schwachköpfen, die sich die Kehle aus dem Leib brüllen, um die Sorgen der Welt zu vergessen, oder sonst wo, Hauptsache weit weg von diesem stinkenden Flur und dem armen Kerl, der nicht weiß, wo ihm der Kopf steht, den er gleich seinem Schöpfer zurückgeben soll.“

 

 
Yasmina Khadra (Kenadsa, 10 januari 1955)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e januari ook mijn blog van 10 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 10 januari 2007 en ook mijn blog van 10 januari 2008 en eveneens mijn blog van 10 januari 2009.

 

De commentaren zijn gesloten.