11-09-17

David van Reybrouck, Murat Isik, D.H. Lawrence, Eddy van Vliet, Andre Dubus III, Tomas Venclova, Merrill Moore, Barbara Bongartz, Adam Asnyk

 

De Vlaamse dichter, schrijver en wetenschapper David Van Reybrouck werd geboren in Brugge op 11 september 1971. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor David van Reybrouck op dit blog.

 

Zink
in memoriam Lisbé Smuts-Smith

1
Veeg de sneeuw van de daken
vouw de vogels weer dicht
laat de winter nog slapen
doe iets aan het licht

Sluit de tuin en strooi kiezels
in het bord van het kind
pluk messen en wespen
plet van perziken de pit.

(Gordijnen wil men en aceton
en al wat de lente vertraagt.
Slavernij desnoods of spoorwegen
of ergens iets desolaats.)


2
Nu klotst het water zaagt men hout
blaffen honden brutaal

Nu zit ik hier in deze vlei
te roeien naar een taal

Papyrus zingt de ibis vliegt
de stilte hoort men niet

De boot valt stil wij stappen uit
en rillen met het riet

Onder het water zal mijn adem
trager woorden blazen

Dit machteloze schrijven
is een vroege vorm van zwijgen -

 

 
David van Reybrouck (Brugge, 11 september 1971)


 

De Nederlands-Turkse schrijver, columnist en journalist Murat Isik werd geboren in Izmir op 11 september 1977. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Murat Isik op dit blog.

Uit: Wees onzichtbaar

“In de winter van 1983 reden we onze nieuwe toekomst tegemoet toen we de grens passeerden bij Nieuweschans, het meest oostelijke punt van Nederland. Voor in de auto riep Kadir ‘Hollanda!’ toen we na vele uren eindelijk de Duitse Autobahn achter ons lieten. Op de achterbank klapten mijn zus en ik in onze handjes. Mijn moeder zat aan het raam en keek onbewogen voor zich uit terwijl de snelwegverlichting haar magere gezicht bescheen.
Een paar maanden daarvoor was mijn vader vanuit Hamburg, waar we drie moeizame jaren hadden doorgebracht, halsoverkop naar Amsterdam vertrokken omdat zijn politiek asiel in Duitsland was afgewezen. Al op zijn tweede dag had hij woonruimte gevonden in een flat in de Bijlmermeer, iets wat hem in Duitsland in al die jaren niet was gelukt waardoor we steeds afhankelijk waren geweest van de welwillendheid van familie en vrienden en van adres naar adres trokken, tot er geen adres meer over was en mijn vader uit wanhoop een tochtig appartement kraakte. Dezelfde dag nog trotseerde hij de Duitse politie. ‘Waar moet ik verdomme heen met mijn gezin?’ had hij vertwijfeld geroepen. ‘Moeten we soms op straat slapen?’ De agenten hadden bedremmeld geknikt en liepen toen weg.
Van Hollanda kon ik me als vijfjarige geen voorstelling maken. Ik dacht alleen maar aan het weerzien met mijn vader die ik al zo lang niet had gezien dat ik me zijn stem nauwelijks kon herinneren. Maar eerst wilde ik op de Autobahn achter het stuur zitten van de grote Mercedes Benz, want dat hadden ze me beloofd.
Mijn moeder had vergeefs geprotesteerd. ‘Hij is nog maar vijf, dat is veel te gevaarlijk.’
Maar Kadir had gegrijnsd en daarna een diepe trek van zijn Camel genomen. ‘Dan is hij al ouder dan ik dacht.’ Hij had zijn sigaret dreigend in de lucht gehouden. ‘In het dorp bestuurde ik op mijn vijfde al een tractor. Wind je dus niet zo op, zuster, anders maak je nog een mietje van Metin.’
Kadir was de man die mij mijn eerste trek van een sigaret had gegeven. Het was op de wc van een buurtcentrum in Hamburg waar Turkse communisten regelmatig vergaderden over de rechten van de onderdrukte arbeiders en de bedroevende staat van Turkije na de staatsgreep van 1980. Ik nam gretig een trek van de peuk zoals ik mijn vader dat zo vaak had zien doen, maar een paar tellen later vlogen mijn longen in brand en begon ik onbedaarlijk te hoesten. Ik kreeg geen lucht meer en zakte door mijn knieën, maar het enige wat Kadir deed, was zijn makker Erol lachend op zijn schouder slaan. Sindsdien was ik een beetje bang van Kadir”.

