William Styron, Sophie van der Stap, N. P. van Wyk Louw, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Ben Jonson, Yasunari Kawabata


De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook alle tags voor William Styron op dit blog.

Uit: Darkness Visible

“I felt a kind of numbness, an enervation, but more particularly an odd fragility—as if my body had actually become frail, hypersensitive and somehow disjointed and clumsy, lacking normal coordination. And soon I was in the throes of a pervasive hypochondria. Nothing felt quite right with my corporeal self there were twitches and pains, sometimes intermittent, often seemingly constant, that seemed to presage all sorts of dire infirmities. (Given these signs, one can understand how, as far back as the seventeenth century-in the notes of contemporary physicians, and in the perceptions of John Dryden and others—a connection is made between melancholia and hypochondria; the words are often interchangeable, and so were used until the nineteenth century by writers as various as Sir Walter Scott and the Brontes, who also linked melancholy to a preoccupation with bodily ills.) It is easy to see how this condition is part of the psyche’s apparatus of defense: unwilling to accept its own gathering deterioration, the mind announces to its indwelling consciousness that it is the body with its perhaps correctable defects—not the precious and irreplaceable mind—that is going haywire. In my case, the overall effect was immensely disturbing, augmenting the anxiety that was by now never quite absent from my waking hours and fueling still another strange behavior pattern—a fidgety recklessness that kept me on the move, somewhat to the perplexity of my family and friends.
…By now I had moved back to my house in Connecticut. It was October, and one of the unforgettable features of this stage of my disorder was the way in which my own farmhouse, my beloved home for thirty years, took on for me at that point when my spirits regularly sank to their nadir an almost palpable quality of ominousness. The fading evening light—akin to that famous “slant of light” of Emily Dickinson’s, which spoke to her of death, of chill extinction—had none of its familiar autumnal loveliness, but ensnared me in a suffocating gloom. I wondered how this friendly place, teeming with such memories of (again in her words) “Lads and Girls,” of “laughter and ability and Sighing,/ And frocks and Curls,” could almost perceptibly seem so hostile and forbidding. Physically, I was not alone. As always Rose was present and listened with unflagging patience to my complaints. But I felt an immense and aching solitude. I could no longer concentrate during those afternoon hours, which for years had been my working time, and the act of writing itself, becoming more and more difficult and exhausting, stalled, then finally ceased.”


William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

Lees meer...

Athol Fugard, Nnimmo Bassey, Jules Vallès, George Wither, Barnabe Googe


De Zuidafrikaanse schrijver Harold Athol Lannigan Fugard werd geboren op 11 juni 1932 in Middelburg, Kaapprovincie. Zie ook alle tags voor Athol Fugard op dit blog.

Uit: Hello And Goodbye

„HESTER. Ja, that's right.
HESTER [ignoring his question]. You were always daring me. You used to find it—the thing you were too scared to do, and dare me, and watch while I did it and got into trouble. That's what you want, hey? You and him. `Hester's in trouble again, Pa!'
JOHNNIE. You won't?
HESTER. No. [She goes back to the papers.]
JOHNNIE [to himself]. Too much to hope for.
HESTER. You won't get rid of me that easily.
JOHNNIE. But I tried. Whatever happens nobody can say I didn't try. Be brave.
HESTER [readingfrom one of the papers]. 'Johannes Albertus Smit.' That's you.
JOHNNIE. Yes, in full. What's it say?
HESTER [scanning the letter]. 'Your application. . . The Kroonstad Railway School. From the Principal. Saying they accept your application to be a learner-stoker. And a second-class voucher to get there. November, 1958.
JOHNNIE. Too late now.
HESTER. But you said you tore up your application.
JOHNNIE. That's right.
HESTER. Because you didn't want to go.
HESTER. So here he says he got your application.
JOHNNIE. These things happen. [Pause. Hester thinks about this.]
HESTER. No. No, they don't. He wouldn't tell you to come if you didn't have asked him if you could come.
JOHNNIE. Where does that get us?
HESTER. You did post that application.
HESTER. But you told me you didn't."


Athol Fugard (Middelburg (ZA), 11 juni 1932)
Scene uit een opvoering in Kaapstad, 2014

Lees meer...


Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow


De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Langs lijnen van geleidelijkheid.

