10-12-17

St. Peter and the Angel (Denise Levertov)

 

Bij de tweede zondag van de Advent

 

 
De bevrijding van de Heilige Petrus door Bartolomé Esteban Murillo, 1665 – 1667

 

 

St. Peter and the Angel

Delivered out of raw continual pain,
smell of darkness, groans of those others
to whom he was chained—

unchained, and led
past the sleepers,
door after door silently opening—
out!
And along a long street’s
majestic emptiness under the moon:

one hand on the angel’s shoulder, one
feeling the air before him,
eyes open but fixed . . .

And not till he saw the angel had left him,
alone and free to resume
the ecstatic, dangerous, wearisome roads of
what he had still to do,
not till then did he recognize
this was no dream. More frightening
than arrest, than being chained to his warders:
he could hear his own footsteps suddenly.
Had the angel’s feet
made any sound? He could not recall.
No one had missed him, no one was in pursuit.
He himself must be
the key, now, to the next door,
the next terrors of freedom and joy.

 

 
Denise Levertov (24 oktober 1923 – 20 december 1997)
Valentines Park in Ilford, Essex, de geboorteplaats van Denise Levertov

 

 

Zie voor de schrijvers van de 10e december ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

12:12 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: advent, denise levertov, romenu |  Facebook |

Emily Dickinson, Karl Heinrich Waggerl, Reinhard Kaiser Mühlecker, Jorge Semprún, Gertrud Kolmarm, Jacquelyn Mitchard, Nelly Sachs, Cornelia Funke

 

De Amerikaanse dichteres Emily Dickinson werd geboren op 10 december 1830 in Amherst, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Emily Dickinson op dit blog.

 

On the Paradox of Advent

The Infinite a sudden Guest
Has been assumed to be —
But how can that stupendous come
Which never went away?

 

 

The Savior must have been

The Savior must have been
A docile Gentleman—
To come so far so cold a Day
For little Fellowmen—

The Road to Bethlehem
Since He and I were Boys
Was leveled, but for that 'twould be
A rugged Billion Miles—

 

 

Heaven is so far of the Mind

Heaven is so far of the Mind
That were the Mind dissolved -
The Site - of it - by Architect
Could not again be proved -

‘Tis vast - as our Capacity -
As fair - as our idea -
To Him of adequate desire
No further ’tis, than Here -


 
Emily Dickinson (10 december 1830 – 15 mei 1886)
De UMASS-campus in Amherst

Lees meer...

Carolyn Kizer, Pierre Louÿs, Clarice Lispector, Thomas Lux, Ara Baliozian, Christine Brückner, Rumer Godden

 

De Amerikaanse dichteres Carolyn Ashley Kizer werd geboren op 10 december 1925 in Spokane, Washington. Zie ook alle tags voor Carolyn Kizer op dit blog.

 

Where I've Been All My Life

II.
Move to my room beside the Golden Horn
Where minarets strike fire against the sky.
The architecture: breasts and phalluses.
Where are the words to say that words are lies?
Yeats lied. And here Byzantium lies dead.
Constantinople? Syllables in a text.
Istanbul. Real. Embalmed in dancing dust.

Everywhere the dark-brown past gives way
To the beige of progress, that wide vacant lot.
Turkey without coffee! Endlessly we sip tea
From bud vases, and I lust for the guide,
A sultry, serious, pedantic boy
In a tight brown suit, thirsting to get out
Of the triple city weighing on his mind.

Oh, he was doomed, doomed like the dogs
On Dog Island, in the sea,
Netted and dumped and exiled, left to die,
Then skinned. We heard imaginary canine howls,
Like the rustlings of a thousand gauzy girls,
Film-eyed cattle, perishing of ennui
In abandoned harems where he guided me.

Meanwhile the Faithful, prostrate and intoning,
Stare into the light as blind as death,
Knowing for sure their end is instant Heaven.
We Infidels concede them Paradise,
Having seen heaven-as-harem, a eunuch God
In charge: the virgin slowly fattening to blubber.
Love, become feminized, tickles like a feather.

The saints of Art? Sophia, that vast barn
Holds no small Savior waiting to get born.
The formal scribble on the assaulted walls—
Five hundred years of crossing out His name!
Some famous, glittering pebbles mark the place
As God’s most grandiose sarcophagus.
Decay, decay. And the mind, a fetus, dies.

 

 
Carolyn Kizer (10 december 1925 – 9 oktober 2014)

Lees meer...

