28-07-17

Remco Campert, Malcolm Lowry, Herman Stevens, Gerard Manley Hopkins, Stephan Sanders, Angélica Gorodischer, Shahyar Ghanbari, John Ashbery, Drew Karpyshyn

 

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

 

Den Haag

Overal bevuilde daken
groen koper van kerken
brakke lucht uitgebeten huizen
afgegraasd grasland verwaarloosde zee.
O en de trieste trage gele trams
en het kippevel van de verwaaide straten.
Heel Den Haag was één Panorama Mesdag
elke dag een verregende koninginnedag.

Mijn grootvader ongeschoren
dwaalde als Strindberg door het huis
gevangen in zijn eigen kamerjas.

En zo speelziek en verlegen als ik was
met mijn kleine rubberdolk
beheerste dolleman
pleegde ik sluipmoord op een schemerlamp
of op zolder het oude lila kussen.

 

 

Bandrecorder, eenvoudig

Je hoeft niet te praten
ook geknisper van kranten komt duidelijk over
of als je slikt keelschraapt
een schoen uitschopt

het suizen van het gas
de tik van het licht uit
de telefoon buiten de auto's
mijn korte adem

maar als je toch iets zegt
zeg dan liever iets aardigs
iets dat i nog eens af kan draaien
als je weg bent.

 

 

Zo lag ik wel

(Zo lag ik wel
en lig ik nog: liefde
vernieuwt en en verdiept zich.

Steeds meer huiden wierp ik af-
nu eindelijk in mijn eigen
laatste vel,

ben ik kwetsbaarder dan ooit)

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)


 

De Engelse dichter, verhalen- en romanschrijver Malcolm Lowry werd geboren 28 juli 1909 in Birkenhead Merseyside. Zie ook alle tags voor Malcolm Lowry op dit blog.

Uit: Under the Volcano

“The sun poured molten glass on the fields. The volcanoes seemed terrifying in the wild sunset. M. Laruelle walked swiftly, in the good heavy tennis shoes he should have already packed, swinging his tennis racket. A sense of fear had possessed him again, a sense of being, after all these years, and on his last day here, still a stranger. Four years, almost five, and he still felt like a wanderer on another planet. Not that that made it any the less hard to be leaving, even though he would soon, God willing, see Paris again. Ah well! He had few emotions about the war, save that it was bad. One side or the other would win. And in either case life would be hard. Though if the Allies lost it would be harder. And in either case one's own battle would go on. How continually, how startlingly, the landscape changed! Now the fields were full of stones: there was a row of dead trees. An abandoned plough, silhouetted against the sky, raised its arms to heaven in mute supplication; another planet, he reflected again, a strange planet where, if you looked a little farther, beyond the Tres Marias, you would find every sort of landscape at once, the Cotswolds, Windermere, New Hampshire, the meadows of the Eure-et-Loire, even the grey dunes of Cheshire, even the Sahara, a planet upon which, in the twinkling of an eye, you could change climates, and, if you cared to think so, in the crossing of a highway, three civilizations; but beautiful, there was no denying its beauty, fatal or cleansing as it happened to be, the beauty of the Earthly Paradise itself. Yet in the Earthly Paradise, what had he done? He had made few friends. He had acquired a Mexican mistress with whom he quarrelled, and numerous beautiful Mayan idols he would be unable to take out of the country, and he had —M. Laruelle wondered if it was going to rain: it sometimes, though rarely, did at this time of year, as last year for instance, it rained when it should not. And those were storm clouds in the south. He imagined he could smell the rain, and it ran in his head he would enjoy nothing better than to get wet, soaked through to the skin, to walk on and on through this wild country in his clinging white flannels getting wetter and wetter and wetter. He watched the douds: dark swift horses surging up the sky. A black storm breaking out of its season! That was what love was like, he thought; love which came too late. Only no sane calm succeeded it, as when the evening fragrance or slow sunlight and warmth returned to the surprised land! M. Laruelle hastened his steps still farther. And let such love strike you dumb, blind, mad, dead — your fate would not be altered by your simile. Tonnerre de dieu ... It slaked no thirst to say what love was like which came too late.”

