09-08-14

Luuk Gruwez, Philip Larkin, Gerrit Kouwenaar, Henk Romijn Meijer, Linn Ullmann

 

De Vlaamse dichter, prozaïst en essayist Luuk Gruwez werd geboren op 9 augustus 1953 te Kortrijk. Zie ook alle tags voor Luuk Gruwez op dit blog.

 

Moedermuseum

Ik heb mijn moeder naar een museum gebracht,
suppoost vooruitbetaald om over haar te waken.
Zij zat voortdurend aan zichzelf te knagen
tot enkel kraakbeen van haar overbleef.

Er kwam een firma langs om haar te stutten,
om lichaamsdeel na lichaamsdeel te restaureren
tot zij weer sexy presentabel voor de wereld was.
Onder woonachtigheid ging zij gebukt,

onder herinnering waaraan zij vast bleef kleven
en onder wijdverspreide wankelmoedigheid,
die grotendeels uit zwangerzucht bestaat.

Ik heb mijn moeder naar een museum gebracht
waar zij door tallozen zo mateloos bewonderd wordt
dat zij haar soms met zoutzuur naar het leven staan.

 

 

Trappen

Er zijn er naar beneden en naar boven.
Ze lijken zo verdomd goed op elkaar
dat men ze meestal met elkaar verwart.
Wel gaat het altijd sneller naar beneden.

Tussen muffe kelders en fier firmament
is waar ik woon, waar het hedendaagse
ondermaanse mij meedogenloos voorbijziet
of mij - trap op, trap af - juist breeduit salueert,

misschien zelfs rakelings langs een Vermeer
of langs licht loensende, zeegroene ogen.
'Er heerst hier veel te veel beneden,' mokt de een.

'O, al dat loze boven,' zucht een ander. En ook: 'Waar
gaat toch alles wat verdwijnen moet naartoe? Naar boven?
Naar beneden? En zijn daar dan voldoende trappen voor?

 

 

Het Winkeltje

Ik heb nog een antiquariaatje
van geel verkleurde dromen
op de oever van groot failliet.
Veel komen er niet, maar die er komen,
kopen met tweedehands verdriet.

 

 

 
Luuk Gruwez (Kortrijk, 9 augustus 1953)


 

De Engelse dichter Philip Larkin werd op 9 augustus 1922 geboren in Coventry. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Philip Larkin op dit blog

 

Naar de kerk

Zodra ik zeker weet, dat ik alleen ben
stap ik hier binnen, trek de deur achter me dicht.
Alweer zo’n kerk met rijen banken, oude steen,
overal boekjes; bloemen, afgeknipt
voor zondag, nu verkleurd; glimmende dingen,
daar, waar het heilige gebeurt; een orgeltje;
een oude stilte, vol tastbare spanning
die, God weet al hoe lang, hier hangt. Ik heb geen hoed
maar haal beleefd de fietsklem van mijn broek

en loop naar voren, strijk over het doopvont.
Het dak ziet er, van onderaf gezien, goed uit.
Gerestaureerd? Geverfd? Ik weet het niet, hoe het komt.
Ik ga de preekstoel op. Ik declameer
een paar loodzware verzen, en besluit
met tot zover. Ik klink toch harder dan ik dacht.
De echo doet me na, en ik loop naar de uitgang,
teken het boek, doneer een klein bedrag,
ik weet niet goed meer waar ik hier voor kwam

en toch kwam ik hier weer. Zoals in feite vaak
en altijd weer zonder idee, uiteindelijk,
niet wetend waar te kijken, met de vraag,
als kerken ooit volledig uit de tijd zijn,
wat wij met die gebouwen doen, houden we dan
sommige kathedralen open voor publiek,
met al dat heiligs mooi tentoongesteld,
en sloopt de regen en het vee de andere –
wil niemand dan nog op die onheilsplaatsen komen?

