26-03-17

Tennessee Williams, Gregory Corso, Hwang Sun-won, Martin McDonagh, Robert Frost, Patrick Süskind

 

De Amerikaanse schrijver Tennessee Williams (eigenlijk Thomas Lanier Williams) werd geboren in Columbus, Mississippi, op 26 maart 1911. Zie ook alle tags voor Tennessee Williams op dit blog.

Uit: A Streetcar Named Desire

“STELLA : I don't want to hear any more!
STANLEY: She's not going back to teach school! In fact I am willing to bet you that she never had no idea of returning to Laurel! She didn't resign temporarily from the high school because of her nerves! No, siree, Bob! She didn't. They kicked her out of that high school before the spring term ended—and I hate to tell you the reason that step was taken! A seventeen-year-old boy—she'd gotten mixed up with!
BLANCHE: "It's a Barnum and Bailey world, Just as phony as it can be—"
[In the bathroom the water goes on loud; little breath-less cries and peals of laughter are heard as if a child were frolicking in the tub.]
STELLA : This is making me—sick!
STANLEY: The boy's dad learned about it and got in touch with the high school superintendent. Boy, oh, boy, I'd like to have been in that office when Dame Blanche was called on the carpet! I'd like to have seen her trying to squirm out of that one! But they had her on the hook good and proper that time and she knew that the jig was all up! They told her she better move on to some fresh territory. Yep, it was practickly a town ordinance passed against her! [The bathroom door is opened and Blanche thrusts her head out, holding a towel about her hair.]
BLANCHE: Stella!
STELLA [faintly]: Yes, Blanche?
BLANCHE: Give me another bath-towel to dry my hair with. I've just washed it.”

 

 
Tennessee Williams (26 maart 1911 – 25 februari 1983)
Scene uit de gelijknamige tv-film uit 1984 met o.a.Treat Williams als Stanley Kowalski

Lees meer...

A. E. Housman, Bettina Galvagni, Hai Zi, Erica Jong, Artur Landsberger

 

De Engelse dichter Alfred Edward Housman werd geboren op 26 maart 1859 in Fockbury, Worcestershire. Zie ook alle tags voor A. E. Housman op dit blog.

 

To An Athlete Dying Young

The time you won your town the race
We chaired you through the market-place;
Man and boy stood cheering by,
And home we brought you shoulder-high.

To-day, the road all runners come,
Shoulder-high we bring you home,
And set you at your threshold down,
Townsman of a stiller town.

Smart lad, to slip betimes away
From fields where glory does not stay
And early though the laurel grows
It withers quicker than the rose.

Eyes the shady night has shut
Cannot see the record cut,
And silence sounds no worse than cheers
After earth has stopped the ears:

Now you will not swell the rout
Of lads that wore their honours out,
Runners whom renown outran
And the name died before the man.

So set, before its echoes fade,
The fleet foot on the sill of shade,
And hold to the low lintel up
The still-defended challenge-cup.

And round that early-laurelled head
Will flock to gaze the strengthless dead,
And find unwithered on its curls
The garland briefer than a girl's.

 

 

Here Dead We Lie

Here dead we lie
Because we did not choose
To live and shame the land
From which we sprung.

Life, to be sure,
Is nothing much to lose,
But young men think it is,
And we were young.

 

 
A. E. Housman (26 maart 1859 – 30 april 1936)
Standbeeld in Bromsgrove

Lees meer...

Am vierten Sonntage in der Fasten (Annette von Droste-Hülshoff)

 

Bij de vierde zondag van de vasten

 

 
De droom van St. Jozef door Anton Raphael Mengs, ca. 1773/1774

 

 

Am vierten Sonntage in der Fasten
Josephsfest

Gegrüßt in deinem Scheine,
Du Abendsonne reine,
Du alter Lilienzweig,
Der du noch hast getragen
In deinen grauen Tagen
So mildes Blütenreich!

Je mehr es sich entfaltet,
Zum Ehrenkranz gestaltet,
Der deine Stirn umlaubt:
Je mehr hast du geneiget,
In Ehrfurcht ganz gebeuget
Dein gnadenschweres Haupt.

