23-05-17

Adriaan Roland Holst, Maarten Biesheuvel, Lydia Rood, Jane Kenyon, Susan Cooper, Michaël Vandebril, Jack McCarthy, Mitchell Albom, Pär Fabian Lagerkvist

 

De Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst werd geboren op 23 mei 1888 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Roland Holst op dit blog.

 

Uit een oud dorp

Een vreemdelinge – niemand kende haar –
is op haar doortocht in dit dorp gestorven:
voor kort kwam zij alleen naar hier gezworven,
op weg waarheen – geen wist het, noch vanwaar.

De winter liep ten einde; zacht al riep
– donker en zacht – het voorjaar door de tijden
van het vallen der avonden; men zeide
van haar, dat haar leven ten einde liep.

Doch zij had lang al kunnen gaan, zij was
enkel nog hier daar zij een ander wachtte;
zij wist zich hem te redden nu bij machte,
nu haar verlangen tot den dood genas.

Maar hij kwam niet; zij ging niet langer uit,
zij was te moe geworden om te lopen;
maar altijd liet zij haar klein venster open;
daar riep een vogel hem met blij geluid.

Maar hij kwam niet. Toen kwam haar einde: groot
scheen de maan in waar zij lag te zieltogen.
Er was niets meer buiten haar open ogen
dan het raam, open op dien lichten dood.

Zij zag ernaar, zij prevelde de naam
van den verlorene; met lange halen
en juublend uitslaan zongen nachtegalen
den dood naar binnen door het open raam.

Toen kwam, groots geheimzinnig en van ver,
de wind aan door den nacht; het lied verstomde –
In den morgen, toen de mensen haar vonden,
regende het. Zij was al eeuwen her.

 

 

Dit Eiland

Hoe zijn wij hier geland,
waartoe... vanwaar...?
ligt ergens aan het strand
dat vreemde schip nog klaar?
en als het anker is gelicht,
naar waar... naar waar...?

 

 
Adriaan Roland Holst (23 mei 1888 - 5 augustus 1976)
Het huis van A. Roland Holst aan de Nesdijk in Bergen


 

De Nederlandse schrijver Maarten Biesheuvel werd geboren in Schiedam op 23 mei 1939. Zie ook alle tags voor Maarten Biesheuvel op dit blog.

Uit: Slechte mensen

“Op een mooie zomeravond wandelden Eva en ik door het centrum van Den Haag. Het was ongeveer op dat kruispunt van winkelstraten waar geen automobielen mogen komen, in de buurt van de Passage meen ik, dat wij een aardig klein jongetje tegenkwamen. Het was werkelijk het allerzoetste jongetje dat we ooit hadden ontmoet. Het liep een minuut of vijf met ons mee en babbelde en babbelde maar, het kind kende in het geheel geen mensenvrees, het was nog maar klein, ik schatte het op een jaar of vijf, zes, als het onder de voet dreigde te worden gelopen mompelde het jongetje met een vriendelijke trek, een glimlachje op zijn gezicht: ‘Neemt U me niet kwalijk’. Op een gegeven moment verontschuldigde hij zich tegenover ons en ging zijns weegs. Omdat wij schik hadden in het geval volgden we het jongetje. Het stond stil voor een statig herenhuis, belde er aan en tikte tegen de ruiten. Het ging met zijn rechterhandje aan zijn voorhoofd in een peinshouding staan, toen er maar niet werd opengedaan. Wij stonden op een meter of acht afstand en konden het daarom heel duidelijk horen toen het jongetje wat zei: ‘Hee, nu zijn ze er nog niet, waar blijven ze toch?’. Eva liep op het jongetje af en vroeg: ‘Zijn je Pappie en Mammie niet thuis?’. ‘Nee mevrouw’, antwoordde het jongetje heel beleefd, ‘die zijn nu al weken en weken weg, ik kan maar niet begrijpen wat er aan de hand kan zijn’. ‘Wat zullen we nu krijgen’, zei Eva hoogst verontwaardigd en ze belde bij de buren aan. De buren hadden al giechelend en wijzend achter de gordijnen gestaan en dat was Eva opgevallen. Wat was er donders toch met dat jongetje aan de hand? De deur van het huis van de buren werd op een kier geopend. Eva stond minstens vijf minuten te praten toen de deur eindelijk verder openging en ze even binnen mocht komen. Ik denk dat ik ongeveer 15 minuten buiten met het jongetje heb staan praten toen Eva weer naar buiten kwam. En wat deed ze me daar een drommels raar verhaal! Wat hadden de buren namelijk verteld? Dat de ouders van het jongetje hun zoontje zó ontzettend lief, oppassend en aardig hadden gevonden dat ze het niet meer hadden kunnen bolwerken. Het kind leek wel een Cherubijntje en dat leek helemaal niet op de harde werkelijkheid van het leven die de man en de vrouw iedere dag meemaakten. Ze gingen er allebei op een gegeven moment haast onderdoor. Toen hebben ze het besluit genomen om het jongetje in de steek te laten. Op een nacht, toen het lieve kereltje sliep en de alleraardigste droompjes had zijn ze met een taxi, vergezeld van slechts vier koffers terwijl ze toch zo'n geweldig huisraad hadden, richting Schiphol vertrokken. Sindsdien zijn ze niet teruggekeerd. Volgens de buren zouden ze in nog geen jaren terugkeren daar die twee arme mensen kotsmisselijk waren van het jongetje”.

