31-01-15

Anton Korteweg, Alfred Kossmann, Anna Blaman, Marcus Roloff, Norman Mailer, Stefan Beuse, Benoîte Groult

 

De Nederlands dichter en neerlandicus Anton Korteweg werd geboren in Zevenbergen op 31 januari 1944. Zie ook alle tags voor Anton Korteweg op dit blog.

 

Reiger

Die, sloot verlaten, in de hemel
uit vissen meende te moeten gaan,

ving vuur, hing, maanden nog, aan
een hoogspanningskabel te waaien,
steeds rafeliger en valer.

Was eindelijk zo mooi versleten,
als was hij nooit reiger geweest.

Toen kon ik me weer vergeten.

 

 

Herrlich Weit

Reeds werd ik voor de Rotary gevraagd, waar ik
het zelf wel naar gemaakt heb, want
ik heb het herrlich weit gebracht en ondanks dat
nog iets jongensachtigs behouden.

Mijn vrouw werd in die jaren nauwelijks
wat ouder, eigenlijk kleedt ze zich nog steeds
eenvoudig maar met smaak en maakt
's avonds textielschilderijen.

Onze kinderen noemen wij grut, het zijn
precies één jongen en één meisje, zij
zijn steeds het zonnetje in huis en wekken
bij vrienden afgunst of vertedering.

Als dit zo doorgaat houd ik het niet tegen
dat 'k eens met vochtig oog 'n stuk triplex afzaag
en daarin met een gloeiende breinaald brand:
'Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen.'

 

 

Tunnels

Gebruik de tunnel, staat er, en, die raad gevolgd,
Astrid, I love you. Mooi. So far, so good.
Daal je de Straatweg af het Haagse Bos in:
Astrid. Skelethoer. Negative Erection.

Zo kom je 's morgens om halfnegen in Wassenaar
in tien minuten maar van de banaalste uiting
van liefde tot het grofst vertoon van walging.
In 't echt duurt dat zo'n vijf tot zeven jaar.

 

 
Anton Korteweg (Zevenbergen, 31 januari 1944)


 

De Nederlandse dichter en schrijver Alfred Kossmann werd geboren op 31 januari 1922 in Leiden. Zie ook alle tags voor Alfred Kossmann op dit blog.

Uit: Geur der droefenis

“De jongen, veel kleiner dan de anderen, zag er clownesk uit, gekleed in een plusfour waarvan de rechterpijp hoger was dichtgemaakt dan de linker, een rafelig overhemd - een slip hing over de broekriem -, een te nauw jasje met grote bruine ruiten. Zijn gezicht was een verzameling van haastig bijeengebrachte delen, een laag voorhoofd, een stompe neus, een zeer brede mond, een ronde kin met een kuiltje en lang, stijf zwart haar. Op zijn wangen van dikke geplooide huid schemerde een baard alsof het een stoppelbaard was. Hij heette Bert Spaanks.
De baby lag op haar rug in de witte, wee en zindelijk geurende wieg, met wijd open blauwe ogen en op de linkermondhoek een ragfijn belletje speeksel waar een regenboog in glansde.
‘Jullie zijn rotjongens’ zei Henriët, de moeder, lachend, ‘ik zal thee gaan zetten.’
Ze was jong, blond, fris, zo trots dat zij niet gedeerd kon worden.
‘Wees maar blij dat Hans jullie niet heeft gehoord. Die zou jullie meteen de straat op schoppen’ zei ze en liep op platte sportieve schoenen de deur uit.
De jongens gingen om de blankhouten tafel zitten met een geborduurd kleedje in het midden.
Peter zei: ‘Ze is zo aardig eigenlijk, al houd ik niet van het type.’
Bert Spaanks vertrok zijn gezicht komisch. ‘Ze is met een nationaal-socialist getrouwd. Zullen we haar dat vergeven?’
‘Ze is de ideale vrouw voor een nsb'er’ zei Thomas Rozendal. ‘En hij kan niet eens nsb'er worden als ambtenaar. Vannacht heb ik bedacht wat ik eigenlijk wou zeggen, maar ik vond het te grof bij nader inzien.’
‘Je wilt het nu zeggen’ zei Peter.
‘Laten we juichen om de pas ontstane ploerten en hypocrieten. Ze krijgen net als de hun voorgegane het imbeciele smoel van de Germanen.’
Bert zei: ‘Dat lijkt me een goed versje voor mijn vader.’
Henriët kwam binnen met het theeblad. In de keuken had ze pas nagedacht over het gedrag van de jongens, en nu, geergerd, zette ze het blad fronsend neer en zei: ‘Waarom maken jullie toch altijd van die ellendige opmerkingen? Het is toch een lief meisje om te zien?’

