30-04-16

Jeroen Brouwers, Alexander Osang, Ulla Hahn, Luise Rinser, John Boyne, Annie Dillard

 

De Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers werd geboren op 30 april 1940 in Batavia, de hoofdstad van het voormalige Nederlands-Indië (tegenwoordig Djakarta, Indonesië). Zie ook alle tags voor Jeroen Brouwers op dit blog.

Uit: Het hout

"De pij irriteert mijn huid.
Het lompengewaad van Franciscus van Assisi die met wolven sprak.
Kloosterlingen die in zijn orde zijn getreden dragen zijn habijt dat de vorm van een kruis heeft. Voorzien van een capuchon hangt het zwaar aan de schouders, reikt tot de voeten en hult het hele lichaam in faecaal bruin, de stof is ruw en schrijnt. Men moet er kleding onder dragen om niet zinneloos te worden van jeuk, die het naakte vel teistert als termieten.
Wat draagt een kloosterling onder zijn pij? Een tot het middel reikende kiel, een trainingsbroek, een onderbroek, dit lijfgoed is voorzien van verstelbare elastieken.
Over de pij wordt het scapulier gedrapeerd. Dit is een baan stof van dezelfde lengte, materie en kleur als de pij met een gat erin om het hoofd door te steken. Te dragen over borst en rug, zoals een celebrant het kazuifel. Alles van uniforme snitloze makelij, alles in dezelfde forse maat, waardoor iedereen alles hoe dan ook past.
Op zaterdag moet alles in de was, het taakdomein van Plechelmus, die er schoon goed voor in de plaats levert. Wij ordebroeders houden er naar voorbeeld van onze stichter geen persoonlijke bezittingen op na, dus ook geen eigen kleren. Zo dragen wij al naar het toeval wil om beurten het hemd, de onderbroek, de hobbezak die een confrater een week tevoren aan zijn lijf heeft gehad. Ik overtreed de orderegel door nooit de gemeenschappelijke kloosteronderbroek te dragen.
De lompenjurk van Franciscus wordt rond het middel bijeengegord door een wit koord met drie knopen erin, die ons zijn leefmotieven in herinnering houden. Knoop een: armoede. Knoop twee: gehoorzaamheid. Knoop drie: onthouding of kuisheid. Ga er maar aan staan. Il poverello heeft er gedichten over nagelaten, ze hangen ingelijst in de kloosterrefter.
Begin april, dinsdag in de goede week. Omdat het eergisteren palmzondag was hangen er verse buxustakken achter alle kruisbeelden en wijwaterbakjes. Nauwelijks lente en het is al etmalen zo agressief heet alsof mijnheer broeder zon woede uitbraakt. Vlammende hitte als kokende kots, die overal doorheen dringt, zelfs door de muren van de gewoonlijk koele, zelfs kille kapel.”

 

 
Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940)

Lees meer...

Jaroslav Hasek, Jacob Hiegentlich, Kno’Ledge Cesare, David Zane Mairowitz, Barbara Seranella

 

De Tsjechische schrijver Jaroslav Hašek werd geboren op 30 april 1883 in Praag. Zie ook alle tags voor Jaroslav Hašek op dit blog.