09-12-17

Thomas Verbogt, Eileen Myles, Michael Krüger, Gioconda Belli, Joe McGinniss, Wolfgang Hildesheimer, Anna Gavalda

 

De Nederlandse schrijver Thomas Verbogt werd op 9 december 1952 geboren in Nijmegen. Zie ook alle tags voor Thomas Verbogt op dit blog.

Uit: Kleur van geluk

“Wat zal met mij sterven wanneer ik kom te sterven, welke hartroerende of vergankelijke vorm zal de wereld dan verliezen?’ Hierna komt er nog een zin, een lange zin, en dan is het verhaal klaar.
Ik knik en zeg dat het goed is dat hij me dit verhaal leerde kennen. Ik weet zeker dat we vrienden zijn geworden.
We hebben het alleen maar over boeken. Hij vooral over het werk van Kafka, ik over Nabokov, van wie ik een paar jaar eerder voor het eerst iets las, de verhalenbundel Lente in Fialta. Ik sloeg die open in de boekhandel en las daar over de geur die aan een dorp in zee hing. Ik las: ‘De lucht is stil en warm, met een vage branderige geur. Het zout van de zee verdrinkt in een oplossing van regen en de zee zelf is meer grauw dan zeegroen, met golven die te traag zijn om schuimend te breken.’ En ik róók die geur, de geur die in het dorp hing, de geur van de zee. Er gebeurde wat daar stond!
Hij gaat twee keer naar beneden om flessen bier te halen.
Als hij het grote raam achter hem verder openzet, komt er ergens boven in de gordijnen enige beweging en dan maakt zich uit de stof een dier los. Het lijkt een zwarte vogel, maar dat is het niet, het is een groot insect. Het maakt een geluid dat lijkt op twee vellen dik papier die tegen elkaar gewreven worden, met iets metaligs erbij, iets wat je achter je tanden voelt. Het is net alsof het zich traag laat vallen tot halverwege de raamopening, waar het even tot stilstand komt, om vervolgens weg te vliegen. We kijken het na, het verdwijnt achter de hoge heg in de tuin.
‘Heb je ooit zoiets gezien?’ vraag ik.
Hij schudt zijn hoofd, verbaasd, maar ook geamuseerd.
We hebben het er die middag niet meer over. Pas een jaar of tien later, als we samen worden geïnterviewd door een journalist van een regionaal tijdschrift. Die vraagt uiteraard hoe we elkaar hebben leren kennen. Als hij weg is, komt het insect ter sprake.
‘Het was toch een insect?’ zeg ik. ‘Geen vogel.’
‘Het was een insect. Nog nooit zag ik zo’n groot exemplaar.’

 

 
Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)

Lees meer...

Ödön von Horváth, John Milton, Jan Křesadlo, Maksim Bahdanovič,, Dalton Trumbo

 

De Hongaars-Duitse schrijver Ödön von Horváth werd geboren op 9 december 1901 in Fiume. Zie ook alle tags voor Ödön von Horváth op dit blog.

Uit: Glaube, Liebe, Hoffnung

„Präparator Da sind Sie ja, Sie Betrügerin Sie! Sie Hochstaplerin Sie! Ihr Vater ist ja gar kein Zollinspektor. Wenn Sie mir das gleich gesagt hätten, daß der kein Zollinspektor ist, sondern bloß so ein Versicherungsinspektor, ja glaubens denn, ich hätte Ihnen hernach eine Existenz verschafft?
Elisabeth Aber das hab ich doch niemals behauptet –
Präparator unterbricht sie: Jawohl haben Sie das behauptet!
Elisabeth Nein! Nie!
Präparator schlägt mit seinem Spazierstock auf der Prantl ihren Schreibtisch, daß die Geschäftspapiere nur so herumflattern und brüllt: Zollinspektor! Zollinspektor! Zollinspektor!
Die Prantl rettet ihre Geschäftspapiere und kreischt: Halt! Halt! Stille.
Präparator verbeugt sich chevaleresk zur Prantl und zur Frau Amtsgerichtsrat hin: Entschuldigens meine Herrschaften, daß ich so aus heiterem Himmel, aber neben einem Versicherungsinspektor ist ja sogar noch ein lumpiger Oberpräparator eine Kapazität und diese gefährliche Person dort hat mir mein gutes bares Geld herausgelockt.
Elisabeth unterbricht ihn: Ist ja garnicht wahr!
Die Prantl Ruhe!
Präparator Ruhe!
Die Prantl droht mit dem Zeigefinger: Fräulein, Fräulein – wer schreit hat unrecht.
Präparator schreit: Unrecht! Jawohl!!“

 

 
Ödön von Horváth (9 december 1901 – 1 juni 1938)
Scene uit een opvoering in Neurenberg, 2013

Lees meer...