 
Murat Isik (Izmir, 11 september 1977)

 

 

De Engelse dichter en schrijver D.H. Lawrence werd geboren op 11 september 1885 in Eastwood (Nottinghamshire). Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor D. H. Lawrence op dit blog.

Uit: The White Peacock

“I stood watching the shadowy fish slide through the gloom of the mill-pond. They were grey, descendants of the silvery things that had darted away from the monks, in the young days when the valley was lusty. The whole place was gathered in the musing of old age. The thick-piled trees on the far shore were too dark and sober to dally with the sun; the weeds stood crowded and motionless. Not even a little wind flickered the willows of the islets. The water lay softly, intensely still. Only the thin stream falling through the mill-race murmured to itself of the tumult of life which had once quickened the valley.
I was almost startled into the water from my perch on the alder roots by a voice saying:
“Well, what is there to look at?” My friend was a young farmer, stoutly built, brown eyed, with a naturally fair skin burned dark and freckled in patches. He laughed, seeing me start, and looked down at me with lazy curiosity.
“I was thinking the place seemed old, brooding over its past.”
He looked at me with a lazy indulgent smile, and lay down on his back on the bank, saying:
“It’s all right for a doss—here.”
“Your life is nothing else but a doss. I shall laugh when somebody jerks you awake,” I replied.
He smiled comfortably and put his hands over his eyes because of the light.
“Why shall you laugh?” he drawled.
“Because you’ll be amusing,” said I.
We were silent for a long time, when he rolled over and began to poke with his finger in the bank.
“I thought,” he said in his leisurely fashion, “there was some cause for all this buzzing.”
I looked, and saw that he had poked out an old, papery nest of those pretty field bees which seem to have dipped their tails into bright amber dust.”

 

 
D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930)
Cover

 

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eddy van Vliet werd geboren op 11 september 1942 in Antwerpen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Eddy van Vliet op dit blog

 

Van de terugkomst der golven

Van de terugkomst der golven
heb ik je nauwelijks
en hoezeer weet je dat ook ik de hopeloze vrager ben
kunnen overtuigen

ook de jaargetijden
ook de ziekten
ook de bewegingen
ook de tranen
ook de bijen
ook de reigers en de regen
ook de beloften en de bladeren
met de golven hebben zij de terugkomst gemeen

enkel na de dood
en bij dit woord
leg ik mijn liefste hand op al je lippen
alsof de verzegeling van je blozend lichaam
het kiemend zaad stuiten kon

‘neen, na de geboorte is de dood niet meer mogelijk’

en zoals nooit tevoren
d.w.z. zoals elke avond
slaap je in
met zoveel dromen als er vragen blijven.

 

 

Zoals de morgen in de nacht dringt

Zoals de morgen in de nacht dringt
d.w.z. behoedzaam en onafwendbaar
glijden de schaduwen van de minnaar
eerst zijdelings langs haar lenden
met iets van het woord ‘nauwelijks’ in elk gebaar
om plotseling onvoorwaardelijk zwaar
vanuit haar geheimste plooien
als een valk te vallen
in het laatste licht
dat zij langzaam dooft onder haar lichtste wimpers.

 

 
Eddy van Vliet (11 september 1942 – 5 oktober 2002)
In 1974 

 

 

De Amerikaanse schrijver Andre Dubus III werd geboren op 11 september 1959 in Oceanside, California. Zie ook alle tags voor Andre Dubus III op dit blog.

