14-02-16

Julia de Burgos, Frederick Philip Grove, Vsevolod Garsjin, Edmond About, Johann Martin Usteri, Pierre-Claude de La Chaussée, Leone Battista Alberti

 

De Puerto Ricaanse dichteres en schrijfster Julia de Burgos (eig. Julia Constanze Burgos García) werd geboren op 14 februari 1914 in Carolina. Zie ook alle tags voor Julia de Burgos op dit blog.

 

Farewell from Welfare Island

It has to come from here,
right this instance,
my cry into the world.

The past is only a shadow emerging from
nowhere.

Life was somewhere forgotten
and sought refuge in depths of tears
and sorrows;
over this vast empire of solitude and darkness.
Where is the voice of freedom,
freedom to laugh,
to move
without the heavy phantom of despair?
Where is the form of beauty
unshaken in its veil, simple and pure?
Where is the warmth of heaven
pouring its dreams of love in broken
spirits?

It has to be from here,
right this instance,
my cry into the world.
My cry that is no more mine,
but hers and his forever,
the comrades of my silence,
the phantoms of my grave.

It has to be from here,
forgotten but unshaken,
among comrades of silence
deep into Welfare Island
my farewell to the world.

 

 
Julia de Burgos (14 februari 1914 – 6 juli 1953)
Cover biografie 


 

De Canadees-Duitse schrijver en vertaler Frederick Philip Grove werd geboren als Felix Paul Greve op 14 februari 1879 in Radomno, Westpruisen. Zie ook alle tags voor Frederick Philip Grove op dit blog.

Uit: The Master of The Mill

“The two women looked at each other with a smile of comprehension as the old, old man who, considering his years, was still so amazingly active, rose restlessly from his arm-chair to go to the northernmost window of the enormous hall in which they were sitting and to look, over the west end of the dark lake, at the mill. He did this night after night now; but there had been years when he had carefully avoided that view.
All three were in evening clothes; it was the custom to dress for dinner, at the great house on the shelf of the hillside overlooking the two arms of the lake. The women were busy with embroidery; it was rare that either of them spoke on these long evenings after they had risen from table; and if there was occasion for an exchange of words, they were uttered under their breath.
The younger of the two, Lady Clark or Maud, as she was called by her intimates was the old man's daughter-in-law. Though she was still in her early forties, she had, to all appearance, at least for an outsider, only one aim left in life, namely to ease the old man's lapse into that senility which had to come at last, long as it had been staved off by her husband's unexpected death more than a decade ago. The older woman, Miss Charlebois, had once been the 'companion' of Mrs Samuel Clark, the long-dead wife of the old man, a senator of Canada, who had gone to the window whence he looked at the mill as if he must watch that nobody walked off with it.”

 

 
Frederick Philip Grove (14 februari 1879 – 19 augustus 1948)

 

 

De Russische schrijver Vsevolod Garsjin werd geboren op 14 februari 1855 in Prijatnaja Dolina. Zie ook alle tags voor Vsevolod Garsjin op dit blog.

Uit: De beren (Vertaald door Hans Boland)

“Ik herinner me dat we door bebost terrein draafden, dat de kogels ons om de oren floten, dat er takken afbraken onder het spervuur en dat we ons een weg moesten banen door meidoornstruiken. Er werd steeds feller geschoten. Af en toe schitterde er iets roods tussen de bomen aan de bosrand. Sidorov, een jong soldaatje van de eerste compagnie – hoe komt hij toch in onze linie terecht? dacht ik nog even – zakte plotseling door zijn knieën en keek me zwijgend aan, met grote, bange ogen. Het bloed stroomde uit zijn mond. Ja, dat herinner ik me precies. Ook herinner ik me dat ik tussen de dichte begroeiing, toen de bosrand al vlak voor me lag, hem opeens zag: een grote dikke Turk. Zelf ben ik tenger, en helemaal niet sterk, maar ik rende recht op hem af. Er klonk een luide knal en er scheerde iets door de lucht – een enorm gevaarte, leek me. Mijn oren gonsden. Dat is hij, hij heeft op me geschoten, dacht ik. Maar de Turk gaf een schreeuw van pure doodsangst, terwijl hij zijn lichaam tegen de struiken achter zich perste. Hij had eromheen kunnen lopen, maar was kennelijk zo geschrokken dat hij niet meer na kon denken en zichzelf in de stekelige takken van de meidoorn wrong. Daarop sloeg ik hem zijn geweer uit de handen en stak ik mijn bajonet plompverloren in zijn lijf. Er was een geluid dat het midden hield tussen grommen en kreunen. Ik rende verder. Onze mannen riepen ‘Hoera!’, lieten zich op de grond vallen, vuurden. Ik herinner me dat ikzelf ook een paar keer schoot, toen ik me al in het vrije veld bevond. Nu werd het hoerageroep luider, en we rukten op. Dat wil zeggen, niet wij maar onze mannen – zelf bleef ik achter. Dat vond ik vreemd. Nog vreemder was het dat alles ineens in het niets was opgelost. De stemmen en geweren zwegen. Ik hoorde niets meer en zag alleen nog maar wat blauws, de hemel, neem ik aan. Toen loste ook dat op.”