Wie ist zu meinem Frommen
Dein freundlich Fest gekommen
In diese ernste Zeit!
Ich war fast wie begraben;
Da kömmst du mich zu laben
Mit seltner Freudigkeit.

Zu dir will ich mich flüchten,
Mein scheues Leben richten,
O Joseph, milder Hauch!
Du hast gekannt die Fehle
In deiner starken Seele,
Und die Vergebung auch!

Was hast du nicht geduldet,
Da im Geheim verschuldet
Maria dir erschien?
Und konntest ihr nicht trauen,
Worauf die Himmel bauen,
Und hast ihr doch verziehn!

Und da du mußtest scheiden
Mit deinen lieben Beiden,
Wie groß war deine Not!
Die Wüste schien dir lange;
Doch war vom Untergange
Dein liebes Kind bedroht.

Und da Er glanzumkrönet,
Wie bist du nicht gehöhnet
Um seine Gotteskraft!
Wie mag, den Groll zu laben,
Dich nicht gelästert haben
Die arge Priesterschaft!

Und gar, wenn gottdurchdrungen
Dich grüßten fromme Zungen
Und priesen laut und weit:
Wie hast du nicht in Zagen
An deine Brust geschlagen
In deiner Sündlichkeit!

So hast du viel getragen,
Unendlich viele Plagen,
Mit freundlicher Geduld,
Und ist in all den Jahren
Manch Seufzer dir entfahren
Und manche kleine Schuld.

Du frommer Held im Glauben,
Den schrecklich dir zu rauben
Sich alle Welt verband,
Hast können nicht erhalten
Ein unbeflecktes Walten
An deines Jesu Hand.

Was soll ich denn nicht hoffen,
Da noch der Himmel offen,
Und meine Seele still?
Will sich die Gnade nahen:
Ich kann sie wohl empfahen,
So Gott mir helfen will.

Zerrissen in den Gründen
Bin ich um meine Sünden,
Und meine Reu' ist groß!
O hätt' ich nur Vertrauen,
Die Hütte mein zu bauen
In meines Jesu Schoß!

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Friedhofskapelle Mariä Himmelfahrt in Meersburg, linker zijaltaar. Annette von Droste-Hülshoff werd in Meersburg begraven.

25-03-17

Pol Hoste, Menno Van der Beek, Flannery O'Connor, Jaime Sabines, Peter Van Straaten, Toni Cade Bambara, Antonio Fogazzaro

 

De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook alle tags voor Pol Hoste op dit blog.

Uit: Tel

“- Hoe gaat het met je?
Je weet dat ik daar niet graag op antwoord, ik heb je al uitgelegd waarom.
- Is het zo erg dat ik gewoon eens vraag hoe het met je gaat, mag dat ook al niet meer?
- Het is helemaal niet erg, alleen hadden we afgesproken dat je het me niet meer zou vragen. Dat is alles. Als je me dus vraagt hoe het met me gaat herinner ik je alleen maar aan onze afspraak. Niet meer of niet minder. Dat hoef je dus helemaal niet erg te vinden.
- Dat weet ik, maar wind je niet meteen zo op, want dat is echt geen normale reactie meer, sta me toe dat ik dat zeg. Ik vraag gewoon even hoe het met je gaat en in plaats van te zeggen, zo of zo, maak je een drama alsof ik je geen ogenblik met rust laat. En het is al zo lang geleden dat we nog eens met elkaar gepraat hebben.
- Ik maak helemaal geen drama, ik herinner je alleen maar aan onze afspraak dat je me niet meer zou vragen hoe ik het maak. Want daarover gaat het en over niets anders.
- Is dat dan zo'n verschrikkelijke vraag? Straks ga ik nog denken dat ik helemaal abnormaal ben omdat ik gewoon even zeg: ‘Dag, hoe maak je het?’ Ik word er ziek van als ik daaraan denk. Ik begrijp helemaal niet waarom je me niet gewoon zegt, het gaat me goed of slecht of maar zo zo. Je mag het me gerust zeggen als het je slecht gaat. Misschien zit je in geldnood, sta je op het punt van ziek te worden, hoe kan ik dat weten, ik maak me alleen soms zorgen, dat is alles, dat kan toch, of mag ik dat ook niet meer? Ik kan je toch niet opbellen en dan doen alsof het helemaal niet om jou gaat? Alsof je er niet bent. Dat zou me een toestand worden. Ik ben niet gek.
- Ik ook niet.
- Kijk, als jij nu gewoon op mijn vraag had geantwoord: het gaat me zo of zo, ik verwacht daar helemaal geen uitgebreid antwoord op, denk dat maar niet, je hoeft me zeker niet alles te vertellen, helemaal niet, nee, alleen even gewoon hoe het met je gaat. Zo of zo, het zal me een zorg zijn, je beslist toch zelf wat je daarop antwoordt, ik zeg toch niet wat je me moet zeggen, integendeel, je hoeft me niet te sparen, ik bedoel, als je daar nu gewoon even kort op had geantwoord, dan hadden we er al lang over gezwegen in plaats van alweer zo tegen elkaar tekeer te gaan. Dat vind ik echt niet prettig."

