24-10-17

Onno Kosters, Kester Freriks, Aristide von Bienefeldt, August Graf von Platen, Ernest Claes, Zsuzsa Bánk, Denise Levertov, Norman Rush, Robert Greacen

 

De Nederlandse dichter Onno Kosters werd geboren op 24 oktober 1962 in Baarn. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Onno Kosters op dit blog.

 

Naar Tilburg

In de hete trein die dag
is hij de enige die niet belt.
(Hij heeft hier geen bereik
en er zijn geen nieuwe berichten.)

(Hoofdmenu - echoput. Ringtones.)
(Krijgen die kids toch nog een
stukje klassieke muziek mee.)

Nooit meer stil is het in de coupé.
Hij trekt zijn kop in, schildpad
mag ik oversteken.

Het meisje tegenover hem
lijkt vijftien maar leest
tussen gesprekken en sms'jes door
Inleiding Nederlands Recht
en haar buikje piept, lief
ballonnetje, onder haar truitje uit.
Sereen is het woord niet
voor de blik op haar gezicht.
Allesoverziend in retrospectief.
Haar vreemdheid is hem vertrouwd,
haar huid. (Hij heeft hier geen bereik
en er zijn geen nieuwe berichten.)

Zijn ontvankelijkheid is echter,
kristalhelderder dan pas gewassen glas.
Waarin regenbogen strijken, zebra
mag ik oversteken. Waarop druppels
stáán. Daar onder dat dekschild
dat de buitenwereld tegen hem
in bescherming neemt. Tegen hem
inneemt. Onder dekking van de nacht:
een recce van zichzelf. Under cover.
Gespannen: zijn huid zit hem als gegoten,
als naar binnen gegoten: als lood.
(Hij heeft hier geen bereik
en er zijn geen nieuwe berichten.)

Hij moet er kortom nodig
eens even helemaal uit.

Maar de intercity hobbelt
met twintig kilometer per uur
achter een goederentrein aan.

 

 
Onno Kosters (Baarn, 24 oktober 1962)


 

De Nederlandse schrijver (Cornelis Christophel Maria) Kester Freriks werd geboren in Djakarta, Indonesië, op 24 oktober 1954. Zie ook alle tags voor Kester Freriks op dit blog.

Uit:Echo's van Indië

“‘Elke keer verbaast me de zwarte belichting van de Indonesische vrijheidsstrijd, de zwarte spiegel die de Nederlandse geschiedschrijving ons voorhoudt,’ zegt Soedibyo, een van mijn gastheren in Jakarta. We zijn onderweg naar de plaats waar Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid uitriepen, de Proklamasi.
Dat was een vrijdagochtend om tien uur. Het moment staat Soedibyo nog levendig voor de geest. De korte ceremonie verliep beheerst en kalm, bijna sereen. Soekarno sprak de onafhankelijkheidswoorden nauwkeurig uit, niet opruiend, eerder ingetogen en beheerst. Hij was zich bewust van het belang van zijn woorden voor het Indonesische volk, maar ook was hij beducht voor de gevolgen ervan.
Aan de tijd van de Japanse bezetting was twee dagen eerder, op 15 augustus, na de val van atoombommen op de steden Hiroshima en Nagasaki, een einde gekomen. Lang niet iedereen in de uitgestrekte Indonesische archipel was meteen op de hoogte van de capitulatie van Japan na ruim drie jaar oorlog en ontbering.
De woorden van Soekarno over vrijheid en onafhankelijkheid voor Indonesië konden van het Nederlandse oppergezag rekenen op wraak, in elk geval een vergeldingsmaatregel. Mochten twee mannen het gehele eilandenrijk, nadat de macht van Japan was gebroken, zomaar tot zelfstandig, onafhankelijk gebied verklaren?
Er was zeker gevaar te duchten, juist van Nederlandse zijde. Soekarno en Hatta waren al eerder wegens landverraad, opruiing en haatzaaien jegens de heersende blanke elite tot ballingschap en gevangenschap veroordeeld. Zij heetten staatsgevaarlijk te zijn. Nu de Tweede Wereldoorlog met de capitulatie van Japan in Azië voorbij was en er aan de Japanse bezetting een einde kwam, wenste Nederland het vooroorlogse koloniale regime te herstellen en te bestendigen, liefst net zoals het altijd geweest was.
Toegegeven, er waren in Den Haag pogingen ondernomen om de verhoudingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de overzeese koloniën te hervormen. De regering zocht naar zo gunstig mogelijke voorwaarden die de overgang naar onafhankelijkheid zouden regelen. Na de oorlog was er bijvoorbeeld geen ministerie van Koloniën meer. In haar beroemde rede van 6 december 1942 voor Radio Oranje wenste koningin Wilhelmina tegemoet te komen aan de levende wens van grotere zelfstandigheid in Nederlands-Indië en de andere overzeese rijksdelen.”