08-12-17

Jamal Ouariachi, Louis de Bernières, Mary Gordon, Bill Bryson, Delmore Schwartz, Jim Morrison, Georges Feydeau, Horatius, Hervey Allen

 

De Nederlandse schrijver Jamal Ouariachi werd geboren in Amsterdam op 8 december 1978. Zie ook alle tags voor Jamal Ouariachi op dit blog.

Uit: Herinneringen in aluminiumfolie 

“Een plakje kort gebakken kastanjechampignon, daar leek het nog het meest op. Het had verpakt gezeten in een binnenstebuiten gekeerde latex handschoen, en daaromheen keukenpapier.
‘Maar wat is het?’
Fina schoot in de lach om mijn afschuw, ik zag haar genieten van het gezicht dat ik blijkbaar trok. Het was me al vaker opgevallen: haar humor had een mild-sadistisch karakter. Misschien biologen eigen.
‘Zie je dat niet?’
Vanuit niet-biologen geredeneerd zijn alle biologen smeerlappen en de biologen zelf schijnen plezier te beleven aan de afkeer die zij anderen inboezemen. Hun smeerlapperij is een ereteken. Je moet wel bioloog zijn om met een scalpeermes een snee in weefsel te maken en niet te griezelen bij de aanblik van wat er uit die snee komt opwellen aan slijm of pus of bloed. Je moet wel bioloog zijn om de braakwekkende stankwalmen te trotseren van een op het strand aangespoelde, ontbindende walvis. Je moet wel bioloog zijn om direct na je middagboterham verder te gaan met het wroeten in fecaliën van zoogdieren. En alleen een bioloog haalt het in haar hoofd om bij wijze van experiment yoghurt te maken met behulp van de bacteriën uit haar eigen vagina. En die yoghurt dan als ontbijt te serveren aan haar vriend. Smeerlappen, sadisten – ik zeg het je.
‘Hersenen!’ Ze schreeuwde het, Fina. ‘Hersenen!’
Een vreemde gloed in mijn borstkas, een gloed die me deed denken aan vroeger, wanneer een ander kind op het idee kwam een verboden spelletje te spelen en ik heen en weer schoof tussen stout en braaf, stout en braaf, een wrijving die hitte veroorzaakte.
‘Van een muis?’ vroeg ik nog.
Fina’s vriend slachtte muizen en ratten voor onderzoek door ze te onthoofden.
‘Nee, van een mens natuurlijk. Dit past toch niet in een muizenhoofd!’

 

 
Jamal Ouariachi (Amsterdam, 8 december 1978)

Lees meer...

07-12-17

Tatamkhulu Afrika, Dirk Stermann, Johann Nestroy, Joyce Cary, Gabriel Marcel, Willa Cather, Noam Chomsky, Friedrich Schlögl, Samuel Gottlieb Bürde

 

De Zuid-Afrikaanse dichter en schrijver Tatamkhulu Afrika werd geboren op 7 december 1920 in Egypte. Zie ook alle tags voor Tatamkhulu Afrika op dit blog.

 

The Beggar

When I passed
the bus-stop, his black
as biltong hand
thrust out,
demanding alms.
Beneath the grime,
he was a yellow man,
and small,
and crumpled as a towel,
eyes receding into bone,
shivering, too thin frame
denying the truculence of the hand.
'No,' I said.
and walked on,
annoyed that I was annoyed,
swatting off shame
all the way into town.
Coming back,
the day-long drizzle stopped
and a suddenly clear
sky sang
of summer round the bend,
white sails in the Bay,
birds grown garrulous again.
I looked for him.
He was lying on his back in the sun,
eyes closed,
stretched out as long as a spill,
hardly distinguishable
from any of the other
drifts of the debris in the lane.
'Drunk again,' I thought
and paused, then pressed
my penance into his palm.
Quick as a trap,
his fingers lashed
over it: suprised
sober eyes blessed
me for being kind.
Then he slept again,
fist wrapped, tight,
about the bribe my guilt refused
limbs thrown wide
as though a car had flung him there
and left him to a healing of the sun.

 

 
Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002)
Cover

Lees meer...

06-12-17

Karl Ove Knausgård, Peter Handke, Rafał, Wojaczek, Henk van Woerden, Alfred Joyce Kilmer, Dirk Dobbrow, Sophie von La Roche, Baldassare Castiglione, Paul Adam

 

De Noorse schrijver en vertaler Karl Ove Knausgård werd geboren in Oslo op 6 december 1968. Zie ook alle tags voor Karl Ove Knausgård op dit blog.