Uit: Die Abenteuer des braven Soldaten Schwejk

»Das beste is«, behauptete jemand von der Tür her, »wenn man sich Petroleum unter die Haut am Arm spritzt. Mein Vetter war so glücklich, daß man ihm den Arm bis unterm Ellbogen abgenommen hat, und heut hat er vorm Militär Ruh.«
»No also, seht ihr«, sagte Schwejk, »das alles muß jeder für unsern Kaiser aushalten. Sogar das Magenpumpen und das Klistier. Wie ich vor Jahren bei meinem Regiment gedient hab, da wars noch ärger. Da hat man so einen Maroden krummgeschlossen zusammengebunden und ins Loch geworfen, damit er sich auskuriert. Da hats keine Kavalletts gegeben wie hier, oder Spucknäpfe. Eine bloße Pritsche, und auf der sind die Maroden gelegen. Einmal hat einer wirklichen Typhus gehabt und der andre neben ihm schwarze Blattern. Beide waren krummgeschlossen und der Regimentsarzt hat sie in den Bauch gekickt, daß sie herich Simulanten sind. Dann, wie diese zwei Soldaten gestorben sind, is es ins Parlament gekommen und in der Zeitung gestanden. Man hat uns gleich verboten, diese Zeitungen zu lesen, und eine Koffervisite gemacht, wer diese Zeitungen hat. Und wie ich halt schon immer Pech hab, hat man sie beim ganzen Regiment nirgends gefunden, nur bei mir. So hat man mich also zum Regimentsrapport geführt, und unser Oberst, der Ochs, Gott hab ihn selig, hat angefangen mich anzubrülln, daß ich grad stehn soll, und hat gefragt, wer das in diese Zeitung geschrieben hat, oder er wird mirs Maul von einem Ohr zum andern zerreißen und mich einsperrn lassen, bis ich schwarz wer. Dann is der Regimentsarzt gekommen, hat mir mit der Faust vor der Nase herumgefuchtelt und geschrien: ›Sie verfluchter Hund, Sie schäbiges Wesen, Sie unglückliches Mistvieh, du Sozialistenbengel, du!‹ Ich schau allen aufrichtig in die Augen, zwinker nicht mal und schweig, die Hand an der Mütze und die Linke an der Hosennaht, sie laufen um mich herum wie Hunde, belln mich an, und ich fort, wie wenn nichts. Ich schweig, leist die Ehrenbezeigung, die linke Hand an der Hosennaht. Wie sies so vielleicht eine halbe Stunde getrieben ham, is der Oberst auf mich zugelaufen und hat gebrüllt: ›Bist du ein Blödian oder bist du kein Blödian?"

 

 
Jaroslav Hašek (30 april 1883 – 3 januari 1923)
De brave Soldat Schwejk op een bank in Sanok, Polen

Lees meer...

29-04-16

Konstantínos Petros Kaváfis, Rod McKuen, Bernhard Setzwein, Monika Rinck, Alejandra Pizarnik, Walter Kempowski, Bjarne Reuter

 

De Griekse dichter Konstantínos Petros Kaváfis werd geboren te Alexandrië (Egypte) op 29 april 1863. Zie ook alle tags voor Konstantínos Petros Kaváfis op dit blog.

 

Het krantenbericht

De krant schreef ook iets over afpersing.
Zelfs in dit geval benadrukte ze weer
haar diepe verachting voor liederlijke,
zeer schandelijke, verdorven zeden.
 
Verachting... Terwijl hij, in zichzelf treurend,
aan een avond vorig jaar terugdenkt
die ze samen doorbrachten, in een kamer
van wat half hotel, half bordeel was. Nadien hadden ze
elkaar niet meer gezien, niet eens op straat.
Verachting... Terwijl hij aan de zoete lippen
terugdenkt en aan het blanke, buitengewone,
goddelijke lijf dat hij niet genoeg had gekust.
 
Hij las, melancholiek, in de tram, het bericht.
 
Om elf uur's avonds was het lijk gevonden
op de kade. Er bestond geen zekerheid
of er een misdaad was gepleegd. De krant
sprak haar mededogen uit, maar toonde,
vanwege de goede zeden, haar diepe verachting
voor het zeer liederlijke leven van het slachtoffer.


Vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf

 

 

Days of 1901   

The exceptional thing about him was
that in spite of all his loose living,
his vast sexual experience,
and the fact that usually
his attitude matched his age,
in spite of this there were moments—
extremely rare, of course—when he gave the impression
that his flesh was almost virginal.
 
His twenty-nine-year-old beauty,
so tested by sensual pleasure,
would sometimes strangely remind one
of a boy who, somewhat awkwardly, gives
his pure body to love for the first time.

 

 

Before the Statue of Endymion          

I have come from Miletos to Latmos
on a white chariot drawn by four snow-white mules,
all their trappings silver.
I sailed from Alexandria in a purple trireme
to perform sacred rites—
sacrifices and libations—in honor of Endymion.
And here is the statue. I now gaze in ecstasy
at Endymion’s famous beauty.
My slaves empty baskets of jasmine
and auspicious tributes revive the pleasure of ancient days.


Vertaald door Edmund Keeley en Philip Sherrard

 

 
K. P. Kaváfis (29 april 1863 – 29 april 1923)
Endymion in het Gustaaf III Museum van Oudheden, Stockholm

Lees meer...

28-04-16

Zia Haider Rahman, Wim Hazeu, Roberto Bolaño, Gerhard Henschel, Harper Lee, Joop Waasdorp, Karl Kraus, Ğabdulla Tuqay

 

De Britse schrijver Zia Haider Rahman werd in 1969 geboren op het platteland van Bangladesh in de regio Sylhet. Zie ook alle tags voor Zia Haider Rahman op dit blog.