 

 
Kester Freriks (Djakarta, 24 oktober 1954)

 

 

De Nederlandse schrijver Aristide von Bienefeldt (pseudoniem van Rijk de Jong) werd geboren op 24 oktober 1964 in Rozenburg bij Rotterdam. Zie ook alle tags voor Aristide von Bienefeldt op dit blog.

Uit:Confessions of a Son and Heir (Vertaald door Liz Waters)

“I am back in Holland. My stay is of a temporary nature: in six weeks at the most I'll have to return to Paris to replenish my stocks of Eropax brand antidepressants, prescribed me by my French physician -for one thing because in his opinion they drive away the fog that clouds my head and for another because my Dutch doctor refuses to supply me with them. Simon, who has travelled here with me, uses the same medecine. I keep telling myself that his situation is more serious than mine, but isn't it a tendancy all sick people suffer from? I can well imagine that a person afflicted with stomach cancer will laugh up his sleeve if he hears that his neighbour had been laid low by lung cancer. That is what is known as a short time advantage: it does not mean anything, maybe the neighbour will turn out to be one of the few who recover and the malignant cells that are rotting his own stomach will get a grip on his lower intestines and, why not, his oesophagus too. As far as the longer turn goes I better hold my tongue: these days there is not one individual left who is not aware that we are all going to slip through the cracks one fine day.
I do not have a permanent abode. I am like a wandering balladeer from a previous century. I alternate between staying in Paris - in a studio belonging to Simon's gadabout sister Emmanuelle or in my Dutch friend Erika's apartment - in south-western France where a fifty-seven-year-old gentleman puts a freestanding worker's house with terrace and pleasant garden at my disposal, with my friends Sylvain and Franck (who live like hermits in a basement flat in South London), or at a farm in the vicinity of Werkmansgat where my forefathers used to occupy themselves with agricultural work, churchgoing, and an inordinate urge to copulate that rendered up a future farmer or a farmer's wife once a year.“

 

 
Aristide von Bienefeldt (24 oktober 1964 - 20 januari 2016)

 

 

De Duitse dichter Karl August Georg Maximilian Graf von Platen-Hallermünde werd geboren op 24 oktober 1796 in Ansbach. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010 en eveneens alle tags voor August Graf von Platen op dit blog.

 

Nach langer Arbeit Glücklichem Vollbringen

Nach langer Arbeit Glücklichem Vollbringen
Mit süßem Nichts die Tage zu verträumen,
Bei jedem flüchtigen Genuß zu säumen,
Am Großen sich ergötzend und Geringen:

Aus edlen Dichtern einen Vers zu singen,
Gestreckt ins Gras, wo laute Quellen schäumen,
An Rosenhecken, unter Lindenbäumen
Das Leben unbesorgt dahin zu bringen.

Im Mai die Stirn mit jungem Laub zu krönen,
Die lauen Nächte, bis es wieder taget,
Durch Weingenuß und Liebe zu verschönen:

Dies ist, und wenn mich auch darob verklaget
Ein Sittenrichter, der es will verpönen,
Das Einzige, was meinem Sinn behaget.

 

 

Wer in der Brust ein wachsendes Verlangen

Wer in der Brust ein wachsendes Verlangen
Nach schönen Augen fühlt und schönen Haaren,
Den mahn ich ab, der nur zu viel erfahren
Von Schmerz und Qual durch eitles Unterfangen.

Dem jähen Abgrund nur mit Not entgangen,
Was blieb mir aus unendlichen Gefahren?
Im Aug die Spur von hingeweinten Jahren,
Und in der Brust ein ungeheures Bangen.
Naht nicht der jähen Tiefe, junge Herzen!
Des Ufers Liljen Glühn von falschem Feuer,
Denn ach, sie locken in das Meer der Schmerzen!