Uit: Engelen vallen langzaam (Vertaald door Marianne Molenaar)

“Om de een of andere reden staan de cherubijnen, die mollige ventjes met hun rode wangetjes waar de schilderijen uit de late Renaissance en de Barok mee bezaaid zijn, ons nog steeds voor de geest als hét beeld van de engel. En zo merkwaardig is dat waarschijnlijk niet, aangezien de engelen in die periode in veel opzichten hun bloeitijd beleefden. Aan de andere kant betekent ze het keerpunt in hun geschiedenis. Er waren destijds maar weinig mensen die het doorhadden, maar het verval had al ingezet en voor ons, die de schilderijen waarop ze voorkomen kunnen bekijken in het licht van de tijd die is verstreken, zijn de tekens duidelijk: ze hebben iets gulzigs en blasés, iets wat zelfs de meest vertederende pose niet kan verhullen, en misschien is dat nog wel het moeilijkst te begrijpen, namelijk hoe het kwam dat hun onschuld en zuiverheid, waarvan ze de uiterlijke kenmerken altijd hebben behouden, zo gemakkelijk in het tegendeel konden omslaan. Maar juist dat is gebeurd. Veel mensen zullen zeggen dat de engelen hun verdiende loon hebben gekregen, aangezien ze zo onverstandig waren niet op tijd te stoppen en zich steeds verder de wereld lieten binnenlokken die ze oorspronkelijk moesten dienen, tot ze er ten slotte in gevangenzaten. Mij lijkt het vreselijke lot dat hun is beschoren, niet helemaal in verhouding te staan tot hun zonden. Maar dat is mijn persoonlijke mening. Voor de engelen speelt het sowieso geen rol meer. Ze herinneren zich niet langer waar ze vandaan komen of wie ze ooit waren, begrippen als 'waardigheid' en `plechtstatigheid' hebben geen betekenis voor hen, het enige waar zij aan denken is eten en zich vermenigvuldigen.
De oorsprong van de engelen is onbekend. Omstreeks 400 n.Chr. beweerde Hiëronymus dat ze uit een tijd ver voor het ontstaan van de wereld stamden en dat baseerde hij op hun opvallende afwezigheid in het scheppingsverhaal, waarin ze met geen woord worden genoemd. Augustinus daarentegen nam een standpunt in dat daar lijnrecht tegenover stond en betoogde dat de engelen wél in het scheppingsverhaal werden genoemd, zij het indirect, aangezien ze inherent zijn aan Gods eerste verkondiging: 'Er moet licht komen' en dus op de eerste dag geschapen werden.”

 

 
Karl Ove Knausgård (Oslo, 6 december 1968)

Lees meer...

Charlotte Wood

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Australische schrijfster Charlotte Wood werd geboren in 1965 in Cooma, New South Wales. Woods behaalde een PhD van de University of New South Wales; een Master of Creative Arts van UTS en een BA van de Charles Sturt University. Zij schreef vijf romans – “Pieces of a Girl” (1999), “The Submerged Cathedral” (2004), “The Children” (2007), “Animal People” (2011) en “The Natural Way of Things” (2015). Ze heeft ook een bundel interviews gepubliceerd met Australische schrijvers, “The Writer’s Room” (2016) en een bundel persoonlijke reflecties over koken “Love & Hunger” (2012). Ze was ook redacteur van een bloemlezing over het schrijven over broers en zussen, “Brothers & Sisters” (2009). In 2016 kreeg zij voor “The Natural Way of Things” de Stella-prijs, de Indie Book Award Novel of the Year en de Book of the Year, en stond zij op de shortlist van diverse andere prijzen. “Animal People” stond in 2013 op de shortlist voor de Literary Awards van de NSW Premier en stond op de longlist voor de Miles Franklin Award 2012. Woods heeft een achtergrond in de journalistiek en heeft ook op verschillende niveaus als docente creatief schrijven gewerkt. In 2014 werd ze benoemd tot voorzitter van Arts Practice, Literature, at the Australia Council for the Arts - een benoeming van drie jaar waar door budgetbeperkingen naar een jaar van overbleef. In mei 2016 werd bekend dat Wood de Writer in Residence Fellowship kreeg aan het Charles Perkins Center van de University of Sydney.