 

 
Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)

Lees meer...

Jacques Bens, Jacques Audiberti, Filip De Pillecyn, Erica Pedretti, Evliya Çelebi, Anne Fanshawe, Daniel Schiebeler, Mary Webb

 

De Franse dichter en schrijver Jacques Bens werd geboren op 25 maart 1931 in Cadolive (Bouches-du-Rhône). Zie ook alle tags voor Jacques Bens op dit blog.

 

Melancholy

So I’ll once more find my old horizons,
cherished scent of winds and habitations.
Fear not if it seems I’m quitting the place.

I leave Paris just to love it better.

One tends to hurry a banal embrace.
But what’s this pride worth that’s past all seasons?   
Try to unite the heart with its reasons. 
The city, while smiling, leaves a rough trace.

I leave Paris just to love you better.

To love you better, I couldn’t picture—
Now I see the present whisks us away.   
To see you, I have to step back a bit.
I lock up my regrets, as will be fit,
Slipping my key under your entryway.

 

 

Nostalgia

I’ll no longer haunt this lost location
Where my friends, gently, find some fixation,
Fixation I crave, though I play the stud,

For I love the smell of books most of all.

If I’ve swapped my pen for a plow and mud
(That is, lyric and inoculation),
If I’ve, I say, chosen field plantation,
I’ve not renounced my écriveron blood:

Still, I love the smell of books above all.

To regain that world that had me in thrall,
To meet, each day, my cousin the proofer!
To sniff the cold perfume of leather scrawl!
To relive, at last, the life I recall,
And egads! return like a proud victor!

 

Vertaald door Rachel Galvin

 

 
Jacques Bens (25 maart 1931 – 26 juli 2001)
Cadolive (Bouches-du-Rhône)

Lees meer...

24-03-17

Peter Bichsel, Martin Walser, Dario Fo, Lawrence Ferlinghetti, Jacob van Lennep, Jeroen Mettes, Harry Prenen, Willem van Iependaal, Top Naeff

 

De Zwitserse schrijver Peter Bichsel werd geboren op 24 maart 1935 in Luzern. Zie ook alle tags voor Peter Bichsel op dit blog.

Uit: San Salvador

„Er hatte sich eine Füllfeder gekauft.
Nachdem er mehrmals seine Unterschrift, dann seine Initialen, seine Adresse, einige Wellenlinien, dann die Adresse seiner Eltern auf ein Blatt gezeichnet hatte, nahm er einen neuen Bogen, faltete ihn sorgfältig und schrieb: „Mir ist es hier zu kalt“, dann, „ich gehe nach Südamerika“, dann hielt er inne, schraubte die Kappe auf die Feder, betrachtete den Bogen und sah, wie die Tinte eintrocknete und dunkel wurde [in der Papeterie garantierte man, daß sie schwarz werde], dann nahm er seine Feder erneut zur Hand und setzte noch seinen Namen Paul darunter.
Dann saß er da.
Später räumte er die Zeitungen vom Tisch, überflog dabei die Kinoinserate, dachte an irgend etwas, schob den Aschenbecher beiseite, zerriß den Zettel mit den Wellenlinien, entleerte seine Feder und füllte sie wieder. Für die Kinovorstellung war es jetzt zu spät.
Die Probe des Kirchenchores dauerte bis neun Uhr, um halb zehn würde Hildegard zurück sein. Er wartete auf Hildegard. Zu all dem Musik aus dem Radio. Jetzt drehte er das Radio ab.
Auf dem Tisch, mitten auf dem Tisch, lag nun der gefaltete Bogen, darauf stand in blauschwarzer Schrift sein Name Paul.
„Mir ist es hier zu kalt“, stand auch darauf.
Nun würde also Hildegard heimkommen, um halb zehn. Es war jetzt neun Uhr. Sie läse seine Mitteilung, erschräke dabei, glaubte wohl das mit Südamerika nicht, würde dennoch die Hemden im Kasten zählen, etwas müßte ja geschehen sein.
Sie würde in den „Löwen“ telefonieren.
Der „Löwen“ ist mittwochs geschlossen.“

