14-09-17

Dolce far niente, Eugen Roth, Hans Faverey, Theodor Storm, Leo Ferrier, Corly Verlooghen, Bernard MacLaverty, Ivan Klíma

 

Dolce far niente

 

 
Binnenplaats van het ziekenhuis in Arles door Vincent van Gogh, 1889

 

 

Das ist der Krankenhäuser Sinn

Das ist der Krankenhäuser Sinn,
Dass man - wenn's geht - gesund wird drin.
Doch wenn man's ist: dann schnell heraus!
Ansteckend ist das Krankenhaus.

 

 
Eugen Roth (24 januari 1895 – 28 april 1976)
Städtisches Krankenhaus in München, de geboorteplaats van Eugen Roth


 

De Nederlandse dichter Hans Faverey werd op 14 september 1933 geboren in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Hans Faverey op dit blog.

 

Alsof zij daar ligt, nu

Alsof zij daar ligt, nu
hier is gaan liggen, en aanbiedt
wat zij onthult: een duin, blakend

op haar zij, een waarsprekende
waaier, de rilling die mij opricht;

en geur, ooit zo doorhuifd als alleen
verbeelding het wil, opdat zij uitmaakt
hoe het is. Niet hier immers, door mijn
ogen niet, is zij opgewekt om toen
daar te gaan liggen, zich te doen
zoals het wordt.

 

 

[In de flank getroffen]

In de flank getroffen;
in het eigenste vreemdgaande.
Die zich inscheepten: een golf

het gezicht ontsluit - de twijfel.

Het gepeuter aan windharpen.

De dode plek op de helling.
Wat ik niet kan vangen
draag ik bij me; schipbreuk
lijdt iedereen after all.

 

 

[Mir nix: dir nix]

Mir nix: dir nix.

Ergens niets aan hebben.
Van iemand niks moeten hebben.
Heb jij terug van de zee?
Heeft zij van zee terug?

Haast zijn de ogen die je mooi vindt
al van rookkwarts, gaat het kwarts
dat jou aardig vindt in rook op.

Ergens niets aan gehad hebben.

Nooit ergens heen hoeven.
Niets kunnen vergeten.
Niks maken van niets.

Dir nix: mir nix.

 

 
Hans Faverey (14 september 1933 – 8 juli 1990)
 

 

De Duitse dichter en schrijver Theodor Storm werd geboren in Husum op 14 september 1817. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Theodor Storm op dit blog.

Uit: Der Schimmelreiter

"Mich wollte nachträglich ein Grauen überlaufen. "Verzeiht!" sprach ich, "was ist das mit dem Schimmelreiter?"
Abseits hinter dem Ofen, ein wenig gebückt, saß ein kleiner hagerer Mann in einem abgeschabten schwarzen Röcklein; die eine Schulter schien ein (Reclam, S. 8) wenig ausgewachsen. Er hatte mit keinem Worte an der Unterhaltung der andern teilgenommen, aber seine bei dem spärlichen grauen Haupthaar noch immer mit dunklen Wimpern besäumten Augen zeigten deutlich, daß er nicht zum Schlaf hier sitze.
Gegen diesen streckte der Deichgraf seine Hand. "Unser Schulmeister", sagte er mit erhobener Stimme, „wird von uns hier Ihnen das am besten erzählen können; freilich nur in seiner Weise und nicht so richtig, wie zu Haus meine alte Wirtschafterin Antje Vollmers es beschaffen würde."
"Ihr scherzet, Deichgraf!" kam die etwas kränkliche Stimme des Schulmeisters hinter dem Ofen hervor, „daß Ihr mir Euern dummen Drachen wollt zur Seite stellen!"
"Ja, ja, Schulmeister!" erwiderte der andere, "aber bei den Drachen sollen derlei Geschichten am besten in Verwahrung sein!"
"Freilich!" sagte der kleine Herr; "wir sind hierin nicht ganz derselben Meinung"; und ein überlegenes Lächeln glitt über das feine Gesicht.
"Sie sehen wohl", raunte der Deichgraf mir ins Ohr; "er ist immer noch ein wenig hochmütig; er hat in seiner Jugend einmal Theologie studiert und ist nur einer verfehlten Brautschaft wegen hier in seiner Heimat als Schulmeister behangen geblieben."

 
Theodor Storm (14 september 1817 - 4 juli 1888)
Cover luisterboek

 

 

De Surinaamse schrijver Leo Henri Ferrier werd geboren in Paramaribo op 14 september 1940. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Leo Ferrier op dit blog.