Of komen in de nacht dan vreemde vrouwen
hun kinderen een steen aan laten raken
om zo van kanker te genezen; zouden ze
een dode rond zien lopen, ’s avonds laat?
Iets van de kracht zal wel blijven bestaan
in spelletjes en schijnbaar onlogische namen;
maar bijgeloof, net als geloof, dat blijft niet duren,
wat blijft, als ook het ongeloof voorbijgegaan is?
Gras, onkruid op de tegels, een paar muurtjes, lucht

en elke week iets minder van de vorm,
een minder duidelijke functie. Wie,
vraag ik me af, is dan de laatste die hier komt,
voor wat dit was. Iemand, misschien, die
wat op het hout klopt, weet dat dit het koor heet?
Een zuiplap, zoekend naar antiek,
een kerstliefhebber, die nog hoopt
op het geluid van orgels en de lucht van wierook?
Of iemand namens mij, meer zoals ik,

die hier verveeld en ondeskundig komt, maar weet
wat het gehalte geest is op dit kruispunt, deze grond,
die hier, gemengd met stadsstof, zuinig is geweest,
die heeft bewaard wat nu alleen nog voorkomt
in afscheid, trouwerijen en geboortes,
in dood en denken aan de dood – omdat daarvoor
dit ding gebouwd is? Ik heb geen idee
wat deze opgetuigde klamme huls nog waard is,
ik sta hier graag in stilte, en alleen.

Een serieus gebouw op serieuze grond,
hier hangt de lucht van al onze obsessies
die hier, als noodlot aangekleed, tot rust komen.
En dat is dan toch iets dat niet verdwijnt,
want steeds is er weer iemand die zichzelf verrast
met de behoefte voortaan serieus te zijn,
zijn aandacht zal op deze grond worden gericht:
hij hoorde, dat dit goede grond voor wijsheid was,
alleen al door de vele doden die hier liggen.

 

Vertaald door Menno van der Beek

 

 
Philip Larkin (9 augustus 1922 – 2 december 1985)

 

 

De Nederlandse dichter Gerrit Kouwenaar werd op 9 augustus 1923 in Amsterdam geboren. Hij is vandaag dus 85 jaar geworden. Zie ook mijn blog van 9 augustus 2010 en eveneens alle tags voor Gerrit Kouwenaar op dit blog.

 

Zomergedicht

Van minder een stoel getimmerd, men gaat zitten
onder een verbazingwekkend roerloze zon

terwijl de dorpskinderen de vrede bezingen
op hun blinkende brommers, terwijl de hemel

ondiep is als water onder een roeiboot, terwijl
men woorden laat drijven en zinken

hoort men zich roepen, bloed valt uit de bomen
men herkent zich, staat op om te stelpen

hoe hol de taal nu zijn leegte bevredigt, als os
zich laat slachten, als vlees zich laat strelen

hoe de vogel ontvleugelt, het huis niet meer woont
het brood niet meer eet, de stoel niet meer zetelt

later in donker als men dit uitleest is het heden
geweest, zelfs de verte beweegt niet, alleen

op de bodem martelt nog eten, de maan
als vanouds maak minder bitter en witter -

 

 

Het is zo vandaag

Het is zo vandaag als altijd, heel lang
zijn als altijd de dagen, als altijd
smelt elke dag te vlug het blokje ijs, terwijl

men nog dagen kijkt naar zijn huid, overal
gaten die er gisteren niet waren, overal
heden ontwaart, af en aan snelt met afval
en water, als razend de lieflijke geile
maagdelijke wijnranken bijsnijdt, is het
plotseling tijd

met de misplaatste snoeischaar
in het dal vallend bewijst men steeds eindiger
waar men naar omkijkt

 

 

Alleen in de tuin

Men zit met zijn schimmen in de tuin, licht
bladert schemer, er ademen oude nalatige vragen
men zwijgt zich tezamen, is sprekend zijn naaste
het is later, onhoorbaar als tijd

men zou dit ingedikt niets willen stillen ontmaken
deze langzame cirkel, dit doodlopend loze moment
willen wissen in scheurende zijde, ontastbare
tastende voeten voorbijgaand over het grind

zo duurt men nog even, uurglazen, eetgrage boeken
doodsnood van hongerend voedsel, dan vindt zich
het sterfelijk licht uit en gaat men, gaat men
naar binnen, gehoorzaam, verhoort men het donker -

 

 
Gerrit Kouwenaar (Amsterdam, 9 augustus 1923)

 

 

De Nederlandse schrijver en taalkundige Henk Romijn Meijer werd geboren in Zwolle op 9 augustus 1929. Zie ook alle tags voor Henk Romijn Meijer op dit blog.