 

 
Alfred Kossmann (31 januari 1922 - 27 juni 1998)
Cover

 

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Anna Blaman werd geboren op 31 januari 1905 te Rotterdam. Zie ook alle tags voor Anna Blaman op dit blog.

 

Ik droomde...

Ik droomde dat ik met haar in een duinpan lag
en eerst haar handen begroef en toen haar voeten
En toen ik haar geboeid en weerloos zag
begroef ik ook mezelf om haar weer te ontmoeten

De duinpan werd dieper dan de schoot der zee
en het zand liep op tot hoge golven
Ik dacht dat ze verdronk en ik dook mee
en stervend hervond ik me diep ingedolven

en leunend aan haar als het verdronken wier,
als tooi om haar borsten, zeedierwelpen,
en in haar oksels, wiergrotten, en dan ook hier --
haar dijen zijn uiteengeweken zeeschelpen.

 

 
Anna Blaman (31 januari 1905 - 13 juli 1960)

 

 

De Duitse dichter en schrijver Marcus Roloff werd geboren op 31 januari 1973 in Neubrandenburg. Zie ook alle tags voor Marcus Roloff op dit blog.

 

faustsequenz

den film zurückspulen
bis die aufblende zeigt
wie ich den pudel fütt're
mit sonderzeichen mit wort-
karst (mich drängt's den grund-
text aufzuschlagen …) auf-
heulend läuft er (im anfang war
der projektor …) durchs bild

wie die spule rattert & sprung-
haftes licht wirft bis ich
mich drehe & in die 8-mm-
kamera sage ich hab'
den teufel im haus ver-
passt & die produzenten
im abspann.

 

 

waten im verdachtsgelände

breitscheid- ecke twachtmannstraße altes rosa
(genossennelke) mitgliedschaften (der andern)
übersprungene klassen (der andern) seemanns
garn im abgestandenen schlosspark (blablabla) nach
schulschluss (sport) lagen die bäume auf bänken
parataktische fehlleistung & hyperaktive schübe
suspektes schweigen am vorabend & abgefummelte
briefmarken (sammlung) oder samstags am glambecker
see (ufer) gab es auch kein erwecken (aufstehen).

 

 
Marcus Roloff (Neubrandenburg, 31 januari 1973)

 

 

De Amerikaanse schrijver Norman Mailer werd op 31 januari 1923 in Long_Branch, New Jersey geboren. Zie ook alle tags voor Norman Mailer op dit blog

Uit: An American Dream

“Years later I read Zen and the Art of Archery and understood the book. Because I did not throw the grenades on that night on the hill under the moon, it threw them, and it did a near-perfect job. The grenades went off somewhere between five and ten yards over each machine-gun, blast, blast, like a boxer's tattoo, one-two, and I was exploded in the butt from a piece of my own shrapnel, whacked with a delicious pain clean as a mistress's sharp teeth going “Yummy” in your rump, and then the barrel of my carbine swung around like a long fine antenna and pointed itself at the machine-gun hole on my right where a great bloody sweet German face, a healthy spoiled over-spoiled young beauty of a face, mother-love all over its making, possessor of that overcurved mouth which only great fat sweet young faggots can have when their rectum is tuned and entertained from adolescence on, came crying, sliding, smiling up over the edge of the hole, “Hello death!” blood and mud like the herald of sodomy upon his chest, and I pulled the trigger as if I were squeezing the softest breast of the softest pigeon which ever flew, still a woman's breast takes me now and then to the pigeon on that trigger, and the shot cracked like a birth twig across my palm, whop! and the round went in at the base of his nose and spread and I saw his face sucked in backward upon the gouge of the bullet, he looked suddenly like an old man, toothless, sly, reminiscent of lechery. Then he whimpered “Mutter,” one yelp from the first memory of the womb, and down he went into his own blood just in time, timed like the interval in a shooting gallery, for the next was up, his hole-mate, a hard avenging specter with a pistol in his hand and one arm off, blown off, rectitude like a stringer of saliva across the straight edge of his lip, the straightest lip I ever saw, German-Protestant rectitude.”

 

 
Norman Mailer (31 januari 1923 – 10 november 2007)
In 1998 

 

 

De Duitse schrijver Stefan Beuse werd geboren op 31 januari 1967 in Münster. Zie ook alle tags voor Stefan Beuse op dit blog.