Uit: In het licht van wat wij weten (Vertaald door Anne Jongeling en Carla Hazewindus)

“Op een ochtend in september 2008 stond er een broodmagere man op de stoep van ons huis in South Kensington. Hij had een donkere huid, scherpe jukbeenderen en een woeste baard. Ik schatte hem achter in de veertig, begin vijftig en hij was ongeveer één meter tachtig, een centimeter of twee kleiner dan ik. Zijn waterdichte jack met een sluiting van klittenband, hing open. De mouwen waren iets te kort, en aan de lichte streep boven zijn rechterhand te zien had daar waarschijnlijk een horloge gezeten. De veters van zijn afgetrapte schoenen waren verschillend van kleur en de zakken van zijn cargobroek puilden uit van allerlei ondefinieerbare zaken. Er hing een rugzakje om zijn schouder en tegen de deurpost stond een canvas plunjezak.
Door zijn manier van spreken maakte hij een enigszins opgewonden indruk, niet warrig maar indringend, en duidelijk niet van zins zich in de rede te laten vallen, alsof hij een onderbroken gesprek hervatte. Ik stond daar maar zonder wat te zeggen terwijl ik mijn best deed om iets aan hem te ontdekken wat me bekend voorkwam, toen ik plotseling getroffen werd door een Duitse naam die ik al bijna twintig jaar niet had gehoord.
Op dat moment drongen de details van wat er gebeurde niet echt tot me door, die kwamen pas later bij me boven, toen ik bezig was alles wat ik me kon herinneren op papier te zetten. Ik heb altijd in de financiële sector gewerkt, een business waarin het om de fijne kneepjes gaat, zoals de kleine bewegingen in de beurskoersen waar het lot van miljoenen dollars, ponden, en zelfs yens van af kan hangen. Maar ik moet eerlijk bekennen dat het succes dat ik in mijn loopbaan heb gehad – als je tenminste kunt spreken van succes – niet zozeer te danken was aan mijn oog voor detail, een veel-voorkomende eigenschap in deze branche, als aan mijn vermogen patronen in het grote geheel te zien waarin zich nieuwe zakelijke mogelijkheden aftekenen.”

 

 
Zia Haider Rahman (Sylhet, 1969)

Lees meer...

27-04-16

Koning (Nachoem Wijnberg)

 

Bij Koningsdag

 

 
Koningsdag in Eindhoven, 2015

 

 

Koning

(Waar is de vorige koning?’

Vandaag is hij bij mij weggegaan, zei de koningin.

Hoeveel koningen waren er voor hem, of was hij de eerste die niemand
durfde na te doen?

Hij zei dat hij mij alles had zien doen wat andere vrouwen ook doen.

Liet de vorige koning met een dier spelen als met een bal die niet op de
grond mag vallen?

Ik vroeg hem of hij mij iets wilde zien doen wat geen andere vrouw doet.)

Deze bewegingen moeten ook een koningin hebben:

de armen uitstrekken, een verre sprong maken, kort blijven liggen.

Wat voor dier kan dit doen zodat zij het niet hoeft te doen

(een dier dat niet kan springen kan gegooid worden)

als van wat de koning zou kunnen leven zonder haar te zien?

 

 
Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

 

 

Zie voor de schrijvers van de 27e april ook mijn vorige blog van vandaag.

14:03 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: nachoem wijnberg, koningsdag, romenu |  Facebook |

Astrid Roemer, Hovhannes Shiraz, August Wilson, Edwin Morgan, Jules Lemaître, Cecil Day Lewis, Fethullah Gülen

 

De Surinaamse dichteres en schrijfster Astrid Roemer werd in Paramaribo geboren op 27 april 1947. Zie ook alle tags voor Astrid Roemer op dit blog.

