26-10-17

Jan Wolkers, Marja Pruis, Andrew Motion, Maartje Wortel, Stephen L. Carter, Harry M.P. van de Vijfeijke, Karin Boye, Trevor Joyce, Pat Conroy

 

De Nederlandse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers werd geboren in Oegstgeest op 26 oktober 1925. Zie ook mijn blog van 26 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Jan Wolkers op dit blog.

Uit: De perzik van de onsterfelijkheid

“De vogels schreeuwden hem wakker. Met zijn ogen dicht bleef hij liggen luisteren naar het gekrijs, hels en genadeloos, alsof ze de zon boven de horizon uit wilden vloeken. Erdoorheen hoorde hij een vreemd klapperen, als van een zonnescherm in de wind. Die zak van boven heeft de vlag weer vergeten binnen te halen. Verleden jaar had bijna de hele trap er ruzie over. Stelletje melkmuilen en trutten. Belediging van de vlag. Je gelooft je oren niet. Alsof de mensen nooit boven het niveau van padvinders uitkomen. 0, wat is m'n rood, wit en blauw vernederd. Die vlag hangt nog halfstok ook. Dan is het ook nog een belediging voor de doden. De doden. Het is een instituut geworden. Die gruwelijk vermoorden schijnen zich om te draaien in hun massagraf als er zo hier en daar een vlaggetje onder de sterrenhemel blijft wapperen. Primitief bijgeloof. Puur animisme Alsof dat dundoek door de vleermuizen van het kwaad bezwadderd zou kunnen worden, alsof de vijand hem zou kunnen bezeiken in het nachtelijk duister. Als jullie willen zien hoe de vlag en de doden beledigd worden hadden jullie gisteravond op de Dam moeten gaan kijken. Ze spatten bijna van woede uit elkaar. Als een stel piranha's zouden ze zich op je gebeente willen storten om het laatste beetje merg eruit te vreten. Zo te horen staat er een behoorlijke bries. Niet eruit geweest vannacht. Nee toch? Even goed nadenken. Te veel valium geslikt. Snoep verstandig. Dat ruisen in mijn hart of daaromtrent. Het is of er zandkorrels je aderen in gespoeld worden. Sterk vertakte rivier. Het slibt dicht. Een treurwilg van geronnen bloed. Je bloedsomloop als een foto van de bliksem. Aderen van witheet metaal. Alsof je van binnen uit in een keurslijf wordt gegoten. Een skelet van nikkel. De grote verstijving. Door de stank van de asbak met peuken heen rook hij de dranklucht. Hij zag zijn vrouw weer, onderuit gezakt voor de televisie, naar de dodenherdenking zitten kijken. Die zinloze dennen tegen de oranje avondlucht. Verleden jaar nog in zwart-wit. In kleur is het nog treuriger. Je hoort de laatste zanglijster. Je staat daar en je zakt weg. Die salvo's uit het verleden. Je dacht er steeds aan. Dat je eenzaam zou vergaan. Ze zat maar te mompelen. Moest natuurlijk weer aan Henk denken. Zelf ook. Het kan niet anders. Dat dat je voorgoed bijblijft. De fakkels die opdoemen alsof de doden een geest hebben. Die reusachtige bronzen klok dreunt op den duur in je kop mee. Zo'n stel van die jongens van vroeger in overall met een sten voor hun borst. Onherroepelijk weg en voorbij. Voor wie voeren ze die maskerade eigenlijk op. Te goed doervoed.”

 

 
Jan Wolkers (26 oktober 1925 – 19 oktober 2007)
Cover


 

De Nederlandse schrijfster en journaliste Marja Pruis werd geboren in Amsterdam op 26 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Marja Pruis op dit blog.