Uit: Die Nacht der Könige

„Vor der Agentur überfuhr er fast eine Taube. Den ganzen Tag saßen sie in der Einfahrt und pickten in halb verfaulten Kadavern. Winter fiel auf, daß er noch nie einen blutenden Vogel gesehen hatte, er fragte sich, ob es überhaupt Blut gab in so einem Vogel, während er den Wagen zwischen Torbens Citroën und Tatjanas Alfa parkte, in die Reihe der Marketingexperten und Kreativen: heißes Blech in allen Farben der DULUX-Palette. Die Verwesung flirrte über dem Asphalt, sechs oder sieben Tauben hatten sich vor dem Eingang versammelt, und gleichmäßig rollten seine Sohlen ab, drei, vier, sie saßen da, als warteten sie auf ihn, und er zählte weiter, in seinem Inneren, wie immer, wenn er in Situationen geriet, die ihn bedrängten: eine Angewohnheit, die er seit jener Nacht nicht hatte ablegen können.
Plötzlich stob der Schwarm auseinander. Winter hielt die Luft an. Nah an seinen Ohren klangen ihre Flügelschläge wie die Rotorblätter eines startenden Hubschraubers; er duckte sich und spürte, daß sein Haaransatz zu jucken begann. Wie Autoscooter prallten sie gegeneinander, stumpf und plump, und er hielt weiter die Luft an, bis ihm die Lunge brannte. Das Blut rauschte in seinen Ohren, und die Tauben wirbelten in Zeitlupe Dreck auf und Federn; er trat nach ihnen, schlug blind mit den Armen, als kämpfte er gegen eine unsichtbare Armee, dann lehnte er sich gegen die Eingangstür, drückte die Klingel und wartete auf das Summen, mit dem die Verriegelung aufgehoben wurde.
»Guten Morgen, Herr Winter«, sagte Alina vom Empfang aus, während sie sich auf ihrem Sessel hin und her drehte, Winter atmete aus und wieder ein, »sind Sie etwa gerannt?« fragte sie mit gespielter Überraschung, und er vermutete, daß sie sich dabei wahnsinnig geistreich vorkam, weil sie sich ja eigentlich duzten. Aber vielleicht war das nur eine gespielte Ermahnung, weil er noch nie zu spät gekommen war, vor allem nicht zu so wichtigen Terminen, also nichts weiter als eine kokette Art auszuprobieren, wie weit sie bei ihm gehen konnte. Er lächelte und erwiderte ihren Gruß freundlich, aber unverbindlich, professionell also, als hätte es diesen Unterton nie gegeben, und war seltsam stolz auf die Souveränität seiner Reaktion.“

 

 
Stefan Beuse (Münster, 31 januari 1967)

 

 

De Franse schrijfster Benoîte Groult werd geboren op 31 januari 1920 in Parijs. Zie ook alle tags voor Benoîte Groult op dit blog.

Uit: Ainsi soit-elle

“Alors qu'on nous fasse grâce de la galanterie, brandie comme le privilège exquis de notre condition féminine : il ne s'agit que d'une manifestation de l'instinct sexuel. La vraie chaleur humaine naît d'un sentiment plus franc et plus rare et qui n'a rien à voir avec le sexe.
Nous continuons pourtant à nous laisser attendrir par les hommages, comme s'ils signifiaient autre chose que le désir (qui est d'ailleurs une chose fort plaisante, la question n'est pas là), et à nous laisser entortiller par le dernier en date des arguments masculins : "Vous êtes très bien en avocate, en P.D.G., en exploitante agricole, en déléguée syndicale, en informaticienne, en tout ce que vous voudrez. Très très bien même. Mais vous oubliez le principal : vos enfants ne peuvent se passer de vous et nous non plus."
Et scroutch ! Le tour est joué, nous quittons tout émues nos études, notre métier, notre liberté et nous nous laissons enfoncer la sublime auréole sur la tête. Elle nous serre les tempes ; elle nous gêne pour étudier, pour voyager, pour réfléchir et même pour aimer tranquillement. Et s'il nous prend l'envie de mettre l'auréole au vestiaire parce que ce n'est pas une coiffure commode, alors la société se dresse, furibonde et prête à tout. Dans notre pays soi-disant moderne et libre, Gabrielle Russier est morte des préjugés antisexuels et antiféminins, tout comme les héroïnes du XIXème, "déshonorées" par une faute, qui n'est jamais mortelle pour l'autre sexe. »

 

 
Benoîte Groult (Parijs, 31 januari 1920)
 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 31e januari ook mijn eerste blog van vandaag.

De commentaren zijn gesloten.