Uit:Een graat in mijn bloed

“En de daklozen zopen zich impotent aan goedkoop bier en hun vrouwen naaiden elkaar op door het voortdurend te hebben over die ene vrouw en dat ene meisje, die de honger niet aankonden en zich aldus verkochten aan de heren van de herenhuizen. Want de stad was een bordeel en de heren kregen nergens anders het gevoel dat ze lééfden!
Maar: de massa van mensen is toegenomen in aantal en soort; de massa-communicatiemiddelen brengen triviaal vermaak en iedereen die aan de zelfkant van de samenleving sukkelde is rijker geworden en aldus geëmancipeerd tot burger.
En de stad is moederlijk geworden: zij ijvert met haast instinctmatige gedrevenheid voor het zuiver houden van haar kroost, het schoonhouden van haar wegen, muren, buurten, scholen, kantoren, discotheken en voor het zuiverhouden van haar zorgvoorzieningen. En wij: de mensen met de zoekende ogen en met de doorlopend kauwende kaken; wij - waarvan de vrouwen altijd zwanger en in bevalling zijn; wij met onze horden schreeuwende grijpgrage kinderen; wij, die zonen baren die niets anders aan het hoofd hebben dan walkmans en maagden - wij dringen door. Want: de steden hebben zich door ons laten ontmaagden. Een stad met allure laat zich onvoorwaardelijk nemen door iedereen die haar voor het eerst bezoekt.
Niemand hoeft naar haar te lonken; niemand hoeft te betalen.
De stad gaat trillend plat - zodra zij de levensadem voelt van vrouw en man: piepjong & stokoud, homo & hetero, gelukkig & bedroefd, valide & invalide, autochtoon & allochtoon, met een enorm besteedbaar inkomen & met niets dan een zwerversrantsoen. En de steden zwellen aan: zwanger van iedereen, want ze laten zich nooit meer maken en breken door de heren van de herenhuizen alleen!”

 

 
Astrid Roemer (Paramaribo, 27 april 1947)

Lees meer...

André Schinkel

 

De Duitse dichter, schrijver en archeoloog André Schinkel werd geboren op 27 april 1972 in Eilenburg. Na een opleiding tot een veeboer met een gymnasiumdiploma en een afgebroken opleiding tot milieu-ingenieur studeerde Schinkel aan de Maarten Luther-Universiteit in Halle-Wittenberg Duitse literatuur, kunstgeschiedenis en prehistorische archeologie. Gedurende deze tijd verschenen zijn eerste boeken, waarvoor hij werd bekroond met de George Kaiser stimuleringsprijs 1998 van de deelstaat Saksen-Anhalt 1998. Hij is momenteel werkzaam als schrijver, docent en redacteur. plaats van de ogen - Sinds 2005 is hij redacteur van het literaire tijdschrift “oda - Ort der Augen”. Daarnaast bezetten houdt hij zich op wetenschappelijk gebied bezig met toenaderingen tussen literatuur en archeologie en met specifieke problemen van de neolithisatie van Centraal Europa. In 2006 ontving hij, op voordracht van de belangrijkste prijswinnaar Wolf Biermann, de stimuleringsprijs van de Ringelnatz Stiftung en in 2012 de Walter Bauer Prijs. Hij was stadsschrijver in Halle, Ranis en Jena. Hij nam over de hele wereld deel aan ontmoetingen met schrijvers en aan poëzie festivals in Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Armenië en Italië. Zijn teksten zijn vertaald in zestien talen, waaronder Bosnisch, Servisch, Kroatisch, Bulgaars, Armeens, Engels en Oud Egyptisch.

 

Mondgartenlied

Wir gehen fort, es lockt die Ferne,
In die Weite unsrer Träume hin:
Wir sind: Beschwichtigte, die Sterne
Drehn sich, blau, im Wasserfirn.

Der Bülbül singt, die Nachtzikade fiedelt,
Und die Sprosser zirpen laut –
Der Mond geht auf und: spiegelt
Sich im Schimmer deiner Haut.

Auf dem Wasser glühn die Farben,
Und du lockst mich sanft ins Schwarz;
In den Teichen rolln die Barben, –
Und der Brillenvogel macht Rabatz.



Lied im Herbst

Herbstlich wird’s, die Blätter plumpsen
Durch das Gitterwerk der Zweige.
Das Licht verharrt, die Stürme rumsen
Wieder los; und Früchte neigen

Sich – ein letztes Blühn der Rosen
Fängt nun an in den Rabatten
Und die Erinn’rung an die losen
Feste, die wir sommers hatten.

Ach, vorbei ist, wenn der Herbst
Kommt, jenes Leben – fröstelnd suchen
Wir uns falb in unsern Seelen fest.
Und finden nichts und wollen nun gern fluchen:

Jeder Zweifel, der dir einst ins Herz
Klomm, nagelt dich nun an den Dingen fest.
Und ich, ich sehe ganz verscherzt
Aus, einer Zweifelmasse grauer Rest.