 

 
Maarten Biesheuvel (Schiedam, 23 mei 1939)
Maarten and Eva Biesheuvel door Lia Laimbock, 1994

 

 

De Nederlandse schrijfster en columniste Lydia Rood werd geboren op 23 mei 1957 in Velp. Zie ook alle tags voor Lydia Rood op dit blog.

Uit: Sprong in de leegte

“Ten oosten van Eden. Sal zei: Schrijf het op, schrijf alles op. Ik zei: Waarom? Hij zat in zijn stinkende stoel, die met de bekleding waarvan de bloemen in het midden zijn afgesleten, en ik stond voor hem op mijn laarzen met hoge hakken en in mijn korte leren broekje en met mijn navelpiercing en het diamantje in mijn neus. Hij is oud en ik ben jong, op een leeftijd waarop ik nog alles kan bewijzen, en dat wilde ik hem laten voelen. Hij lachte alleen maar zo'n beetje. Zijn tanden zijn bruin van de teer en sommige zwart en verrot. Ik vroeg nog eens: Waarom? — Dat zul je wel zien, zei hij. —En anders? vroeg ik. — Anders... Hij knikte. Hij zocht naar een erge bedreiging. Anders... dat zul je ook wel zien. — Niet goed genoeg, zei ik. Ik maakte me nog een stukje langer, strekte mijn rug, zoals ik dat in het circus had geleerd, en op balletles vroeger. Lange nek, schouders laag, billen in, borst naar voren, kin vooruit. — Wat anders, Sal? — Anders moet je het zelf maar weten, zei hij. Het was de ergste bedreiging die hij kennelijk kon bedenken. Maar als Sal zoiets zegt, dan betekent het écht iets. Daarom doe ik het. En dat wist hij heel goed. Ik schrijf alles op.
Ten oosten van Eden ligt het land Nod. Dat komt uit de Bijbel. Daar ben ik zelf achter gekomen natuurlijk, Sal vertelde het er expres niet bij. Als er iemand is die weet hoe hij mij moet manipuleren, dan is hij het. Sal is trouwens ook de enige die de moeite heeft genomen. Behalve dan Rachid en Clemens Cameo, maar die hadden er belang bij, dus die tellen niet. Maar behalve dat ene zinnetje uit Genesis: Toen ging Kaïn weg van het aangezicht des Heren, en ging wonen in het land Nod, ten oosten van Eden weet ik nou nog niks. Wat moet ik daarmee? Waarom is dat zo belangrijk, zoals Sal schijnt te vinden? — Schrijf maar, zei Sal, dan kom je er wel achter. Hij is soms zo irritant dat ik hem die rotte tanden uit zijn bek wil slaan. Maar dat doe ik niet. Zo ben ik niet opgevoed. En hij verdient het ook niet.
Sal lachte niet meer. — Begin maar gewoon, zei hij.”

 

 
Lydia Rood (Velp, 23 mei 1957)

 

 

De Amerikaanse dichteres en vertaalster Jane Kenyon werd geboren op 23 mei 1947 in Ann Arbor, Michigan. Zie ook alle tags voor Jane Kenyon op dit blog.

 

Having It Out With Melancholy

2. BOTTLES

Elavil, Ludiomil, Doxepin,
Norpramin, Prozac, Lithium, Xanax,
Wellbutrin, Parnate, Nardil, Zoloft.
The coated ones smell sweet or have
no smell; the powdery ones smell
like the chemistry lab at school
that made me hold my breath.



3. SUGGESTION FROM A FRIEND

You wouldn't be so depressed
if you really believed in God.