“Het pension van de marchesa Belloni was gelegen in een van de gezondste, zoo niet dichterlijkste wijken van Rome: de helft van het huis was een gedeelte van een villino der oude Ludovisi-tuinen; de oude mooie tuinen, betreurd door een ieder, die ze gekend had, vóór de nieuwe kazernewijken verrezen waren, waar eerst het Romeinsche villa-park zich had uitgestrekt. Het pension stond in de Via Lombardia; het oude villino-gedeelte had voor de locataires van de marchesa zekere antieke bekoring gehouden, en het nieuw aangebouwde perceel bood aan: ruime kamers, moderne waterleiding en electrisch licht. Het pension had een zekere reputatie van goed en goedkoop en aangenaam gelegen te zijn; enkele minuten wandelens van den Pincio af, hoog gelegen, behoefde men er niet voor malaria te vreezen, en de prijs, dien men er voor een langer verblijf betaalde, en die acht lire nauw-lijks te boven ging was buitengewoon voor Rome, bekend als duurder dan iedere andere Italiaansche stad. Zoo was het pension dan ook meestal vol: de reizigers kwamen reeds in October - die het vroegst in den season kwamen, betaalden het minst; en behalve enkele haastige toeristen, bleven zij meest allen tot Paschen, om na de groote kerkfeesten naar Napels af te zakken.
Het pension was door Engelsche reiskennissen zeer aanbevolen aan Cornélie De Retz van Loo, die alleen in Italië reisde, en uit Florence geschreven had aan de marchesa Belloni. Het was de eerste keer, dat zij in Italië reisde; het was de eerste keer, dat zij uitstapte aan het groote holle station bij de Thermen van Diocletianus, en op het plein, in de gouden zonnelucht van Rome, terwijl de groote fontein van de Acqua Marcia ruischte, en de koetsiers klapperden met de zweepen en met de tong - om haar aandacht te trekken - kreeg zij hare ‘lieve Italiaansche sensatie’, zooals zij dacht, en was blij in Rome te zijn.
Zij zag een oud moeilijk loopend mannetje op haar toe komen, met het instinct van een oud-gedienden portier, die zijn reizigers dadelijk herkent, en zij zag op zijn pet: Hôtel Belloni, en wenkte hem, en glimlachte. Hij begroette haar als een oude kennis, met familiariteit en eerbied tegelijk, als was hij blij haar te zien - vroeg of zij prettig gereisd had, of zij niet moê was, geleidde haar naar de victoria, schikte haar plaid, haar valies, vroeg het biljet van hare koffers, en zeide, dat zij maar gaan moest: in tien minuten volgde hij met de bagage. Zij kreeg een gevoel van gezelligheid, van verzorgd te worden door het oude hinkende mannetje, en knikte hem vriendelijk toe, terwijl de koetsier wegreed. Zij gevoelde zich licht en luchtig, met even den weemoed van iets onbekends, dat haar gebeuren ging: en zij zag links en rechts, als om nu te zien de straten van Rome: zij zag alleen maar huizen en huizen, kazernehuizen; toen een groot wit paleis: het nieuwe Palazzo Piombino - waar zij wist, dat de Juno Ludovisi was - en toen hield hij stil, en een knoopenjongetje kwam naar haar toe.”


Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Hier met zijn hond Brinio

Lees meer...

Ion Creanga, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Antun Mihanović, Tijl Nuyts


De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Zie ook alle tags voor Ion Creanga op dit blog.

Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu en R.C. Johnston)

“One day what should come into the priest's head but to inspect our prayerbooks. Seeing them all bloodstained, he clutched his head in horror. As soon as he found out how they had got into this shocking state, he summoned each one of us in turn to Dapple-Grey's back and began to belabour us with St. Nicholas, bishop in partibus, as retribution for the pains the martyred flies and the holy bumble-bees had suffered at our hands.
Not long after this, one day in the month of May, close upon the Whitsun Moşi1 festival, the Evil One prompted Master Vasile, the blockhead, for I have no better word for him, to appoint a fellow called Nică, Costache's son, to test my knowledge. Nică, who was older than me and whose scholarship was a trifle more than non-existent, had quarrelled with me on account of little Smaranda, whom, one day, with every sign of regret, I had been forced to shove away because she would interfere with my catching flies. So Nică began to examine me, and just went on examining and examining and didn't he just score mistakes wholesale on a piece of shingle: one, two, three, and so on up to twenty-nine! "My word, this is past a joke," I said to myself. "He has not yet finished examining me, and think of all the mistakes to come!" All of a sudden, everything went black in front of me and I began to tremble with anger. "Well, well, I am in a hole! What's to be done about it?" I kept asking myself. Slyly I glanced at the door of salvation and kicked my heels impatiently, waiting for some loiterer outside to come in, for there was a school rule that two people should not walk out at the same time. My heart was fit to burst within me seeing that no one would come in and give me a chance of escaping mounting Dapple-Grey and receiving the blessing of St. Nicholas, that dispenser of black and blue.“


Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)
Het geboortehuis van Ion Creanga, nu museum

Lees meer...


Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Rudolf Borchardt


De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.


Het landschap denkt ons

Alles ligt klaar voor de wandelaar
De beek langs de weg, het seinhuis
het te smalle trottoir als gedachten
die je ontmoet en dan de jouwe
noemt, ook zonder kaart liggen ze daar
en wie de deur uitgaat ziet ze haast
voor ze ons omhelzen en wij denken
dat wij het doen terwijl de bomen minzaam
zwaaien. En wij doen het soms
maar meestal denkt het landschap ons
en daar ga je




Ze wachten op minstens 2 trams tegelijk
de hakkenlichters
die tussen twee wallen
hun zwaargeestige momenten staan te kauwen,
op minstens 2 trams die in vereiste richting
met de bel mee gaan.
Ze wachten als doodgetrapte ballonnen
deze pikstekige vrouwspersonen
en de mannen aan toonder,
even onbedaarlijk als schaamteloos staan ze daar
in de beklemming van hun natte jas
weg te raken. In portieken gedrukt
tegen de regen vraagt hun ongeduld
toch verhuld om uitstel van bestemming:
met lege tas willen de hoekwachters liever
de tram niet in.
Wat doe ik ik hun plastic zak?
- een föhn die kastanjegeur blaast
een brilmontuur van konijnebout
een schubje zeemeermin
en een nieuw papiertje voor maart (de weekends
uitgezonderd), een spijker een mes en een touwtje
een vies vloekblaadje een stukje
zuidelijk halfrond en een eigen houtje
voor het bijten. Een 45-
strippenkaart voor lijn 1 t/m 100.


Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

Lees meer...


Marguerite Yourcenar, Lutz Seiler, Ulf Stolterfoht, Péter Gárdos, Gwen Harwood, H. J. Friedericy, Gerald Bisinger, Udo Kawasser, Michael Basse


De Belgisch-Amerikaanse, Franstalige schrijfster Marguerite Yourcenar werd geboren in Brussel op 8 juni 1903. Zie ook alle tags voor Marguerite Yourcenar op dit blog.

Uit:Memoirs of Hadrian (Vertaald door Grace Frick, in samenwerking met de schrijfster)

“When I consider my life, I am appalled to find it a shapeless mass. A hero’s existence, such as is described to us, is simple; it goes straight to the mark, like an arrow. Most men like to reduce their lives to a formula, whether in boast or lament, but almost always in recrimination; their memories oblingingly construct for them a clear and comprehensible past. My life has contours less firm. As is commonly the case, it is what I have not been which defines me, perhaps, most aptly: a good soldier, but not a great warrior; a lover of art, but not the artist which Nero thought himself to be at his death; capable of crime, but not laden with it. I have come to think that great men are characterized precisely by the extreme position which they take, and that their heroism consists in holding to that extremity throughout their lives. They are our poles, or our antipodes. I have occupied each of the extremes in turn, but have not kept to any one of them; life has always drawn me away. And nevertheless neither can I boast, like some plowman or worthy carter, of a middle-of-the-road existence.
The landscape of my days appears to be composed, like mountainous regions, of varied materials heaped up pell-mell. There I see my nature, itself composite, made up of equal parts of instinct and training. Here and there protrude the granite peaks of the inevitable, but all about is rubble from the landslips of chance. I strive to retrace my life to find in it some plan, following a vein of lead, or of gold, or the course of some subterranean stream, but such devices are only tricks of perspective in the memory. From time to time, in an encounter or an omen, or in a particular series of happenings, I think that I recognize the working of fate, but too many paths lead nowhere at all, and too many sums add up to nothing. To be sure, I perceive in this diversity and disorder the presence of a person; but his form seems nearly always to be shaped by the pressure of circumstances; his features are blurred, like a face reflected in water. I am not of those who say that their actions bear no resemblance to them. Indeed, actions must do so, since they alone give my measure, and are the sole means of engraving me upon the memory of men, or even upon my own memory (and since perhaps the very possibility of continuing to express and modify oneself by action may constitute the real difference between the state of the living and of the dead). But there is between me and these acts which compose me an indefinable hiatus, and the proof of this separation is that I feel constantly the necessity of weighing and explaining what I do, and of giving account of it to myself. In such an evaluation certain works of short duration are surely negligible; yet occupations which have extended over a whole lifetime signify just as little. For example, it seems to me as I write this hardly important to have been emperor.”


