03-09-17

Jacq Firmin Vogelaar, Fritz J. Raddatz, Eduardo Galeano, Alison Lurie, Sergej Dovlatov, Kiran Desai, Ernst Meister, Lino Wirag, Doğan Akhanlı

 

De Nederlandse dichter, schrijver en literatuurcriticus Jacq Firmin Vogelaar (pseudoniem van Franciscus Wilhelmus Maria (Frans) Broers) werd geboren in Tilburg op 3 september 1944. Zie ook alle tags voorJacq Firmin Vogelaar op dit blog.

Uit: Reisverhaal

“Er wordt niet geklapt. Hoe iedereen weet dat het niet is afgelopen zal altijd een raadsel blijven. Veiligheidshalve klap ik bij alle gelegenheden dat er mogelikerwijs verwacht wordt dat men klapt, zonder geluid muis op muis zogezegd. Iedereen kucht of hoest voluit, het beste bewijs dat hoesten en kuchen niet nodig is zomin als ademhalen, ik bedoel snuivend ademhalen. Omdat het toeval wil dat ik op dit moment twee varkens met ridikule sprongen, met wapperende oren en overdreven snuivende snuiten een ekster zie wegjagen, lijkt me dit het juiste moment om iets recht te zetten. Hoelang ik al hier ben weet ik niet precies maar lang dat is zeker, iedereen kent me, voor niemand ben ik een vreemde en het is alsof het nooit anders geweest is, toch weet iedereen dat ik er niet bij hoor, dat zie ik, dat voel ik aan alles, misschien is het domweg een kwestie van geur. Daarover hoef ik dus niets te zeggen. Het hoe van de situatie mag ik bekend veronderstellen. Maar het wordt tijd uit de doeken te doen hoe ik hier terecht ben gekomen, en als men zegt dat ik daar rijkelik laat mee ben en bovendien zegt dat mijn verhaal bezijden de waarheid is, en dat zelfs voordat ik iets heb kunnen vertellen, dan komt dat omdat de een of ander die mij een hak wil zetten, en ik weet wie het is al zal ik hem niet het genoegen doen zijn naam voluit te vermelden zo goed als ik ook de anderen niet of alleen onder een andere naam zal laten optreden, een verhaal de wereld in heeft gestuurd waarin op z'n zachtst gezegd enkele details vergeten zijn, een hele reeks details mag ik wel zeggen, precies de hoofdzaken moet ik eerlikheidshalve zeggen die voor beter begrip onmisbaar zijn. Algemeen wordt aangenomen dat ik hier terecht kwam, terecht, terecht? - terecht, omdat ik familie wilde opzoeken of enkele oude bekenden, gewoonlik de enige reden voor een normaal mens om zich in de provinsie te wagen, of zelfs om ergens rustig een paar dagen te gaan zitten, men heeft het in dat verband over uitblazen of op adem komen gehad, maar die veronderstelling is uitsluitend gebaseerd op een slordigheid van de bewuste persoon die het verhaal in omloop heeft gebracht en het had over een fraaie lentedag. Eigenlik doet het er helemaal niet toe wat voor weer en welk seizoen het was - in dit land schijnt bij alles de weersgesteldheid vermeld te moeten worden evenals de leeftijd, het geslacht, vooropleiding, eventuele kwalen en huwelikse staat, dat geeft een schijn van konkreetheid neem ik aan, en ik zou zelf niet eens geweten hebben wat voor weer het was geweest ware het niet dat ik bij toeval weet dat het hartje winter was en vroor dat het kraakte, zo heet dat, zo was het ook inderdaad, hartje winter want het was bitter koud en het vroor dat het kraakte zodat het zelfs terwijl we reden dermate koud in de auto was dat onze adem op onze lippen bevroor, soms zelfs de woorden in onze keel bleven steken en nog wat van die onalledaagse effekten.”

 

 
Jacq Firmin Vogelaar (3 september 1944 — 9 december 2013)

Lees meer...

02-09-17

Willem de Mérode, Eric de Kuyper, R.A. Basart, Chris Kuzneski, Johan Daisne, Robert Habeck, Pierre Huyskens

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem de Mérode (pseudoniem van Willem Eduard Keuning) werd op 2 september 1887 geboren in Spijk. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en eveneens alle tags voor Willem de Mérode op dit blog

 

Zomers einde

Er is een groote regen losgekomen,
Zooals soms in ontruste nacht de droomen
Van een heel leven, saâmgedrongen
Tot één droom, door ons slapen zongen,
Zoo is de zomer in dit zware ruischen
Geperst, en spat uiteen en is gedaan.
Reeds morgen zullen wijd de hemelsluizen
Voor ’t plassen van het najaar openstaan.