 

 
Peter Bichsel (Luzern, 24 maart 1935)

Lees meer...

23-03-17

Cri Stellweg, Yō,ko Tawada, Gary Whitehead, Mitch Cullin, Steven Saylor, Roger Martin du Gard, Madison Cawein, Nils-Aslak Valkeapää, Federica de Cesco

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Margaretha Hendrika (Cri) Stellweg (alias Saartje Burgerhart) werd geboren in Nijmegen op 23 maart 1922. Zie ook alle tags voor Cri Stellweg op dit blog en ook mijn blog van 27 november 2006.

Uit: Geef mij maar een klaproosje…

“Ik gaf me er juist rekenschap van, dat geen Provençaalse cigale mijn schoorsteenmantel zou sieren deze winter, toen m'n hoofd onzacht in aanraking kwam met de voorruit. „Zeg, ben je nou helemaal ...," begon ik, mijn gekwetste hoofd betastend. „Stil," fluisterde mijn man dringend, „kijk es! Kijk toch es!!" „Waar?" vroeg ik, nog scheel van de klap. „Daar." Ik keek en ja, ik zag het .... Allemaal beesten op de weg. Hopen beesten! Hele horden! Hebberig scharrelde hij de auto al uit. lk volgde, een opkomende buil betastend. Toen ik op de weg stond, kon ik de zaak pas goed overzien: het krioelde er van vreemde, grote insecten, een soort sprinkhanen en toch géén sprinkhanen. Wel 7 tot 10 cm lang en in verschillende tinten gekleurd. Met acht reusachtige gebogen poten, lange voelsprieten en puntige venijnige koppen. Ze zaten in de planten aan weerszijden van de weg, ze kropen over het asfalt en enkele ondernemenden begonnen de auto al te beklimmen. „Aaaach," zei ik verbijsterd, „wat een boel! En wat zijn 't?! Wil je er een vangen? Ik vind het wel erge griezels, vies ook ... !"
„'k Weet niet wat het zijn,” zei hij, „geef me gauw een doosje." Voorzichtig over de beesten heenstappend, liep ik naar de auto terug. Toen ik er achter om heen kwam, zag ik iets, waarvan de haren me overeind gingen staan. Wij hadden met onze wielen verscheidene exemplaren ver-morzeld of geraakt, de overlevenden kropen nu belust op deze lijken en invaliden rond, knaagden eraan en vraten ze op ... ! Het malen en knarsen van hun kaken was duidelijk hoorbaar in de zware, hete stilte van de verlaten weg. Met wijd opengesperde ogen en de rillingen over m'n kruin stond ik er doodstil naar te kijken, tot ik iets scherps op m'n voeten voelde. lk keek: er kroop er een over mijn blote tenen in de open schoen .... Ik gaf een gil en rende naar de auto. „Erin!" dacht ik, „weg van dit gespuis!" „Wat is er?" riep de jager uit het kreupelhout waar zich blijkbaar de mooiste exemplaren ophielden. „En waar blijft die doos?" „Kom jij je doos zelf maar halen," riep ik opgewonden, „ik zet . geen stap meer hier. Die beesten vreten elkaar op en ze willen aan mijn tenen beginnen." „Doe niet zo overspannen!", riep hij boos, „kom op met dat doosje!" „Geen sprake van. Ik ben voor m'n plezier uit. Straks klimmen ze nog in m'n boothals," gaf ik, even boos, terug. Getergd kwam hij aangestapt, dwars door en over de regimenten rondscharrelende beesten.”

