07-05-17

Willem Elsschot, Almudena Grandes, Christoph Marzi, Edgar Cairo, Volker Braun, Robert Browning, Peter Carey, Archibald MacLeish, Rabindranath Tagore

 

De Vlaamse schrijver en dichter  Willem Elsschot werd in Antwerpen geboren op 7 mei 1882. Zie ook alle tags voor Willem Elschot op dit blog.

Uit: Lijmen / Het been

“Ook de notaris scheen in te zien dat het nu uit was en nam zijn hamer in de hand. Driehonderd vijftig éénmaal, driehonderd vijftig andermaal.
Boorman was recht gestaan en had een arm opgestoken als een eerste Mussolini.
– Acht duizend vijfhonderd frank, sprak zijn zware basstem.
Het vrouwtje staarde hem aan met oogen die uitpuilden van verstomming, verslikte zich, hoestte geweldig, probeerde tevergeefs een opwellend gegichel te smooren en bevrijdde zich eindelijk in een onweerstaanbaren schaterlach die de heele zaal meesleepte, en de ruiten daveren deed.
Het publiek was opgesprongen.
– Huu, huu! jouwde een stem.
– Bui-ten, bui-ten, bui-ten, scandeerden de papiermenschen, zichzelf begeleidend met rhythmisch getrappel.
De notaris hamerde geweldig en toen even een windstilte intrad kon hij zich verstaanbaar maken.
– Mijnheer, riep hij, ik verzoek u dringend de orde niet te storen. Hetis hier geen kermistent.
De agent van politie had zich losgemaakt van den wand en slenterde in onze richting.
– Acht duizend vijfhonderd andermaal, brulde Boorman, of hoor jij niet goed? Toewijzen zeg ik!
– Eén millioen achthonderd vijftig duizend frank, schreeuwde opeens een mannetje met een bolhoed dat op een stoel was gesprongen.
Dat bod werd onthaald op een ontzaglijk hoera.
Wat Boorman toen riep was niet meer te verstaan, maar ik zag dat de radelooze notaris met zijn hamer een teeken gaf en de agent pakte Boorman bij den arm.
– Vooruit, beval hij verbeten.
Boorman was niet groot, maar sterk, want het borstbeeld van Leopold ii, een massief marmeren blok  dat voor mij geen vin wilde verroeren, had hij eens opgepakt en alleen van ’t Museum van Inlandsche en Uitheemsche voortbrengselen tot in de gang gedragen, bij gelegenheid van een schoonmaak.”

 

 
Willem Elsschot (7 mei 1882 – 31 mei 1960) 


 

De Spaanse schrijfster Almudena Grandes Hernández werd geboren op 7 mei 1960 in Madrid. Zie ook alle tags voor Almudena Grandes op dit blog.

Uit: De vijand van mijn vader (Vertaald door Mia Buursma)

“Het ijs bedekte de binnenplaats met een wittig, groezelig gaas, als een oud verband om de armetierige boomstammen aan weerszijden van de put, en in het nog vage licht van de dageraad verleende het een mysterieuze betekenis aan elke kiezelsteen, scherpe contouren die afstaken tegen de door de kou omhooggekrulde, stijf geworden grond. En ook aan mijn neus, die eerder dan ikzelf als een bevroren aanhangsel wakker werd in mijn gezicht, haast alsof hij van iemand anders was. Dan stak ik een hand uit om hem aan te raken, alsof ik verbaasd was dat hij daar was, tussen mijn ogen en mijn mond, en het verschil in temperatuur deed tegelijk pijn aan mijn neus en aan mijn vingers. Om dat niet te hoeven voelen, stopte ik mijn hoofd helemaal tussen de warme zachte lakens en viel weer in slaap, en deze keer was beter dan de eerste, maar zoals bijna alles in dit leven wat beter is, was die rust maar van korte duur. De deur van de kamer die ik met mijn zusjes deelde, was in het midden, aan de andere kant van het groene gordijn, maar het raam hoorde bij mij en daarom maakte mijn moeder mij altijd als eerste wakker. Het licht kwam gelijk met haar stem, kom, Nino, opstaan, het is de hoogste tijd, en even later de snelle vluchtige kus op mijn voorhoofd, het onvermijdelijke begin van elke ochtend.
Elke dag begon op dezelfde manier, dezelfde voetstappen, dezelfde woorden, het kleine geluidje van haar vingers die de luiken openmaakten en ook die kleine kus, de huid van mijn moeder die amper mijn huid aanraakte, een zachtheid die voortkwam uit haast en die in niets leek op de luidruchtige, herhaalde druk van haar lippen die me welterusten wensten alsof ze hun afdruk voorgoed op mijn wangen wilden achterlaten. Elke dag begon op dezelfde manier, maar met de eerste vorst veranderde alles zonder dat er iets veranderde. In andere huizen in het dorp werd met gefronste blikken naar de bergen gekeken, één enkele bezorgde uitdrukking op heel veel verschillende gezichten. In mijn huis, dat geen huis was maar drie kamers in de kazerne van Fuensanta de Martos, gedroegen wij ons beter, want we wisten dat zodra de winter begon mijn moeder geen zin meer had in grapjes.
‘Hoe heb ik het ooit in mijn hoofd kunnen halen om met hem hier te trouwen, hè, hoe heb ik dat ooit kunnen doen, en dat terwijl ik het zo goed had in mijn dorp ...’

