05-01-17

Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong'o, Xu Xiake, László Krasznahorkai, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad

 

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit:Het nulnummer (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

“Nadat iedereen zich had voorgesteld zette Simei de opzet van de krant uiteen.
‘We gaan dus een krant maken. Waarom Morgen? Omdat traditionele kanten altijd het nieuws van de avond tevoren brachten, en helaas nog steeds brengen, en dat is dan ook de reden dat ze Corriere della Sera, Evening Standard of Le Soir heten. Tegenwoordig hebben we het nieuws van de vorige dag al gezien op het achtuurjournaal, en dus staan er altijd dingen in de krant die je al weet, en daarom worden er steeds minder van verkocht. In de Morgen zal dat nieuws, dat inmiddels al over de datum is, natuurlijk wel kort worden aangestipt en samengevat, maar daarvoor volstaat één kolommetje dat je zo hebt gelezen.’
‘En wat moet er dan wél in de krant komen?’ vroeg Cambria.
‘Het lot van een dagblad van tegenwoordig is dat het op een weekblad moet lijken. Wij berichten over wat er morgen zou kunnen gebeuren, met achtergrondartikelen, onderzoeksbijlagen, verrassende vergezichten… Ik geef een voorbeeld. Om vier uur ontploft er een bom, en de dag daarop weet iedereen dat al. Dus moeten wij tussen vier uur en middernacht, voordat we ter perse gaan, zien uit te vinden wie er iets nieuws te melden heeft over de mogelijke verantwoordelijken, iets wat zelfs de politie nog niet weet, en moeten we een scenario schetsen van hetgeen er door toedoen van die aanslag in de weken daarna zal voorvallen…’
Braggadocio: ‘Maar om een dergelijk onderzoek binnen acht uur op te tuigen heb je een redactie nodig die minstens tien keer zo groot is als de onze, plus een waanzinnige hoop contacten, informanten of weet ik het…’
‘Precies, en als de krant daadwerkelijk gaat verschijnen zal dat ook het geval moeten zijn. Maar het komend jaar hoeven we alleen maar te bewijzen dat het mogelijk is. En het is mogelijk omdat een nulnummer elke willekeurige datum kan hebben en heel goed als voorbeeld kan dienen van hoe de krant er maanden geleden uit had kunnen zien, bijvoorbeeld toen ze die bom lieten ontploffen. We weten al wat er daarna zal gebeuren, maar schrijven erover alsof de lezer dat nog niet weet. En zo zullen al onze onthullingen iets opzienbarends krijgen, iets verrassends, iets orakelachtigs, zou ik bijna willen zeggen. Oftewel, we moeten tegen de opdrachtgever zeggen: zo zou de Morgen eruit hebben gezien als die gisteren was uitgekomen. Duidelijk? En desgewenst zouden we, ook als niemand ooit een bom had gegooid, heel goed een nummer kunnen maken alsof dat wel zo was.’

 

 
Umberto Eco (5 januari 1932 - 19 februari 2016)


 

De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Joris van Casteren werd geboren in Rotterdam op 5 januari 1976. Zie ook alle tags voor Joris van Casteren op dit blog.

