26-07-14

Dolce far niente, Remco Campert, Arthur Japin, Gregoire Delacourt, Yves Petry

 

Dolce far niente

 

 

 
Brug over de Schinkel, de Sluis bij de Overtoom, Amsterdam
door Jan Hermanus Melcher Tilmes, z.j.

 

 

Op de Overtoom

Het dooit op de Overtoom
maar het vriest ook alweer op
melden mijn voeten
die mijn dag verlopen
ik blijf dicht bij huis
steeds dichter
dat is mijn leeftijd
wolken worden zwaarder van onkleur
de geur van gisteren hangt nog aan me
ik at met mijn vriend
we braken het brood
en deelden de doden
we zijn al bijna uit zicht
wij lachen nog
wat moet je anders?
omhelzen elkaar ten afscheid
misschien je weet maar nooit

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)


 

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: De man van je leven

“Het legen van een lade, wie verwacht nu dat daaruit troost te putten valt? Al die zooi die je te lang gekoesterd hebt en opgebruikt – even slikken soms, maar dan vastberaden in een vuilniszak enweg ermee – scheiden van dat enkele ding waar een ander, later, misschien nog iets aan heeft, de laatste weken gaf het Tilly zo onverhoopt voldoening.
Ontnuchterend misschien dat zij zich had verkeken op zoveel van wat zij in de loop van haar leven had verzameld, maar ook: wat een verademing dat het eindelijk met een gerust hart zonder er nog ooit naar om te hoeven kijken weg kon.
Wat schiep schoon schip een vrijheid, afstand, opluchting! Van de laatste maanden kon zij zich niets herinneren wat haar zoveel goed gedaan had als de voldoening die zij voelde wanneer er weer ergens in huis een hoekje leeg was.
Na al haar onzekerheid, de spanningen en inspanningen, waarvan het een tijdlang had geleken alsof er geen einde aan zou komen, kwam nu af en toe de bodem plots in zicht en lag daar dan, leek het, tussen alle rotzooi naar haar te lonken als beloning. Het simpele feit dat je weer even wist wat nog van waarde was en wat niet meer.
Orde had ze nodig, korte metten, eindjes aan elkaar en opgeruimd staat netjes. Zo’n grondige behoefte voelde ze aan rust, aan regelen wat er in hart en hoofd nog rommelde, aan weten hoe het precies allemaal zat en zit en verder zou. Plannen trekken en ten uitvoer brengen, waar nodig rigoureuze stappen zetten, dat een mens daar zo van kon genieten, dat wist je niet totdat je, nu of nooit, eraan begon.
Dus ordende zij sinds een week of twee elke dag wel ergens in huis een la, zoals gisterochtend van het linker keukenblok de op één na onderste. Hoeveel pakjes maïzena heeft een mens helemaal nodig? Zijzelf in elk geval geen enkel meer. Ruimen dus, uitdunnen, wegsnijden. Zo kreeg ze, als ze maar stug doorging, alles beetje bij beetje duidelijk.”

 


Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

 

De Franse schrijver, journalist, regisseur en scenarist Gregoire Delacourt werd geboren op 26 juli 1960 in Valenciennes, Zie ook alle tags voor Gregoire Delacourt op dit blog.

Uit: L'écrivain de la famille

« A sept ans, je connus mon premier succès littéraire. La maman en question me serra dans ses bras. Le papa, la mamie et le papy applaudirent.
Les compliments fusèrent. Les verres trinquèrent. Des mots importants furent prononcés. Un don. Il le tient de son grand-père Pierre, celui qui a écrit cette si jolie lettre de Mauthausen, en 1941. Un poète. Un Rimbaud de sept ans.
Il y a eu une larme aussi, sur la joue de mon père ; lente et lourde. Du mercure.
Les regards changèrent. Les sourires s’allongèrent. En quatre rimes pauvres, j’étais devenu l’écrivain de la famille.
A huit ans, je n’eus plus rien à écrire.
La grâce des homonymes appris au CM1 me permit un temps de faire illusion. Je me revois dans la cuisine jaune pâle de notre maison de Valenciennes sortir de ma poche une feuille pliée dans laquelle mes parents émerveillés (qui rime avec pliée) attendaient la confirmation de la poésie du génie.

Je suis allé vers la chaire
J’ai trouvé quelqu’un de cher
Qui voulait manger ma chair

Ma sœur se mit à crier. Mon frère s’envola jusqu’au faîte du bahut. Ma mère bondit vers les escalopes qui brûlaient.
Mon père, lui ne bougea pas. Une lueur étrange irradiait ses yeux verts. Il hocha imperceptiblement la tête. Je sais aujourd’hui que mes mots s’y bousculaient.
Plus tard, alors que j’étais au lit, il me demanda si je connaissais celui-ci, extraordinaire, que seuls quelques hommes savent prononcer sans trébucher. Ce mot qui sépare le vulgum pecus du poète :
- Transsubstantiation.
Je restai coi.
- C’est le terme qui désigne la transformation d’une substance en une autre. La chair de ton poème, c’est l’amour de Dieu. Je le sais, à cause de chaire qui dit église et de cher qui dit amour. Comment as-tu trouvé ça ?
- Je ne sais pas papa, c’est venu tout seul.
Il posa un baiser sur mon front.
- Alors continue. Laisse les choses s’écrire.»

 

 
Gregoire Delacourt (Valenciennes, 26 juli 1960)

 

 

De Vlaamse schrijver Yves Petry werd op 26 juli 1967 geboren in Tongeren. Zie ook alle tags voor Yves Petry op dit blog.

Uit: The Virgin Marino (Vertaald door Paul Vincent)

“When Bruno Klaus awoke one morning from restless dreams, he discovered that he had been transformed in his bed into – well, a monstrous insect is perhaps putting it a little strongly, but like the victim in Kafka’s celebrated story, I too had the feeling of having woken up in a different body from the one I’d gone to bed in. And though in my case it wasn’t a beetle’s body, it was still one that felt alien and uncomfortable. I might have spent the night in a fairly cramped position, which would account for the stiff neck, the painful right shoulder. In addition, I’d spent many hours at the computer over the past few weeks. Three guesses as to what I was doing. Everyone already knows anyway. The posthumous investigation into my computer use brought to light my extensive surfing expeditions through Pornomania.
I’m bound to add that I no longer derived much pleasure from them. Once, I had been able to create tangible shapes from an area of pixels that I could feel move with well-nigh total realism across my longing lips, against my horny crotch, among my many limbs – a sensation, an imaginative feat that formed the teeming core of my pleasure and brought a long afterglow of satisfaction. But I had almost completely lost that ability.
The image was just an image. For me the porn channel had become a barrage of icy looks, which no one could escape, in which everyone climaxed, which no one enjoyed and yet to which everyone returned time after time. These days I never saw a body whose tangibility I tried to imagine. In practice I hadn’t touched one for some time, and now I no longer did so even in my mind. Seated at my computer, I was master of a million or more naked images, so what did I care about the paltry reality of domination over a few real bodies? »

 

 
Yves Petry (Tongeren, 26 juli 1967)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2011 en eveneens deel 2.

De commentaren zijn gesloten.