Uit:Hoogtij overzee ( Notities van een vriend)

“Deze hard werkende mannen veranderen zichtbaar een zwaarkleizwamprivierbos dat het in het begin is, in een prachtig groen geëgaliseerd landschap met wit beschelpte straten en tussenpaden. Precies een jaar. Eerst een periode van zware regens, dan felle droogte met veel stof.
Afvoerkanaaltjes met helder water. Een wat breder en langer kanaal aan de noordzijde, geeft door een lichtgroene omzoming aan het hele landschap waarin de grote sierbomen gelukkig gespaard zijn gebleven, een heel apart karakter. Na de eerste ruk flink doorwerken, neem ik 's middags tegen vijven even een pauze voor een wandeling met Rasso op het project. Ik wandel altijd naar dezelfde plek. Waarom ik ook de eerste keer naar die plek gewandeld ben, weet ik niet. Ik neem een klein plankje mee om niet op de vochtige grond te zitten. Rasso rent vast vooruit.
Voor me de brede rivier. Bij eb, bruin troebelig aanrollende moddergolfjes. Na een uurtje kaatsen late, oranje zonnestralen er sombere nuances violet in. Van de groenig bruisende vloedgolven omrand met ragfijn schuim, geniet ik beter. Een stralend blauwe hemel. Koele wind. Een vlucht witte snippen scheert plotseling rakelings over het water. In formatie, een mathematisch haarscherp gelijkzijdige driehoek. Basis en top schijnen elkaar snel van plaats te verwisselen. Voor je ze kunt tellen, zijn ze alweer in het niet verdwenen, waar ze net uit vielen. Op de andere oever. Het eerste dat duidelijk te zien is, het huis uit Ātman, zwevend in een koepel van donkergroen bos. Buitenboordveerbootjes zie ik af en aan varen. Dezelfde namen. Daar op die plek, maakt mijn geweten me bewust van het conflict dat in feite mijn depressie, wanhoop en onzekerheid veroorzaakt. Een zekere onvrede tussen mezelf en mijn nieuwe werk.
Twee maanden zijn er nu weer om. Geen school. Toch heb ik niets en dan ook niets met het schrijven kunnen presteren. Al die ideeën van me. Ik wil toch wel. Meen ik nu de kern gevonden te hebben waar het in zit dat ik er niet goed toe kom? Iedere keer komt er weer te veel tussen. Zo kun je niet werkelijk geconcentreerd werken. Alles duurt zo kort. Die invallen, schetsen. Voor Brsk. Dan weer voor Blawoj of de Mandiënri. Eén dag. Meestal ben ik daarna niet meer in staat iets zo af te maken, dat ik het gaaf getikt voor me heb. Later blijkt het allemaal te vaag om er in de zin van uitwerken iets mee te doen. Toch blijf ik er steeds mee bezig. Weer zo'n prachtige middag.”

 

 
Leo Ferrier (14 september 1940 - 30 juli 2006)
Paramaribo

 

 

De Surinaamse dichter, schrijver, journalist en muziekpedagoog Corly Verlooghen werd geboren op 14 september 1932 in Paramaribo. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en eveneens alle tags voor Corly Verlooghen op dit blog.

 

dit wankel huis

Hindostanen en Creolen
hebben het gezegd
de laatsten het bevolen
er is een avontuur te vondeling gelegd.

en wij staan onbehulpzaam toe te zien
hoe het bederf invreet
in de huid van 't jonge kind

God had ik maar de macht
een lied te zingen waarnaar men
luistert in dit wankel huis
dat zo gebarsten is en dreigt
omver te vallen in een onverhoedse nacht.

 

 

kruis en as

Niets verhevener is er dan
de morbide toon van je stem
onder de regennatte bladeren
bij het kruis:

een kind hing eens verborgen
aan de navelstreng
een vrouw kreet toen verlaten
in uiterste benauwenis

ik die de eerste kus mocht
drukken in je begeerlijke poriën
kroop in het zoete ritme
van je bedding rond

maar onder regennatte bladeren
bij de zerk in het gras
staan wij nu met de pijn
van kruis en as.

 

 
Corly Verlooghen (Paramaribo, 14 september 1932)

 

 

De Noord-Ierse schrijver Bernard MacLaverty werd geboren in Belfast op 14 september 1942. Zie ook alle tags voor Bernard MacLaverty op dit blog.