 

 
Cri Stellweg (23 maart 1922 - 26 november 2006)
Hier met Adriaan van Dis in 2003 

Lees meer...

22-03-17

Billy Collins, Eveline Hasler, Érik Orsenna, Léon Deubel, Karel Poláček, Arnold Sauwen, Wolfgang Bächler, Albrecht Goes, Gabrielle Roy

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Billy Collins werd geboren in New York op 22 maart 1941. Zie ook alle tags voor Billy Collins op dit blog.

 

On Turning Ten

The whole idea of it makes me feel
like I'm coming down with something,
something worse than any stomach ache
or the headaches I get from reading in bad light-
a kind of measles of the spirit,
a mumps of the psyche,
a disfiguring chicken pox of the soul.

You tell me it is too early to be looking back,
but that is because you have forgotten
the perfect simplicity of being one
and the beautiful complexity introduced by two.
But I can lie on my bed and remember every digit.
At four I was an Arabian wizard.
I could make myself invisible
by drinking a glass of milk a certain way.
Atseven I was a soldier, at nine a prince.

But now I am mostly at the window
watching the late afternoon light.
Back then it never fell so solemnly
against the side of my tree house,
and my bicycle never leaned against the garage
as it does today,
all the dark blue speed drained out of it.

This is the beginning of sadness, I say to myself,
as I walk through the universe in my sneakers.
It is time to say good-bye to my imaginary friends,
time to turn the first big number.
It seems only yesterday I used to believe
there was nothing under my skin but light.
If you cut me I would shine.
But now if I fall upon the sidewalks of life,
I skin my knees. I bleed.

 

 

Some Days

Some days I put the people in their places at the table,
bend their legs at the knees,
if they come with that feature,
and fix them into the tiny wooden chairs.

All afternoon they face one another,
the man in the brown suit,
the woman in the blue dress,
perfectly motionless, perfectly behaved.

But other days, I am the one
who is lifted up by the ribs,
then lowered into the dining room of a dollhouse
to sit with the others at the long table.

Very funny,
but how would you like it
if you never knew from one day to the next
if you were going to spend it

striding around like a vivid god,
your shoulders in the clouds,
or sitting down there amidst the wallpaper,
staring straight ahead with your little plastic face?

 

 
Billy Collins (New York, 22 maart 1941)
 

Lees meer...

In Memoriam Colin Dexter

 

In Memoriam Colin Dexter

De Britse schrijver Colin Dexter is gisteren op 86-jarige leeftijd in Oxford overleden. Colin Dexter, vooral bekend van "Inspector Morse", werd geboren op 29 september 1935 in Stamford, Lincolnshire. Zie ook alle tags voor Colin Dexter op dit blog.

Uit: Death Is Now My Neighbor

“By one of those minor coincidences (so commonplace in Morse's life) it had been just as most of the personnel from the media were preparing to leave, at almost exactly 8:30pm, that Mr. Robert Turnbull, the Senior Cancer Consultant, had passed her desk, nodded a greeting, and walked slowly to the exit, his right hand resting on the shoulder of Mr. J. C. Storrs. The two men were talking quietly together for some while -- Dawn was certain of that. But certain of little else. The look on the consultants face, as far as she could recall, had been neither that of a judge who has just condemned a man to death, nor that of one just granting a prisoner his freedom.
No obvious grimness.
No obvious joy.
And indeed there was adequate cause for such uncertainty on Dawn's part, since the scene had been partially masked from her by the continued presence of several persons: a ponytailed reporter scribbling a furious shorthand as he interviewed a nurse; the TV crew packing away its camera and tripods; the Lord Mayor speaking some congratulatory words into a Radio Oxford microphone -- all of them standing between her and the top of the three blue-carpeted stairs which led down to the double-doored exit, outside which were affixed the vertical banks of well-polished brass plates, ten on each side, the fourth from the top on the left reading:
If only Dawn Charles could have recalled a little more.
If -- that little conjunction introducing those unfulfilled conditions in past time which, as Donet reminds us, demand the pluperfect subjunctive in both clauses -- a syntactical rule which Morse himself had mastered early on in an education which had been far more fortunate than that enjoyed by the receptionist at the Harvey Clinic.
Indeed, over the next two weeks, most people in Oxford were destined to be considerably more fortunate than Dawn Charles: She received no communication from the poetry lover of Pembroke; her mother was admitted to a psychiatric ward out at Littlemore; she was twice reminded by her bank manager of the increasing problems arising from the large margin of negative equity on her small flat; and finally, on Monday morning, January 29, she was to hear on Fox FM Radio that her favorite consultant, Mr. Robert H. Turnbull, MB, ChB, FRCS, had been fatally injured in a car accident on Cumnor Hill.”