 

 
André Schinkel (Eilenburg, 27 april 1972)

13:55 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: andré schinkel, romenu |  Facebook |

26-04-16

Bernard Malamud, Vincente Alexandre, Hannelies Taschau, Theun de Vries, Hertha Kräftner, Margreet van Hoorn

 

De Amerikaanse schrijver Bernard Malamud werd op 26 april 1914 in Brooklyn, New York, geboren. Zie ook alle tags voor Bernard Malamud op dit blog. 

Uit: God’s Grace

“When he recovered from his radiation illness, he had acquired a light-brown beard and slim, tanned body, but his short legs, from childhood a bit bent, seemed more so.
No cows, no calcium. One day he journeyed with Buz by rubber raft to the coral atoll on the northwestern side of the island to see what they might recover from the wreck of Rebekah Q. Many useful objects were too large for transportation by raft, but they could pile up small things, about a four-hundred-pound load each trip.
The cave was a sloping half mile from the southern shore of the island, on the opposite side from the reefs; and it was best to carry in supplies by raft around the island rather than attempt to lug them through the rain forest by tortuous, all but-impossible routes. Cohn had made five trips to the beached boat, before he became ill, and had gathered many useful objects. Given his uncertain destiny, he felt he ought not pass up any serviceable item.
He paddled at the forward-port corner, and Buz imitated his friend, wielding his aluminum oar in the starboard corner. Or if the chimp dozed off, Cohn, with difficulty, rowed alone.
A breeze had risen and the water was choppy; it took half the morning to arrive at the reef. The grounded vessel, broken in two and lying broadside the sea, was still there, sprayed by waves chopping against the bony atoll.
Cohn had previously taken back with him The Work: of William Shakespeare, his old Pentateuch, a one-volume encyclopedia, a college dictionary, and a copy-there were eight in his cabin-of Dr. Walther Biinder’s The Great Apes, a classic textbook containing three excellent chapters on the life cycle of the chimpanzee.”

 

 
Bernard Malamud (26 april 1914 – 18 maart 1986)
Cover biografie

Lees meer...

Carl-Christian Elze

 

De Duitse dichter en schrijver Carl-Christian Elze werd geboren op 26 april 1974 in Berlijn. Elze studeerde drie semesters geneeskunde, later biologie en Duits aan de Universiteit van Leipzig. Hij voltooide een lange stage bij de dierentuin van Berlijn. Van 2004-2008 studeerde Elze naast zijn docentschap aan de Henriette-Goldschmidt-Schule aan het Duitse literatuur Instituut in Leipzig. Hij gaf van 2002 tot 2009, samen met Thomas Siemon, Anja Kampmann, Katharina Bendixen en Christian Kreis het literaire tijdschrift plumbum uit. Carl-Christian Elze schrijft poëzie, proza, scenario's en libretti. Zijn gedichtenbundel “ich lebe in einem wasserturm am meer, was albern ist“ verscheen in 2013. In 2016 verscheen de bundel “diese kleinen, in der luft hängenden, bergpredigenden gebilde. Sinds 2012 verzorgt Carl-Christian Elze met Janin Wolke, Udo Grashoff, Mario Salazar en Thorsten Frey de lezingenreeks “niemerlang” in Berlijn en Leipzig.

 

ich lebe in einem wasserturm am meer, was albern ist
ich bin immer versalzen, aber das süße halt ich nicht aus.
eine katze schlich ums haus & hat sich auf den rücken geworfen.
was das nur soll? ich will keine ergebenheit, ich will liebe.
woher ich meine liebe nehme, ist mein größtes geheimnis.
ich habe einen tank voll davon, aber nicht in meinem turm.
ich bin oft betrunken vor liebe ´& oft ein stinkendes feld.
das meer ist eine katze, der ich nichts anvertrauen kann.
in den dünen finden sich manchmal die knochen von engeln.
trete ich aus meinem turm heraus, liebe ich heftig die sonne.

 

 

gehen

immer schneller, schneller gehen, etwas glüht
die muskeln warm, weich, heiß in den avenues
das glatte knochenspiel, gelenke knicken gleiten
als wär ein puppenspieler, der die drähte zieht
den schwerpunkt kennt, die glieder wieder
äste, gesetz: tanz toter pendel! dann:

magnolienblüten, die du liebst, du denkst
nicht schneller als sonst, nicht anders als sonst
magnolienblüten, die du liebst, du denkst
verheddert in den langen drähten
magnolienblüten, die du liebst, du denkst
du denkst, du sinkst, du denkst   verglühst

 

 
Carl-Christian Elze (Berlijn, 26 april 1974)

18:20 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: carl-christian elze, romenu |  Facebook |

25-04-16

Erik Menkveld, Ted Kooser, James Fenton, Walter de la Mare, Ross Franklin Lockridge Jr., Richard Anders

 

De Nederlandse dichter Erik Menkveld werd geboren op 25 april 1959 in Eindhoven. Zie ook alle tags voor Erik Menkveld op dit blog.