 

 
Vsevolod Garsjin (14 februari 1855 – 31 maart 1888)
 

 

De Franse schrijver Edmond François Valentin About werd geboren op 14 februari 1828 in Dieuze, Lorrainne. Zie ook alle tags voor Edmond About op dit blog.

Uit: Trente et Quarante (Le Capitaine Bitterlin)

“Sa toilette était celle des hommes de trente ans qui brillait vers 1828 : chapeau à bords étroits, col noir grimpant jusqu’aux oreilles, redingote boutonnée sous le menton, pantalon large à gros plis. Les gants qu’il mettait de préférence étaient de fil d’Écosse blanc ; le ruban rouge de sa boutonnière fleurissait opulemment comme un œillet au mois de juin. Sa voix était brève, impérative, et par-dessus tout maussade. Il traînait sur le milieu des phrases et s’arrêtait court à la fin, comme s’il eût commandé l’exercice. Il disait : Comment vous portez… vous ? du même ton qu’il aurait dit : Présentez… arme ! Son caractère était le plus franc, le plus loyal et le plus délicat, mais en même temps le plus aigre, le plus jaloux et le plus malveillant du monde. L’humeur d’un homme de soixante ans est presque toujours le reflet heureux ou triste de sa vie. Les jeunes gens sont tels que la nature les a faits ; les vieillards ont été façonnés par les mains souvent maladroites de la société. Jean-Pierre Bitterlin avait été le plus joli tambour et le plus joyeux enfant de la France à la bataille de Leipsick. La fortune, qui le traitait en enfant gâté, le fit caporal à seize ans et sergent à dix-sept. Devant ses premiers galons, il rêva, comme tant d’autres, les épaulettes étoilées, le bâton de maréchal, et peut-être quelque chose de mieux. L’impossible était rayé du dictionnaire de l’armée. Un brave garçon sans naissance et sans orthographe pouvait aspirer à tout, si l’occasion lui donnait un coup de main. Bitterlin s’était fait remarquer dès son début par la tenue, l’aplomb, le courage, et toutes ces qualités secondaires qui sont l’argent de poche du soldat français. Il mérite sa première épaulette à Waterloo, mais il ne la reçut que neuf ans plus tard, en Espagne. Dans l’Intervalle, il avait eu cent fois la tentation de quitter le service pour revenir planter ses choux à Lunéville ; mais il n’avait jamais conspiré, quoique mécontent et sergent. Il continuait machinalement et sans goût un métier qu’il avait embrassé par enthousiasme. Le café, le service, la lecture du Constitutionnel et les beaux yeux d’une modiste de Toulouse se partageaient les instants de ce guerrier découragé”.

 

 
Edmond About (14 februari 1828 – 16 januari 1885)
Standbeeld op Père Lachaise, Parijs

 

 

De Zwitserse schrijver en dichter Johann Martin Usteri werd geboren op 14 februari 1763 in Zürich. Zie ook alle tags voor Johann Martin Usteri op dit blog.

 

Der Frühlingsboten (Fragment)
Gemälde a la Breughel

Von allen zwölf Monaten in dem Jahr
Geb’ ich das Kränzlein dem Februar,
Und nicht, weil da , von Lust umringt,
Die tolle Fastnacht im Reihen springt,
Und alles lärmt und tanzt und wühlt,
Und hübsch im Stillen sein Müthlein kühlt,
Durch Butzentracht und Mummerei,
Vor Tadel, Spott und Strafe frei.
Nein! Darum hab’ ich den Hornung lieb,
Und ihm das Ehrenkranzlein gieb’,
Weil da des Winters Rinde springt,
Wenn Petri Stuhlfei’r den Storch uns bringt.