Uit: The Natural Way of Things

„So there were kookaburras here. This was the first thing Yolanda knew in the dark morning. (That and where's my durries?) Two birds breaking out in that loose, sharp cackle, a bird call before the sun was up, loud and lunatic. She got out of the bed and felt gritty boards beneath her feet. There was the coarse unfamiliar fabric of a nightdress on her skin. Who had put this on her? She stepped across the dry wooden floorboards and stood, craning her neck to see through the high narrow space of a small window. The two streetlights she had seen in her dream turned out to be two enormous stars in a deep blue sky. The kookaburras dazzled the darkness with their horrible noise. Later there would be other birds; sometimes she would ask about them, but questions made people suspicious and they wouldn't answer her. She would begin to make up her would have known there could he so many birds in the middle of absolutely fucking nowhere? But that would all come later. Here, on this first morning, before everything began, she stared up at the sky as the blue night lightened, and listened to the kookaburras and thought, Oh, yes, )nu are right. She had been delivered to an asylum. She groped her way along the walls to a door. But there was no handle. She felt at its edge with her fingernails: locked. She climbed back into the bed and pulled the sheet and blanket up to her neck. Perhaps they were right. Perhaps she was mad, and all would be well. She knew she was not mad, but all lunatics thought that. When they were small she and Darren had once collected mounds of moss from under the tap at the back of the flats, in the dank corner of the yard where it was always cool, even on the hottest days. They prised up the clumps of moss, the earth heavy in their fingers, and it was a satisfying job, lifting a corner and being careful not to crack the lump, getting better as they went at not splitting the moss and pulling it to pieces. They filled a crackled orange plastic bucket with the moss and took it out to the verge on the street to sell. 'Moss for sale!' they screamed at the hot cars going by, giggling and gesturing and clowning, and, 'Wouldja like to buy some moss?' more politely if a man or woman walked past. Nobody bought any moss, even when they spread it beautifully along the verge, and Darren sent Yolanda hack twice for water to pour over it, to keep it springy to the touch.”

 

 
Charlotte Wood (Cooma, 1965)

18:32 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: charlotte wood, romenu |  Facebook |

Yolanda Entius

 

De Nederlands schrijfster en actrice Yolanda Entius werd geboren in Den Haag op 6 december 1961. Haar jeugdjaren bracht ze door in Den Haag, Waddinxveen en Stolwijk. Op haar zeventiende ging zij geschiedenis studeren aan het Historisch Seminarium in Amsterdam. Begin jaren 80 ging ze naar de Toneelschool. Na haar afstuderen was zij werkzaam als acteur, scenarioschrijver en filmregisseur. Entius was te zien in de films “Ornithopter” en “Reis zonder einde”, beiden van Annette Apon, en in de comedy “Krokodillen in Amsterdam”, waarvoor zij mede het scenario schreef. Op toneel was Entius te zien in voorstellingen van haarzelf, en van Koos Terpstra, Ernst Braches, Theater van het Oosten en Theatergroep Mugmetdegoudentand. In 1996 verscheen de door haar geschreven en geregisseerde film “Laagland”, een jaar later gevolgd door de Lolamoviola (VPRO) "Wintergasten". Ze speelde diverse kleine televisierollen voor BVD, Hertenkamp en TV7. Momenteel is zij voornamelijk werkzaam als schrijfster. Haar eerste roman, “Rakelings”, verscheen in 2005. Dit werk werd bekroond met de Selexyz Debuutprijs 2006. In 2007 verscheen de roman “Alleen voor helden” en in 2010 “De gelukkigen”. In 2011 verscheen “Het kabinet van de familie Staal”. De roman stond op de longlist van de AKO Literatuurprijs 2011. Entius werd genomineerd voor de Halewijnprijs, “Het kabinet van de familie Staal” werd genomineerd voor de Opzij Literatuurprijs 2012. In 2017 publiceerde zij de romanAbdoel en Akil”.