Marguerite Yourcenar (8 juni 1903 – 17 december 1987)
Hadrianus en Antinous, sculptuur van Malcolm Lidbury voor het LGBT History & Art Project Cornwall UK, 2016

Lees meer...


Orhan Pamuk, Monika Mann, Nikki Giovanni, Harry Crews, Louise Erdrich, Mascha Kaléko, Jan Engelman, Gwendolyn Brooks, Elizabeth Bowen


De Turkse schrijver Orhan Pamuk werd geboren op 7 juni 1952 in Istanbul. Zie ook alle tags voor Orhan Pamuk op dit blog.

Uit: The New Life (Vertaald door Guneli Gun)

“I read a book one day and my whole life was changed. Even on the first page I was so affected by the book's intensity I felt my body sever itself and pull away from the chair where I sat reading the book that lay before me on the table. But even though I felt my body dissociating, my entire being remained so concertedly at the table that the book worked its influence not only on my soul but on every aspect of my identity. It was such a powerful influence that the light surging from the pages illumined my face; its incandescence dazzled my intellect but also endowed it with brilliant lucidity. This was the kind of light within which I could recast myself; I could lose my way in this light; I already sensed in the light the shadows of an existence I had yet to know and embrace. I sat at the table, turning the pages, my mind barely aware that I was reading, and my whole life was changing as I read the new words on each new page. I felt so unprepared for everything that was to befall me, and so helpless, that after a while I moved my face away instinctively as if to protect myself from the power that surged from the pages. It was with dread that I became aware of the complete transformation of the world around me, and I was overtaken by a feeling of loneliness I had never before experienced—as if I had been stranded in a country where I knew neither the lay of the land nor the language and the customs.
I fastened onto the book even more intensely in the face of the helplessness brought on by that feeling of isolation. Nothing besides the book could reveal to me what was my necessary course of action, what it was that I might believe in, or observe, and what path my life was to take in the new country in which I found myself. I read on, turning the pages now as if I were reading a guidebook which would lead me through a strange and savage land. Help me, I felt like saying, help me find the new life, safe and unscathed by any mishap. Yet I knew the new life was built on words in the guidebook. I read it word for word, trying to find my path, but at the same time I was also imagining, to my own amazement, wonders upon wonders which would surely lead me astray.
The book lay on my table reflecting its light on my face, yet it seemed similar to the other familiar objects in the room. While I accepted with joy and wonder the possibility of a new life in the new world that lay before me, I was aware that the book which had changed my life so intensely was in fact something quite ordinary. My mind gradually opened its doors and windows to the wonders of the new world the words promised me, and yet I seemed to recall a chance encounter that had led me to the book. But the memory was no more than a superficial image, one that hadn't completely impressed itself on my consciousness. As I read on, a certain dread prompted me to reflect on the image: the new world the book revealed was so alien, so odd and astonishing that, in order to escape being totally immersed in this universe, I was anxious to sense anything related to the present ».


Orhan Pamuk (Istanbul, 7 juni 1952)

Lees meer...


Thomas Mann, Aleksandr Poesjkin, Sarah Dessen, Frank Gericke, Jean Cayrol, Pierre Corneille, Hendrik van Teylingen, V. C. Andrews


De Duitse schrijver Thomas Mann werd geboren in Lübeck op 6 juni 1875. Zie ook mijn blog van 6 juni 2010 en eveneens alle tags voor Thomas Mann op dit blog.