 
Almudena Grandes (Madrid, 7 mei 1960 )

 

 

De Duitse schrijver Christoph Marzi werd geboren op 7 mei 1970 in Mayen. Zie ook alle tags voor Christoph Marzi op dit blog.

Uit: Der letzte Film des Abraham Tenenbaum

„Geschichten wie diese kennt man aus dem Kino. Aber diese Geschichte ist wirklich passiert. Und das Verrückte daran ist, dass sie mir passiert ist. Es war im letzten September, und wenn ich an den Tag, an dem alles anfing, zurückdenke, sind auch die kleinsten Erinnerungen wie Bilder aus einem alten Film: die Stadt ein einziges Panorama aus Herbst, in schillernden Farben und Cinemascope, und ich mittendrin. Das Leben ist manchmal wirklich wie im Kino — nur anders, viel echter. Der Tag, an dem sich mein Leben ändern sollte, begann unspektakulär mit einem Wecker, den ich nicht hörte. Das allein war nichts Ungewöhnliches. Zu verschlafen war meine Spezialität und es war nicht das erste Mal, dass ich knapp eine halbe Stunde, bevor die Schicht im Thunderbird begann, aufwachte. Es war auch nicht das erste Mal, dass ich mir Quentins Vespa ausleihen musste, wenn ich es noch einigermaßen pünktlich bis rauf in die Montague Street schaffen wollte. Quentin Klein hatte die Wohnung gegenüber gemietet, er studierte irgendwas mit Wirtschaft an der Columbia, doch die meiste Zeit saß er einfach rum, hörte Modern Jazz und lernte jede Menge Mädchen kennen. »Hi, ich bin Tom«, stellte ich mich einer hübschen Unbekannten vor, die mir die Tür zu Quentins Bude öffnete. »Ist Quentin da? Ich meine, äh, ich brauche die Vespa.« Müde Augen starrten mich verständnislos an. »Den Roller«, drängelte ich und schaute über ihre Schulter ins Halbdunkel der Wohnung. Das Mädchen trug nur ein T-Shirt mit einem grimmigen Hulk darauf. Ich kannte das T-Shirt, es gehörte Quentin. »Ich wohne gegenüber«, erklärte ich ihr (irgendwo da drüben stand sogar mein Name auf dem Klingelschild: Tom Balfour). »Der Nachbar«, fügte ich hinzu, weil sie verwirrt wirkte. Der Schlüssel für die Vespa hing jedenfalls an dem Rüssel eines ziemlich hässlichen Porzellanelefanten, den Quentin aus irgendeinem Grund liebte. »Quentin leiht mir öfter seine Vespa.« Ihr Blick wurde klarer und gleichzeitig verwirrter. »Quentin hat eine Vespa?« »Nimm dir den Schlüssel!«, rief Quentin irgendwo aus dem Halbdunkel. »Und mach den Tank voll, wenn du sie zurückbringst.« Ich lächelte die Unbekannte höflich an, dann machte sie Platz und ich schob mich an ihr vorbei in die Wohnung. »Da ist er ja!« Der hässliche Porzellanelefant war pink und dick, aber der Schlüssel hing genau da, wo er hingehörte. Ich schnappte ihn mir und schlüpfte schnell wieder nach draußen. »Bin schon weg«, flüsterte ich entschuldigend.“

 

 
Christoph Marzi (Mayen, 7 mei 1970)

 

 

De Surinaamse schrijver Edgar Eduard Cairo werd geboren in Paramaribo op 7 mei 1948. Zie ook alle tags voor Edgar Cairo op dit blog.