 

 
Colin Dexter (29 september 1935 – 21 maart 2017)
John Thaw (Inspecteur Morse), Colin Dexter en Kevin Whately (Detective Sergeant Lewis)

21-03-17

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Kees van Beijnum, Jean Paul, Hamid Skif, Hubert Fichte, Peter Hacks, Michel Bartosik, Youssef Rzouga

 

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies elf jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit Blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook mijn blog van 2 september 2010 en voor het overige de Willem de Mérode tags op dit blog bij Skynet.

 

De narcis

De wereld werd zeer zuiver en zeer groot,
Toen schemering de bleeke lucht vervulde.
En liefelijker vlamde de vergulde
Bloem in het donker hoekje bij de sloot.

Er zijn maar enkelen die haar genaken,
Zij lokt niet en zij weert niet, maar wie kwam,
Wordt priester van haar stille gouden vlam,
En blijft zijn leven lang haar schoon bewaken.

O deze aandachtige ingetogenheid,
Die niet meer om het leven lacht en schreit,
Dit enkel schóón zijn, rijk en goedertieren!

Dit prijken in een storeloos geduld,
Dit heerschen van een stille kracht vervuld,
Om ’t leven als een louter feest te vieren.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Cover

Lees meer...

20-03-17

David Malouf, Friedrich Hölderlin, Katharina Hartwell, Ralph Giordano, Ricus van de Coevering, Jens Petersen, Benoît Duteurtre, Gerard Malanga, Henrik Johan Ibsen

 

De Australische schrijver David Malouf werd geboren op 20 maart 1934 in Brisbane. Zie alle tags voor David Malouf op dit blog.

 

From a Plague Year

A sign first in the sky, then other tokens,
but plainer, on the flesh. June’s thirty suns
flared and we were tinder. Flies appeared
and bubbled in pools, their green gaze multiplied
the dead. But we, the elected, all that term
kept house, kept shop, kept silence, knowing no harm
would come to us. We paid our taxes, served
on juries, saw men punished or reprieved
from death under the law. God’s eye
was on us. Like a red-hot cautery
it pricked and burned. Who keep His just commandments
shall live. No terror can afflict the saints.

But still each week the numbers swell, the needle
glows. In a devil’s covenant, through all
the colours of the rainbow, pale flesh bruises
black, then stinks and softens. We stop our noses,
the death-cloud blooms. We find its dark seeds scattered
like sunshine, everywhere.
And so we board
our houses up, burn pitch, read in the Book
and choke. By day no footfall, no wheel’s creak
in the cobbled square. At night the town’s aswarm
with cries, a fearful traffic. Dung-carts climb
to where, in moonlit fields, whole families meet
at the real it’s edge, new nameless suburbs greet
new citizens; they seethe like privy holes.

Some say the plague’s a rat, soft-bellied squeals
in the rushes underfoot, a red-eyed fever
that glares. Or blame the Jews. Or claim the air
itself turns poisonous; where warm breath clouds
a glass invisible armies spawn, one word’s
enough to quell a city. It is death
we suck on now. The plague in our mouth.

No help!
Gender of spiders on the tongue
that preaches, curses, pleads, God’s judgment wrung
in black sweat from our limbs. Are we in Bedlam
or is it Hell that rocks us with its flame?
The sickness in this month is grown so general
no man can judge. It comes to this: we kill
our neighbours with the very prayers we sigh
to Heaven. O my Lord, spare me, spare me.

 

 
David Malouf (Brisbane, 20 maart 1934)

Lees meer...