14-10-17

E. E. Cummings, Maarten van der Graaff, Daniël Rovers, Péter Nádas, Katha Pollitt, Katherine Mansfield, Margarete Susman, Stefan Ż,eromski, Philip Winkler

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Edward Estlin Cummings werd geboren in Cambridge, Massachusetts op 14 oktober 1894. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor E. E. Cummings op dit blog.

 

maggie and milly and molly and may

maggie and milly and molly and may
went down to the beach(to play one day)

and maggie discovered a shell that sang
so sweetly she couldn’t remember her troubles,and

milly befriended a stranded star
whose rays five languid fingers were;

and molly was chased by a horrible thing
which raced sideways while blowing bubbles:and

may came home with a smooth round stone
as small as a world and as large as alone.

For whatever we lose(like a you or a me)
it’s always ourselves we find in the sea

 

 

Spring is like a perhaps hand

Spring is like a perhaps hand
(which comes carefully
out of Nowhere)arranging
a window,into which people look(while
people stare
arranging and changing placing
carefully there a strange
thing and a known thing here)and

changing everything carefully

spring is like a perhaps
Hand in a window
(carefully to
and fro moving New and
Old things,while
people stare carefully
moving a perhaps
fraction of flower here placing
an inch of air there)and

without breaking anything.

 

 

9

there are so many tictoc
clocks everywhere telling people
what toctic time it is for
tictic instance five toc minutes toc
past six tic

Spring is not regulated and does
not get out of order nor do
its hands a little jerking move
over numbers slowly

we do not
wind it up it has no weights
springs wheels inside of
its slender self no indeed dear
nothing of the kind.

(So,when kiss Spring comes
we’ll kiss each kiss other on kiss the kiss
lips because tic clocks toc don’t make
a toctic difference
to kisskiss you and to
kiss me)

 

 
E. E. Cummings (14 oktober 1894 - 3 september 1962)
Cover


 

De Nederlandse dichter en schrijver Maarten van der Graaff werd geboren op 14 oktober 1987 in Dirksland. Zie ook alle tags voor Maarten van der Graaf op dit blog.

 

Lijst met rituelen
Voor CAConrad

Overgiet een grijze Kadett met cognac.
Ga in de grijze Kadett naar Umbrië.
Stap in Umbrië uit de Kadett.
Begraaf een gedicht van Pasolini
onder een kurkeik of een jeneverbes.

Er blijft iets ongezegd.
Vernietiging heeft ons gekozen,
vernietiging heeft zich geopend.

Overgiet de grijze Kadett met siroop.
Reis in de grijze Kadett naar een loofbos.
Voer daar de leer- of werkstraf uit
van een vreemde.
Begraaf een gedicht van Dickinson.

Vernietiging heeft ons gemaakt.
Kom klaar in een pretpark.

Teken een cirkel op de serre
van een politicus.
Ga naar het stadskantoor
en leg je onder een klok op de grond,
met je voeten naar Kaapstad.
Lees de gedrichten van Snoek.
Verbrand drie dagen later
een zijden voorwerp.

Vernietiging gaat in ons op.

Omklem Pascal en het Kussenboek,
wandel een kerk in.
Denk aan het boerenleven.
Schrijf iets over de geur van religie,
het middenklassegeloof van je ouders.

Vernietiging is onze mondigheid.

Wacht tot je psycholoog op vakantie is.
Zet een tent op in haar tuin.
Ga in een vaalgeel gewaad in de tent zitten.
Neem een vel papier en noteer de titel
Civiele liederen.
Schrijf drie dagen lang civiele liederen.
Gebruik deze regels:

Er is geen eenheid in de riten van mijn massacultuur.

De geschiedenis laat mij blind achter.

Kom zonder gewaad de tent uit.
Ruik de ochtendlucht.
Ontmenselijk jezelf: trek vulgair
en fluitend de stad in.

 

 
Maarten van der Graaff (Dirksland, 14 oktober 1987)

 

 

De Nederlandse schrijver Daniël Rovers werd geboren in Zelhem op 14 oktober 1975. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voot Daniël Rovers op dit blog.