Uit:De Negerhaan

“Aangezien wij arm waren, maar niet werkelijk straatarm, kwamen de buren gedurig, behalve suiker, zout, peper, brokjes cacao, blauwsel, soda en andere huishoudelijke luxe, schoon en helder kraanwater bij ons lenen: ‘Me schat, me schat! Ik ben nie gebaad vandaag, ma' ik moet bij dokter gaan. Dankje danke, leen me een beetje water, no?’ Vader mopperde zich een ongeluk, maar moeder kon nu eenmaal dat soort dingen niet weigeren en dus kan men de permanente staat van oorlog tussen vader en de buren wel vermoeden. Het was dan ook altijd eerst een kwestie van schichtig loeren van zo'n buurvrouw, desnoods met een compagnon op de uitkijk, hoegenaamd kleren met de maïskolf borstelend: zodra mijn vader z'n voet het huis uittrok... rrrttts... als 'n rat naar binnen gerend bij ons met: ‘Buurvrouw! Buurvrouw...!’
Zulks nog afgezien van het feit dat men geleend water of suiker nooit terugkrijgt, tenzij er een wonderbare vermenigvuldiging optreedt. Dan praat ik niet over de mensen die, eenmaal iets geleend hebbend, het voorwerp, een kam of bezem, liefst tegen betaling aan hun over-overburen verder leenden. Totdat je iets wat je zelf leende, als je oorspronkelijke eigendom herkende. Ruzie geblazen, zeg ik je, desnoods met vechtpartij tot bloedens toe! Negerhuis-leven? 't Was me wat!
Bij ons op het erf had je helemaal aan de voorzijde, aan de straat, een grote woning op - hoe kon het anders - heel hoge stenen stutten, met een hoge en vooral brede, tegelijk stenen stoep in de vorm van een halve cirkel. Aha: de eigenaarswoning, groot en machtig boven alle krotverdenkingen uittorenend. Zo'n woning aan de voorkant, overal in de stad volgens de oudkoloniale bouwstijl nog te vinden, heette maar al te bloemrijk bakra-oso, letterlijk: de blankenwoning (vroeger dus de woning van de blanke slavenmeester). De halfcirkelige hoge stoep die ik zojuist beschreef stond aan de erfzijde van het grote huis. Maar aan de straatzijde was er een nog grotere, compleet met een groen geverfd, gietijzeren hek met zoet Hollands motiefje.”

 

 
Edgar Cairo (7 mei 1948 – 16 november 2000) 


 
 

De Duitse dichter en schrijver Volker Braun werd geboren op 7 mei 1939 in Dresden. Zie ook alle tags voor Volker Braun op dit blog.

Uit: Der Weststrand

V

Frühstück, „Herr Ober, die Staukarte bitte“
        . . .

Sie hocken im Modder wie komische Vögel
        Die Krallen abwärtsgerichtet
                         Plastikbeutel als schwarze
                 Wehende Kröpfe, Muschelsucher
In La Tranche-sur-Mer. Einsame lüsterne Arbeit
Der Dichter,
                       für eine rohe Mahlzeit.
                                                             Was zählt
        Das Ende der Geschichte
                         In diesem alltäglichen Schlick
Wo oben unten ist und Tod Leben.
        . . . Und er benutzte die Zeit, darüber nachzudenken
                 Wie paradox es ist
                         Daß uns Stöße Genuß bereiten
        „Ein Stochern im Leib. . . dankbar aufgenommen“.
                         Im Gesicht einer Frau
Liest er,  öffnet sich was sich öffnen läßt
        Mund und Auge, mehr
                 Liest er im Gesicht einer Frau.
Siedendes Wasser. Sie schlürfen die Muscheln
                 Eine Nacht nach der andern
        Betäubt mit Zitronen
Und ich hoffte wieder, mich der Dinge
        Die mich treffen
                 Ein Erwählter
                         Würdig zu zeigen.

 

 
Volker Braun (Dresden, 7 mei 1939)

 

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Browning werd geboren op 7 mei 1812 in Londen. Zie ook alle tags voor Robert Browning op dit blog.

 

Childe Roland To The Dark Tower Came

IV
For, what with my whole world-wide wandering,
What with my search drawn out thro’ years, my hope
Dwindled into a ghost not fit to cope
With that obstreperous joy success would bring,—
I hardly tried now to rebuke the spring
My heart made, finding failure in its scope.

V
As when a sick man very near to death
Seems dead indeed, and feels begin and end
The tears and takes the farewell of each friend,
And hears one bid the other go, draw breath
Freelier outside, (“since all is o’er,” he saith,
“And the blow fallen no grieving can amend;”)

VI
While some discuss if near the other graves
Be room enough for this, and when a day
Suits best for carrying the corpse away,
With care about the banners, scarves and staves,
And still the man hears all, and only craves
He may not shame such tender love and stay.

VII
Thus, I had so long suffer’d, in this quest,
Heard failure prophesied so oft, been writ
So many times among “The Band”—to wit,
The knights who to the Dark Tower’s search address’d
Their steps—that just to fail as they, seem’d best.
And all the doubt was now—should I be fit?