Uit: Joseph und seine Brüder

„Tief ist der Brunnen der Vergangenheit. Sollte man ihn nicht unergründlich nennen? Dies nämlich dann sogar und vielleicht eben dann, wenn nur und allein das Menschenwesen es ist, dessen Vergangenheit in Rede und Frage steht: dies Rätselwesen, das unser eigenes natürlich-lusthaftes und übernatürlich-elendes Dasein in sich schließt und dessen Geheimnis sehr begreiflicherweise das A und das 0 all unseres Redens und Fragens bildet, allem Reden Gedrängtheit und Feuer, allem Fragen seine Inständigkeit verleiht. Da denn nun gerade geschieht es, daß, je tiefer man schürft, je weiter hinab in die Unterwelt des Vergangenen man dringt und tastet, die Anfangsgründe des Menschlichen, seiner Geschichte, seiner Gesittung. sich als gänzlich unerlotbar erweisen und vor unserem Senkblei, zu welcher abenteuerlichen Zeitenlänge wir seine Schnur auch abspulen, immer wieder und weiter ins Bodenlose zurückweichen. Zutreffend aber heißt es hier: wieder und weiter.; denn mit unserer Forscherangelegendichkeit treibt das Unerforschliche eine Art von foppendem Spiel: es bietet ihr Scheinhalte und Wegesziele, hinter denen, wenn sie erreicht sind, neue Vergangenheitsstrecken sich auftun, wie es dem Küstengänger ergeht, der des Wanderns kein Ende findet, weil hinter jeder lehmigen Dünenkulisse, die er erstrebte, neue Weiiten zu neuen Vorgebirgen vorwärtslocken. So gibt es Anfänge bedingter Art, welche den Ur-Beginn der besonderen Überlieferung einer bestimmten Gemeinschaft, Volkheit oder Glaubensfamilie praktisch-tatsächlich bilden, so daß die Erinnerung, wenn auch wohl belehrt darüber, daß die Brunnenteufe damit keineswegs ernstlich als ausgepeilt gelten kann, sich bei solchem Ur denn auch national beruhigen und zum persönlich-geschichtlichen Stillstande kommen mag.


Jozef vertelt de droom aan zijn broers door Rafaël, fresco in het Vaticaan, ca. 1515/18.


Der junge Joseph zum Beispiel, Jaakobs Sohn und der lieblichen, zu früh gen Westen gegangenen Rahel, loseph zu seiner Zeit, als Kurigalzu, der Kossäer, zu Babel saß, Herr der vier Gegenden, König von Schumir und Akkad, höchst wohltuend dem Herzen Bel-Marudugs, ein zugleich strenger und üppiger Gebieter, dessen Bartlöckchen so künstlich gereiht erschienen, daß sie einer Abteilung gut ausgerichteter Schildträger glichen;— zu Theben aber, in dem Unterlande, das Joseph »Mizraime oder euch »Kerne, das Schwarze«, zu nennen gewohnt war, seine Heiligkeit der gute Gott, genannt .Antun ist zufrieden« und dieses Namens der dritte, der Sonne leiblicher Sohn, zum geblendeten Entzücken der Staubgeborenen im Horizont seines Palastes strahlte; als Assur zunahm durch die Kraft seiner Götter und auf der großen Straße am Meere, von Gaza hinauf zu den Pässen des Zederngebirges, königliche Karawanen Höflichkeitskontributionen in Lapislazuli und gestempeltem Golde zwischen den Höfen des Landes der Ströme und dem Pharaos hin und her führten; als man in den Städten der Amoriter zu Beth-San, AjaInn, Ta'anek, Urusalini der Aschtarti diente, zu Sichern und Beth-Lahama das siebentägige Klagen um den Kehrhaften Sohn, den Zerrissenen, erscholl und zu Gebal, der Buchstadt, El angebetet ward, der keines Tempels und Kultus bedurfte: Joseph also, wohnhaft im Distrikte Kenana des Landes, das ägyptisch das Obere Retenu hieß, in seines Vaters von Terebinthen und immergrünen Steineichen beschattetem Familienlager bei Hebron, ein berühmt angenehmer Jüngling, angenehm namentlich in erblicher Nachfolge seiner Mutter, die hübsch und schön gewesen war, wie der Mond. wenn er voll ist, und wie lschtars Stern, wenn er milde im Reinen schwimmt, außerdem aber, vom Vater her, ausgestattet mit Geistesgaben, durch welche er diesen wohl gar in gewissem Sinne noch übertraf, - Joseph denn schließlich (zum fünften- und sechstenmal nennen wir seinen Namen und mit Befriedigung; denn um den Namen steht es geheimnisvoll, und uns ist, als gäbe sein Besitz uns Beschwörerkraft über des Knaben zeitversunkene, doch einst so gesprächig-lebensvolle Person) - Joseph für sein Teil erblickte in einer südbabylonischen Stadt namens Uru, die er in seiner Mundart »Ur Kaschdim«, »Ur der Chaldäer« zu nennen pflegte, den Anfang aller, das heißt: seiner persönlichen Dinge.“