Uit: Mensen op Mars

“De Deen die is doorgegaan naar de derde ronde heet Christian O. Knudsen. Hij woont in een leverkleurige portiekflat in Hellerup, een voorstad van Kopenhagen. Op de mat voor zijn deur staat ‘Oh no, not you again’.
Knudsen, een lijzige man van vijfendertig, loopt op zwarte sokken door zijn woning. Hij draagt een camouflagebroek en een t-shirt waar de Hulk en Spiderman op staan. Knudsen werkt als systeembeheerder bij een Deens internetbedrijf dat domeinennamen registreert. ‘We hebben ook vestigingen in Dubai en India,’ zegt hij.
Het is niet erg inspirerend werk. Maar hij kan het vanuit huis doen en het levert genoeg geld op om zijn belangrijkste hobby, live role playing, te bekostigen. Live role playing is een rollenspel waar meer dan honderd mensen aan kunnen deelnemen en dat meerdere dagen duurt.
Op de vloer voor Knudsens schrijftafel ligt een plastic mat, zodat de wieltjes van zijn bureaustoel het laminaat niet beschadigen. Op de schrijftafel staat een 3d-printer. Aan de muur hangen zes computerschermen. Knudsen laat zien hoe de schermen gezamenlijk één beeld kunnen vertonen.
Vanuit de woonkamer is er uitzicht op een Shell-benzinestation en de Tuborgflasken: een bierfles ter grootte van een vuurtoren. ‘Vroeger kon je erin, tegenwoordig is hij gesloten,’ zegt Knudsen. Ik ga op een blauwe bank zitten, onder het raam.
Knudsen vertelt dat hij gepest werd op school. Hij gelooft niet dat hij er psychische schade aan heeft overgehouden. ‘Ik bouwde een soort muur om mij heen en trok mij daarachter terug.’ Van buiten spelen hield hij niet, liever zat hij binnen. ‘Te knutselen aan iets.’
Omdat hij groter was, durfden de pestkoppen hem niet te lijf te gaan. ‘Feit is wel dat ze me buitensloten.’ Daardoor ontging hem van alles, zoals wat in de mode was. ‘Altijd droeg ik de verkeerde schoenen en kleren.’ Ook stotterde hij een beetje. ‘Er werd gefluisterd dat ik niet goed bij mijn hoofd zou zijn.’
Op de middelbare school had hij een vriend: Kip. Met Kip speelde hij computerspelletjes. ‘Net als ik hield Kip erg van elektronica.’ Knudsens vader werkte als technicus bij Defensie. Toen computers belangrijk werden, ging hij bij een Deens informaticabedrijf in dienst. ‘Daar werkt hij nog steeds."

 

 
Joris van Casteren (Rotterdam, 5 januari 1976)

 

 

De Duitser schrijver, criticus en literatuurwetenschapper Paul Ingendaay werd geboren op 5 januari 1961 in Keulen. Zie ook alle tags voor Paul Ingendaay op dit blog.

Uit: Die romantischen Jahre

“Wenn ich über die Kempener Straße in Kleinhoek einfahre, kurz bevor ich die Niers überquere, denke ich manchmal: Nur tausendfünfhundert Kilometer weiter, und ich wäre in Weißrussland. Und die Verlängerung der Wilhelm-Bolten-Straße in Richtung Nordwesten würde mich irgendwann nach Grönland bringen. Doch am liebsten schaue ich vor meinem Büro die Niederstraße nach Süden hinunter, bis sie beim Schuhhaus Schüth eine leichte Linkskurve macht. Anderthalb Tagesreisen, sage ich mir, und ich bin in der Provence. Und dann denke ich daran, wie mein Kumpel Motte und ich vor fast zwanzig Jahren in Südfrankreich auf Mädchenjagd gegangen sind, mit Pferden, Pistolen und allem. Eine tiefe Enttäuschung, würde Motte sagen. Ich denke an die Villa über den Hügeln, an meinen Vater, der uns in jenem Jahr seine schöne Freundin vorstellte, meinen Bruder Robert, der sich wie ein kleiner Erwachsener benahm, und an den Sommer 1979, meinen ersten Urlaub mit Führerschein.
Vormittags gingen wir zum Strand und brieten in der Sonne. Von der Villa aus sahen wir Palmen mit Stämmen, die aussahen wie Elefantenbeine, und weil sie in einer Doppelreihe gepflanzt worden waren und schnurgerade zum Meer hinunterführten, nannten wir sie Elefantenallee. Das war unser Weg zum Strand, ein staubiger Pfad mit Hundehaufen und verrottenden Früchten, gesäumt von mächtigen Palmen.
Am späten Nachmittag gingen wir zurück in die Villa, mit Sand im Haar, zum Duschen und Eincremen. Wir nahmen uns eine Stunde oder anderthalb, um das Nachlassen der Hitze und die länger werdenden Schatten zu genießen. Jeder von uns muss an etwas anderes gedacht, jeder dasselbe empfunden haben.
Kurz vor dem Abendessen legten Motte und ich unsere Bücher weg, um ein Kronenbourg aufzuknacken. Wir hielten das Bier in die Abendsonne und betrachteten die Welt durch das grüne Flaschenglas. Und tatsächlich schien alles leicht und sommerlich zu werden, nur durch den kurzen Blick durch unser Kronenbourg. Ich sah die Jahreszahl auf dem Etikett dieses alten Bieres, mit dem mein Vater mich ein paar Jahre zuvor hier in La Croix-Valmer bekannt gemacht hatte, und stellte mir die vielen Generationen junger Biertrinker vor, die schon mit einem Kronenbourg in der Hand über das unermessliche Universum nachgedacht hatten, so wie Motte und ich es taten.“

 

 
Paul Ingendaay (Keulen, 5 januari 1961)

 

 

De Keniase schrijver Ngũgĩ wa Thiong'o werd geboren op 5 januari 1938 in Kamiriithu, Limuru, Kenia. Zie ook alle tags voor Ngũgĩ wa Thiong'o op dit blog.