Uit: House of Sand and Fog

“The fat one, the radish Torez, he calls me camel because I am Persian and because I can bear this August sun longer than the Chinese and the Panamanians and even the little Vietnamese Tran. He works very quickly without rest, but when Torez stops the orange highway truck in front of the crew, Tran hurries for his paper cup of water with the rest of them. This heat is no good for work. All morning we have walked this highway between Sausalito and the Golden Gate Park. We carry our small trash harpoons and we drag our burlap bags and we are dressed in vests the same color as the highway truck. Some of the Panamanians remove their shirts and leave them hanging from their back pockets like oil rags, but Torez says something to them in their mother language and he makes them wear the vests over their bare backs. We are upon a small hill. Between the trees I can see out over Sausalito to the bay where there are clouds so thick I cannot see the other side where I live with my family in Berkeley, my wife and son. But here there is no fog, only sun on your head and back, and the smell of everything under the nose: the dry grass and dirt; the cigarette smoke of the Chinese; the hot metal and exhaust of the passing automobiles. I am sweating under my shirt and vest. I have fifty-six years and no hair. I must buy a hat.
When I reach the truck, the crew has finished their water and the two Chinese light new cigarettes as they go back to the grass. The Panamanians have dropped their cups upon the ground around their feet and Tran is shaking his head, and saying something in his language as he stoops to pick them up with his hands. Mendez laughs. He is almost as big as the radish and there is a long burn scar the color of sand upon one of his fat arms. He sees me looking at it as I drink my ice water and he stops his laughing, no longer does he even smile, and he to me says: "What you looking at, viejo?"
I drink from my cup and let him look at my eyes. His brothers have started to go back to work but now they stop to watch.
"Old maricon," says Mendez. He takes up his trash spear from the orange tailgate, but my eyes look at the burn again long enough for him to see. His face becomes more ugly than it already is and he yells something at me in his language and his teeth are very bad, like an old dog's. I don't give him rest from my eyes and so now he steps to me, yelling more, and I smell him, last night's wine and today's sweating of it, and now Torez is yelling louder than Mendez. Again it is in their mother tongue and it is over quickly because Mendez knows this crew can manage very fine without him, and he needs money for his sharob, his wine. He is goh, the shit of life. They are all goh”.

 

 
Andre Dubus III (Oceanside, 11 september 1959)

 

 

De Litouwse dichter, schrijver en vertaler Tomas Venclova werd geboren op 11 september 1937 in Klaipeda, Litouwen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Tomas Venclova op dit blog.

 

Sestina

U is nearly six, and the ice-covered road
Bends toward the north.
Chains
Clatter on tires. The muffled metal echo,
Like the surface of a lake, glitters up front.
The weightless and wounded March snow
Still tries to cover the annihilated forest.

Like a drawbridge which divides the sluggish forest,
My glance lifts and stops. It is led astray by the road
Against which several times have battered the snow
And the monotonous chains

Of birch trees. In the pure mist the well rises in front
Of the empty houses. And everything else is an echo

And clots of air. The aimless echo,
Which does not exist, resounds through the forest.
The graphite mirror stands blackly in front
Of the great darkness. We have been given the road
And the heaven-sent chains,
The invisible but all-powerful snow.

The old-aged spring is watched by the snow,
And our hearing is unraveled by the many-faced echo.

Like a pond which has broken loose from its chains,
A blind thought seeps into the forest.
Here, gasoline will not help, the white road,
Or the beam of light clearing up front.

The formless cosmos emerges in front.
The biting star, the mindless snow
That cloaks the field, the armed road.
A shadow, a reflection, a painting, an echo
Fill the crumbling Arden forest,
And their payment is the solitary chains.

Will we be tempered by your chains?
Things and elements stand in front
Of me. I will leave that severe forest
Where the trees are covered and guarded by snow,
And the word is replaced by an empty echo,
And everything ends. Perhaps the road

Is a net of chains. My protected road
To your forest. The earth is frozen with snow.
We have become enemies. You are only an echo.

 

 
Tomas Venclova (Klaipeda, 11 september 1937)

 

 

De Amerikaanse dichter en psychiater Merrill Moore werd geboren op 11 september 1903 in Columbia, Tennessee. Zie ook alle tags voor Merrill Moore op dit blog.

 

Fable

Does everyone have to die? Yes, everyone.
Isn’t there some way I can arrange
Not to die — cannot I take some strange
Prescription that my physician might know of?

No. I think not, not for money or love;
Everyone has to die, yes, everyone.

Cannot my banker and his bank provide,
Like a trust fund, for me to live on inside
My warm bright house and not be put into
A casket in the clay, can they not do
That for me and charge a fixed per cent
Like interest or taxes or the rent?

No, Madame, I fear not, and if they could
There might be more harm in it than good.

 

 

The Noise That Time Makes

The noise that Time makes in passing by
Is very slight but even you can hear it
Having not necessarily to be near it,
Needing only the slightest will to try!

Hold the receiver of a telephone
To your ear when no one is talking on the line
And what may at first sout,d to you like the whine.
Of wind over distant wires is Time's own
Garments brushing against a windy cloud.

That same noise again but not so well
Can be heard by taking a large cockle shell
From the sand and holding it against your head;

Then you can hear Time's footsteps as they pass
Over the earth brushing the eternal grass.

 

 
Merrill Moore (11 september 1903 – 20 september 1957)

 

 

De Duitse schrijfster Barbara Bongartz werd geboren op 11 september 1957 in Keulen. Zie ook mijn blog van 11 september 2010 en eveneens alle tags voor Barbara Bongartz op dit blog.