 

 
Malcolm Lowry (28 juli 1909 - 26 juni 1957)
Een ode aan Lowwry op Twitter

 

 

De Nederlandse schrijver, literair criticus en columnist Herman Stevens werd geboren in Rotterdam op 28 juli 1955. Zie ook alle tags voor Herman Stevens op dit blog.

Uit:Het paradijs herwonnen. Over ‘De dokter en het lichte meisje’ van S. Vestdijk

“De Sittardse politie heeft zich bij haar optreden laten leiden door de r.k. voorlichtingsdienst voor lectuur, de Idil.’ Deze afkorting, die klinkt als een gemoedelijke handelsnaam voor een hoofdpijnpoeder op opiumbasis, staat voor Inlichtingendienst inzake Lectuur, een bureau dat een periodiekje uitgaf waarin boeken werden geklasseerd met een cijfercode. De dokter en het lichte meisje, een roman waarin niet alleen een prostituée wordt bemind, maar waar ook een kruip door-sluip door katholiek in optreedt, werd met 1-2 gewaardeerd. Hetgeen inhield dat het boek ‘sterk voorbehouden voor geestelijk volwassenen’ moest blijven.
Vestdijk had het niet erg begrepen op de katholieke kerk. In bijna iedere roman wordt wel de draak gestoken met de klein-roomse vorm van schijnheiligheid, die de schrijver mede zal hebben geïntrigeerd omdat hij zelf zijn leven lang een hogere vorm van hypocrisie beoefende. In De dokter wordt daartoe een quasi Chinese levensleer ontwikkeld die in feite neerkomt op een carte blanche op het gebied van schuiven en draaien. Die leer heeft de held dan wel zelf opgezet, maar in veel romans worden de personages gefrustreerd door de geïnstitutionaliseerde bemoeizucht van de moederkerk ‘inzake’ het huwelijksleven. Zo blijft het in Else Böhler bij heilloze omhelzingen en bankjes in parken. Want Else heeft geleerd: echt trouwen doet men in de kerk en vervolgens krijgt men echte roomse kindertjes. Enzovoort.
Ik herinner me een interview van Bibeb met de schrijver. Het komt zo uit dat Bibeb een boterham blijft eten, wat haar in de gelegenheid stelt te noteren dat het zoontje Vestdijk driewerf de strijdkreet ‘Vuile paap, ik pis je onder!’ aanheft. Speelt dit tafereel zich af in Vestdijks nadagen, toen hij het betreurde als schrijver van vieze boeken te worden geafficheerd en toen zijn gezond kleinburgerlijke trekjes überhaupt wat meer naar voren traden, rond 1950 schuwt hij de controverse niet en de onverwachte publiciteit die hem vanwege Sittard ten deel viel zal niet werkelijk onwelkom zijn geweest. Binnen drie maanden was het boek aan een derde druk toe (ter vergelijking: zover was het alom hoog gewaardeerde De koperen tuin pas na zes jaar).”

 

 
Herman Stevens (Rotterdam, 28 juli 1955)

 

 

De Engelse dichter en Jezuïet Gerard Manley Hopkins werd geboren op 28 juli 1844 in Stratford, Essex. Zie ook alle tags voor Gerard Manley Hopkins op dit blog.

 

On The Portrait Of Two Beautiful Young People
A Brother and Sister

O I admire and sorrow! The heart’s eye grieves
Discovering you, dark tramplers, tyrant years.
A juice rides rich through bluebells, in vine leaves,
And beauty’s dearest veriest vein is tears.

Happy the father, mother of these! Too fast:
Not that, but thus far, all with frailty, blest
In one fair fall; but, for time’s aftercast,
Creatures all heft, hope, hazard, interest.

And are they thus? The fine, the fingering beams
Their young delightful hour do feature down
That fleeted else like day-dissolvèd dreams
Or ringlet-race on burling Barrow brown.

She leans on him with such contentment fond
As well the sister sits, would well the wife;
His looks, the soul’s own letters, see beyond,
Gaze on, and fall directly forth on life.