Uit: Träume in Zeiten des Krieges (Vertaald door Thomas Brückner)

„Der Pfad führte an meiner alten Grundschule Manguo vorbei nach Kĩhingo, hinab ins Tal und schließlich über einen mit Gras und Schwarzakazien bestandenen Hügel. Heute jedoch nahmen wir, während wir wie Schafe dem Geschichtenerzähler folgten, einen anderen, etwas längeren Weg, an der Umzäunung der Limuru Bata Shoe Company entlang, vorbei an ihrem stinkenden Müllberg aus Gummiabfällen und verrottenden Häuten und Fellen, zu einer Kreuzung von Eisenbahngleisen und Straßen, von denen eine zum Marktplatz führte. An dieser Kreuzung hatten sich viele Männer und Frauen versammelt, die vermutlich vom Markt gekommen waren und aufgeregt diskutierten. Die Menschenmenge wuchs, weil auch Arbeiter aus der Schuhfabrik stehen blieben und sich einmischten. Ein oder zwei Schüler erkannten Verwandte in der Menge. Neugierig folgte ich ihnen, um alles mitzubekommen.
"Man hat ihn auf frischer Tat ertappt", behaupteten einige.
"Stellt euch vor, der hatte Patronen bei sich. Am helllichten Tag."
Alle, sogar wir Kinder, wussten, dass es als Hochverrat galt, wenn ein Afrikaner auch nur mit einer einzigen Patrone oder Patronenhülse erwischt wurde; sofort wurde er zum Terroristen erklärt und sein Tod am Strang war die logische Folge.
"Wir haben Gewehrfeuer gehört", sagten andere.
"Ich habe mit eigenen Augen gesehen, wie sie auf ihn geschossen haben."
"Aber gestorben ist er nicht!"
"Gestorben? Hmmm! Die Kugeln flogen auf die zurück, die auf ihn geschossen haben."
"Stimmt nicht, er flog in den Himmel und verschwand in den Wolken."
Die Meinungsverschiedenheiten zwischen den Erzählern lösten die Menge in kleinere Gruppen aus drei, vier oder fünf Personen auf, die sich um einen Erzähler scharten, der seine Sicht der Ereignisse dieses Nachmittags zum Besten gab. Ich zog von einer Gruppe zur anderen und schnappte hier das eine, da das andere Detail auf. Nach und nach setzte ich die Stränge der Geschichte zusammen, und es entstand die Erzählung, die die Menge fesselte, ein spannendes Märchen über einen Namenlosen, der nahe der indischen Läden verhaftet worden war.“

 

 
Ngũgĩ wa Thiong'o (Kamiriithu, 5 januari 1938)

 

 

De Chinese schrijver Xu Xiake werd geboren op 5 januari 1587 in Jiangyin (provincie Jiangsu). Zie ook alle tags voor Xu Xiake op dit blog.

Uit: The Travel Diaries of Xu Xiake (Vertaald door Li Chi)

« Ever since my childhood, I have cherished a desire to see all five sacred mountains. The Prime Sacred Mountain being rated above the five sacred ones, my longing to see this one has been even greater. I also have long wished to travel to Xiang and Yun, to pass my hands over the mountain Taihua, and to set off from jianke (Sword Pavilion) through the whole length of Lianyun (Covered Plank Way) to Emei Shan. But the increasing age of my mother limits my ambitions, and my tours have to be made according to pre-arranged plans. It would take an inordinate amount of time to travel by boat. It would be faster if I went by land and returned by boat, but if I travelled both ways by land, I could include both Song Shan and Taihua in one pilgrimage.
Accordingly, I set out on my journey on March 1, 1623, in the year of Guihai (1623), and made Song my first objective. After nineteen days I reached Huangzong Tien, a small village of Zhengzhou in Henan. Here I went up the stone slope on the right of the village, and viewed Shengseng Chi (Holy Monk’s Pool), which is a pool from a spring, collecting its clear green water halfway up the hill. Under it is a maze of deep gorges, all so dried that there was not a drop of water in them. I went down and walked on its floor, following the winding turns of Xianglu Shan (Incense Burner Mountain) southward. This mountain is shaped like an inverted incense burner with its three legs sticking up in the sky. Surrounding it are other mountains, charming the visitor with their gently beautiful colours. The bottom of the gorge is filled with masses of stones with the colour of purple jade, rocky cliffs rising on both sides.”