Uit: Rakelings

“Het was al herfst toen ik Maria K. ontmoette. Het kostte me nog heel wat moeite om haar op te sporen en om toestemming te krijgen voor een bezoek aan haar. Ze zat in een gesloten inrichting en ik moest bij verschillende autoriteiten en instanties een schriftelijk verzoek indienen. Dat verzoek ging door de maag- en darmstelsels van al die instanties en autoriteiten. En toen dan eindelijk alle benodigde toestemmingen bij mij op de deurmat waren gespuugd, ontbrak er nog maar één: de belangrijkste, die van Maria, want ook al had ze me destijds zelf benaderd, de tijd had niet stilgestaan en ze had het recht bezoek te weigeren. Ik kon niet uitsluiten dat ze inmiddels van gedachte was veranderd.
Ik vroeg me af wat me te wachten stond. Ik probeerde haar voor me te zien. Ik vroeg me af wat ze zou kunnen doen of zeggen dat mij vlot zou trekken, maar ik wist natuurlijk niks te verzinnen. Het was onzin, alles was onzin, ik maakte mezelf alleen maar doodongelukkig met deze dode mus. Toch klopte mijn hart; het sprong niet over van opwinding, maar het klopte wel degelijk. De spanning als ik de post doornam, de zenuwen als de telefoon ging, de teleurstelling als het mijn moeder was of Colette; het had allemaal de illusie van een leven, een opwindend leven zelfs.
Elke ochtend luisterde ik naar het geklepper van de brievenbus, het vallen van de enveloppen op de mat. Bankafschriften, een kaartje van de bibliotheek voor Jan waarin stond dat de boete voor het niet op tijd inleveren van De Brief aan de Koning opnieuw verhoogd was, een verzoek om mijn bijdrage aan het Wereldnatuurfonds te verhogen, een uitnodiging voor de bruiloft van ene Marloes en Bob: Anke was van harte uitgenodigd, en als ze iets voor het bruidspaar wilde doen of zingen kon ze contact opnemen met Janneke 'weet je nog derde rij links bij Joeri van Heemskerk', (ik moest maar eens aan Anke vragen of ze dat nog wist) en o ja Anke mocht vanzelfsprekend iemand meenemen… een btw-aanslag, de laatste vakantiekaartjes: Henk en Nico trokken door Turkije, Sjoukje deed een weekend Drenthe, Willemijn was met een groep naar Toscane.
Op een druilerige ochtend ontving ik dan eindelijk een ansichtkaart van Maria K. Op de voorkant stond een foto van een konijnengezin in een duinpan. Zand, helmgras, blauwe lucht, jong geluk. Op de achterkant stond:"Beste Douwe, ik wil je graag ontmoeten. Met vriendelijke groeten Maria T. Koenen."

 

 
Yolanda Entius (Den Haag, 6 december 1961)

18:30 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

05-12-17

A Ballad Of Santa Claus (Henry van Dyke)

 

Bij Sinterklaas                    

 

 

 

A Ballad Of Santa Claus

Among the earliest saints of old, before the first Hegira,
I find the one whose name we hold, St. Nicholas of Myra:
The best-beloved name, I guess, in sacred nomenclature,—
The patron-saint of helpfulness, and friendship, and good-nature.

A bishop and a preacher too, a famous theologian,
He stood against the Arian crew and fought them like a Trojan:
But when a poor man told his need and begged an alms in trouble,
He never asked about his creed, but quickly gave him double.

Three pretty maidens, so they say, were longing to be married;
But they were paupers, lack-a-day, and so the suitors tarried.
St. Nicholas gave each maid a purse of golden ducats chinking,
And then, for better or for worse, they wedded quick as winking.

Once, as he sailed, a storm arose; wild waves the ship surrounded;
The sailors wept and tore their clothes, and shrieked "We'll all be drownded!"
St. Nicholas never turned a hair; serenely shone his halo;
He simply said a little prayer, and all the billows lay low.

The wicked keeper of an inn had three small urchins taken,
And cut them up in a pickle-bin, and salted them for bacon.
St. Nicholas came and picked them out, and put their limbs together,—
They lived, they leaped, they gave a shout, "St. Nicholas forever!"

And thus it came to pass, you know, that maids without a nickel,
And sailor-lads when tempest blow, and children in a pickle,
And every man that's fatherly, and every kindly matron,
In choosing saints would all agree to call St. Nicholas patron.

He comes again at Christmas-time and stirs us up to giving;
He rings the merry bells that chime good-will to all the living;
He blesses every friendly deed and every free donation;
He sows the secret, golden seed of love through all creation.

Our fathers drank to Santa Claus, the sixth of each December,
And still we keep his feast because his virtues we remember.
Among the saintly ranks he stood, with smiling human features,
And said, "Be good! But not too good to love your fellow-creatures!"

 

 

Henry van Dyke (10 november 1852 – 10 april 1933)

 

 

 
Illustratie bij pakjesavond uit een Sinterklaasboek van de geplaagde Charlotte Dematons.

 

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

Hanif Kureishi, Alois Brandstetter, Joan Didion, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev, Calvin Trillin, Afanasy Fet, Hans Helmut Kirst, Eugenie Marlitt

 

De Britse schrijver en regisseur Hanif Kureishi werd geboren op 5 december 1954 in Bromley, Kent. Zie ook alle tags voor Hanif Kureishi op dit blog.