Wie oft seufz’ ich nach dieser Zeit,
Wenn’s draußen stürmt und eis’t und schnei’t,
Der Reif die Fenster überzieht
Daß man nicht mehr auf die Straße sieht,
Kein Freudenton in’s Zimmer dringt,
Kein Lied erschallt , kein Vöglein singt,
Und nur der häßliche Rabe krächzt,
Der Boden knistert, das Wagenrad ächzt,
Der Wandrer schnaubt, und hustet Und schneutzt,
Der Frost ihm Nasen und Ohren durchbeitzt,
Die Füße erlahmt, die Finger krümmt-
Und alle Lebenslust benimmt.

 

 
Johann Martin Usteri (14 februari 1763 – 29 juli 1827)

 

 

De Franse toneelschrijver Pierre-Claude Nivelle de La Chaussée werd geboren op 14 februari 1692 in Parijs. Zie ook alle tags voor Pierre-Claude de La Chaussée op dit blog.

Uit: L’École des Mères

“DOLIGNI fils.
Et si j'aimais ailleurs ?
DOLIGNI père.
Ma foi, tant pis pour elle.
Il faudrait, en ce cas, devenir infidèle.
DOLIGNI fils.
Ce n'est donc pas pour moi que vous me mariez ?
DOLIGNI père.
Pour qui donc ?
DOLIGNI fils.
Je le croirais presque.
J'ai compté faire un choix que vous approuveriez.
DOLIGNI père.
L'amour dans un jeune homme est toujours romanesque.
J'aurais été moi-même assez extravagant
Pour épouser aussi ma première amourette,
Si l'on n'eût retenu ma jeunesse indiscrète.
DOLIGNI fils.
Mais je ne connais point Mademoiselle Argant.
DOLIGNI père.
Ni moi : mais elle aura vingt mille écus de rente.
DOLIGNI fils.
Eh ! Quand elle en aurait quarante !
DOLIGNI père.
Ce serait encor mieux.”

 

 
Pierre-Claude de La Chaussée (14 februari 1692 – 14 mei 1754)
Cover

 

 

De Italiaanse dichter, schilder, taalkundige, filosoof, cryptograaf, musicus en architect Leone Battista Alberti werd geboren in Genua op 14 februari 1404. Zie ook alle tags voorLeone Battista Alberti op dit blog.

Uit: De Re Aedificatoria

“We moeten nu iets zeggen over de regels van de verhoudingen die niet afgeleid zijn van harmonie of de natuurlijke verhoudingen van lichamen, maar elders geleend zijn om de drie betrekkingen van de ruimte vast te stellen en om dat te doen moeten we in ogenschouw nemen dat er zeer bijzondere overwegingen zijn in de praktijk die ontleend kunnen worden aan de musici, landmeters en zelfs de rekenkundigen waar we het nu over zullen hebben. De filosofen noemen dit de gemiddelden en de regels ervoor zijn veelvuldig, maar er zijn er drie in het bijzonder die het meest in achting zijn. Van alle is de bedoeling dat als de twee uitersten gegeven zijn, de middelste rede of getal overeenstemt op een bepaalde vastgestelde manier of, om het zo uit te drukken, met een regelmatige betrekking. Het is zaak dat we in dit onderzoek drie termen vinden waarvan de twee uitersten de grootste en de kleinste zijn en het derde of gemiddelde getal moet met de andere twee corresponderen met een juiste betrekking of proportioneel interval, welk interval de gelijke relatieve afstand is die dit getal af staat van de andere twee. Van de drie methoden om dit gemiddelde te vinden en die het meest goedkeuring ondervinden van de filosofen, is die van het rekenkundig gemiddelde het gemakkelijkst en dat gaat als volgt. Als we de twee uiterste getallen nemen, zoals bijvoorbeeld acht voor het grootste en vier voor het kleinste, tel je ze op dat maakt twaalf. Dat wordt in twee gelijke delen verdeeld en maakt zes.”

 

 
Leone Battista Alberti (14 februari 1404 — 25 april 1472)
Anoniem portret

De commentaren zijn gesloten.