 

 
Xu Xiake (5 januari 1587 - 8 maart 1641)
Standbeeld in Ninghai

 

 

De Hongaarse schrijver László Krasznahorkai werd geboren op 5 januari 1954 in Gyula. Zie ook alle tags voor László Krasznahorkai op dit blog.

Uit:The Melancholy of Resistance (Vertaald doorGeorge Szirtes)

“Catastrophe! Of course! Last judgement! Horseshit! It's you that are the catastrophe, you're the bloody last judgement, your feet don't even touch the ground, you bunch of sleepwalkers. I wish you were dead, the lot of you. Let's make a bet,' and here he shook Nadaban by the shoulders, ‘that you don't even know what I'm talking about!! Because you don't talk, you "whisper" or "expostulate"; you don't walk down the street but "proceed feverishly"; you don't enter a place but "cross its threshold", you don't feel cold or hot, but "find yourselves shivering" or "feeling the sweat pour down you"! I haven't heard a straight word for hours, you can only mew and caterwaul; because if a hooligan throws a brick through your window you invoke the last judgement, because your brains are addled and filled up with steam, because if someone sticks your nose in shit all you do is sniff, stare and cry "sorcery!”
(…)

“He gained height, grew thin, the hair on his temples had begun to grey, but, now as then, he had none of that useful sense of proportion, nor could he ever develop anything of the sort, which might have helped him distinguish between the continuous flux of the universe of which he constituted a part (though a necessarily fleeting part) and the passage of time, the perception of which might have led to an intuitive and wise acceptance of fate. Despite vain efforts to understand and experience what precisely his 'dear friends' wanted from each other, he confronted the slow tide of human affairs with a sad incomprehension, dispassionately and without any sense of personal involvement, for the greater part of his consciousness, the part entirely given over to wonder, had left no room for more mundane matters, and (to his mother's inordinate shame and the extreme amusement of the locals) had ever since then trapped him in a bubble of time, in one eternal, impenetrable and transparent moment. He walked, he trudged, he flitted - as his great friend once said, not entirely without point - 'blindly and tirelessly... with the incurable beauty of his personal cosmos' in his soul."

 

 
László Krasznahorkai (Gyula, 5 januari 1954)

 

 

De Argentijnse dichteres en schrijfster Luisa Futoransky werd geboren op 5 januari 1939 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Futoransky op dit blog.

Uit: The Formosa

“Vast and vague that which irritates and destabilizes her so that we start bickering endlessly, ancient quarrels, never to be done with yet which clearly don’t begin with genealogy but rather with phrases that get tangled, draw blood and change tone and orbit in mid-stream. Sourness, tears, slamming doors, over and over. Apology and promises to never start again with the arguments, as well.
Papa, on the other hand, prefers the accusing finger:
“Masquerades, you and your masquerades. Pichi, stop upsetting me, will you.” Papa’s like that, you can show him the phonebook with a page of people who have the same name as you, who live in the same city, neighborhood, and street that we do and he’s capable of insisting: we’re the only ones, nobody has our name. Maybe deep down he’s right, he arrived by a certain rocky path that he alone knows, beyond any search, and some time I’ll discover, I would like that, that I too am the only one.
For now, end of the lineage on the genealogical tree. The branches above, the trunks as well, separated and each off on their own. Now and then, however, frayed edges appear, remains of charred metal, hanging quarters of sheep filing by on mythological meathooks. The whole thing arrayed on nickel counters. Impeccable. Above, signs in bakelite speckled by fly droppings: today no credit, tomorrow yes.
Among the men the university graduates were very few and those who lived by their own devices, many. The majority were small businessmen or modest shop assistants. Professionals and laborers were also scarce. Nonetheless, we boasted an bookkeeper, a police inspector, a habitual racketeer and also an occasional one; suicides and crazies, plenty. A generation after we managed to include a pair of lawyers, doctors and musicians, an electrical engineer, a public auctioneer, a few librarians, a pair of psychologists, certified public accountants and tax collectors. Housewives, almost none.”