Uit: Zachte riten

“Het idee dat Abraham de Winter op me zit te wachten prikkelt me, ik zal dat nooit aan Leon kunnen uitleggen. Misschien moet je daar vrouw voor zijn, altijd denken dat de verlossing van buitenaf moet komen. Want natuurlijk zal Abraham de Winter me een aanbod doen, is het niet dat hij me over een flipperkast heen wil buigen – ach Ellie – dan wel dat hij me wil peilen voor een of andere functie, een prestigieus project, een bijdrage aan een boek, een samenwerking, iets Europees, iets met geld, waarvoor verder niemand wordt gevraagd. Iets waardoor ik zomaar over een paar weken voor onbepaalde tijd naar Leuven kan verhuizen, waar ik me iedere ochtend over de kasseien naar mijn werk spoed in de schaduw van de machtige kathedraal, alles en iedereen op mijn weg begroetend, want Leuven blijkt best klein.
Het restaurant waar we op zijn verzoek hebben afgesproken is gevestigd in een oude verffabriek, of het was ooit een drukkerij, dat kan ook. De serveerster begeleidt me naar een podium dat zich uitstrekt over de hele lengte, pal onder lange smalle ramen waardoor nooit een sprankje zon naar binnen zal zijn gevallen. De zaak ligt in een steegje, pal tegenover een nog hoger pand waarin net een krantenredactie onderdak heeft gevonden nadat het jarenlang de ruigste danstent van de stad herbergde. Ik wring me in een bocht om door het raam omhoog te kijken terwijl ik me afvraag hoe het zou zijn om een date met Abraham de Winter te hebben. Of de man met de perfecte papieren – het hoogleraarschap, de internationale carrière, de juiste bezigheden – niet een kikker op het droge zou blijken, een grijnzende amfibie in zijn beste jasje-dasje, dat zich bij voorkeur achter in een restaurant opstelde zodat hij de deur in de gaten kon houden. Als hem niet beviel wat daar binnen kwam zeilen op de in het vooruitzicht gestelde hoge hakken, zou hij ook zomaar, páts, verschwunden kunnen zijn.
‘Heeft ze grote tieten?’ vroeg hij Ellie over een journaliste die hem wilde interviewen voor het universiteitsblad.”

 

 
Marja Pruis (Amsterdam, 26 oktober 1959)

 

 

De Engelse dichter, schrijver en biograaf Andrew Motion werd geboren op 26 oktober 1952 in Braintree in Essex. Zie ook alle tags voor Andrew Motion op dit blog en ook mijn blog van 26 oktober 2010

 

Anne Frank Huis

Even now, after twice her lifetime of grief
and anger in the very place, whoever comes
to climb these narrow stairs, discovers how
the bookcase slides aside, then walks through
shadow into sunlit room, can never help

but break her secrecy again. Just listening
is a kind of guilt: the Westerkirk repeats
itself outside, as if all time worked round
towards her fear, and made each stroke
die down on guarded streets. Imagine it—

four years of whispering, and loneliness,
and plotting, day by day, the Allied line
in Europe with a yellow chalk. What hope
she had for ordinary love and interest
survives her here, displayed above the bed

as pictures of her family; some actors;
fashions chosen by Princess Elizabeth.
And those who stoop to see them find
not only patience missing its reward,
but one enduring wish for chances

like my own: to leave as simply
as I do, and walk at ease
up dusty tree-lined avenues, or watch
a silent barge come clear of bridges
settling their reflections in the blue canal.

 

 
Andrew Motion (Braintree, 26 oktober 1952)

 

 

De Nederlandse schrijfster Maartje Wortel werd geboren in Eemnes op 26 oktober 1982. Zie ook alle tags voor Maartje Wortel op dit blog.

Uit: Er moet iets gebeuren

“Je hebt je eigen kamer. Je bent met je vader en moeder naar een winkel gegaan en hebt een bureau gekocht om aan te studeren. In het bureau zitten drie lades. In het begin blijven de onderste twee lades leeg. Tot je steeds meer rotzooi verzameld hebt. Sleutelhangers, pasfoto’s, bonnetjes en paracetamol. Als je verhuist, verhuist de rotzooi mee. Onder een paar schriften en postelastieken ligt een briefje van een geliefde. Jullie zien elkaar niet meer.
Je mist iemand die in een ander land is gaan wonen. Soms sta je er zelfs mee op. Je bent moe van de ruimte tussen jullie lichamen. De aanwezigheid van een afwezigheid. Dat was altijd al zo, maar eerder was de ruimte kleiner, overzichtelijker. Je overbrugde de afstand lopend of op de fiets. Nu denk je aan het gat tussen jezelf en de dood, waarvan je hoopt dat die eindeloos is. Als het aan jou ligt is het een landschap zoals een woestijn.
Je hebt vroeger hele zomervakanties doorgebracht met het luisteren naar tapes van Bert & Ernie. Je zat in een houten schommelstoel en hoorde Bert & Ernie zingen:
Het is een troep, troep, vreselijke troep; we hebben al een tijd niets meer opgeruimd. Troep, troep, alles is zoek, we hebben al een tijd niets meer opgeruimd. La-la-la-la-la, la-la-la-la-la!Er zijn mensen die voortdurend alles opruimen. Ze stoppen hun spullen achter deurtjes. Als iedereen alles uitstalt, zingt niemand meer.
Je zit in een werkruimte met grote ramen. Er is een bed dat iemand heeft neergezet. Iemand die gelooft in het belang van nietsdoen. Iemand die denkt dat kijken beter is dan leven. Iemand die zegt: De werkelijkheid is wat je aankan. Je gaat op je rug op het bed liggen en kijkt naar de lucht. Er vliegen twaalf zwanen langs het raam en je denkt aan de tocht van duizenden kilometers die ze door de lucht afleggen en dat als een van de zwanen ziek wordt, er altijd een andere zwaan is die met hem of haar mee naar beneden gaat. Op de grond wachten ze samen tot de zieke zwaan sterk genoeg is om de tocht te hervatten. Je hebt in het Stedelijk Museum een werk gezien van Marlene Dumas dat je niet meer loslaat, het heet
Don’t Talk to Strangers (1977). Het is een collage op canvas met tape en stukken uit brieven van vrienden en geliefden die de kunstenares heeft verzameld. Ze heeft alleen de aanhef en het afscheid, de groet, uit de brieven overgelaten. Je denkt dat het een groot doek is, misschien van anderhalve meter breed, je bent nooit goed geweest in het schatten van maten. Aan de uiterste linkerkant van het doek hangen onder elkaar, in verschillende handschriften, de aanheffen van de brieven. Aan de uiterste rechterkant hangen alle afscheidsgroeten. Eén iemand sluit zijn brief af met een wolkje van krassen. Of misschien is het eerder een kluitje krassen. Het is iemand die zich tijdens het schrijven van zijn groet bedacht heeft. Toch beter van niet. Na de krassen sluit de briefschrijver zijn brief af met: Zzzzz. Tussen de tweede en de derde z is later nog een z toegevoegd. Nu staat er dus eigenlijk Zzzzzz, waardoor de complete inhoud verandert, waardoor je je mening moet bijstellen. Waardoor je tegen diegene aan zou willen liggen. Waardoor je dit nooit meer vergeet.”