Uit: Die Schönen und die Reichen

Ich habe Glück gehabt, dass meine Kindheit unmissverständlich war. Ich kann sie nicht vergessen. So wenig wie ich meine Mutter, eine blasse Erscheinung mit strähnigem Haar, zuwenig Gewicht und zu kurzgeschnittenen Fingernägeln vergessen kann.
Sie starb vor ein paar Jahren an Knochenkrebs.
Dass meine Mutter mich mit in diese Häuser nahm, war ein heikles Arrangement. Sie war unsicher, durchlöchert von Angst.
Ständig besorgt, dass wir lästig sein könnten, dass ihre Arbeit den Preis ihrer Anwesenheit nicht aufwiegen, dass ich etwas anfassen und kaputt machen könnte, verhielt sie sich, als seien wir verseucht. Mehr noch als die Bewohner, die nur in Ausnahmefällen in Erscheinung traten, schüchterten die Dinge in diesen Häusern sie ein. Die Gerätschaften, Utensilien, Dekorationsstücke waren Zeugen und Markierungen anderer Welten, die sie verunsicherten. Sie blieben ihr nicht nur fremd: Sie schienen beseelt von ihren Eignern zu sein, übermächtig in ihre Erscheinung, lauernd in ihrer Stellvertreterschaft. Nie verlor meine Mutter den Dingen gegenüber ihre ohnmächtige Furcht, obwohl sie sie täglich säubern musste.
Ich, das kleine Mädchen, sah indes mit Staunen, dass es Leute gab, die andere für die Beseitigung des täglichen Drecks bezahlten. Ich fragte mich, woher das kam. Ich bin ein altkluges Kind gewesen. Während meine Mutter die Erniedrigung zu ignorieren schien, empfand ich die Würdelosigkeit für uns beide. Natürlich gab es Dreck und Dreck. Der Dreck auf der Terrasse wa rschlichter Schmutz, bröcklige Erde, feuchter Sand, nicht aufgeladen von privaten Handlungen wie die ungenießbaren Reste von Speisen oder der heikle Unrat, den intime Verrichtungen hinterlassen.
War Mutter stumpf oder tapfer? Oder war es Demut, mit der sie das Nötige tat, ohne ein Wort darüber zu verlieren? Ich weiß nicht, ob sie je in Erwägung zog, etwas anderes zu tun, als anderen auf der niedrigsten Stufe zu dienen. Zu einer Zeit, in der ich alt genug gewesen wäre, es herauszufinden, lief ich davon. Ich wollte nicht das Kind dieser Mutter sein, kein Kind einer Frau für den Dreck, egal welches ihr Motiv gewesen war oder ob sie überhaupt eines hatte."

           

 
Barbara Bongartz (Keulen, 11 september 1957)

 

 

De Poolse dichter en toneelschrijver Adam Asnyk werd geboren op 11 september 1838 in Kalisz. Zie ook alle tags voor Adam Asnyk op dit blog en ook mijn blog van 11 september 2010.

 

Sonett

Ich mußte schweigen, als ich schied von dir,
Die Lippe schien der Sprache zu entbehren,
Es blieb das Wort zurück im Busen mir,
Das Herz entfloh und will nicht wiederkehren.

Dir bleibt geöffnet deines Hauses Thür,
Du wirst im Lenz dort Nachtigallen hören -
Getrennt, im tiefen Unglück leb' ich hier,
Mein Haus ist fern, ich kann nicht wiederkehren.

Kein Echo klang mir nach, als ich geschieden;
Doch besser, daß mein Angedenken nimmer
Gefährde deiner hellen Träume Frieden!

Der Morgen wird dir neues Glück gewähren -
Ich nehme Abschied von dem letzten Schimmer,
Um aus dem Dunkel nie zurückzukehren!

 

Vertaald door Heinrich Nitschmann

 

 

Rosentage sind verronnen

Rosentage sind verronnen,
Liebster, geh! Bist frei!
Der Goldfaden riss entzwei,
Den die Lieb’ gesponnen.

Und ich ließ ihn, sprang von hinnen,
Suchte neues Gold.
Doch das Glück war mir nicht hold,
Nichts fand ich zum Spinnen.

Wieder blüht der Rosen Schimmer,
Nur dahin mein Glück.
Liebster! Ruf ich, komm zurück!
Doch der glaubt mir nimmer.

 

 
Adam Asnyk (11 september 1838 – 2 augustus 1897)
Portret door Aleksy Strażyński, 1886

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e september ook mijn blog van 11 september 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

De commentaren zijn gesloten.