Thomas Mann (6 juni 1875 - 12 augustus 1955)
Portret door Max Oppenheimer, 1926

Lees meer...


Pfingstbestellung (Joachim Ringelnatz)


Prettige Pinksterdagen!


Pinksteren door Girolamo Muziano, ca. 1577




Ein Pfingstgedichtchen will heraus
Ins Freie, ins Kühne.
So treibt es mich aus meinem Haus
Ins Neue, ins Grüne.

Wenn sich der Himmel grau bezieht,
Mich stört`s nicht im geringsten.
Wer meine weiße Hose sieht,
Der merkt doch: Es ist Pfingsten.

Nun hab ich ein Gedicht gedrückt,
Wie Hühner Eier legen,
Und gehe festlich und geschmückt —
Pfingstochse meinetwegen —
Dem Honorar entgegen.


Joachim Ringelnatz (1883-1934)
Wurzen. Joachim Ringelnatz werd geboren in Wurzen



Zie voor de schrijvers van de 5e juni ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

09:25 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: pinksteren, joachim ringelnatz, romenu |  Facebook |

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet, Margaret Drabble, Kristin Gore


De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.


Of the Dark Doves
For Claudio Guillén

In the branches of the laurel tree
I saw two dark doves
One was the sun
and one the moon
Little neighbors I said
where is my grave — 
In my tail said the sun
On my throat said the moon
And I who was walking
with the land around my waist
saw two snow eagles
and a naked girl
One was the other
and the girl was none
Little eagles I said
where is my grave —
In my tail said the sun
On my throat said the moon
In the branches of the laurel tree
I saw two naked doves
One was the other
and both were none.


Vertaald door Sarah Arvio



Sonnet of the Wreath of Roses

The wreath, quick, I am dying!
Weave it quick now! Sing, and moan, sing!
Now the shadow is darkening my throat,
and January’s light returns, a thousand and one times.

Between what needs me, and my needing you,
starry air, and a trembling tree.
A thickness of windflowers lifts
a whole year, with hidden groaning.

Take joy from the fresh landscape of my wound,
break out the reeds, and the delicate streams,
and taste the blood, spilt, on thighs of sweetness.

But quick! So that joined together, and one,
time will find us ruined,
with bitten souls, and mouths bruised with love.



Paso (The Images of the Passion)

Virgin in a crinoline,
Virgin of Solitude,
spreading immensely
like a tulip-flower.
In your boat of light,
go -
through the high seas
of the city.
through turbulent singing,
through crystalline stars.
Virgin in a crinoline
through the roadway’s river
you go,
down to the sea!


Vertaald door A. S. Kline


Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
“Federico García Lorca” door Alice Wellinger, 2011

Lees meer...

Thomas Kling, Hélène Cixous, Spalding Gray, Christy Brown, David Hare, Alifa Rifaat, Otto F. Walter, Ivy Compton-Burnett


De Duitse dichter en schrijver Thomas Kling werd geboren op 5 juni 1957 in Bingen. Zie ook alle tags voor Thomas Kling op dit blog.




inzwischn: 1499. luftbilder, -spiegel,
spiegelungn ausm engadinerkrieg. ein
sommerlicher brückenkopp (gesprengt) so
nimmt das wasser andre farbe an.
  di gute
geschoßverschraubte luft! im luftzug
NAPALMHEIDE / das in den fluß
zischt, nähte zwischen leib und panzern
zieht (»da ist ja keine landschaft mehr«,
TONLOS / »hättns sollen fahren
lassn«). darüber geht di kamera, ho-
lpernd; kamerafahrt heiser, angekro-
chenes aug. vorm ortler. vor schi-
mmerndn 3000ern: demolirte sand-
sackberge (...)