But ah, bright forelock, cluster that you are
Of favoured make and mind and health and youth,
Where lies your landmark, seamark, or soul’s star?
There’s none but truth can stead you. Christ is truth.

There ’s none but good can bé good, both for you
And what sways with you, maybe this sweet maid;
None good but God—a warning wavèd to
One once that was found wanting when Good weighed.

Man lives that list, that leaning in the will
No wisdom can forecast by gauge or guess,
The selfless self of self, most strange, most still,
Fast furled and all foredrawn to No or Yes.

Your feast of; that most in you earnest eye
May but call on your banes to more carouse.
Worst will the best. What worm was here, we cry,
To have havoc-pocked so, see, the hung-heavenward boughs?

Enough: corruption was the world’s first woe.
What need I strain my heart beyond my ken?
O but I bear my burning witness though
Against the wild and wanton work of men.

 

 
Gerard Manley Hopkins (28 juli 1844 – 8 juni 1889) 
Het Gerard Manley Hopkins monument in Monasterevin, Kildare

 

 

De Nederlandse schrijver, columnist, presentator en essayist Stephan Sanders werd geboren in Haarlem op 28 juli 1961. Zie ook alle tags voor Stephan Sanders op dit blog.

Uit: Iets meer dan een seizoen

“Wat hadden we dan gedacht? Ik zeg het even alsof ik Anil ben.
Nou, dit: dat we ouder zouden worden en oud en dat we elkaar nog steeds zouden kennen. Het laatste deel van de zin vonden we feitelijk al onzin, want natuurlijk zouden we elkaar kennen, we kenden elkaar, het wonder was al geschied. De mogelijkheid dat we elkaar niet meer zouden kennen, in de verre toekomst, of vreemder nog: elkaar niet meer zouden willen kennen, was onvoorstelbaar. We waren juist broers geworden om ons bij voorbaat in te dekken tegen dat soort kinderachtige stemmingswisselingen. Inderdaad, broers geworden op volwassen leeftijd, zo had Anil besloten. Ik mee eens? Ik mee eens. Naast de gewone gegeven familie – de familie die hij gewoon vond – had Anil bedacht dat er ook één gekozen familielid zou bestaan – en dat was ik. Kwam dat even mooi uit, want ik was deskundig op het gebied van de niet-bio- logische verhoudingen, en getrouwd was ik niet, en dat zou er ook niet van komen. Anil mocht kiezen omdat hij daar in zijn vroegere leven zo weinig gebruik van had gemaakt; die kring van familie had al om hem heen gestaan toen hij geboren werd. Je kan dan zo moeilijk weigeren. Nu was het eens zíjn beurt. Zijn vrouw had hij gekozen, het mooie, maar ook wat afstandelijke buurmeisje dat hij eerst jarenlang vanuit zijn eigen huis had bespied als zij haar erf op liep; het erf dat naast zijn moederlijk huis lag. Buurmeisje werd echtgenote. Ideale vrouw gevonden op tien stappen van ouderlijk huis. Anil was in het kiezen niet zo’n dare devil. En mij dus, later, toch zo’n 7750 kilometer verwijderd van die twee belendende erven. Ik zou dan ook z’n lefmascotte worden, en als hij íets nodig had was het dat, vond ik. Lef. Mij.
Bij de eerste kennismaking, ergens midden jaren tachtig van de vorige eeuw, ontmoette ik een jongeman – want man was ie, en jong bleef hij veel langer dan zijn leeftijdsgenoten – die stuiterde van opwinding en enthousiasme. Dat was dus die Ramdas, die mij tot tweemaal toe zijn eigen boek had gestuurd: De strijd van de dansers. Biografische vertellingen uit Curaçao, over de verhoudingen tussen mannen en vrouwen, uitgegeven door de Socialistische Uitgeverij Amsterdam. Er was niets wat me naar dat werk deed grijpen. Er zat een uiterst dwingend briefje bij, waarin ik gesommeerd werd zo snel mogelijk contact met hem op te nemen. Zou het niet een geweldig idee zijn, als ik, redacteur van De Groene Amsterdammer, zijn boek ging recenseren."