Uit: Toen Reve nog Van het Reve was

“Hij had er dadelijk twee op het oog, een met kleine harde tieten en een met grote zachte, ik kon kiezen, het kwam voor elkaar. Dat mijn been als gevolg van mijn ongeluk op den duur stijfgemaakt zou moeten worden inspireerde hem tot een opbeurende gang door de kamer als stijfpoot. Hij knipte voor mij een regenjas uit een lege aardappelzak op een dag van plotselinge regen, toen ik niets beschermends bij me had en schoof hem eigenhandig over mijn hoofd. ‘God zegen je, kerel,’ zei hij als altijd bij het afscheid.
Tirade ging hem ter harte. ‘Henk Meijer,’ zei hij, ‘dat is geen naam voor een schrijver. Hoe heet je moeder,’ zei hij. Het was meer een bevel dan een vraag. ‘Romijn. Dat zetten we ervoor.’ Hij nam een stuk papier en hij schreef. Hij beschouwde de indruk die de nieuwe naam maakte op meer dan leesafstand. ‘Een half pseudoniem,’ zei hij, ‘dat is modern. Zullen we het zo dan maar doen?’ Hij had het zo al gedaan. Hij was een gewetensvol redacteur. ‘We hebben nu iemand,’ vertelde hij me eens, ‘dat is een beeldhouwer en die is ook literair begaafd. Enigszins literair begaafd,’ zei hij, om preciezer te zijn. ‘Die brengt af en toe een verhaal en dan zeg ik, Waarom doe je dit niet een beetje anders en bekijk dat begin toch nog eens goed...’
De beeldhouwer heette natuurlijk Jan Wolkers en dat ‘enigszins literair begaafd’ lijkt me nog steeds een redelijk oordeel over het fenomeen op rupsbanden dat zo graag volhoudt dat het nooit enige steun heeft ontvangen, nooit niet, van niemand.
Meer dan twintig jaar geleden, dit alles, en nog veel meer. Nu spreekt Gerard zich uit over de zwarten. In een wereld die meende dat alle taboes waren verdwenen heeft hij nog een taboe aan het licht gebracht. Nog steeds slaagt hij erin om de mensheid te tergen. Hij is de pestkop gebleven die hij altijd al was.”

 

 
Henk Romijn Meijer (9 augustus 1929 – 23 februari 2008)
Cover


 

 

De Noorse schrijfster Linn Karin Beate Ullmann werd geboren op 9 augustus 1966 in Oslo. Zie ook alle tags voor Linn Ullmann op dit blog.

Uit: The Cold Song (Vertaald door Barbara J. Haveland)

“But something was wrong. Siri held her breath. It had to do with Milla. Or something else. But Milla definitely had something to do with it. Her presence here at Mailund. The slightly lumpish body, the long dark hair (long dark hairs on the kitchen counter, in the bathroom sink, between the sofa and the sofa cushions, on the base-boards and doorframes), her face, sometimes pretty, sometimes not,
beseeching eyes.
More and more Siri found herself having to concentrate in order to keep herself in check—was that the expression? Keep oneself in check? Be one. One body, one voice, one mouth, one thread, and not fall apart, dissolve, collapse in a heap.
“Your main responsibility,” Siri said, “will be to look after Liv for five hours or so every day. But we’d be grateful if you’d keep an eye on Alma as well. Alma’s twelve. She’s”—Siri searched for the right word —“a bit of a loner.”
Milla laughed hesitantly, brushed the hair back from her pretty moon face and said that she thought it all sounded really great.
It was a mild, bright day in May and Siri had invited Milla to the house in Oslo. The idea was for them to get to know each other a little better before the summer. Alma was at school, Liv was at nursery school,
and Jon had gone for a long walk with Leopold. Something about a chapter he was having trouble writing.
Milla had replied to the ad on the Internet for a summer job and Siri had been taken with her application. In her e-mail she came across as a happy, friendly, reliable girl. It would be fantastic to get to know all of you and be able to be part of your family this summer. If I get the job I’ll do my best to be a good “big sister” to your daughters so that you and your husband won’t have to worry when you’re at work.»

 

 
Linn Ullmann (Oslo, 9 augustus 1966)
 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e augustus ook mijn vorige blog van vandaag.

De commentaren zijn gesloten.