 

 
Maartje Wortel (Eemnes, 26 oktober 1982)

 

 

De Amerikaanse schrijver Stephen L. Carter werd geboren op 26 oktober 1954 in Washington, D.C. Zie ook alle tags voor Stephen L. Carter op dit en ook mijn blog van 26 oktober 2010

Uit: The Church Builder (Onder pseudoniem A. L. Shields)

“Annabelle Seaver saw the inside of five different churches on the rainy March day the car ran her down, and people said later that she must have been very pious or in a great deal of pain, and her family insisted that she was both. To be sure, none of her relatives had heard from her in months, but as they admitted to the police, this was not unusual. Although Annabelle had been a quiet, reflective child, she had grown into a decisively flighty adult, loosely tethered to the world of convention, and prone to vanish for weeks or more. And, no, nobody had any idea what she was doing in Washington,
D.C. The family had sort of lost track. The police quickly dug up the business about rehab, and of course, a couple of years back, the ninety days in a suburban Chicago jail for possession. Friends said her family had disowned her at that point, although her sister Polly insisted that Annabelle had disowned herself. But Polly, from the same painful beginnings, had made something of herself, whereas Annabelle manifestly had not.
The car came streaking toward the alley behind U Street Christian Church, after the Wednesday night Bible study group had barred the back door to keep Annabelle from sneaking back in. Not that they knew her name.They had asked, of course, but she hadn’t answered. She had barged into the meeting, noisily and showily, just as Brother Everson was discoursing on what his boyhood pastor down in Tennessee had said was the right understanding of the phrase “armor of God” in Ephesians 6, and although some of the members admitted to police later that they had been suspicious from the moment of her arrival, they were under a general injunction to welcome the stranger. Sister Murray took one look at the wild eyes and scuffed jeans and the way she clutched at her battered knapsack and made sure that this particular stranger knew where the coffee was.
What happened next was unclear. The press accounts, copied from the police reports, simply referred to the stranger as “disruptive.” At some point the disruption became intolerable, and they put her forcibly out. Later on, when the bombings began in earnest, it would turn out to matter a great deal what Annabelle had been shouting as they assisted her into the alley, but the good people of U Street Christian could be pardoned for thinking that they were listening to the ravings of a madwoman."

 
Stephen L. Carter (Washington, 26 oktober 1954)

 

 

De Nederlandse dichter Harry M.P. van de Vijfeijke werd geboren op 26 oktober 1946 in Waalre. Zie ook alle tags voor Harry M.P. van de Vijfeijke op dit blog.

 

Ik ruik mijn doden een voor een

Gedrukte regels op de vensterbank
en achter mij
de klank van stuwende violen.

Mijn lezend luisteren is aan het raam.
Ik zie ook, en ik bezin mij op het vele,
de roodgele vlinder staan.

Ik snoeide hem een dag of wat voorheen,
en of hij leeft.
Mijn zinnen zingen in een grenzeloze herfst.

Horen en zien vergaat mij eens.
Ik ruik mijn doden een voor een.

