25-07-14

Dolce far niente, Kees Fens, Lieke Marsman, Max Dauthendey

 

Dolce far niente

 

 
Het Spui in 1895, geschilderd door Eduard Karsen

 

 

Uit: Het stadsgevoel (Het geluk van de brug)

“Soms sta ik in de avond wel eens een klein kwartier voor het raam.
Ik kijk naar de overzijde; lang niet overal brandt licht, maar elk verlicht raam doet mij beseffen dat ik niet alleen ben. Het licht geeft ook een gevoel van veiligheid. De mooiste passages in oude jongensboeken vond ik altijd de beschrijvingen van het sluiten van der stadspoorten. Niemand er meer in, niemand er meer uit, we zitten veilig achter de muren, onder elkaar. Ik geloof dat nog altijd de poort van het Begijnhof op een vast uur wordt gesloten. Ik vind dat een prachtig symbolisch gebaar en ik benijd de poortwachter die het ritueel uitvoert.
Als ik niets meer zie, luister ik. Ik kan de Westertoren horen, de hele nacht door. Ik ben niet alleen. Die sensatie is alleen in een stad mogelijk. (Ik heb nu en dan ook een vertrouwensrelatie met die schildwachten van de nacht: de lantarenpalen.)
Deze week zag ik in het derde deel van de Geschiedenis van Amsterdam een schilderij van Breitner. De Kalverstraat met vlaggen op een regenachtige avond. Ik moet het ooit hebben gezien, ik ben het vergeten en ik voel mij schuldig. Een schitterende streep van geel licht loopt over het bijna abstracte schilderij heen. Licht van etalages kan men nog ter linker- en rechterzijde zien. De besloten straat is voor mij de volmaakte uitdrukking van mijn stadsgevoel. Ik zou daar graag hebben gelopen opgenomen in de lichtstreep. We hebben de ‘echte’ straat niet eens nodig. Al jaren draag ik het schilderij van het Spui van Eduard Karsen in gedachten mee. Het is van een zeldzame stadsintimiteit, zoals ook sommige schilderijen van de grote Witsen.
Ik denk dat mijn stadsgevoelens lopen tot de vroegere afscheiding van stad en land: de lijn Orteliuskade, Postjeskade, Stadionkade. Daarachter ligt een stad van veelal brede straten. De intimiteit is weg, verlichte ramen aan de overzijde zijn verre lichtpunten. Men is er niet meer onder elkaar en misschien pas echt verlaten.”

 

 
Kees Fens (18 oktober 1929 - 14 juni 2008)


 

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman is op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

 

Hemel

Kijk ik kan je niet de hele tijd
met rubber handschoenen aan
naar een nestje gaan dragen
met een mes zo bot als schapenwol
tegen je ei aan blijven tikken
in de hoop dat je naar buiten komt
Er moeten ook meters gemaakt worden
Er moet ook in het 50-meterbad gezwommen worden
Ik bedoel ik bewonder ook het koolmeesje onder de tuintafel
en mensen die ontzettend goed kunnen skateboarden
maar ik kijk niet tegen hen op
dus je moet beter je best doen
Ik bedoel dat het charmant is als ik dronken ben
en Ja wat sta je nou hysterisch
iedere kaars in het haardvuur te doven
wil ik zeggen, niet
iedere rivier is de Styx
en je bent zo ontzettend vergeten
als je denkt dat je gelegen komt
maar je was zo verschrikkelijk sexy
dat ik de hemel
uit de hemel wilde tillen

 

 
Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

 

De Duitse dichter en schilder Max Dauthendey werd geboren op 25 juli 1867 in Würzburg. Zie ook alle tags voor Max Dathendey op dit blog.

 

Sommerelegie

Jeder kommt einmal zu der Erde Rand,
Wo das Land aufhört, Wirklichkeit und Zahl,
Zur Versenkung, drinnen Jahr um Jahr verschwand;
Wo kein Wegmal und auch keine Wahl
Zwischen Nacht und Sonnenstrahl,
Zwischen Berg und Tal.

Sieh, das Sommergrün steht schon grob und groß,
Manche Ranke, derb und kühn, in den Himmel schoß,
Zuchtlos brüsten sich Unkraut und Gedanke.
Berge Laub sind aufgebaut, Wachstum ohne Schranke,
Als bringt nichts sie um, die sich aufgerafft vom Staube;
Strotzend gafft der Baum aus der Blätterhaube.

Gib mir Deine Hand, dran die Adern blauen,
Deine Hand,
Die ich nicht am Wege blindlings fand;
Deine Augen,
Die auf Augenblicke wie goldsuchend schauen
Und zum Sand. -
Gleich sind aller Dinge Endgeschicke,
Aller, welche sich zu leben trauen.

 

 

Der Mond im Nußbaum

Im Nußbaum blieb der Mond im Astwerk hangen,
Liegt wie ein weißes Tier im Astkäfig gefangen
Und preßt sein silbernes Fell an die Käfigstangen.
Der Mond hat Dir über Brücke und Fluß hell folgen müssen,
Ging aus der Stadt uns nach bis zum Nußbaum auf lautlosen Füßen.
Schnell, eh' der Mond sich wieder rührt, muß ich Dich küssen.

 

 

Unsere Toten

Nebel filtert um die Felderrunden, um die brachen,
Und von Nebeln wird das Fenster grau umwunden.
Die sonst nur in unsern Träumen nachts am Bett erwachen,
Unsere Toten, die des Hauses Ausweg leis gefunden,
Kommen herbsttags mit den Nebeln in die Türen, in die Stunden.
Unsere Toten, die nur lächeln, nicht mehr lachen,
Wollen jetzt im Grauen abgebrochene Gespräche weiterführen.
Wollen mit den Nebeln Wangen und Dein Kinn anrühren.
Ihre Arme sind Gedanken, und Du kannst die Toten näher spüren,
Näher jetzt als damals, wo sie noch vom gleichen Glase mit Dir tranken.
Alle Toten können, ohne Ende, liebend die Geschlechter führen,
Und sie gehen aus und ein, wie die Nebel durch geschlossene Türen.

 

 
Max Dauthendey (25 juli 1867 – 29 augustus 1918)

 

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

De commentaren zijn gesloten.