Uit: The Buddha of Suburbia

“One day, when my father came home from work, he put his briefcase away behind the door and stripped to his vest and pants in the front room. He spread the pink towel with the rip in it on the floor. He got onto his knees – and he was by no means a flexible man – placed his arms beside his head, and kicked himself into the air.
‘I must practise,’ he said.
‘Practise for what, Dad?’
Now he was standing on his head on the pink towel. His stomach sagged. His balls and prick fell forward. The muscles on his arms swelled and he breathed energetically. My grandmother, who was not unkind but no physical radical, came into the room with a cup of tea. She looked at Dad and looked at me.
‘Practise, practise, practise,’ Dad said.
Grandma raised her grey head and called out immediately. ‘Margaret, Margaret, he’s doing it again!’
‘Leave it, grandma,’ I said. ‘Please.’
What are you, a policeman?’ she said. She called out once more. ‘Margaret! Just when we’re having our tea!’
Soon my mother hurried into the room to see the spectacle. She wore an apron and wiped her hands again and again on a tea towel.
‘Oh God, Haroon,’ she said to my father. ‘Oh God, oh God, oh God. All the front of you’s sticking out like that so everyone can see!’
She looked at me violently.
‘You encourage him to be like this!’
‘No I don’t.’
‘Why don’t you stop him then?’
She sat down and held her head. ‘Why can’t he be a normal husband?’
My grandmother blew on her tea. ‘Don’t upset yourself,’ she said. ‘That’s why he’s doing it.’
‘That’s not true,’ I said.
My mother’s voice rose. ‘Pull the curtains someone!’
‘It’s not necessary, Mum.’
‘Do it now!’
I quickly pulled the curtains on our back garden. We sat there for a while and looked at oblivious upside-down father. Neither my mother nor my grandmother smiled or said anything. When my father spoke his voice came out squashed and thin. His insides must have got pretty bent up when he did his positions.”

 

 
Hanif Kureishi (Bromley, 5 december 1954)
Hier met Salman Rushdie (links)

Lees meer...

In Memoriam Jean d’Ormesson

 

In Memoriam Jean d’Ormesson

De Franse schrijver Jean d'Ormesson is in de nacht van 4 op 5 december 2017 overleden aan een hartstilstand. Hij werd 92 jaar. Jean d'Ormesson (eig. Jean Lefèvre, comte d'Ormesson) werd geboren op 16 juni 1925 in Parijs. Zie ook alle tags voor Jean d'Ormesson op dit blog.

Uit: Comme un chant d’espérance

"L’idée, chère à Flaubert, d’un roman sur rien m’a longtemps travaillé en silence. Elle m’est revenue en mémoire par un détour bizarre. Pour préparer deux de mes livres récents – C’est une chose étrange à la fin que le monde et Un jour je m’en irai sans en avoir tout dit –, je me suis intéressé en néophyte à un domaine qui m’était étranger et qui a fait depuis cent ans des progrès fascinants : la physique mathématique et la cosmologie.
Parvenant, comme par miracle, en suivant des chemins divers, à des conclusions identiques, qu’est- ce que les mathématiciens et les astronomes ont découvert de notre vivant, les uns en théorie et par le calcul, les autres par l’expérience et par l’observation ? Pour dire les choses en un mot, que l’univers a une histoire. C’était un coup de tonnerre dans le ciel de la science.
Longtemps, de grands esprits, Aristote en tête, ont pensé que le monde était immobile et éternel.
Les Grecs, qui ont presque tout inventé il y a deux mille cinq cents ans sur les côtes de l’Ionie, c’est-à- dire de la Turquie d’aujourd’hui – la géométrie, la mathématique, la philosophie, le théâtre, l’éloquence, la démocratie... –, n’avaient pas manqué de remarquer, se référant tout naturellement aux deux astres les plus brillants au firmament du jour et de la nuit, que tout ne cessait jamais de changer sous le soleil et dans ce qu’ils appelaient notre monde sublunaire. Une formule d’Héraclite, né à Éphèse, est restée célèbre : πάντα ῥεῖ – tout passe. Mais derrière les changements qui se succédaient dans son sein, le monde lui-même ne bougeait pas. Il était là. C’est tout ce qu’on pouvait en dire.
Rival d’Héraclite, Parménide soutenait à Élée, en Grande-Grèce, autrement dit en Italie du Sud, que l’être est et que le non-être n’est pas. Le non-être ne devait même pas être évoqué : il était impossible d’en parler. Pour Socrate, pour Platon, pour Aristote, successeurs de Parménide et d’Héraclite, l’homme était la mesure de toutes choses et la Terre sur laquelle il régnait était immobile et éternelle au centre de l’univers, immobile comme elle et éternel comme elle.
Un certain nombre de populations qui ont longtemps passé pour primitives au regard de la culture grecque avaient une autre vision de l’univers qui les entourait. Le monde, pour elles, était sorti du néant après des aventures qui prenaient, en Mésopotamie, en Égypte, aux Indes, en Chine, en Afrique, en Amérique précolombienne, dans les pays scandinaves – et d’ailleurs en Grèce même pour l’homme de la rue –, les formes les plus diverses. D’innombrables mythes, pleins d’animaux fabuleux, de tortues géantes, de chevaux à huit jambes, de serpents à plumes, de fleurs de lotus, d’arbres enchantés, de fontaines magiques, de potiers divins, de généalogies compliquées de déesses et de dieux qui s’engendraient les uns les autres et de nourrissons nés par miracle, prétendaient rendre compte du commencement de ces choses qui prenaient la place de leur absence et que nous appelons le monde."