 

Koor van ongehoorde waaibomen

Nu we kozijnen zijn
in deze keuken, kijken
ze wel naar de leuke
overbuurvrouw op haar
balkon of een bescheiden
lijnvlucht die over komt,
maar niet naar ons,
die alles omlijsten.

En nu we planken zijn
in deze vloer, horen ze
ons voor geen meter,
terwijl we bij de minste
beroering vervaarlijk
kraken en zij tijdens
koken of woorden tal
van voeten verplaatsen.

Zelfs nu we tafel zijn
waar ze aan eten met onze
poten tussen hun benen
en onder hun blote handen
ons hout, zijn we vergeten:
gesprekken voeren ze aan ons
en kinderen die van geen
witlof willen weten.

Maar allemaal hebben we
blad gedragen, tegen
wilde luchten de wind
in ons tekeer voelen
gaan. En onder sommige
van ons is daar naar
geluisterd en diep
in gedachten gestaan.

 

 
Erik Menkveld (25 april 1959 - 30 maart 2014)

Lees meer...

John Keble

 

De Engelse dichter en predikant John Keble werd geboren op geboren 25 april 1792 in Fairford, Gloucestershire. Keble werd na zijn studie in Oxford tot Fellow van Oriel College verkozen. Van 1831-1841 was hij hoogleraar poëzie. In 1822 ontmoette hij John Henry Newman. Zijn preek "National Apostasy", die hij op 14 juli 1833 in Oxford hield, en waarin hij felle kritiek uitte op de steeds meer van het Christendom verwijderende staat, wordt beschouwd als het begin van de zogenaamde Oxford beweging, die de katholieke traditie binnen de Anglicaanse Kerk probeerde te herontdekken. Een andere belangrijke figuur van deze beweging was Edward Pusey Boverie. Zij schreven de zogenaamde “trakaten” die ver buiten Oxford bekend werden. Keble genoot binnen deze groep een speciale achting, want hij was al een gevestigde dichter en geleerde. In tegenstelling tot Newman bleef Keble zijn hele leven trouw aan Church of England. En niet alleen uit gemakzucht, maar uit echte overtuiging. Hij vertegenwoordigt daarmee de vleugel van de Oxford beweging die zichzelf bewust als onderdeel van deze kerk zag. Kebles in 1827 verschenen dichtbundel “The Christian Year” werd een van de grote klassiekers van de 19e eeuw. Het boek bevat een gedicht voor elke zon- en feestdag van het kerkelijk jaar en kende een grote verspreiding. Het maakte Keble beroemd. Er werden meer dan honderd edities van uitgegeven. In 1836 werd Keble predikant in Hursley (Winchester), waar hij bleef tot aan zijn dood. Hij trouwde op 10 oktober 1835 Charlotte Clarke, die een behulpzame vrouw voor de voorganger en dichter was. Keble College in Oxford werd opgericht in 1870 als een monument voor John Keble

 

First Sunday after Trinity

So Joshua smote all the country, . . . and all their kings; he left none remaining.  _Joshua_ x. 40.

WHERE is the land with milk and honey flowing,
The promise of our God, our fancy’s theme?
Here over shattered walls dank weeds are growing,
And blood and fire have run in mingled stream;
Like oaks and cedars all around
The giant corses strew the ground,
And haughty Jericho’s cloud-piercing wall
Lies where it sank at Joshua’s trumpet call.

These are not scenes for pastoral dance at even,
For moonlight rovings in the fragrant glades,
Soft slumbers in the open eye of Heaven,
And all the listless joy of summer shades.
We in the midst of ruins live,
Which every hour dread warning give,
Nor may our household vine or fig-tree hide
The broken arches of old Canaan’s pride.

Where is the sweet repose of hearts repenting,
The deep calm sky, the sunshine of the soul,
Now Heaven and earth are to our bliss consenting,
And all the Godhead joins to make us whole.
The triple crown of mercy now
Is ready for the suppliant’s brow,
By the Almighty Three for ever planned,
And from behind the cloud held out by Jesus’ hand.