De paden van den tuin zijn breede stroomen
Geworden, die door sprieterige zoomen
Gras van de meren zijn gescheiden:
De perken, waarin bloemen lijden.
Het struikgewas, verwirrewaaid, verpletterd,
Zwenkt treurig tallenkanten heen en weer.
En uit de hooge boomen kletst en klettert
Een bui dor hout en zwakke takken neêr.

Ten bongerd, hoeveel vruchten zijn ontvlogen
Aan ’t vast verband voor ongewisheids logen.
Zij lieten zekerheid van lot en voortbestaan
Om vrij, als vagebonden, dood te gaan.
Misschien dat straks de tuinman of zijn knapen
Hen, zwaar beschadigd, in hun manden rapen.
Maar ’t ooft, geduldig dragend tijd en duur,
Wordt rijp geplukt op ’t volslagen uur.

 

 

Je haar

Nu denk ik aan het geuren van je haren,
Toen ‘k mijn gezicht in ’t zijig goud verborg,
En als je handen dan met groote zorg
Voelden, hoe vreeselijk verward ze waren,

Lachte ik en liet mijn lippen zoetjes glijden
Langs ’t leuke kort gekroezel in je nek,
En zag, hoe lieflijk blozend elke plek
Werd, waar zij spelend eventjes verbeidden.

Elken dag is mij dit geluk geweest,
En als een zieke, die wel traag geneest,
Maar ’t frisscher bloed voelt door zijn leden stroomen,

Sterker van stuwing, al maar krachtiger,
Beheerscht mij heviger en machtiger
Het leven, dat ons samen heeft genomen.

 

 

Shakespeare

Hij kende ’t schoon beweeg van edelvrouwen,
Van koningen en dartel ambachtsvolk;
Van minnenden en sluipers met de dolk
In drukke stad en vredige landouwen.

Bij glans van maan en flakkrende flambouwen,
Onder den schijn van zon, in regenwolk,
Bij feest, op kerkhof, bij den heksenkolk,
Durfde hij levens wrevel aan te schouwen.

Hij proefde, walgelijk, de gal van kwaad,
Hij leed de kwaal van ontrouw en van haat,

En ter genezing werd hem ingeschonken
De liefde, en hij werd van liefde dronken.

En ’t eigen lijden en zijn zoet ontzetten
Verborg hij stil in stralende sonnetten.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Rond 1910

Lees meer...

Joseph Roth, Johann Georg Jacobi, Manfred Böckl, Paul Bourget, Paul Déroulède, Giovanni Verga, Richard Voß

 

De Oostenrijks – Hongaarse schrijver en journalist Joseph Roth werd geboren op 2 september 1894 in Brody in Galicië. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 eveneens alle tags voor Joseph Roth op dit blog.

Uit:Die Kapuzinergruft

Wir heißen Trotta. Unser Geschlecht stammt aus Sipolje in Slowenien. Ich sage: Geschlecht; denn wir sind nicht eine Familie. Sipolje besteht nicht mehr, lange nicht mehr. Es bildet heute mit mehreren umliegenden Gemeinden zusammen eine größere Ortschaft. Es ist, wie man weiß, der Wille dieser Zeit. Die Menschen können nicht allein bleiben. Sie schließen sich in sinnlosen Gruppen zusammen, und die Dörfer können auch nicht allein bleiben. Sinnlose Gebilde entstehen also. Die Bauern drängt es zur Stadt, und die Dörfer selbst möchten justament Städte werden.
Ich habe Sipolje noch gekannt, als ich ein Knabe war. Mein Vater hatte mich einmal dorthin mitgenommen, an einem siebzehnten August, dem Vorabend jenes Tages, an dem in allen, auch in den kleinsten Ortschaften der Monarchie der Geburtstag Kaiser Franz Josephs des Ersten gefeiert wurde.
Im heutigen Österreich und in den früheren Kronländern wird es nur noch wenige Menschen geben, in denen der Name unseres Geschlechts irgendeine Erinnerung hervorruft. In den verschollenen Annalen der alten österreichisch-ungarischen Armee aber ist unser Name verzeichnet, und ich gestehe, daß ich stolz darauf bin, gerade deshalb, weil diese Annalen verschollen sind. Ich bin nicht ein Kind dieser Zeit, es fällt mir schwer, mich nicht geradezu ihren Feind zu nennen. Nicht, daß ich sie nicht verstünde, wie ich es so oft behaupte. Dies ist nur eine fromme Ausrede. Ich will einfach, aus Bequemlichkeit, nicht ausfällig oder gehässig werden, und also sage ich, daß ich das nicht verstehe, von dem ich sagen müßte, daß ich es hasse oder verachte. Ich bin feinhörig, aber ich spiele einen Schwerhörigen. Ich halte es für nobler, ein Gebrechen vorzutäuschen als zuzugeben, daß ich vulgäre Geräusche vernommen habe.
Der Bruder meines Großvaters war jener einfache Infanterieleutnant, der dem Kaiser Franz Joseph in der Schlacht bei Solferino das Leben gerettet hat. Der Leutnant wurde geadelt. Eine lange Zeit hieß er in der Armee und in den Lesebüchern der k. u. k. Monarchie: der Held von Solferino, bis sich, seinem eigenen Wunsch gemäß, der Schatten der Vergessenheit über ihn senkte. Er nahm den Abschied. Er liegt in Hietzing begraben. Auf seinem Grabstein stehen die stillen und stolzen Worte: »Hier ruht der Held von Solferino.«