4. OFTEN

Often I go to bed as soon after dinner
as seems adult
(I mean I try to wait for dark)
in order to push away
from the massive pain in sleep's
frail wicker coracle.

 

 
Jane Kenyon (23 mei 1947 – 22 april 1995)

 

 

De Britse schrijfster Susan Cooper werd op 23 mei 1935 geboren in Buckinghamshire. Zie ook alle tags voor Susan Cooper op dit blog.

Uit:The Dark Is Rising

“The grip tightened again at once. 'Oh no you don't, boy. I know your tricks. You're the one all right, I know now, you're an Old One, but I don't trust your kind any more than I trust the Dark. You're new awake, you are, and let me tell you something you don't know — while you're new awake, you can't do nothing to anyone unless you can see him with your eyes. So you aren't going to see me, that I know.' Will said: 'I don't want to do anything to you. There really are some people who can be trusted, you know: `Precious few,' the Walker said bitterly. `I could shut my eyes, if you'd let me go: 'Pah!' the old man said. Will said, 'You carry the second Sign. Give it to me.' There was a silence. He felt the man's hands fall away from his own arms, but he stood where he was and did not turn round. 'I have the first Sign already, Walker,' he said. 'You know I do. Look, I'm undoing my jacket, and I'll pull it back, and you can see the first circle on my belt.' He pulled aside his coat, still without moving his head, and was aware of the Walker's hunched form slipping round at his side. The man's breath hissed out through his teeth in a long sigh as he looked, and he turned his head up to Will without caution. In the yellow light from the steadily-burning branch Will saw a face contorted with hauling emotions: hope and fear and relief wound tightly together by anguished uncertainty. When the man spoke, his voice was broken and simple as that of a small sad child. `It's so heavy,' he said plaintively. 'And I've been carrying it for so long. I don't even remember why. Always frightened, always having to run away. If only I could get rid of it, if only I could rest. Oh, if only it was gone. But I daren't risk giving it to the wrong one, I daren't. The things that would happen to me if I did, they're too terrible, they can't be put into words. The Old Ones can be cruel, cruel ... I think you're the right one, boy, I've been looking for you a long time, a long time, to give the Sign to you. But how can I be really sure? How can I be sure you aren't a trick of the Dark?' He's been frightened so long, Will thought, that he's forgotten how to stop. How awful, to be so absolutely lonely. He doesn't know how to trust me; it's so long since he trusted anyone, he's forgotten how ... look: he said gently. 'You must know I'm not part of the Dark.”

 

 
Susan Cooper (Buckinghamshire, 23 mei 1935)
Cover 

 

 

De Vlaamse dichter Michaël Vandebril werd geboren op 23 mei 1972 in Turnhout. Vandebril studeerde rechten. Zie ook alle tags voor Michaël Vandebril op dit blog.

 

Refrein voor een stad

in een stad die dichters zuigt
tot zachte geraamtes glijd ik

met de snelheid van een luipaard
langs warme natte tuinen waarin stenen

pauwen en paden zich als draden
gedragen van een cocon

langzaam opgegeten door struiken
en kruinen en het tergend trage

zwellen van schelpen in het vijverwater
slechts een voorbode

van grotere tuinen waarin stenen
pauwen en paden zich als stralen

gedragen van een zon
langzaam opgezogen door struiken

en kruinen en het tergend trage
zwellen van schelpen in het vijverwater

slechts een zucht
van andere tuinen waarin stenen

pauwen en paden zich als deining
gedragen van een bron

langzaam opgedronken door struiken
en kruinen en het tergend trage

zwellen van schelpen in het vijverwater
slechts een zweem de stad kleedt

dichters in doorzichtig vel
ik leef hoog boven de tuinen

met de gratie van een zwaluw
en zie straten van geluk

 

 
Michaël Vandebril (Turnhout, 23 mei 1972)

 

 

De Amerikaanse schrijver en slam poet Jack McCarthy werd geboren op 23 mei 1939 in Massachusetts. Zie ook alle tags voor Jack McCarthy op dit blog.

 

Riding Waves

II. Picking the Wave

There are some waves you cannot ride.
If they are very big, and breaking very close
to shore, you cannot ride them.
What will happen, if you try,
is that the wave, having sucked outward
all the old water before it,
will slam you to the naked sand
in unpredictable position,
then land on you with all its force.
At the very least, you’ll have your wind knocked out.
In big surf, this is dangerous.
It happened to me once, at Nauset:
I thought my back was broken,
tried to crawl ashore.
My eyes cleared just in time to let me know
that I was crawling the wrong way,
just in time to curl up in a ball
to make it harder for the sea to break my bones,
before the next wave hit me.
Those waves, you do not try to ride.
They are serious waves. they are at war.