“Now, Christians, hold your own—the land before ye
Is open—win your way, and take your rest.”
So sounds our war-note; but our path of glory
By many a cloud is darkened and unblest:
And daily as we downward glide,
Life’s ebbing stream on either side
Shows at each turn some mouldering hope or joy,
The Man seems following still the funeral of the Boy.

Open our eyes, Thou Sun of life and gladness,
That we may see that glorious world of Thine!
It shines for us in vain, while drooping sadness
Enfolds us here like mist: come Power benign,
Touch our chilled hearts with vernal smile,
Our wintry course do Thou beguile,
Nor by the wayside ruins let us mourn,
Who have th’ eternal towers for our appointed bourne.

 

 
John Keble (25 april 1792 - 29 maart 1866)
Portret door George Richmond, 1863

18:15 Gepost door Romenu in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: john keble, romenu |  Facebook |

24-04-16

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

 

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Zondagsrust

“Een licht fronselen en kraken in het gangetje, doffen van haastige bloote voetjes op houten vloer, en de gangdeur, die op de trap uitkwam, knapte uit haar slot. Het was of hiermee het buitenleven van de straat intoog, en nu overal de gave stiltebol in geluiden openbarstte. Er was even een geplens van vocht overgieten, onverschillige mompelgroet van een grove stem... Daarna hosklosten zware schoenen de trap af en knapte de deur weer veilig dicht.
De vale alkoofschemering echter leefde nu in klein bewegen en geluiden van wakker worden. Het bovenlijf van juffrouw Verhoef was opgespookt uit de vaalschaduwige bedmassa en op zij gekeerd, steunend op de rechterarm, wreef zij zich met de vlakke linkerhand over de oogen, gerekt geeuwend. Naast haar ging het dek omhoog boven de magere knieën van haar man, die aan de muurkant lag, en zijn lange staakarmen hieven op, strekten langs het kussen met een doffe stoot tegen het beschot.
- Jesis... is 't nou al weer uit! geeuwde hij.
- Ja... hebbi nog niet genog gemaft? fluisterde zij schorrig, maar haar aandacht ging naar wat zij in de keuken hoorde: kleine scharrelige geluidjes, gekraak en bordengetik. En opeens riep zij luid:
- M'rietje, wat doe je? Nerges ankomme, hoor je? Ga maar vooreerst weer in bed....
En toen er iets na-kletterde, drifte zij op:
- Gà je!
- Ja... moeder... klonk een dunne kinderstem vleiïg-gedwee terug en toen:
- Mag ik bij u komme?
- Nee, nog niet, ga maar eerst weer in bed... Strakkies, as je vader d'r uit is...
En toen zij het zwakke kraken van de bedsteê in de gang gehoord had, lag de vrouw weer stil op de rug te kijken in het alkoofhokje, dat de morgen nu gevuld had met vuilgrijze schemer. In de kamer, in de gang en ook vòor, bij den commensaal heerschte weer stilte en van boven kwam evenmin geluid. Overal de Zondagochtendrust van lang uitslapen en genietende luiheid.
Tot beneden een klok sloeg met donkere klank.”

 

 
Frans Coenen (24 april 1866 - 23 juni 1936)

Lees meer...

Marcus Clarke, Carl Immermann, Otto Leixner von Grünberg, L. J. M. Feber, Karl Lappe, Gaston Martens

 

De Australische schrijver Marcus Clarke werd geboren op 24 april 1846 in Londen. Zie ook alle tags voor Marcus Clarke op dit blog.