 

 
Joseph Roth (2 september 1894 - 27 mei 1939)
Postzegel ter gelegenheid van zijn 100e geboortedag in 1994

Lees meer...

01-09-17

W. F. Hermans, Hubert Lampo, Blaise Cendrars, Edgar Rice Burroughs, Sabine Scho, Peter Adolphsen, Lenrie Peters, J. J. Cremer

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren op 1 september 1921 in Amsterdam. Zie ook mijn blog van 1 september 2010 en eveneens alle tags voorW. F. Hermans op dit blog.

Uit:Nooit meer slapen

— Ze riep: pas op! Maar kinderen geloven andere kinderen niet. Een kind zal eerder zijn vader geloven dan een ander kind. Zo zijn wij altijd eerder geneigd een buitenlander te geloven dan een landgenoot, zelfs als die landgenoot het beter weet. Wanneer een Noor hier met iets nieuws komt aandragen, zeggen de mensen: dat kan niet goed zijn, want dat hebben we nog niet in een Amerikaans boek gelezen. Maar als een Amerikaan iets onzinnigs beweert en een Noor spreekt het tegen, dan zeggen ze: hij is niet op de hoogte! Hij is maar een provinciaal! Hij moest eens een jaartje naar Amerika gaan! In een klein land zijn het altijd napers die het hoogst staan aangeschreven en dat geldt op alle gebieden. Nu Ibsen en Strindberg dood zijn, nu weet iedereen dat zij de grootste schrijvers waren die Skandinavië ooit heeft opgeleverd. Maar toen ze nog leefden! Praktisch elke houthakker kon de Nobelprijs krijgen...Ibsen en Strindberg kregen hem niet!
Arne blijft staan. — Dit huis is het, zegt hij, stap niet op het gras. Gras is op deze hoogte een zeldzame plant, waar de mensen erg zuinig op zijn. Een deur van horregaas valt achter ons dicht met het gezang van een spiraalveer. — De eigenlijke bewoners logeren in Oslo. Ik heb het huis zolang mogen lenen. Arne zet mijn koffer midden op de vloer van een zitkamer. Ik doe mijn rugzak af en probeer op mijn wangen de muggen dood te slaan die met ons mee naar binnen zijn gekomen. Arne pakt een spuitbus van de schoorsteenmantel en een nevel die naar kamfer ruikt, verspreidt zich onder de druk van zijn wijsvinger. Het is goed te zien dat Arne hier maar tijdelijk zijn bivak heeft opgeslagen. Klinkt die uitdrukking te gewoon? Arne heeft ervoor gezorgd dat geen andere combinatie van woorden toepasselijk is. De meubelen heeft hij aan de kant geschoven. Op de grond liggen een tent, tentstokken, een half ingepakte rugzak, pioniersschopje, dozen knkkebrëd, blikjes, een theodoliet en een loodzware driepoot van hout, de poten samengevouwen. Ik buk om iets op te rapen. — Wat is dit? — Een visnet. Om vis te vangen onderweg. Anders krijgen we niet te eten.”

 

 
W. F. Hermans (1 september 1921 – 27 april 1995)
Scene uit de film “Beyond Sleep” (Nooit meer slapen) uit 2016

Lees meer...

31-08-17

William Saroyan, Éric Zemmour, Wolfgang Hilbig, Elizabeth von Arnim, Théophile Gautier, Raymond P. Hammond

 

De Amerikaanse dichter en schrijver William Saroyan werd geboren op 31 augustus 1908 in Fresno, Californië. Zie ook mijn blog van 31 augustus 2010 en eveneens alle tags voor William Saroyan op dit blog.