Uit: De zon is het probleem niet

“Het eerste wat je opvalt bij aankomst in Afrika is het licht, schrijft Ryszard Kapuscinski in Ebbenhout, al voegt hij daar meteen aan toe dat het continent zo groot en gevarieerd is dat je er niet in die ene simpele bewoording (‘Afrika’) over kunt spreken. Mij valt vooral de onwerkelijke hitte op, alsof iemand vergeten is de deur van een heel grote sauna dicht te doen. In haar reisboek Mali blues vertelt
Lieve Joris de anekdote van een koloniale legerofficier die ergens aan het eind van de negentiende eeuw, op zijn post in het verschroeiend hete noorden van Mali, een brede ton halfvol water met genoeg ruimte voor een bureau en een stoel in zijn werkruimte laat plaatsen. Alleen zo denkt de man de kantooruren te kunnen overleven. Het zou een oplossing zijn, want die hitte, hoe kun je daar nu in godsnaam over schrijven? Mijn schrijfhand plakt al aan het papier terwijl ik probeer te noteren hoe ontzettend warm ik het heb. Kapuscinski wijdt er in zijn boek schijnbaar zonder al te veel zweetdruppels een volledige pagina aan, maar hoe hij het hoofd koel genoeg hield om dat alles te kunnen noteren, daarover schrijft hij niet.
Het is al donker als ik aankom in Dakar, de hoofdstad van Senegal. Op het vliegveld, dat niet groter zal zijn dan de luchthaven van pak ’m beet Charleroi, vraagt een douanier naar het adres waar ik tijdens mijn vakantie zal verblijven. Het is de eerste en enige vraag die hij stelt, en toch moet ik hem het antwoord schuldig blijven. Ik heb voor vertrek alleen maar de naam van de wijk waar Rolf woont opgeschreven. Dat neem ik mezelf kwalijk: waarom ben ik niet voorbereid op deze vraag? En ook, inwendig vloekend: waarom heeft Rolf me er niet op voorbereid? De douanier wuift zich met mijn paspoort koelte toe.”

 

 
Daniël Rovers (Zelhem, 14 oktober 1975)

 

 

De Hongaarse schrijver Péter Nádas werd geboren op 14 oktober 1942 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Péter Nádas op dit blog.

Uit: Parallel Stories (Vertaald door Imre Goldstein) 

“As he began his story for the third time, the young man noticed nervously that every clue had been numbered and the sight made him very anxious. He felt as if he had been not the one who discovered the corpse or reported it but, rather, the culprit instantly confronted with physical evidence of his crime.
He was like a blade, though he could not tell of what, perhaps of a razor or an icy thought, but of that he said nothing.
In fact, his first thought was that he had murdered his own father. He could not understand why he had such a thought, why he would wish the death of this man, but of that too he said nothing to the police officers.
Hardly anything remained of which he could speak aloud.
But they paid little attention to him; both uniformed and plainclothesmen were going about their business, and from time to time they mumbled to one another phrases the young man could not understand.
They would not delay him further. Twice he had given them his personal data, they had registered his willingness to give evidence later in court, and still he could not leave.
Some of the policemen were being relieved by others around him.
When he runs, he repeated excitedly in his report, he does not look at anything or in any specific direction, and he does not think. From a psychological viewpoint, that is the essence of running at an even pace. But when twenty minutes later he again ran past the body on the bench, it occurred to him that the snow could remain intact like that only on a cooled-off corpse.
He had read something like that somewhere. And that's when he stopped to take a closer look.
In Berlin's Tiergarten, or game preserve, many things have happened already, or, more correctly, hardly anything can happen here that hasn't occurred before. The police officers listened to the report impassively. One of them simply moved on with his plastic bags to continue his work. In a little while, another one stopped to listen, and the rest of them promptly left him there alone. However, the young man could not calm down. He told his story to this new man as if every detail had another hundred details and every sentence needed a further explanation, as if with every explanation he were revealing earthshaking secrets while keeping silent about his own.”

 

 
Péter Nádas (Boedapest,14 oktober 1942)

 

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste, critica en feministe Katha Pollitt werd geboren op 14 oktober 1949 in New York. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Katha Pollit op dit blog.

 

Old

No one left to call me Penelope,
mourned the old countess, on being informed of the death
of her last childhood friend. Did she sit long

in the drafty hall, thinking, That's it then,
nobody left but hangers-on and flunkeys,
why go on? Death can't help but look friendly
when all your friends live there, while more and more

each day's like a smoky party
where the music hurts and strangers insist that they know you
till you blink and smile and fade into the wall
and stare at your drink and take a book off the shelf

and close your eyes for a minute and suddenly
everyone you came in with has gone
and people are doing strange things in the corners.
No wonder you look at your watch

and say to no one in particular
If you don't mind, I think I'll go home now.

 

 

November Fifth, Riverside Drive

The sky a shock, the ginkgoes yellow fever,
I wear the day out walking. November, and still
light stuns the big bay windows on West End
Avenue, the park brims over with light like a bowl
and on the river
a sailboat quivers like a white leaf in the wind.

How like an eighteenth-century painting, this
year 's decorous decline: the sun
still warms the aging marble porticos
and scrolled pavilions past which an old man,
black-coated apparition of Voltaire,
flaps on his constitutional. 'Clear air,
clear mind' -as if he could outpace
darkness scything home like a flock of crows.