                und sorgnfaltn, kummer-
volles redaktörsgesic’t: ICH HÖRE EBEN!,
(sonst in Nürnberg stationiert)!, am sattel, AM HU-

PIRKHEIMER: ja, hier pirkheimer. humanitär-
sanitäre verhältnisse ... mit grawenvollen bildern
zu tun ... habn hohe-luste zu zeichnen ... di
geiselerschießung von meran ... (FADING),
obwohl bevölkerun’ dagegn ... (RAUSCH-
RAUSCH), im -iegesrausch, durchrau-
schende flüchtlinge ... strom weg, alles weg ...
di leitun’ zamm, damundherrn, in weißm rau-
schn, klappt zusamm das bilderwelt in riesen OH-
NELÖSCHLÖSCH. romanisch di bandnwerbun’
Gottes, tonlos di engel vorm himml. jerusalem, wei-
ße bänder spruchbänder in händn. ohne text.


Thomas Kling (5 juni 1957 - 1 april 2005)

Lees meer...

Geoff Dyer


De Engelse schrijver Geoff Dyer werd op geboren 5 juni 1958 in Cheltenham als enig kind van een plaatwerker vader en een schooldiner dame moeder. Hij ging naar school in zijn geboorteplaats en kreeg een beurs om Engels te studeren aan het Corpus Christi College in Oxford. Dyer is de auteur van vier romans: “The Colour of Memory”, “The Search”, “Paris Trance”, en “Jeff in Venice, Death in Varanasi”, een kritische studie over John Berger, “Ways of Telling”; drie bundels essays “Anglo-English Attitudes”, “Working the Room” en “Otherwise Known as the Human Condition” en zes andere titels die niet direct tot een specifiek genre behoren: “But Beautiful” (over jazz), “The Missing of the Somme” (over de herdenking van WO I), “Out of Sheer Rage” (over D. H. Lawrence), “Yoga For People Who Can’t Be Bothered To Do It”, “The Ongoing Moment” (over fotografie), en Zona (over Andrei Tarkovsky’s film Stalker uit 1979). Hij is de redacteur van “John Berger: Selected Essays” en mede-redacteur, met Margaret Sartor, van “What Was True: The Photographs and Notebooks of William Gedney”. In 2014 verscheen “Another Great Day at Sea” (2014), waarin Dyer vertelt over zijn ervaringen op de USS George H.W. Bush, waarop hij twee weken meevoer als writer-in-residence. In 2005 werd Dyer Fellow van de Royal Society of Literature. In 2014 werd hij verkozen tot Honorary Fellow of Corpus Christi College, Oxford. In 2013 werd hij benoemd in het prestigieuze ambt van Bedell Distinguished Visiting Professor, verbonden aan het Nonfiction Writing Program van de Universiteit van Iowa. Hij doceert tegenwoordig aan de Universiteit van Zuid-Californië.