Nur Jenen ist das Leben schön und teuer,
Die frank und ungefesselt mit ihm scherzen,
Und ihnen ruft ein Gott: Die Welt ist euer.

 

Hab ich doch Verlust in Allem...

Hab ich doch Verlust in Allem, was ich je gewann, ertragen;
Aber Glaubet mir, das Leben läßt sich dann und wann ertragen!
Zwar des Leidens ganze Bürde riß mich oft schon halb zu Boden,
Doch ich hab es immer wieder, wenn ich mich besann, ertragen:
Mir geziemt der volle Becher, mir der volle Klang der Lauten,
Denn den vollen Schmerz des Lebens hab ich als ein Mann ertragen!
Doch nun fühl ich, wie beflügelt, bis zum Himmel mich gehoben,
Denn es lehrte mich das Leben, daß man Alles kann ertragen!
Und es öffnet gegen Alle sich das Herz in reiner Liebe,
Und ich will so gern mit Allen dieses Lebens Bann ertragen:
Schließt den Kreis und leert die Flaschen, diese Sommernächte feiernd,
Schlimmre Zeiten werden kommen, die wir auch sodann ertragen.

 

 
August Graf von Platen (24 oktober 1796 - 5 december 1835)
Portret door Moritz Rugendas, ca. 1830

 

 

De Vlaamse auteur Ernest Claes werd geboren op 24 oktober 1885 te Zichem. Zie ook mijn blog van 24 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Ernest Claes op dit blog.

Uit: De moeder en de drie soldaten

“De Moeder waarover ik nu vertel had vijf zonen en vier dochters. Toen de oorlog kwam waren er nog drie ongetrouwd bij haar thuis, het meisje Mone, Bastiaan, en de jongste, Helm, ‘het Jungske’ zooals ze hem noemden. De Moeder was 'n eenvoudig mensch, nog van den ouden tijd. Ze kon lezen noch schrijven. In haar kinderjaren bestond er in de parochie geen school. Haar gebeden had ze geleerd van haar moeder. Bastiaan en Helm waren soldaat geweest. Toen ze opgeroepen werden voor den oorlog deed ze met Mone zoo goed als 't kon het werk voort. Maar 't was hard wroeten met twee melkkoeien, en zij en Mone daar alleen voorstaan. Voor 't zware werk kwam haar oudste zoon, Polidoor, helpen. Van Duitsche soldaten hadden ze geen last in 't dorp. In den laten Bamistijd van '17, toen ze bezig waren de beeten binnen te voeren, kwam Korneel, de veldwachter, op het land bij haar staan. Korneel zei: ‘De burgemeester heeft me gezonden. Daar komen bij u drie Duitsche soldaten op logement, zieken, zegt de burgemeester.’ De Moeder stond naast den kruiwagen, ze keek den veldwachter een poosje zwijgend en hard in de oogen, en zei dan: ‘Dat kan niet.’ - ‘En waarom kan dat niet?’ - ‘Bij een weduwe die met een jong meisje alleen zit, - dat mogen ze niet.... en in een huis dat zoo alleen ligt.’ Hare gedachten waren onmiddellijk naar Mone gegaan. Ook de veldwachter dacht aan Mone. - ‘Ge moet dat dan maar aan den burgemeester gaan zeggen,’ zei hij, en ging weg. De Moeder ging dien avond naar den burgemeester. Ze vernam dat de Duitsche officier, die tweemaal in de maand op het gemeentehuis kwam, haar huis had aangeduid, en nog twee andere boerderijen die aan den anderen kant van 't dorp lagen. Daar was niets aan te doen. De burgemeester klopte haar op den schouder. En ze moest het ook niet onmiddellijk zoo erg opnemen. Die soldaten sliepen maar ieverans in de schuur of op de schelft, er waren daar ook brave menschen onder. En 't was oorlog. De Moeder keek ook den burgemeester hard in de oogen. - ‘Het past niet,’ antwoordde ze kort, en ging. Ze had een zwaar hart. 's Avonds na 't eten zei ze tegen Mone: ‘Daar komen hier drie Duitschers.’ - ‘Ik weet het,’ knikte Mone. Dan viel er een stilte tusschen hen twee. Ze hoorden de klok tikken en den hond bassen tegen iemand die over den steenweg voorbijging.”