 

 
Harry M.P. van de Vijfeijke (Waalre, 26 oktober 1946)

 

 

De Zweedse dichteres en schrijfster Karin Maria Boye werd geboren op 26 oktober 1900 in Göteborg. Zie ook alle tags voor Karin Boye op dit en ook mijn blog van 26 oktober 2010.

 

The Nightjar

Half awake the summer night broods
quietly on dreams that no one knows.
The tarns' glistening floods
reflect a twilight sky's
infinity, pale, morose,
Whiter grow the stars on high.
Afar, afar
the nightjar
sings alone her toneless, comfortless melody.

Never boldly, towards the heights she swings,
because of her lowness hovers low.
Downy twilight wings
seem bound to the earth,
by dust and soil weighed down below.
Woe to him whose wings in pair
cannot rise,
only linger,
helplessly drawn to the mud, whose colours they bear.

But the whitest of white among swans,
that travel in morning's bright space
their royal lanes,
never cherished a yearning
such as the nightjar has.
None has a longing so true
for the distant and far
as the nightjar
for the ever beckoning, ever yielding blue.

 

 
Karin Boye (26 oktober 1900 – 24 april 1941)
Standbeeld in Göteborg

 

 

De Ierse dichter Trevor Joyce werd geboren op 26 oktober 1947 in Dublin. Zie ook alle tags voor Trevor Joyce  op dit blog en ook mijn blog van 26 oktober 2010

 

VERSES WITH A REFRAIN FROM A SOLICITOR’S LETTER (Fragment)
for George Hitching

What’s more, my bell is mute.
The inscribed slip that made its tongue
chime in the wind, flew off. It’s not my day.
Far from putting up barbed wire fences,
I’d prefer, right now, to see one of those bright Byzantine
Christs come striding across from the opposite hills

and in this regard time shall be made of the essence

fresh from baptizing Adam, vast and very masterful,
lugging a patriarch along with each arm no doubt
from some new-harrowed hell
and scattering from his feet a fine debris
of locks, bolts, spancels, cuffs, gyves, fetters, stocks,
and other miscellaneous hindrances

and in this regard time shall be made of the essence

And what would our Neighbourhood Watch do then?
Put the polis on his tail, stay home, and watch that hooligan
as he’d come, breaking contracts, flattening fences
and leaving gates and prisons open behind him.
Yes, he’s the man would soon break down
the calculus that stopped my flow

and in this regard time shall be made of the essence

And not like a thief in the night,
but openly I’d have him
eliminate all limitations,
peel walls and roofs away like rind
and with his knife of stars
reveal what soft exotic fruit grew ripe within

and in this regard time shall be made of the essence

 

 
Trevor Joyce (Dublin, 26 oktober 1947)

 

 

De Amerikaanse schrijver Pat Conroy werd geboren op 26 oktober 1945 in Atlanta, Georgia. Zie ook alle tags voor Pat Conroy op dit blog en ook mijn blog van 26 oktober 2010

Uit: My Reading Life

“Though a failed bridge maker, I showed more skill in the task of the tomahawk and I felled Kathleen with a wild toss that deflected off her shoulder blade. My mother handled the whipping that night, so further discipline by my father proved unnecessary. For the rest of my life, I would read books on Native Americans and I once coached an Indian baseball team on the Near North Side of Omaha, Nebraska, after my freshman year at The Citadel. Pretty Kathleen McCadden never spoke to me again, and her father always looked as if he wanted to beat me. I was seven years old.
Yet an intellectual life often forms in the strangest, most infertile of conditions. The deep forests of those isolated bases became the kingdom that I took ownership of as a child. I followed the minnow-laced streams as they made their cutting way toward the Trent River. Each time in the woods, I brought my nature-obsessed mother a series of captured animals, from snapping turtles to copperheads.
Mom would study their scales or fur or plumage as I brought home everything from baby herons to squirrels for her patient inspection. After she looked over the day's catch, she would shower me with praise, then send me back into the woods to return my captives where I'd discovered them. She told me she thought I could become a world-class naturalist, or even the director of the San Diego Zoo.
At the library she began to check out books that gave me a working knowledge of those creatures that my inquisitive, overprotective dog and I had found while wandering the woods. When Chippie jumped between me and an eastern diamondback rattler and took a strike on the muzzle before she broke the snake's back, my mother decided that I'd do my most important work in the game preserves of Africa with the scent of lions inflaming Chippie's extraordinary sense of smell. By the time I had finished fifth grade, I knew the name of almost every mammal in Africa.”

 

 
Pat Conroy (26 oktober 1945 – 4 maart 2016)
Cover 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e oktober ook mijn blog van 26 oktober 2014 deel 2.

De commentaren zijn gesloten.