 

 
Katha Pollitt (New York,14 oktober 1949)

 

 

De Nieuw-Zeelandse schrijfster Katherine Mansfield werd geboren op 14 oktober 1888 in Wellington. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Katherine Mansfield op dit blog.

Uit: The Journey To Bruges

“They all went to sleep except the young Frenchman, who took a little pocket edition out of his coat and nursed it on his knee while he gazed at the warm, dusty country. At Shorncliffe the train stopped. Dead silence. There was nothing to be seen but a large white cemetery. Fantastic it looked in the late afternoon sun, its full-length marble angels appearing to preside over a cheerless picnic of the Shorncliffe departed on the brown field. One white butterfly flew over the railway lines. As we crept out of the station I saw a poster advertising the Athenaeum. The Enthusiast grunted and yawned, shook himself into existence by rattling the money in his trouser pockets. He jabbed the Mole in the ribs. “I say, we’re nearly there! Can you get down those beastly golf-clubs of mine from the rack?” My heart yearned over the Mole’s immediate future, but he was cheerful and offered to find me a porter at Dover, and strapped my parasol in with my rugs. We saw the sea. “It’s going to be beastly rough,” said the Enthusiast, “Gives you a head, doesn’t it? Look here, I know a tip for sea-sickness, and it’s this: You lie on your back — flat — you know, cover your face, and eat nothing but biscuits.”
“Dover!” shouted a guard.
In the act of crossing the gangway we renounced England. The most blatant British female produced her mite of French: we “S’il vous plaît’d” one another on the deck, “Merci’d” one another on the stairs, and “Pardon’d” to our heart’s content in the saloon. The stewardess stood at the foot of the stairs, a stout, forbidding female, pockmarked, her hands hidden under a businesslike-looking apron. She replied to our salutations with studied indifference, mentally ticking off her prey. I descended to the cabin to remove my hat. One old lady was already established there.
She lay on a rose and white couch, a black shawl tucked round her, fanning herself with a black feather fan. Her grey hair was half covered with a lace cap and her face gleamed from the black drapings and rose pillows with charming old-world dignity. There was about her a faint rustling and the scents of camphor and lavender. As I watched her, thinking of Rembrandt and, for some reason, Anatole France, the stewardess bustled up, placed a canvas stool at her elbow, spread a newspaper upon it, and banged down a receptacle rather like a baking tin. I went up on deck. The sea was bright green, with rolling waves.”

 

 
Katherine Mansfield (14 oktober 1888 – 9 januari 1923)
Cover

 

 

De Duitse dichteres, schrijfster en filosofe Margarete Susman werd geboren op 14 oktober 1872 in Hamburg. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Margarete Susman op dit blog.

 

Die gelben Blätter ...

Die gelben Blätter wirbeln von den Bäumen,
Der Sturm schlägt mir den Regen ins Gesicht,
In schwarzen Wolken stirbt das letzte Licht.
Ich geh voran – jetzt ist nicht Zeit, zu träumen.

Ich geh voran. Des Sommers Blumen starben,
Viel süße Träume starben matt und schwer.
Nach keiner Hand greift heut die meine mehr.
Ich geh allein. Ich hab gelernt, zu darben.

Die Hände, die nach meinen greifen wollen,
Mit sanftem Druck geb ich sie wieder frei.
Nicht glaub ich mehr, daß jede würdig sei.
Doch ward ich still. Ich hab verlernt, zu grollen.

Nun bahn ich durch des Herbstessturmes Tosen
Mir einen Weg, den nichts mehr hemmen soll,
Zu einem Land von neuen Träumen voll,
Zu einem neuen Sommer schwer von Rosen.

 

 

So in die still verschneite Nacht ...

So in die still verschneite Nacht
Blick' ich hinaus;
Die alte Sehnsucht ist erwacht
Und singt und flüstert, weint und lacht
Und lacht mich aus.

Sie zieht um mich den Zauberkreis
Von Wunsch und Wahn;
Sie spricht wie du so scheu und leis;
Sie starrt mich an so traurig heiß,
Wie du getan.

 

 
Margarete Susman (14 oktober 1872 - 16 januari 1966)

 

 

De Poolse schrijver Stefan Żeromski werd geboren op 14 oktober 1864 in Strawczyn in de buurt van Kielce. Zie ook mijn blog van 14 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Stefan Żeromski op dit blog.