 

 
Ernest Claes (24 oktober 1885 - 2 september 1968)
Borstbeeld in museum Huize Ernest Claes in Zichem

 

 

De Duitse schrijfster Zsuzsa Bánk werd geboren op 24 oktober 1965 in Frankfurt am Main. Zie ook alle tags voor Zsuzsa Bánk op dit blogen ook mijn blog van 24 oktober 2010.

Uit:Schlafen werden wir später

“27. März 2009–17:43
Liebste Johanna,
heute Morgen hat Simon beim ersten frühen, viel zu frühen Kaffee gesagt, wäre er zehn Jahre jünger und hätte drei Kinder weniger, hätte er mich schon verlassen. Eine Drossel hatte sich ans nachtbeschlagene Fenster gesetzt und mit ihrem Schnabel angeklopft, als wolle sie uns warnen und bremsen, uns belauschen, um es an diesem Frühlingsmorgen schnell in ihre Vogelwelt zu tragen, von Ast zu Ast, von Zweig zu Zweig, Drosseln und Finken zu verkünden, die nach dieser Nachricht schnappen würden wie nach einem Wurm, hört, hört, Neues aus der Körberstraße zwölf, hört, hört.
Simon sagte es in einem Ton, als sei es ohne Bedeutung, als sei es etwas wie: Das Wetter schwenkt um, ich nehme lieber den Zug und nicht den Wagen, und vielleicht habe ich deshalb nichts erwidert, Johanna, vielleicht habe ich deshalb Tassen und Teller aus der Spülmaschine in den Schrank geräumt, wie jeden Morgen, weiter Messer zu Messern, Löffel zu Löffeln gelegt und getan, als hätte ich nichts gehört und müsste deshalb auch nichts erwidern. Obwohl Simons Satz den ganzen still verregneten, langen, viel zu langen Tag in mir hämmert, mich aufscheucht und rastlos, ruhelos wie eine Gefangene in ihrer Zelle umherschickt, die Finger knetend, auf und ab, die Ringe drehend, besonders den einen, besonders diesen einen Ring. Wirrgrelle Lichtgirlanden wie die farbigen Pfeile einer Feuerwerksrakete schießen seine Worte durch meinen müden Kopf, seit sie am Morgen gefallen sind, in dieser schmalen Zeitschleuse, als die Kinder noch schliefen und es still in unserer Küche war, still genug, um eine Drossel mit nassen Federn zu hören, die ihren spitzen Schnabel an unser Fenster schlug.
Soeben ist Lori gegangen und hat ihren Loriduft zurückgelassen, etwas L’air du printemps, Blumen im Korb, Märzregen in der Jacke, der die plötzlich heißen Tage wegwäscht, die Lorimischung aus abgestreiftem Winter und scheuem, verzagtem Frühling. Sie war mit einer Kiste gekommen, voller Goldflieder und Tulpenmagnolien aus ihrem Garten, deren Blüten an den ersten warmen Tagen heftig schwärmerisch und, wie ich gerade finde, unnütz bunt aus den Zweigen geschossen sind. Ich saß neben dem schlafenden, in seine hellblaue Babydecke gewickelten winzigen Henri auf der Küchenbank, zupfte simonvergessen an Spreißeln und schaute Lori zu, als sie mit ihrer Zitterhand die Stiele mit dem einzigen scharfen Küchenmesser schnitt und die Zweige nach und nach in die Vase steckte.“

 

 
Zsuzsa Bánk (Frankfurt am Main, 24 oktober 1965)

 

 

De Engels - Amerikaanse dichteres Denise Levertov werd geboren op 24 oktober 1923 in Ilford, Essex. Zie ook alle tags voor Denise Levertov op dit blog en ook mijn blog van 24 oktober 2010.

 

Hypocrite Women

Hypocrite women, how seldom we speak
of our own doubts, while dubiously
we mother man in his doubt!

And if at Mill Valley perched in the trees
the sweet rain drifting through western air
a white sweating bull of a poet told us

our cunts are ugly—why didn't we
admit we have thought so too? (And
what shame? They are not for the eye!)

No, they are dark and wrinkled and hairy,
caves of the Moon ... And when a
dark humming fills us, a

coldness towards life,
we are too much women to
own to such unwomanliness.