 

 
Robert Browning (7 mei 1812 – 12 december 1889)

 

 

De Australische schrijver Peter Carey werd geboren in Bacchus Marsh, Victoria, op 7 februari 1943. Zie ook Zie ook alle tags voor Peter Carey op dit blog.

Uit: Amnesia

“I had published several books, fifty features, a thousand columns, mainly concerned with the traumatic injury done to my country by our American allies in 1975. While my colleagues leapt to the conclusion that the hacker was concerned simply with freeing boat people from Australian custody, I took the same view as our American allies, that this was an attack on the United States. It was clear to me, straight away, that the events of 1975 had been a first act in this tragedy and that the Angel Worm was a retaliation. If Washington was right, this was the story I had spent my life preparing for. If the “events of 1975” seem confusing or enigmatic to you, then that is exactly my point. They are all part of “The Great Amnesia.” More TC.
In court, I listened as my publisher got a belting from the judge and I saw his face when he finally understood he could not even sell my book as remaindered.
“Pulp?” he said.
“Including that copy in your hand.”
Damages were awarded against me for $120,000. Was I insured or not insured? I did not know.
The crowd outside the court was as happy as a hanging day.
“Feels, Feels,” the News International guy shouted. “Look this way. Felix.”
That was Kev Dawson, a cautious little prick who made his living rewriting press releases.
“Look this way Feels.”
“What do you think about the verdict, Feels?”
What I thought was: our sole remaining left-wing journalist had been pissed on from a mighty height. And what was my crime? Repeating press releases? No, I had reported a rumour. In the world of grown-ups a rumour is as much a “fact” as smoke. To omit the smoke is to fail to communicate the threat in the landscape.”

 

 
Peter Carey (Bacchus Marsh, 7 mei 1943)

 

 

De Amerikaanse dichter en politicus Archibald MacLeish werd geboren op 7 mei 1892 in Glencoe, Illinois. Zie ook alle tags voor Archibald MacLeish op dit blog.

 

The Young Dead Soldiers Do Not Speak

The young dead soldiers do not speak.

Nevertheless, they are heard in the still houses:
who has not heard them?

They have a silence that speaks for them at night
and when the clock counts.

They say: We were young. We have died.
Remember us.

They say: We have done what we could
but until it is finished it is not done.

They say: We have given our lives but until it is finished
no one can know what our lives gave.

They say: Our deaths are not ours: they are yours,
they will mean what you make them.

They say: Whether our lives and our deaths were for
peace and a new hope or for nothing we cannot say,
it is you who must say this.

We leave you our deaths. Give them their meaning.
We were young, they say. We have died; remember us.

 

 

The Snowflake Which Is Now And Hence Forever

Will it last? he says.
Is it a masterpiece?
Will generation after generation
Turn with reverence to the page?

Birdseye scholar of the frozen fish,
What would he make of the sole, clean, clear
Leap of the salmon that has disappeared?

To be, yes!--whether they like it or not!
But not to last when leap and water are forgotten,
A plank of standard pinkness in the dish.

They also live
Who swerve and vanish in the river.

 

 
Archibald MacLeish (7 mei 1892 – 20 april 1982)
Rond 1925

 

 

De Bengaalse dichter en schrijver Rabindranath Tagore werd op 7 mei 1861 in Calcutta (tegenwoordig: Kolkata) geboren. Zie ook alle tags voor Rabindranath Tagore op dit blog.

 

Clouds And Waves

Mother, the folk who live up in the clouds call out to me-
"We play from the time we wake till the day ends.
We play with the golden dawn, we play with the silver moon."
I ask, "But how am I to get up to you ?"
They answer, "Come to the edge of the earth, lift up your
hands to the sky, and you will be taken up into the clouds."
"My mother is waiting for me at home, "I say, "How can I leave
her and come?"
Then they smile and float away.
But I know a nicer game than that, mother.
I shall be the cloud and you the moon.
I shall cover you with both my hands, and our house-top will
be the blue sky.
The folk who live in the waves call out to me-
"We sing from morning till night; on and on we travel and know
not where we pass."
I ask, "But how am I to join you?"
They tell me, "Come to the edge of the shore and stand with
your eyes tight shut, and you will be carried out upon the waves."
I say, "My mother always wants me at home in the everything-
how can I leave her and go?"
They smile, dance and pass by.
But I know a better game than that.
I will be the waves and you will be a strange shore.
I shall roll on and on and on, and break upon your lap with
laughter.
And no one in the world will know where we both are.

 


Rabindranath Tagore (7 mei 1861 – 7 augustus 1941)
Portret door Walther Illner, ca.1930

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

 

De commentaren zijn gesloten.