Uit: The Daring Young Man on the Flying Trapez

“He (the living) dressed and shaved, grinning at himself in the mirror. Very unhandsome, he said; where is my tie? (He had but one.) Coffee and a gray sky, Pacific Ocean fog, the drone of a passing street car, people going to the city, time again, the day, prose and poetry. He moved swiftly down the stairs to the street and began to walk, thinking suddenly. It is only in sleep that we may know we live. There only, in that living death, do we meet ourselves and the far earth, God and the saints, the names of our fathers, the substance of remote moments: it is there that the centuries merge in the moment, that the vast becomes the tiny, tangible atom of eternity.
He walked into the day as alertly as might be, making a definite noise with his heels, perceiving with his eyes the superficial truth of streets and structures, the trivial truth of reality. Helplessly his mind sang, He flies through the air with the greatest of ease, the daring young man on the flying trapeze, then laughed with all the might of his being. It was really a splendid morning: gray, cold, and cheerless, a morning for inward vigor; ah, Edgar Guest, he said, how I long for your music.
In the gutter he saw a coin which proved to be a penny dated 1923, and placing it in the palm of his hand he examined it closely, remembering that year and thinking of Lincoln, whose profile was stamped upon the coin. There was almost nothing a man could do with a penny. I will purchase a motor-car, he thought. I will dress myself in the fashion of a fop, visit the hotel strumpets, drink and dine, and then return to the quiet. Or I will drop the coin into a slot and weigh myself.
It was good to be poor, and the Communists-but it was dreadful to be hungry. What appetites they had, how fond they were of food! Empty stomachs. He remembered how greatly he needed food. Every meal was bread and coffee and cigarettes, and now he had no more bread. Coffee without bread could never honestly serve as supper, and there were no weeds in the park that could be cooked as spinach is cooked.
If the truth were known, he was half starved, and there was still no end of books he ought to read before he died. He remembered the young Italian in a Brooklyn hospital, a small sick clerk named Mollica, who had said desperately, I would like to see California once before I die. And he thought earnestly, I ought at least to read Hamlet once again; or perhaps Huckleberry Finn.”

 

 
William Saroyan (31 augustus 1908 – 18 mei 1981)
Standbeeld in Jerevan

Lees meer...

30-08-17

Dolce far niente, James Whitcomb Riley, Charles Reznikoff, François Cheng, Jiř,i Orten, Libu¨e Moníková, Mary Wollstonecraft Shelley

 

Dolce far niente

 

 
Streets in Late August door Daniel Robbins, 2013

 

 

August

A day of torpor in the sullen heat
Of Summer's passion: In the sluggish stream
The panting cattle lave their lazy feet,
With drowsy eyes, and dream.

Long since the winds have died, and in the sky
There lives no cloud to hint of Nature's grief;
The sun glares ever like an evil eye,
And withers flower and leaf.

Upon the gleaming harvest-field remote
The thresher lies deserted, like some old
Dismantled galleon that hangs afloat
Upon a sea of gold.

The yearning cry of some bewildered bird
Above an empty nest, and truant boys
Along the river's shady margin heard--
A harmony of noise--

A melody of wrangling voices blent
With liquid laughter, and with rippling calls
Of piping lips and thrilling echoes sent
To mimic waterfalls.

And through the hazy veil the atmosphere
Has draped about the gleaming face of Day,
The sifted glances of the sun appear
In splinterings of spray.

The dusty highway, like a cloud of dawn,
Trails o'er the hillside, and the passer-by,
A tired ghost in misty shroud, toils on
His journey to the sky.

And down across the valley's drooping sweep,
Withdrawn to farthest limit of the glade,
The forest stands in silence, drinking deep
Its purple wine of shade.

The gossamer floats up on phantom wing;
The sailor-vision voyages the skies
And carries into chaos everything
That freights the weary eyes:

Till, throbbing on and on, the pulse of heat
Increases--reaches--passes fever's height,
And Day sinks into slumber, cool and sweet,
Within the arms of Night.

 

 
James Whitcomb Riley (7 oktober 1849 – 22 juli 1916)
Greenfield, Indiana, de geboorteplaats van James Whitcomb Riley

Lees meer...

29-08-17

Dolce far niente, Jennifer Grotz, Hugo Brandt Corstius, Elma van Haren, John Edward Williams, Maurice Maeterlinck, Thom Gunn

 

Dolce far niente

 

 
Summer in the city (Cityscape 12) door Darren Thompson, 2012

 

 

Late Summer

Before the moths have even appeared
to orbit around them, the streetlamps come on,
a long row of them glowing uselessly

along the ring of garden that circles the city center,
where your steps count down the dulling of daylight.
At your feet, a bee crawls in small circles like a toy unwinding.