Whorishly with the psychopomp
we play and plead—and say
nothing of this later. And our dreams,

with what frivolity we have pared them
like toenails, clipped them like ends of
split hair.

 

 

The Well

At sixteen I believed the moonlight
could change me if it would.
I moved my head
on the pillow, even moved my bed
as the moon slowly
crossed the open lattice.

I wanted beauty, a dangerous
gleam of steel, my body thinner,
my pale face paler.
I moonbathed
diligently, as others sunbathe.
But the moon's unsmiling stare
kept me awake. Mornings,
I was flushed and cross.

It was on dark nights of deep sleep
that I dreamed the most, sunk in the well,
and woke rested, and if not beautiful,
filled with some other power.

 

 
Denise Levertov (24 oktober 1923 – 20 december 1997)
Cover

 

 

De Amerikaanse schrijver Norman Rush werd geboren op 24 oktober 1933 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Norman Rush op dit blog en ook mijn blog van 24 oktober 2010

Uit:Mating

„I stopped in my tracks. There was elation and desperation. Where was my companion? I had no companion, et cetera. I had no life companion, but why was that? What had I done that had made that the case, leaving me in danger? Each time I thought the word “companion” I felt pain collecting in my chest. I suddenly realized how precipitous the place I had chosen to sit and commune from was. The pain was like hot liquid, and I remember feeling hopeless because I knew it was something not amenable to vomiting. I wanted to expel it. Vomiting is my least favorite inevitable recurrent experience, but I would have been willing to drop to all fours and vomit for hours if that would access this burning material. It was no use saying mate or compadre instead of companion: the pain was the same. Also, that I genuinely deserved a companion was something included. I wish I knew how long this went on. It was under ten minutes, I think.
Who can I tell this to, was the thought that seemed to end it. I may have been into the diminuendo already, because I had gotten back from the ledge, back even from the path and into the undergrowth. It all lifted. I sat in the brush, clutching myself. I had an optical feeling that the falls were receding. Then it was really over.
I hauled myself back to the hotel feeling like a hysteric, except for the sense that I had gotten something germane, whatever it was, out of my brush with chaos.“

 

 
Norman Rush (San Francisco, 24 oktober 1933)

 

 

De Ierse dichter en essayist Robert Greacen werd geboren op 24 oktober 1920 in Derry (Londonderry). Zie ook alle tags voor Robert Greacen op dit blog en ook mijn blog van 24 oktober 2010

 

Knowledge Is Power

Intelligence and espionage, Fox knows the score.
But where he acquired his expertise
Must be labelled strictly confidential.
He talks of MI5 and CIA, of Interpol and KGB,
Truth drugs, interrogation, planted information,
Cryptonyms, code names, double and triple agents.

He talks of `Kingfish' Angleton's 'lunatic projects',
Computer analysis of trade journals, newspapers,
Systematic filing of gossipy taped conversations,
Scrutiny of the contents of wastepaper baskets,
In-depth study of photos and simple artefacts,
The 'gaming theory' based on Method acting,
Designed to show how politicos react
To everyday and crisis situations.

`Knowledge is power,' says Fox.
A splendid cliché old MacDougall taught me
Nearly forty years ago.'

An alpha plus to that good dominie.

 

 

Last Post

Now the fact seems diamond hard,
This time the Captain's really dead.
Two German doctors signed the death certificate,
Press, radio, T.V. have not disputed it.
The Times has sent Fox off in style; 1/4,
A favourable obit and two appreciations.
The world's press echoed them.
Yet still an air of mystery surrounds
The Captain's death in Freiburg.

A memorial service has been arranged:
At Margaret's, Westminster, in London's heart.
It's said the PM will be there 3/4
Also a dashing Royal Duke
Will hear the Last Post sounded.

Now Fox's friends must patiently collect
Each piece of the mosaic of a life
That still has baffling gaps.
Already the Yale-men are hard at work
Forging a scholar's key to Fox's door.
One day a monolith of Yankee print
Will tell us all 3/4 or not a bloody thing.

 

 
Robert Greacen (24 oktober 1920 – 13 april 2008)
Londonderry

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e oktober ook mijn blog van 24 oktober 2015 deel 2.

De commentaren zijn gesloten.