Uit: Jeff in Venice, Death in Varanasi

“On an afternoon in June 2003, when, for a brief moment, it looked as if the invasion of Iraq had not been such a bad idea after all, Jeffrey Atman set out from his flat to take a walk. He had to get out of the flat because now that the initial relief about the big picture had worn off - relief that Saddam had not turned his non-existent WMD on London, that the whole world had not been plunged into a conflagration - the myriad irritations and frustrations of the little picture were back with a vengeance. The morning's work had bored the crap out of him. He was supposed to be writing a twelve-hundred-word so-called 'think piece' (intended to require zero thought on the part of the reader and scarcely more from the writer but still, somehow, beyond him) that had reached such a pitch of tedium that he'd spent half an hour staring at the one-line email to the editor who'd commissioned it:
'I just can't do this shit any more. Yrs J.A.'
The screen offered a stark choice: Send or Delete. Simple as that. Click Send and it was all over with. Click Delete and he was back where he started. If taking your own life were this easy, there'd be thousands of suicides every day. Stub your toe on the way to the bathroom. Click. Get marmalade on your cuff while eating toast. Click. It starts raining as soon as you leave the house and your brolly's upstairs. What to do? Go back up and get it, leave without it and get soaked, or ... Click. Even as he stared at the message, as he sat there on the very brink of sending it, he knew that he would not. The thought of sending it was enough to deter him from doing so. So instead of sending the message or getting on with this article about a 'controversial' new art installation at the Serpentine he sat there, paralysed, doing neither.
To break the spell he clicked Delete and left the house as if fleeing the scene of some dreary, as yet uncommitted crime. Hopefully fresh air (if you could call it that) and movement would revive him, enable him to spend the evening finishing this stupid article and getting ready to fly to Venice the following afternoon. And when he got to Venice? More shit to set up and churn out. He was meant to be covering the opening of the Biennale - that was fine, that was a doddle - but then this interview with Julia Berman had come up (or at least a probable interview with Julia Berman) and now, in addition to writing about the Biennale, he was supposed to persuade her - to beg, plead and generally demean himself - to do an interview that would guarantee even more publicity for her daughter's forthcoming album and further inflate the bloated reputation of Steven Morison, the dad, the famously overrated artist.”


Geoff Dyer (Cheltenham, 5 juni 1958)

09:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: geoff dyer, romenu |  Facebook |

Paul Farley


De Britse dichter en schrijver Paul Farley werd geboren op 5 juni 1965 in Liverpool. Hij studeerde schilderkunst aan de Chelsea School of Art en woonde in Londen, Brighton en Cumbria. Voor zijn eerste poëzie bundel “The Boy from the Chemist is Here to See You” (1998) en won een Forward Poetry Prize (Best First Collection) en werd op de shortlist geplaatst voor de Whitbread Prize. Het boek bezorgde hem ook de Somerset Maugham Award en in 1999 won hij de Sunday Times Young Writer of the Year Award. Van 2000-2002 was hij de dichter-in-residence bij de Wordsworth Trust in Grasmere. Voor zijn tweede bundel “The Ice Age” (2002), ontving hij de Whitbread Poetry Award. Zijn derde bundel “Tramp in Flames” verscheen in 2006. Voor het gedicht ‘Liverpool Disappears for a Billionth of a Second’ ' kreeg hij de Forward Prize voor Best Individual Poem. In hetzelfde jaar publiceerde hij ook een studie over Terence Davies film “Distant Voices, Still Lives”. In 2007 bewerkte hij een selectie van John Clare voor de dichtersreeks van Faber “Poet to Poet”. Farley heeft ook veel geschreven voor radio en televisie, en schrijft vaak over kunst en literatuur. Hij woont momenteel in Lancashire en is hoogleraar poëzie aan de universiteit van Lancaster.


Liverpool Disappears for a Billionth of a Second

Shorter than the blink inside a blink
the National Grid will sometimes make, when you’ll
turn to a room and say: Was that just me?

People sitting down for dinner don’t feel
their chairs taken away/put back again
much faster that that trick with tablecloths.

A train entering the Olive Mount cutting
shudders, but not a single passenger
complains when it pulls in almost on time.

The birds feel it, though, and if you see
starlings in shoal, seagulls abandoning
cathedral ledges, or a mob of pigeons

lifting from a square as at gunfire,
be warned it may be happening, but then
those sensitive to bat-squeak in the backs

of necks, who claim to hear the distant roar
of comets on the turn – these may well smile
at a world restored, in one piece; though each place

where mineral Liverpool goes wouldn’t believe
what hit it: all that sandstone out to sea
or meshed into the quarters of Cologne.

I’ve felt it a few times when I’ve gone home,
if anything, more often now I’m old
and the gaps between get shorter all the time.




How good we are for each other, walking through
a land of silence and darkness. You
open doors for me, I answer the phone for you.

I play jungle loud. You read with the light on.
Beautiful. The curve of your cheekbone,
explosive vowels, exact use of cologne.

What are you thinking? I ask in a language of touch
unique to us. You tap my palm nothing much.
At stations we compete senses, see which

comes first—light in the tunnel, whiplash down the rail.
I kick your shins when we go out for meals.
You dab my lips. I finger yours like Braille.


Paul Farley (Liverpool,. 5 juni 1965)

09:10 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: paul farley, romenu |  Facebook |