Summer specializes in time, slows it down almost to dream.
And the noisy day goes so quiet you can hear
the bedraggled man who visits each trash receptacle

mutter in disbelief: Everything in the world is being thrown away!
Summer lingers, but it’s about ending. It’s about how things
redden and ripen and burst and come down. It’s when

city workers cut down trees, demolishing
one limb at a time, spilling the crumbs
of twigs and leaves all over the tablecloth of street.

Sunglasses! the man softly exclaims
while beside him blooms a large gray rose of pigeons
huddled around a dropped piece of bread.

 

 
Jennifer Grotz (Canyon, 11 juli 1971)
Canyon, Randall County Courthouse. Jennifer Grotz werd geboren in Canyon.

Lees meer...

Oliver Wendell Holmes Sr.

 

De Amerikaanse dichter, schrijver, arts en hoogleraar Oliver Wendell Holmes Sr. werd geboren in Cambridge op 29 augustus 1809. Hij was de vader van de jurist Oliver Wendell Holmes Jr. Holmes stond aan de basis van de moderne Amerikaanse geneeskunde en werd tezelfdertijd hooglijk als literator gewaardeerd. Zijn collega's noemden hem zelfs een van de beste schrijvers van de 19e eeuw. Hij maakte deel uit van de groep Fireside Poets, samen met Henry Wadsworth Longfellow, William Cullen Bryant, John Greenleaf Whittier en James Russell Lowell. Een van zijn bekendste prozawerken is de serie "Breakfast-Table", die hij in 1858 begon te publiceren in het maandblad The Atlantic Monthly. Hij nam ook deel aan debatten over geneeskunde en literatuur, theologie, psychologie en natuurwetenschappen. Door zijn redenaarstalent en humor werd hij veel gevraagd om publieke toespraken te houden bij banketten en andere gelegenheden, een rol die later overgenomen werd door Mark Twain.

 

The Last Reader

I sometimes sit beneath a tree
And read my own sweet songs;
Though naught they may to others be,
Each humble line prolongs
A tone that might have passed away
But for that scarce remembered lay.

I keep them like a lock or leaf
That some dear girl has given;
Frail record of an hour, as brief
As sunset clouds in heaven,
But spreading purple twilight still
High over memory’s shadowed hill.

They lie upon my pathway bleak,
Those flowers that once ran wild,
As on a father’s careworn cheek
The ringlets of his child;
The golden mingling with the gray,
And stealing half its snows away.

What care I though the dust is spread
Around these yellow leaves,
Or o’er them his sarcastic thread
Oblivion’s insect weaves
Though weeds are tangled on the stream,
It still reflects my morning’s beam.

And therefore love I such as smile
On these neglected songs,
Nor deem that flattery’s needless wile
My opening bosom wrongs;
For who would trample, at my side,
A few pale buds, my garden’s pride?

It may be that my scanty ore
Long years have washed away,
And where were golden sands before
Is naught but common clay;
Still something sparkles in the sun
For memory to look back upon.

And when my name no more is heard,
My lyre no more is known,
Still let me, like a winter’s bird,
In silence and alone,
Fold over them the weary wing
Once flashing through the dews of spring.

Yes, let my fancy fondly wrap
My youth in its decline,
And riot in the rosy lap
Of thoughts that once were mine,
And give the worm my little store
When the last reader reads no more!

 

 
Oliver Wendell Holmes Sr. (29 augustus 1809 - 7 oktober 1894)

18:14 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: oliver wendell holmes sr., romenu |  Facebook |

28-08-17

Dolce far niente, Friedrich Hebbel, Johann Wolfgang von Goethe, Maria Barnas, A. Moonen, C. J. Kelk, Frederick Kesner

 

Dolce far niente

 

 
De rozentuin in Wargemont door Pierre Auguste Renoir, 1879

 

Sommerbild

Ich sah des Sommers letzte Rose stehen,
Sie war, als ob sie bluten könnte, rot
Da sprach ich schaudernd im Vorübergehen:
So weit im Leben, ist zu nah dem Tod!

Es regte sich kein Hauch am heißen Tag,
Nur leise strich ein weißer Schmetterling;
Doch, ob auch kaum die Luft sein Flügelschlag
bewegte, sie empfand es und verging.

 

 
Friedrich Hebbel (18 maart 1813 - 13 december 1863)
Wesselburen, de geboorteplaats van Friedrich Hebbel

Lees meer...