Uit: The Coming Spring (Vertaald door Bill Johnston)

“Czaruś had just turned fourteen and graduated from the fourth class to the fifth when Seweryn Baryka was called up to serve as an officer in the reserve. War had broken out. Rapidly, in the space of a few days, the family idyll was shattered. Cezary found himself alone with his mother in a fatherless apartment . Accompanying his father to the troop ship leaving for Astrakhan, he had felt no sorrow whatsoever. It was a novelty! He was occupied by a thousand trifling details—dates, names, and figures, in connection with his father’s donning the uniform of an officer. He packed his father’s magnificent yellow leather suitcase with its metal fittings, stamped monogram, and abundance of mysterious compartments within. He neither shared nor understood his mother’s desperate tears and sobbing, which lasted from morning till night. It was only when his father was on board in the company of other officers, and he was left alone on shore with his mother, and the gangway was pulled away with a clatter —only then was Czaruś overcome by a terror he had never in his life known before. Under the influence of this feeling he stretched out his arms and started shouting like a true child. But the reassuring gestures C The Coming Spring 14 that his father’s white hands formed in the air calmed him as instantly as that youthful blind pain had struck. It would only be for a short time! Just for maneuvers! The war would be over soon. Just a few weeks. Maybe a month. Two at the most. The Russian steamroller would flatten the enemies’ fields, crushing obstacles as if they were carrots or corn, and all would return to normal. That was what everyone was saying, and such an opinion Cezary too had inherited from his departing father. Returning home from the port with his mother, who was truly as silent as the grave, Cezary was already in a cheerful mood. He was happy about various things, above all the prospect of freedom. His father never ever punished him nor even scolded him; he would tell him off half-jokingly, gently making fun of him. Yet he possessed an unbreakable iron power over his son. Despite his father’s mild-mannered smile, despite his polite suggestions and respectful advice, and his good-natured requests made during blandishments and games—no resistance was possible.”

 


Stefan Żeromski (14 oktober 1864 - 20 november 1925)
Cover Poolse uitgave

 

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Duitse schrijver Philip Winkler werd in 1986 geboren in Neustadt am Rübenberge. Zie ook alle tags voor Philip Winkler op dit blog.

Uit: Hool

“Also?«, fragt Axel, ohne sich umzudrehen. Er beobachtet mich immer noch im Seitenspiegel. Trotz der Sonnenreflexion kann ich seinen stechenden Blick erkennen. Wie er mich prüft. Ich gebe die Wegbeschreibung weiter und betone noch mal, dass ich den Typen an die Abmachung erinnert habe.
»Hab ich gehört«, sagt er und dreht sich zu Hinkel, der wie immer am Steuer sitzt. Axel wiederholt die Wegbeschreibung. So als ob Hinkel mich nicht gehört hätte oder er den Weg nur fahren könnte, wenn die Anweisung von ihm kommt. Ich bemerke, wie Kai mich von der Seite ansieht, den Mundwinkel verzieht. Nett gemeint. Wenn ich ihn jetzt angucke, wird er bestimmt noch mit den Augen
rollen. Mir damit sagen, Scheiße noch mal, was fürn Kontrollfreak. So in der Art. Aber ich reagiere nicht, sondern achte drauf, ob Hinkel den richtigen Weg nimmt. Er grunzt, was wohl heißen soll, dass er verstanden hat. Mit seiner bulettenartigen Hand umgreift Hinkel das Lenkrad auf zwölf Uhr. Schweißperlen haben sich in seinen langen Handrückenhaaren verfangen und funkeln in der Sonne.
Sehen aus wie quer rübergekämmt. Die andere Hand lässt er aus dem Fenster baumeln.
Tomek, der links von Kai sitzt, scrollt mit unbeteiligtem Gesichtsausdruck über sein Handy. Das ist so ein Ostblockding. Diese immer gleiche slawische Fresse. Gut oder scheiße gelaunt. Kann man nicht erkennen. Mit dem Ausdruck würde er wohl selbst einen Lottogewinn entgegennehmen. Die Kippe in seiner linken Hand ignoriert er. Der Fahrtwind brennt sie wie in Zeitraffer runter. Wär auch kein Wunder, wenn er kacke drauf ist. Schließlich hat er vor dem Losfahren das Shotgun-Spiel um den besseren Platz gegen Kai verloren. Kennt das wahrscheinlich nicht mal.
Jetzt muss er da sitzen, wo Jojo letztes Mal mit seiner zerstörten Nase alles vollgeblutet hat. Jojos Gummel hat da richtig gelitten. Und das Sitzpolster erst. Außerdem ist das von vornherein der Platz, auf dem man an heißen Tagen auf keinen Fall sitzen will. Hinter Hinkel. Selbst bei offenem Fenster.“

 

 
Philip Winkler (Neustadt am Rübenberge, 1986)

De commentaren zijn gesloten.