 

 
Stephan Sanders (Haarlem, 28 juli 1961)
Cover

 

 

De Argentijnse schrijfster Angélica Gorodischer werd geboren in Buenos Aires op 28 juli 1928. Zie ook alle tags voor Angélica Gorodischer op dit blog.

Uit: Kalpa Imperial (Vertaald door Ursula K. Le Guin)

“Ekkemantes I will probably smile, since he too loves plays, and fall to talking enthusiastically about the poetic tragedy by Orab'Maagg recently presented in the capital, until one of his counselors reminds him with a discreet cough that he can't spend an hour chattering with every one of his subjects because it would leave him no time to rule the Empire. And probably the good emperor, who seems born to smiles and good nature, though he wielded weapons like the black-winged angel of war when it was a matter of eradicating from the Empire the greed and cruelty of a damnable race, will reply to the coun-selor that chattering for an hour with each of his subjects is one way of ruling the Empire, and not the worst way, but that the lord counselor is right, and in order not to lose any more valu-able time, he'll dictate a decree to the lord counselor and sign it himself, ordering that a theater be constructed in the town of Sariaband. And very likely the counselor will stare and say: "My lord! Building a theater, even a theater for a very small town, is an expensive business!" "Oh, that's all right," the emperor may say, "let's not obsess about money. A theater's never expensive, because what goes on inside it teaches people to think and understand themselves. There's some jewel in the palace, some fortune down in the basement, to cover the cost. And if nothing turns up, we'll ask all the actors in the Empire to send the profits from one day, one evening, one show, to help build a theater in Sariaband, where some of them will act some day or where some day they'll see their son act, or their daughter, or a student who they've been trying to teach the hundred and eleven methods of expressing sorrow on the stage. And when the actors agree, we'll build a theater of the pink marble from the quarries of the province of Sariabb, and we'll ask the sculptors of the Imperial Academy to carve statues of Comedy and Tragedy to flank the doorways." And the play-lover will go off happy, whistling, his hands in his pockets, his heart light, and maybe before he reaches the doors of the great throne room he'll hear the emperor shout-ing after him, promising to come in person to the opening of the theater, and the lord counselor clicking his tongue in disap-proval of such a transgression of protocol. Well, well, I've let words run away with me, something a storyteller should take care to avoid; but I've known fear, and sometimes I need to reassure myself that there's nothing to fear any more, and the only way I have to do that is by the sound of my own words. Now, back to what I was getting at when I began, we all now have the right to use as if it were our own house, which it is—in that palace, in the south wing, in a salon that looks out on a very pretty hexagonal garden, there's a shapeless heap of dusty, dirty old stones.“

 

 
Angélica Gorodischer (Buenos Aires, 28 juli 1928)

 

 

De Iraanse dichter, songwriter en zanger Shahyar Ghanbari werd geboren op 28 juli 1950 in Tehera. Zie ook alle tags voor Shahyar Ghanbari op dit blog.

 

I've traveled around the world

I've traveled around the world.
I've been to the tired Taj Mahal.
I've been to the quite nights of the Shiva
with poetry as my dinner.

Nowhere could be as dear as my homeland,
no room could ever shelter me.

Venice was spectacular with all pirate ships.
A night in Rome with all bishops was a night of lonely springs.

The Madame Tussaud's was empty;
It was a place for chaffy faces.
The double checker red buses dancing in the fog
resembled a carpet being woven on a loom.

The morning in Champs-Elysee's was moonlit;
the Palace of Versailles was fully blue, like Dali's Sleep.
Paris was a sleepless city.

In front of me was the lady with a torch in her hand;
a little further, a black with no job was standing.
The City With No Angles was cold;
with loads of misery on blacks and Indians.

My pain was a nightmare to the painless.
I was next to me yet I felt lonely.
The night when the kites were lonely,
was the beginning and the end.