Uit: Midwinter Break

“In the bathroom Stella was getting ready for bed. Gerry had left the shaving mirror at the magnifying face and she was examining her eyebrows. She licked the tip of her index finger and smoothed both of them. Then turned to her eyelids. She was sick of it all – the circles of cotton wool, the boiled and sterilised water in the saucer, the ointments, the waste bin full of cotton buds.
She said goodnight to Gerry and, on her way to the bed- room, passed their luggage in the hall. She switched on the late night news on the small radio beside her bed and got into her pyjamas. Quickly, because the bedroom air was cold. She saw no point in paying good money to heat a room all day for a minute's comfort last thing at night.
Before getting into bed she turned off the electric blanket.
Now and again she'd fallen asleep with it still on. By the time Gerry came to bed she felt and looked awful. 'Like fried bacon,' was the way he described her.
She loved this hour to herself – this separation at the end of every day. Her hot-water bottle, the electric blanket, the radio voices. Gerry, out of action, in another room listening to music on his headphones. Having a nightcap, no doubt. Or two or three. The storm doors locked, the windows bolted.
The place safe. Sometimes after the news she read for a while n the silence. The sound of a page turning. The absence of talk. But of late she'd been too tired to read, even to hold a book. Hardbacks were out of the question. There was a tip- ping point when she knew she was going to 'get over'. Her head would go down on the pillow, her hand creep out from under the covers to get rid of the book or to switch off the radio. The duties and the menus and the lists melted away. Responsibilities were such that nothing could be done at this hour. They were hidden behind a curtain but would return with a swish first thing in the morning. And before she knew, she was sound asleep.”

 
Bernard MacLaverty (Belfast, 14 september 1942)

 

 

De Tsjechische schrijver Ivan Klíma werd op 14 september 1931 geboren in Praag. Zie ook mijn blog van 14 september 2010 en ook alle tags voor Ivan Klima op dit blog.

Uit: Love and Garbage (Vertaald door Ewald Osers)

“The woman in the office told me to go to the locker room: I was to wait there. So I set out across the court to a door which bore the notice LOCKERS. The office was grey and dismal, and so was the courtyard, with a pile of broken bricks and rubble in one corner, several two-wheeled handcarts, a lot of dustbins, and not a touch of greenery anywhere. The locker room seemed to me even more depressing. I sat down on a seat by the window which looked out on that dismal yard, clutching a small leather case which contained three small sweet buns, a book, and a notebook in which I was in the habit of jotting down anything that occurred to me in connection with what I was writing. Currently I was finishing an essay on Kafka. There were two other men sitting in the locker room already. One, tall and greying, reminded me of the specialist who many years before had removed my tonsils; the other, a short, stocky man of uncertain age in very dishevelled and dirty trousers scarcely reaching halfway down his calves and with enormous sewn-on pockets rather like misshapen pistol holsters, wore on his head a sea-captain's cap with a peak and a gleaming golden anchor above it. From beneath the peak a pair of eyes the colour of shallow coastal waters were watching me curiously. Those eyes, or rather their glance, seemed somehow familiar. He obviously realised that I was new here and advised me to put my identity card on the table. I did as he said, and as he placed his next to mine I noticed that he did not have a right hand; a black hook protruded from his sleeve. By now my new workmates were beginning to arrive — the sweepers. A squat young idiot with a nervous facial tic sat down next to me, took out a pair of dirty shaft-boots from a locker, and turned them upside down. From one of them there ran out a quantity of liquid which might just have, but most probably did not, come from a tap. He immediately began to scream at us all in a language of which I was unable to make out a single word. I am not sure myself what made me decide to try this unattractive occupation. Most probably I thought that I would gain from it an unexpected view of the world. Every so often you feel that unless you look at the world and at people from a new angle your mind will get blunted. As I was waiting for what would happen next there suddenly came to my mind the scene, fifteen years ago, when I was about to return home from my stay in America and the dean there gave a dinner in my honour. The dean was a mathematician, and wealthy. He owned a stableful of horses and a house in the style of a hunting lodge. I had only met him once before and I didn't really want to go to the dinner: a crowd of strangers tends to depress me. But then, how could I have known anyone properly when I had been teaching at the university for a mere six months?”

 

 
Ivan Klíma (Praag, 14 september 1931)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e september ook mijn blog van 14 september 2015.

De commentaren zijn gesloten.