Uit: Australian Tales of the Bush

“He was a quiet fellow enough. His utmost wrath never sufficed to ruffle a hair on the sleek backs of King Cobb’s horses. His utmost mirth never went beyond an ape-like chuckle, that irradiated his painstricken face, as a stray gleam of sunshine lights up the hideousness of the gargoyle on some old cathedral tower.
It was only when “in drink” that Poor Joe became a spectacle for strangers to wonder at. Brandy maddened him, and when thus excited his misshapen soul would peep out of his sunken fiery eyes, force his grotesque legs to dance unseemly sarabands, and compel his pigeonbreast to give forth monstrous and ghastly utterances, that might have been laughs, were they not so much like groans of a brutish despair that had in it a strange chord of human suffering. Coppinger was angry when the poor dwarf was thus tortured for the sport of the whisky-drinkers, and once threw Frolicksome Fitz into the muck midden for inciting the cripple to sputter forth his grotesque croonings and snatches of gruesome merriment. “He won’t be fit for nothin’ to-morrer,” was the excuse Coppinger made for his display of feeling. Indeed, on the days that followed these debauches, Poor Joe was sadly downcast. Even his beloved horses failed to cheer him, and he would sit, red-eyed and woe-begone, on the post-and-rail-fence, like some dissipated bird of evil omen.
The only thing he seemed to love, save his horses, was Coppinger, and Coppinger was proud of this simple affection. So proud was he, that when he discovered that whenever Miss Jane, the sister of Young Bartram, from Seven Creeks, put her pony into the stable, the said pony was fondled and slobbered over and caressed by Poor Joe, he felt something like a pang of jealousy.
Miss Jane was a fair maiden, with pale gold hair, and lips like the two streaks of crimson in the leaf of the white poppy. Young Bartram, owner of Seven Creeks Station—you could see the lights in the house windows from Coppinger’s—had brought her from town to “keep house for him,” and she was the beauty of the country side. Frolicksome Fitz, the pound-keeper, was at first inclined to toast an opposition belle (Miss Kate Ryder of Ryder’s Mount), but when returning home one evening by the New Dam, he saw Miss Jane jump Black Jack over the post-and-wire into the home station paddock, he forswore his allegiance.”

 

 
Marcus Clarke (24 april 1846 – 2 augustus 1881)
In 1886

Lees meer...

23-04-16

400e sterfdag William Shakespeare, Andrey Kurkov, Pascal Quignard, Peter Horst Neumann, Halldór Laxness, Christine Busta, Adelheid Duvanel

 

400e sterfdag William Shakespeare

De Engelse dichter en schrijver William Shakespeare werd geboren in Stradford-upon-Avon op, vermoedelijk, 23 april 1564. Zie ook alle tags voor William Shakespeare op dit blog. William Shakespeare is vandaag precies 400 jaar geleden overleden.

Uit: Sonnets

I

From fairest creatures we desire increase,
That thereby beauty's Rose might never die
But, as the riper should by time decease,
His tender heir might bear his memory.
But thou, contracted to thine own bright eyes,
Feed'st thy light's flame with self-substantial fuel,
Making a famine where abundance lies.
Thyself thy foe, to thy sweet self too cruel.
Thou that art now the world's fresh ornament
And only herald to the gaudy spring,
Within thine own bud buriest thy content
And, tender churl, mak'st waste in niggarding.
   Pity the world, or else this glutton be:
   To eat the world's due, by the grave and thee.

 

 

XVIII

Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date:
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimm'd;
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature's changing course, untrimm'd;
But thy eternal summer shall not fade
Nor lose possession of that fair thou ow'st;
Nor shall Death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou grow'st;
So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this, and this gives life to thee.

 

 

XVIII

U vergelijken met een zomerdag?
Neen, lieflijker en zachter nog zijt gij:
De meiwind striemt de knoppen slag op slag
En o, de zomer vliedt te snel voorbij.

Soms worden wij door 't hemelsoog verschroeid
En dikwijls is zijn gouden gloed verduisterd;
Al 't schone heeft zijn tijd dat het niet bloeit,
Door 't wislend kansspel der natuur ontluisterd.

Uw zomertijd zal echter nooit vergaan
Noch zich ontdoen van 't schone in u verkregen;
Nooit zal de dood zijn schaduw om u slaan,
De toekomst groeit ge in eeuw'ge verzen tegen:

Zolang als er nog iemand ziet en hoort,
Leeft ge in mijn verzen met mijn verzen voort.

 

Vertaald door W. van Elden

 

 

XVIII

Zal ik je meten met een zomerdag?
Jij bent lieflijker en kent meer maat.
Storm beukt wat ik in Mei als knopjes zag;
te snel verliest de zomer zijn mandaat.

Soms schijnt het oog des hemels veel te heet;
vaak is zijn gouden teint van korte duur;
en al wat glanst verliest ooit toch het kleed
ontluisterd door het lot of de natuur.

Jij bent de zomer die voor eeuwig straalt,
en nooit verloren gaat jouw gouden schijn;
nooit grijnst de dood dat je in zijn schaduw dwaalt,
daar jij tijdloos doorleeft in eeuwige lijn.

Zo lang de mens kan ademen, ogen zien,
Zo lang leeft dit, en dus jij bovendien.


Vertaald door Jan Jonk

  

 
William Shakespeare (23 april 1564 – 23 april 1616)
Shakespeare in Leicester Square, Londen

Lees meer...