Vertaald door Mehdi Mehtari

 

 
Shahyar Ghanbari (Teheran, 28 juli 1950)

 

 

De Amerikaanse dichter en schrijver John Ashbery werd geboren op 28 juli 1927 in Rochester. Zie ook alle tags voor John Ashberry op dit blog en ook mijn blog van 28 juli 2010

 

Into the Dusk-Charged Air (Fragment)

The Rhône slogs along through whitish banks
And the Rio Grande spins tales of the past.
The Loir bursts its frozen shackles
But the Moldau's wet mud ensnares it.
The East catches the light.
Near the Escaut the noise of factories echoes
And the sinuous Humboldt gurgles wildly.
The Po too flows, and the many-colored
Thames.
Into the Atlantic Ocean
Pours the Garonne. Few ships navigate
On the Housatonic, but quite a few can be seen
On the Elbe. For centuries
The Afton has flowed.
If the Rio Negro
Could abandon its song, and the Magdalena
The jungle flowers, the Tagus
Would still flow serenely, and the Ohio
Abrade its slate banks. The tan Euphrates would
Sidle silently across the world. The Yukon
Was choked with ice, but the Susquehanna still pushed
Bravely along. The Dee caught the day's last flares
Like the Pilcomayo's carrion rose.
The Peace offered eternal fragrance
Perhaps, but the Mackenzie churned livid mud
Like tan chalk-marks. Near where
The Brahmaputra slapped swollen dikes
And the Pechora? The São Francisco
Skulks amid gray, rubbery nettles. The Liard's
Reflexes are slow, and the Arkansas erodes
Anthracite hummocks. The Paraná stinks.
The Ottawa is light emerald green
Among grays. Better that the Indus fade
In steaming sands! Let the Brazos
Freeze solid! And the Wabash turn to a leaden
Cinder of ice! The Marañón is too tepid, we must
Find a way to freeze it hard. The Ural
Is freezing slowly in the blasts. The black Yonne
Congeals nicely.
And the Petit-Morin
Curls up on the solid earth.
The Inn
Does not remember better times, and the Merrimack's
Galvanized. The Ganges is liquid snow by now;
The Vyatka's ice-gray. The once-molten Tennessee s
Curdled. The Japurá is a pack of ice. Gelid
The Columbia's gray loam banks. The Don's merely
A giant icicle. The Niger freezes, slowly.

 

 
John Ashbery (Rochester, 28 juli 1927)

 

 

De Canadese schrijver Drew Karpyshyn werd geboren op 28 juli 1971 in Edmonton. Zie ook alle tags voor Drew Karpyshyn op dit blog en ook mijn mijn blog van 28 juli 2010

Uit:Chaos Unleashed

On the sandy shores of an island at the farthest edge of the sea that bounds the mortal world, four divine, glowing figures stand in a tight circle around an obelisk of black obsidian — the Keystone. It towers above them, fifty feet tall and ten feet across on each of its four sides. Carved into the smooth, dark rock are powerful runes, and shapes and shadows shift below the surface: the living, churning power of raw Chaos.
Hiding in his nether realm far across the Burning Sea, Daemron the Slayer watches the four glowing Immortals intently, images reflected in the still waters of a stone fountain stained with blood.
He is beaten but not bowed. The armies of the Old Gods defeated him on the field of battle, but their victory is hollow. He still lives, as do legions of his followers. Bound to the mortal world they created, the Old Gods cannot follow him here. And so he is content to wait, safe beyond their reach while he plans his counterattack; his armies resting and gathering strength while he uses his own powerful magic to spy on his enemies.
Peering across the infinite chasm of space and time, the four figures ap-pear as little more than blurred silhouettes of golden light. But even at this distance, he can sense that the power of the Old Gods has been dimin-ished. They are wounded, dying. He takes pride in knowing the cost of driving him into retreat is more than even an Immortal can afford to pay. His own wounds are far less grievous. Had he risked more, had he stayed on the front lines longer, perhaps the tide of battle could have been swayed back in his favor. But at what cost? His retreat ensured that he will endure long after the other Immortals are gone. Their end is inevitable, as is his triumphant return.

 

 
Drew Karpyshyn (Edmonton, 28 juli 1971)
Cover

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

De commentaren zijn gesloten.