 

 
Luisa Futoransky (Buenos Aires, 5 januari 1939)
In 1993

 

 

De Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt werd geboren op 5 januari 1921 in Konolfingen. Zie ook alle tags voor Friedrich Dürrenmatt op dit blog.

Uit: Der Besuch der alten Dame

„Glockenton eines Bahnhofs, bevor der Vorhang aufgeht. Dann die Inschrift: Güllen. Offenbar der Name der kleinen Stadt, die im Hintergrund angedeutet ist, ruiniert, zerfallen. Auch das Bahnhofgebäude verwahrlost, je nach Land mit oder ohne Absperrung, ein halbzerrissener Fahrplan an der Mauer, ein verrostetes Stellwerk, eine Türe mit der Aufschrift: Eintritt verboten. Dann, in der Mitte, die erbärmliche Bahnhofstraße. Auch sie nur angedeutet. Links ein kleines Häuschen, kahl, Ziegeldach, zerfetzte Plakate an der fensterlosen Mauer. Links Tafel: Frauen, rechts: Männer. Alles in eine heiße Herbstsonne getaucht. Vor dem Häuschen eine Bank, auf ihr vier Männer. Ein fünfter, aufs unbeschreiblichste verwahrlost, wie die andern, beschreibt ein Transparent mit roter Farbe, offenbar für einen Umzug: Willkommen Kläri. Das donnernde, stampfende Geräusch eines vorbeirasenden Schnellzuges. Vor dem Bahnhof der Bahnhofsvorstand salutierend. Die Männer auf der Bank deuten mit einer Kopfbewegung von links nach rechts an, daß sie den vorbeirasenden Expreß verfolgen.
DER ERSTE Die ›Gudrun‹, Hamburg–Neapel.
DER ZWEITE Um elfuhrsiebenundzwanzig kommt der ›Rasende Roland‹, Venedig–Stockholm.
DER DRITTE Das einzige Vergnügen, das wir noch haben: Zügen nachschauen.
[14] DER VIERTE Vor fünf Jahren hielten die ›Gudrun‹ und der ›Rasende Roland‹ in Güllen. Dazu noch der ›Diplomat‹ und die ›Lorelei‹, alles Expreßzüge von Bedeutung.
DER ERSTE Von Weltbedeutung.
Glockenton.
DER ZWEITE Nun halten nicht einmal die Personenzüge. Nur zwei von Kaffigen und der Einuhrdreizehn von Kalberstadt.
DER DRITTE Ruiniert.
DER VIERTE Die Wagnerwerke zusammengekracht.
DER ERSTE Bockmann bankrott.
DER ZWEITE Die Platz-an-der-Sonne-Hütte eingegangen.
DER DRITTE Leben von der Arbeitslosenunterstützung.
DER VIERTE Von der Suppenanstalt.
DER ERSTE Leben?
DER ZWEITE Vegetieren.
DER DRITTE Krepieren.
DER VIERTE Das ganze Städtchen.“

 

 
Friedrich Dürrenmatt (5 januari 1921 – 14 december 1990)
Scene uit de gelijknamige Duits-Oostenrijkse film uit 2008

 

 

De Iraanse dichteres Forough Farokhzad werd geboren op 5 januari 1935 in Teheran. Zie ook alle tags voor Forough Farokhzad op dit blog.

 

Midden in het donker

midden in het donker
heb ik je geroepen
het was stil en de bries
nam de gordijnen mee
in de vermoeide hemel
verbrandde een ster
stierf een ster

ik heb je geroepen
ik heb je geroepen
als een glas melk
was mijn hele bestaan
in mijn handen
de blauwe blik van de maan
raakte de ramen

een droevig lied
steeg op als rook
uit de stad van de krekels
als rook gleed het
langs de ramen

de hele nacht daar
midden op mijn borst
hijgde
iemand wanhopig

iemand stond op
iemand verlangde naar je
twee koude handen
weigerden haar weer

de hele nacht daar
druppelde het verdriet
van de zwarte takken
iemand verloor zichzelf
iemand riep je
de lucht stortte als puin
op haar neer

mijn kleine boom
was verliefd op de wind
op de dakloze wind

waar is het huis van de wind?
waar is het huis van de wind?


Vertaald door Nafiss Nia en Ronald Bos

 

 
Forough Farokhzad (5 januari 1935 – 13 februari 1967)
Cover 

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook mijn blog van 5 januari 2016 en ook mijn blog van 5 januari 2014 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.

De commentaren zijn gesloten.