 

 
Jean d'Ormesson (16 juni 1925 – 5 december 2017)

04-12-17

Rainer Maria Rilke, Geert Mak, Pat Donnez, Feridun Zaimoglu, Nikoloz Baratashvili, Emil Aarestrup, Nikolay Nekrasov, Trudi Guda, Thomas Carlyle

 

De Duitse dichter Rainer Maria Rilke werd als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke op 4 december 1875 in Praag geboren. Zie ook alle tags voor Rainer Maria Rilke op dit blog.

 

Uit: Die frühen Gedichte (Gebet der Mädchen zur Maria)

Schau, unsre Tage sind so eng
und bang das Nachtgemach;
wir langen alle ungelenk
den roten Rosen nach.

Du musst uns milde sein, Marie,
wir blühn aus deinem Blut,
und du allein kannst wissen, wie
so weh die Sehnsucht tut;

du hast ja dieses Mädchenweh
der Seele selbst erkannt:
sie fühlt sich an wie Weihnachtsschnee,
und steht doch ganz in Brand...

 

 

Ein Prophet

Ausgedehnt von riesigen Gesichten,
hell vom Feuerschein aus dem Verlauf
der Gerichte, die ihn nie vernichten, -
sind die Augen, schauend unter dichten
Brauen. Und in seinem Innern richten
sich schon wieder Worte auf,

nicht die seinen (denn was wären seine
und wie schonend waren sie vertan)
andre, harte: Eisenstücke, Steine,
die er schmelzen muß wie ein Vulkan,

um sie in dem Ausbruch seines Mundes
auszuwerfen, welcher flucht und flucht;
während seine Stirne, wie des Hundes
Stirne, das zu tragen sucht,

was der Herr von seiner Stirne nimmt:
Dieser, Dieser, den sie alle fänden,
folgten sie den großen Zeigehänden,
die Ihn weisen wie Er ist: ergrimmt.

Einmal war ich weich wie früher Weizen,
doch, du Rasender, du hast vermocht,
mir das hingehaltne Herz zu reizen,
daß es jetzt wie eines Löwen kocht.

Welchen Mund hast du mir zugemutet,
damals, da ich fast ein Knabe war:
eine Wunde wurde er: nun blutet
aus ihm Unglücksjahr um Unglücksjahr.

Täglich tönte ich von neuen Nöten,
die du, Unersättlicher, ersannst,
und sie konnten mir den Mund nicht töten;
sieh du zu, wie du ihn stillen kannst,

wenn, die wir zerstoßen und zerstören,
erst verloren sind und fernverlaufen
und vergangen sind in der Gefahr:
denn dann will ich in den Trümmerhaufen
endlich meine Stimme wiederhören,
die von Anfang an ein Heulen war.

 

 

Uit: Die Sonette an Orpheus, Erster Teil 

Das VIII. Sonett

Nur im Raum der Rühmung darf die Klage
gehn, die Nymphe des geweinten Quells,
wachend über unserm Niederschlage,
daß er klar sei an demselben Fels,

der die Tore trägt und die Altäre. -
Sieh, um ihre stillen Schultern früht
das Gefühl, daß sie die jüngste wäre
unter den Geschwistern im Gemüt.

Jubel weiß, und Sehnsucht ist geständig, -
nur die Klage lernt noch; mädchenhändig
zählt sie nächtelang das alte Schlimme.

Aber plötzlich, schräg und ungeübt,
hält sie doch ein Sternbild unsrer Stimme
in den Himmel, den ihr Hauch nicht trübt.

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Portret door Helmut Westhoff, 1901

Lees meer...