Let us get it clearly said right here:
there will be fear.
There will be instants when the body’s voice
cries, “This is a mistake!”
Sometimes the body is right.
listen to it, it knows its frailty.
It is not necessary, always,
to ride the biggest waves.

 

 
Jack McCarthy (Massachusetts, 23 mei 1939)

 

 

De Amerikaanse schrijver, journalist en radiopresentator  Mitchell David Albom werd geboren op 23 mei 1958 in Passaic, New Jersey. Zie ook alle tags voor Mitch Allborn op dit blog.

Uit: The Time Keeper

“This is a story about the meaning of time and it begins long ago, at the dawn of man’s history, with a barefoot boy running up a hillside. Ahead of him is a barefoot girl. He is trying to catch her. This is often the way it is between girls and boys.
For these two, it is the way it will always be.
The boy’s name is Dor. The girl is Alli.
At this age, they are nearly the same size, with high-pitched voices and thick, dark hair, their faces splashed with mud.
As Alli runs, she looks back at Dor and grins. What she feels are the first stirrings of love. She scoops a small rock and tosses it high in his direction.
“Dor!” she yells.
Dor, as he runs, is counting his breaths.
He is the first person on Earth to attempt this—counting, making numbers. He began by matching one finger to another, giving each pairing a sound and a value. Soon he was counting anything he could.
Dor is gentle, an obedient child, but his mind goes deeper than those around him. He is different.
And on this early page of man’s story, one different child can change the world.
Which is why God is watching him.
“Dor!” Alli yells.
He looks up and smiles—he always smiles at Alli—and the stone falls at his feet. He cocks his head and forms a thought.”

 

 
Mitchell Albom (Passaic, 23 mei 1958)

 

 

De Zweedse schrijver Pär Fabian Lagerkvist werd geboren in Växjö op 23 mei 1891 in Stockholm. Zie ook alle tags voor Pär Lagerkvist op dit blog.

Uit:Le Boureau (Vertaald door Marguerite Gay en Gerd de Mautort)

"Si, je suis le bourreau !" dit-il.
Et il se leva, grand et terrifiant dans son costume couleur de sang. Tous les regards se dirigèrent vers lui; un tel silence s'établit dans la salle, hurlante et retentissante quelques secondes auparavant, qu'on put percevoir le souffle de cet homme.
"Depuis l'aube des temps je fais mon métier et il ne me semble pas que je sois près d'en finir. Des millions d'années s'écoulent, des hommes se lèvent et disparaissent dans la nuit, mais moi je reste et, couvert de sang, je les vois passer, moi le seul qui ne vieillisse point. Je suis fidèlement la route des hommes, et il n'y a pas de sentier ayant été foulé par des pieds humains, si secret soit-il, où je n'aie élevé un bûcher et humecté le sol de sang...Je vous ai suivis dès l'origine et je vous suivrai jusqu'à la fin des temps. Quand, pour la première fois, vous avez levé les yeux vers le ciel, devinant Dieu, j'ai découpé un de vos frères et l'ai offert en sacrifice. Il m'en souvient encore: les arbres étaient secoués par le vent et la lueur du feu dansait sur vos visages. J'arrachai mon coeur et le jetai dans les flammes.Depuis ce moment, nombreux sont ceux que j'ai sacrifiés aux dieux et aux diables, au ciel et à l'abîme, des coupables et des innocents en légions incalculables. J'ai exterminé de la terre des peuples entiers, j'ai saccagé et dévasté des royaumes. Tout ce que vous m'avez demandé, je l'ai fait.J'ai accompagné les siècles au tombeau et, appuyé sur mon épée ruisselante, je me suis arrêté un instant, attendant que des générations nouvelles m'appellent de leur voix jeune et impatiente. J'ai flagellé jusqu'au sang des flots d'hommes, clamant pour l'éternité leur mugissement inquiet. J'ai dressé des bûchers pour des prophètes et des messies. J'ai plongé la vie humaine dans les ombres de la nuit. J'ai tout fait pour vous. On m'appelle encore et j'arrive. Je jette un regard sur la terre - elle gît, fiévreuse et brûlante, et dans l'espace retentissent des cris d'oiseaux malades. c'est pour le mal l'époque du rut ! C'est l'heure du bourreau !"

 

 
Pär Lagerkvist (23 mei 1891 – 11 juli 1974)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e mei ook mijn blog van 23 mei 2015 deel 2.

De commentaren zijn gesloten.